[{"title":"Dissociated deficits of anticipated and experienced regret in at-risk suicidal individuals","authors":"Ai, H., Duan, L., Huang, L., Luo, Y., Aleman, A., Xu, P.,","affiliations":"Tianjin University, Shenzhen University,  Beijing Normal University, Shenzhen Institute of Neuroscience, University Medical Center Groningen","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Front Psychiatry","identifier":"10.3389/fpsyt.2023.1121194","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10034165/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief","youngadult"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Decision-making deficits have been reported as trans-diagnostic characteristics of vulnerability to suicidal behaviors, independent of co-existing psychiatric disorders. Individuals with suicidal behaviors often regret their decision to attempt suicide and may have impairments in future-oriented processing. However, it is not clear how people with suicidal dispositions use future-oriented cognition and past experience of regret to guide decision-making. Here, we examined the processes of regret anticipation and experience in subclinical youth with and without suicidal ideation during value-based decision-making.\n\nMETHODS: In total, 80 young adults with suicidal ideation and 79 healthy controls completed a computational counterfactual thinking task and self-reported measures of suicidal behaviors, depression, anxiety, impulsivity, rumination, hopelessness, and childhood maltreatment.\n\nRESULTS: Individuals with suicidal ideation showed a reduced ability to anticipate regret compared to healthy controls. Specifically, suicidal ideators’ experience of regret/relief was significantly different from that of healthy controls upon obtained outcomes, while their disappointment/pleasure experience was not significantly different from healthy controls.\n\nCONCLUSION: These findings suggest that young adults with suicidal ideation have difficulty predicting the consequences or the future value of their behavior. Individuals with suicidal ideation showed impairments in value comparison and flat affect to retrospective rewards, whereas individuals with high suicidality showed blunted affect to immediate rewards. Identifying the counterfactual decision-making characteristics of at-risk suicidal individuals may help to elucidate measurable markers of suicidal vulnerability and identify future intervention targets.","nl":"ACHTERGROND: Tekortkomingen in de besluitvorming zijn gerapporteerd als transdiagnostische kenmerken van de kwetsbaarheid voor suïcidaal gedrag, onafhankelijk van naast elkaar bestaande psychiatrische stoornissen. Individuen met suïcidaal gedrag hebben vaak spijt van hun beslissing om suïcide te plegen en kunnen beperkingen hebben in de toekomstgerichte verwerking. Het is echter niet duidelijk hoe mensen met suïcidale neigingen toekomstgerichte cognitie en ervaringen met spijt uit het verleden gebruiken om de besluitvorming te sturen. Hier onderzochten we de processen van het anticiperen op en ervaren van spijt bij subklinische jongeren met en zonder suïcidegedachten tijdens op waarden gebaseerde besluitvorming.\n\nMETHODEN: In totaal voltooiden 80 jongvolwassenen met suïcidale gedachten en 79 gezonde controlepersonen een computationele contrafeitelijke denktaak en zelfgerapporteerde metingen van suïcidaal gedrag, depressie, angst, impulsiviteit, herkauwen, hopeloosheid en kindermishandeling.\n\nRESULTATEN: Personen met suïcidegedachten vertoonden een verminderd vermogen om te anticiperen op spijt vergeleken met gezonde controles. In het bijzonder was de ervaring van spijt/opluchting bij suïcidale ideatoren significant verschillend van die van gezonde controles op basis van de verkregen resultaten, terwijl hun teleurstelling/plezier-ervaring niet significant verschilde van die van gezonde controles.\n\nCONCLUSIE: Deze bevindingen suggereren dat jonge volwassenen met suïcidegedachten moeite hebben met het voorspellen van de gevolgen of de toekomstige waarde van hun gedrag. Individuen met suïcidegedachten vertoonden beperkingen in de waardevergelijking en een vlak effect op retrospectieve beloningen, terwijl individuen met hoge suïcidaliteit een afgestompt effect vertoonden op onmiddellijke beloningen. Het identificeren van de contrafeitelijke besluitvormingskenmerken van suïcidale individuen die een risico lopen, kan helpen meetbare markers van suïcidale kwetsbaarheid op te helderen en toekomstige interventiedoelen te identificeren."},"keywords":{"en":["Suicide","Regret","Counterfactual thinking","Computational modeling","At-risk youths"],"nl":["Suïcide","Spijt","Contrafeitelijk denken","Computationeel modelleren","Risicojongeren"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","obs","obs_cross"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Social media use of adolescents who died by suicide: lessons from a psychological autopsy study","authors":"Balt, E., Mérelle, S., Robinson, J., Popma, A., Creemers, D.,van den Brand, I., van Bergen, D., Rasing, S., Mulder, W., Gilissen, R.","affiliations":"113, University of Melbourne, Amsterdam UMC, GGZ Oost Brabant, University of Groningen, NCJ Utrecht","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Child and Adolescent Psychiatry and Mental Health","identifier":"10.1186/s13034-023-00597-9","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10082488/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief","youngadult"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: while there are many benefits for young people to use social media, adverse effects such as cyberbullying, online challenges, social comparison and imitation may provoke and aggravate suicidal thoughts and behaviors. The influence of social media on mental health and suicidal thoughts and behaviours has been amply studied, but there is little empirical evidence for its potential role in adolescent suicides. The current study aimed to inform digital suicide prevention strategies by examining the meaning of social media in the lives of young suicide victims and elucidating the harmful and supportive effects of social media use on their wellbeing and distress.\n\nMETHODS: data were analyzed from a psychological autopsy study of 35 adolescents who died by suicide in the Netherlands (43% of all adolescents who died by suicide in that year). These were 18 girls and 17 boys. All were under the age of twenty years, with an average of seventeen years. Interpretative Phenomenological Analysis was performed of 55 semi structured interviews with peers and parents of the decedents.\n\nRESULTS: young people benefitted from peer support and recovery stories. However, various themes were discussed relating to the harmful effects of social media, including dependency, triggers and imitation, challenges, cybervictimization and psychological entrapment. The themes of dependency and triggers and imitation were more salient in young females. A group of girls cultivated an online identity around their suicidal thoughts and behaviours. Next-of-kin, particularly parents, faced various challenges to talk to the adolescents about social media use, including technological illiteracy, online anonymity, and the youths’ closedness.\n\nCONCLUSIONS: based on the findings, we recommend education to stimulate the digital literacy of parents, health workers and educators, supporting conscientious social media use in young people, and extending the prevention of cyberbullying. We encourage future research to examine how virtual social networks may sustain suicidal thoughts and behaviour, and to further investigate the effectiveness of digital interventions, like moderated peer support and the use of positive role models.","nl":"ACHTERGROND: Hoewel het gebruik van sociale media voor jongeren veel voordelen biedt, kunnen nadelige effecten zoals cyberpesten, online uitdagingen, sociale vergelijking en imitatie suïcidegedachten en -gedragingen uitlokken en verergeren. De invloed van sociale media op de geestelijke gezondheid en suïcidegedachten en -gedragingen is uitgebreid onderzocht, maar er is weinig empirisch bewijs voor de potentiële rol ervan bij suïcides onder adolescenten. Het huidige onderzoek was bedoeld om digitale strategieën voor suïcidepreventie te informeren door de betekenis van sociale media in de levens van jonge suïcideslachtoffers te onderzoeken en de schadelijke en ondersteunende effecten van het gebruik van sociale media op hun welzijn en nood op te helderen.\n\nMETHODEN: Er zijn gegevens geanalyseerd uit een psychologisch autopsieonderzoek onder 35 adolescenten die in Nederland door suïcide zijn omgekomen (43% van alle adolescenten die in dat jaar door suïcide zijn overleden). Dit waren 18 meisjes en 17 jongens. Ze waren allemaal jonger dan twintig jaar, met een gemiddelde van zeventien jaar. Er werd een interpretatieve fenomenologische analyse uitgevoerd van 55 semi-gestructureerde interviews met leeftijdsgenoten en ouders van de overledenen.\n\nRESULTATEN: jongeren profiteerden van steun van lotgenoten en verhalen over herstel. Er werden echter verschillende thema’s besproken met betrekking tot de schadelijke effecten van sociale media, waaronder afhankelijkheid, triggers en imitatie, uitdagingen, cyberslachtofferschap en psychologische beknelling. De thema's afhankelijkheid, triggers en imitatie waren opvallender bij jonge vrouwen. Een groep meisjes cultiveerde een online identiteit rond hun suïcidegedachten en -gedrag. Nabestaanden, vooral ouders, werden geconfronteerd met verschillende uitdagingen om met adolescenten te praten over het gebruik van sociale media, waaronder technologisch analfabetisme, online anonimiteit en de geslotenheid van jongeren.\n\nCONCLUSIES: Op basis van de bevindingen bevelen wij onderwijs aan om de digitale geletterdheid van ouders, gezondheidswerkers en opvoeders te stimuleren, het gewetensvol gebruik van sociale media bij jongeren te ondersteunen en de preventie van cyberpesten uit te breiden. We moedigen toekomstig onderzoek aan om te onderzoeken hoe virtuele sociale netwerken suïcidegedachten en -gedrag in stand kunnen houden, en om de effectiviteit van digitale interventies verder te onderzoeken, zoals gematigde ondersteuning door leeftijdsgenoten en het gebruik van positieve rolmodellen."},"keywords":{"en":["Social media","Suicide","Mental health","Adolescents","Psychological autopsy"],"nl":["sociale media","suïcide","geestelijke gezondheid","adolescenten","psychologische autopsie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["young"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Bij welke sociaal-demografische groepen komt suïcide het meest voor? Inzicht in interacties van risicofactoren met behulp van machine learning","authors":"Berkelmans, G., Gilissen, R., Bhulai, S., van der Mei, R., Schweren, L.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen","identifier":"10.1007/s12508-023-00398-7","link":"https://link.springer.com/article/10.1007/s12508-023-00398-7","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: It is important for suicide prevention to: groups at increased risk of suicide as well possible to identify. So far there is little known about interactions of multiple risk factors. Machine learning methods offer new possibilities for flexible, data-driven, hypothesis-free and robust research into the Interactions of risk factors for suicide.\n\nMETHOD: This study used microdata from the Central Bureau of Statistics socio-demographic data of all Dutch inhabitants. A machine learning model was developed and implemented to analyze interactions of risk factors for suicide.\n\nRESULTS: The results show disproportionately high see suicide incidences among 1) people with a disability benefits who never married 2) incapacitated men, 3) people between 55 and 69 years old who live alone, never married and whose household income is low is. We also found high suicide rates among people between 25 and 39 years old with low educational level and among widowed men.\n\nCONCLUSION: The findings help to implement targeted interventions to reduce the number of suicides.","nl":"INLEIDING: Voor suïcidepreventie is het van belang om groepen met een verhoogd risico op suïcide zo goed mogelijk te identificeren. Tot nog toe is er weinig bekend over interacties van meerdere risicofactoren. Machine learning-methoden bieden nieuwe mogelijkheden voor flexibel, datagedreven, hypothesevrij en robuust onderzoek naar de interacties van risicofactoren voor suïcide.\n\nMETHODE: In dit onderzoek is gebruikgemaakt van microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek met sociaal-demografische gegevens van alle Nederlandse inwoners. Er is een machine learning-model ontwikkeld en uitgevoerd om interacties van risicofactoren voor suïcide te vinden.\n\nRESULTATEN: De resultaten laten disproportioneel hoge suïcide-incidenties zien onder 1) mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering die nooit getrouwd zijn geweest, 2) arbeidsongeschikte mannen, 3) mensen tussen de 55 en 69 jaar oud, die alleen wonen, nooit getrouwd zijn en wiens huishoudinkomen laag is. Daarnaast hebben we hoge suïcidecijfers gevonden onder mensen tussen de 25 en 39 jaar met een laag opleidingsniveau en onder verweduwde mannen.\n\nCONCLUSIE: De bevindingen helpen om gericht interventies in te kunnen zetten om het aantal suïcides te verminderen."},"keywords":{"en":["Community prevention"],"nl":["suïcidepreventie","machine\nlearning","interacties van risicofactoren"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Identifying populations at ultra-high risk of suicide using a novel machine learning method","authors":"Berkelmans, G., Schweren, L., Bhulai, S., van der Mei, R., Gilissen, R.","affiliations":"Centrum Wiskunde & Informatica, 113 Zelfmoordpreventie,  Vrije Universiteit Amsterdam","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Comprehensive Psychiatry","identifier":"10.1016/j.comppsych.2023.152380","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0010440X23000172?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Targeted interventions for suicide prevention rely on adequate identification of groups at elevated risk. Several risk factors for suicide are known, but little is known about the interactions between risk factors. Interactions between risk factors may aid in detecting more specific sub-populations at higher risk. \n\nMETHODS: Here, we use a novel machine learning heuristic to detect sub-populations at ultra high-risk for suicide based on interacting risk factors. The data-driven and hypothesis-free model is applied to investigate data covering the entire population of the Netherlands. \n\nFINDINGS: We found three sub-populations with extremely high suicide rates (i.e. >50 suicides per 100,000 person years, compared to 12/100,000 in the general population), namely: (1) people on unfit for work benefits that were never married, (2) males on unfit for work benefits, and (3) those aged 55–69 who live alone, were never married and have a relatively low household income. Additionally, we found two sub-populations where the rate was higher than expected based on individual risk factors alone: widowed males, and people aged 25–39 with a low level of education. \n\nINTERPRETATION: Our model is effective at finding ultra-high risk groups which can be targeted using sub-population level interventions. Additionally, it is effective at identifying high-risk groups that would not be considered risk groups based on conventional risk factor analysis.","nl":"ACHTERGROND: Gerichte interventies voor suïcidepreventie zijn afhankelijk van een adequate vaststelling van groepen die verhoogd risico lopen. Er zijn verschillende risicofactoren voor suïcide bekend, maar er is weinig bekend over de interacties tussen risicofactoren. Interacties tussen risicofactoren kunnen mogelijk helpen bij het vaststellen van specifiekere subpopulaties met verhoogd risico. \n\nMETHODEN: In dit onderzoek is een nieuwe machinelearningheuristiek gebruikt om subpopulaties op te sporen die een extreem hoog suïciderisico hebben, gebaseerd op interacterende risicofactoren. Het datagestuurd en hypotheseloos model is toegepast om gegevens te onderzoeken die de gehele Nederlandse bevolking beslaan. \n\nRESULTATEN: De onderzoekers hebben drie subpopulaties gevonden met een extreem hoog suïcidepercentage (d.w.z. > 50 suïcides per 100.000 persoonsjaren, vergeleken met 12/100.000 in de algemene bevolking), namelijk: (1) mensen die arbeidsongeschikt zijn en nooit zijn getrouwd, (2) mannen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering en (3) mensen van 55–69 jaar die alleen wonen, nooit getrouwd zijn en een relatief laag huishoudinkomen hebben. Verder vonden de onderzoekers twee subpopulaties waar het percentage hoger dan verwacht was op basis van uitsluitend individuele risicofactoren: weduwnaars en mensen van 25–39 jaar met een laag opleidingsniveau. \n\nINTERPRETATIE: Het model van de onderzoekers is effectief in het opsporen van groepen met een extreem hoog risico, waarop interventies op subpopulatieniveau zich kunnen richten. Verder is het effectief in het vaststellen van groepen met een hoog risico die niet als risicogroep beschouwd zouden worden op basis van conventionele analyse van risicofactoren."},"keywords":{"en":["Suicide","Risk factors","Population data","Machine learning","Interactions"],"nl":["Suïcide","Risicofactoren","Bevolkingsgegevens","Machine learning","Interacties"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Euthanasia in mental health care: qualitative study exploring the opinion of psychiatrists","authors":"Besjes, M.J., van de Vathorst, S.","affiliations":"GGNet, VU Amsterdam","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor Psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/artikelen/article/50-13111_Euthanasie-in-de-ggz-kwalitatief-onderzoek-naar-de-mening-van-psychiaters","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["angst"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: There is a decrease in the degree to which treating psychiatrists are willing to perform euthanasia or assisted suicide themselves. There is a guideline that considers it desirable the patient&rsquo;s own psychiatrist takes up the different phases of a euthanasia request. At the same time, there is an increase in applications to the Euthanasia Expertise Center by patients with a request for euthanasia on the basis of psychological suffering, resulting in a long waiting list.\n\nAIM: To explore whether psychiatrists are prepared to investigate and carry out a request for euthanasia, and to determine which factors influence this.\n\nMETHOD: We held in-depth interviews with 13 psychiatrists working at mental healthcare institutions.\n\nRESULTS: Psychiatrists felt incompetent in going through the euthanasia process. They found investigating a request for euthanasia difficult in the context of their therapeutic relationship and the position of hope and perspective they wished to hold. Psychiatrists with experiences with the capriciousness of euthanasia wishes had a greater reluctance to perform euthanasia in the future.\n\nCONCLUSION: Investigating a wish for euthanasia within the therapeutic relationship is complex for psychiatrists. There is a feeling of incompetence, ignorance and inexperience. There seems to be a great reluctance to euthanasia by the treating psychiatrist.","nl":"ACHTERGROND: Er is een afname in de mate waarin behandelend psychiaters bereid zijn zelf euthanasie of hulp bij suïcide uit te voeren. Er is een richtlijn die het wenselijk acht dat de eigen psychiater van de patiënt de verschillende fases van een euthanasieverzoek op zich neemt. Tegelijkertijd is er sprake van een toename van het aantal aanvragen bij het Expertisecentrum Euthanasie door patiënten met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden, met als gevolg een lange wachtlijst.\n\nDOEL: Nagaan of psychiaters bereid zijn een euthanasieverzoek te onderzoeken en uit te voeren, en te bepalen welke factoren hierop van invloed zijn.\n\nMETHODE: We hielden diepte-interviews met 13 psychiaters werkzaam bij GGZ-instellingen.\n\nRESULTATEN: Psychiaters voelden zich incompetent bij het doorlopen van het euthanasieproces. Zij vonden het lastig om een euthanasieverzoek te onderzoeken in de context van hun therapeutische relatie en de positie van hoop en perspectief die zij wilden innemen. Psychiaters die ervaringen hadden met de grilligheid van euthanasiewensen hadden in de toekomst een grotere terughoudendheid om euthanasie toe te passen.\n\nCONCLUSIE: Het onderzoeken van een euthanasiewens binnen de therapeutische relatie is voor psychiaters complex. Er heerst een gevoel van incompetentie, onwetendheid en onervarenheid. Er lijkt bij de behandelend psychiater een grote weerstand tegen euthanasie te bestaan."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Elevated cognitive rumination and adverse life events are associated with lower cortical surface area and suicidal ideation in adolescents with major depressive disorder","authors":"Dauvermann, M.R., Schmaal, L., Colic, L., van Velzen, L.S., Bellow, S., Ford, T.J., Suckling, J., Goodyer, I.M.","affiliations":"Leiden University","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2022.12.087","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032722014471?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: Suicide is the second most common cause of death among young people. Structural brain alter ations, rumination, and recent stressful experiences contribute to suicidal thoughts and behaviors (STBs). \n\nMETHODS: Here, we employed structural equation modeling (SEM) to examine the unique and combined re lationships of these risk factors with STBs in a sample of young people with major depressive disorder (MDD) from the Magnetic Resonance-Improving Mood with Psychoanalytic and Cognitive Therapies (MR-IMPACT) study (N = 67, mean age = 15.90; standard deviation ± 1.32). \n\nRESULTS: Whereas increased rumination and lower surface area of brain regions, that have been previously re ported to be involved in both STBs and rumination, were associated with each other (Beta = − 0.268, standard error (SE) = 0.114, Z = − 2.346, p = 0.019), only increased rumination was related to greater severity of suicidal ideation (Beta = 0.281, SE = 0.132, Z = 2.134, p = 0.033). In addition, we observed that recent stress was associated with lower surface area in the suicidal ideation model without covariate only (Beta = − 0.312, SE = 0.149, Z = − 2.089, p = 0.037). For the attempt models, no associations were found between any of the risk factors and suicide attempts. \n\nLIMITATIONS: We emphasize that these findings from this secondary analysis are hypothesis-forming and pre liminary in nature given the small sample size for SEM analyses. \n\nCONCLUSION: Our findings suggest that neither lower surface area nor recent stress are directly associated with youth suicidal ideation or attempt. However, lower surface area is related to recent stress and increased rumi nation, which predicted greater severity of suicidal ideation in young people with MDD.","nl":"ACHTERGROND: Suïcide is de op een na meest voorkomende oorzaak van overlijden door jonge mensen. Structurele veranderingen in de hersenen, rumineren en recente stressvolle gebeurtenissen dragen bij aan suïcidale gedachten en gedragingen. \n\nMETHODEN: Hier werd structural equation modeling (SEM) ingezet om de unieke en gecombineerde verbanden [1] te onderzoeken van deze risicofactoren met suïcidale gedachten en gedragingen in een steekproef van jongeren met een ernstige depressie (major depressive disorder, MDD) uit het onderzoek Magnetic Resonance-Improving Mood with Psychoanalytic and Cognitive Therapies (MR-IMPACT) (N = 67, gemiddelde leeftijd = 15,90; standaarddeviatie ± 1,32). \n\nRESULTATEN: Hoewel toegenomen rumineren en een kleiner oppervlaktegebied van hersengebieden, die volgens eerdere rapporten betrokken waren bij zowel suïcidale gedachten en gedragingen als rumineren, met elkaar verband hielden (Bèta = −0,268, standaardfout (SE) = 0,114, Z = −2,346, p = 0,019), hield alleen toegenomen rumineren verband met een grotere ernst van de suïcidale gedachten (Bèta = 0,281, SE = 0,132, Z = 2,134, p = 0,033). Daarnaast zagen de onderzoekers dat recente stress verband hield met een lager oppervlaktegebied uitsluitend in het model voor suïcidale gedachten zonder covarianten (Bèta = −0,312, SE = 0,149, Z = −2,089, p = 0,037). In het model voor suïcidepogingen werd voor geen van de risicofactoren een verband gevonden met suïcidepogingen. Beperkingen: De onderzoekers benadrukken dat deze bevindingen van secundaire analyses bedoeld zijn voor hypothesevorming en voorlopig van aard zijn, gezien de kleine steekproefomvang voor SEM analyses. \n\nCONCLUSIE: Deze bevindingen wijzen erop dat een kleiner oppervlaktegebied en recente stress geen van beide direct verband houden met suïcidale gedachten of pogingen bij jongeren. Wel bleek een kleiner oppervlaktegebied verband te houden met recente stress en toegenomen rumineren; dit voorspelde een grotere ernst van suïcidale gedachten bij jonge mensen met MDD."},"keywords":{"en":["Suicidal ideation","Youth","Major depressive disorder","Rumination","Magnetic resonance imaging","Structural equation modeling"],"nl":[]},"region":["internationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Forecasting call and chat volumes at online helplines for mental health","authors":"de Boer, T.R., Mérelle, S., Bhulai, S., Gilissen, R., van der Mei, R.","affiliations":"Centrum Wiskunde & Informatica, 113, VU","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Public Health","identifier":"10.1186/s12889-023-15887-2","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10219804/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Each year, many help seekers in need contact health helplines for mental support. It is crucial that they receive support immediately, and that waiting times are minimal. In order to minimize delay, helplines must have adequate staffing levels, especially during peak hours. This has raised the need for means to predict the call and chat volumes ahead of time accurately. Motivated by this, in this paper, we analyze real-life data to develop models for accurately forecasting call volumes, for both phone and chat conversations for online mental health support.\n\nMETHODS: This research was conducted on real call and chat data (adequately anonymized) provided by 113 Suicide Prevention (Over ons | 113 Zelfmoordpreventie) (throughout referred to as ‘113’), the online helpline for suicide prevention in the Netherlands. Chat and phone call data were analyzed to better understand the important factors that influence the call arrival process. These factors were then used as input to several Machine Learning (ML) models to forecast the number of call and chat arrivals. Next to that, senior counselors of the helpline completed a web-based questionnaire after each shift to assess their perception of the workload.\n\nRESULTS: This study has led to several remarkable and key insights. First, the most important factors that determine the call volumes for the helpline are the trend, and weekly and daily cyclic patterns (cycles), while monthly and yearly cycles were found to be non-significant predictors for the number of phone and chat conversations. Second, media events that were included in this study only have limited—and only short-term—impact on the call volumes. Third, so-called (S)ARIMA models are shown to lead to the most accurate prediction in the case of short-term forecasting, while simple linear models work best for long-term forecasting. Fourth, questionnaires filled in by senior counselors show that the experienced workload is mainly correlated to the number of chat conversations compared to phone calls.\n\nCONCLUSION: (S)ARIMA models can best be used to forecast the number of daily chats and phone calls with a MAPE of less than 10 in short-term forecasting. These models perform better than other models showing that the number of arrivals depends on historical data. These forecasts can be used as support for planning the number of counselors needed. Furthermore, the questionnaire data show that the workload experienced by senior counselors is more dependent on the number of chat arrivals and less on the number of available agents, showing the value of insight into the arrival process of conversations.","nl":"ACHTERGROND: Elk jaar nemen veel hulpzoekers in nood contact op met gezondheidshulplijnen voor mentale ondersteuning. Het is cruciaal dat zij direct ondersteuning krijgen en dat de wachttijden minimaal zijn. Om vertragingen tot een minimum te beperken, moeten hulplijnen over voldoende personeel beschikken, vooral tijdens de spitsuren. Hierdoor is de behoefte ontstaan aan middelen om de bel- en chatvolumes van tevoren nauwkeurig te voorspellen. Hierdoor gemotiveerd, analyseren we in dit artikel gegevens uit de praktijk om modellen te ontwikkelen voor het nauwkeurig voorspellen van belvolumes, voor zowel telefoon- als chatgesprekken voor online geestelijke gezondheidszorg.\n\nMETHODEN: Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van echte bel- en chatgegevens (adequaat geanonimiseerd) van 113 suïcidepreventie (Over ons | 113 suïcidepreventie) (hierna ook wel ‘113’ genoemd), de online hulplijn voor suïcidepreventie in Nederland. Chat- en telefoongesprekgegevens werden geanalyseerd om een beter inzicht te krijgen in de belangrijke factoren die van invloed zijn op het aankomstproces van oproepen. Deze factoren werden vervolgens gebruikt als input voor verschillende Machine Learning (ML)-modellen om het aantal binnenkomende oproepen en chats te voorspellen. Daarnaast vulden senior adviseurs van de hulplijn na elke dienst een webgebaseerde vragenlijst in om hun perceptie van de werkdruk te beoordelen.\n\nRESULTATEN: Dit onderzoek heeft geleid tot een aantal opmerkelijke en belangrijke inzichten. Ten eerste zijn de belangrijkste factoren die de belvolumes voor de hulplijn bepalen de trend en wekelijkse en dagelijkse cyclische patronen (cycli), terwijl maandelijkse en jaarlijkse cycli geen significante voorspellers blijken te zijn voor het aantal telefoon- en chatgesprekken. Ten tweede hebben de mediagebeurtenissen die in dit onderzoek zijn meegenomen slechts een beperkte – en slechts kortetermijn – impact op de belvolumes. Ten derde blijkt dat zogenaamde (S)ARIMA-modellen leiden tot de meest nauwkeurige voorspellingen in het geval van kortetermijnvoorspellingen, terwijl eenvoudige lineaire modellen het beste werken voor langetermijnvoorspellingen. Ten vierde blijkt uit vragenlijsten ingevuld door senior counselors dat de ervaren werkdruk vooral samenhangt met het aantal chatgesprekken in vergelijking met telefoongesprekken.\n\nCONCLUSIE: (S)ARIMA-modellen kunnen het beste worden gebruikt om het aantal dagelijkse chats en telefoontjes te voorspellen met een MAPE van minder dan 10 in kortetermijnvoorspellingen. Deze modellen presteren beter dan andere modellen, waaruit blijkt dat het aantal aankomsten afhankelijk is van historische gegevens. Deze prognoses kunnen worden gebruikt als ondersteuning bij het plannen van het benodigde aantal adviseurs. Bovendien laten de gegevens van de vragenlijst zien dat de werkdruk die senior begeleiders ervaren meer afhankelijk is van het aantal chataankomsten en minder van het aantal beschikbare agenten, wat de waarde aantoont van inzicht in het binnenkomstproces van gesprekken."},"keywords":{"en":["Suicide prevention helpline","Health","Data analytics","Forecasting","Machine learning"],"nl":["hulplijn voor suïcidepreventie","gezondheid","gegevensanalyse","prognoses","machinaal leren"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Lhbtq-jongeren en suïcidaliteit: ontstaan en hulpbehoeften","authors":"de Lange, J., van Bergen, D., Bosker, R., Bos, H.","affiliations":"113, Rijksuniversiteit Groningen, UVA","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen","identifier":"10.1007/s12508-023-00395-w","link":"https://link.springer.com/article/10.1007/s12508-023-00395-w#author-information","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["lgbtq","youngadult"],"abstract":{"en":"Sexual and gender diverse (SGD) youth might experience some form of minority stress, such as discrimination or rejection because of their sexual orientation and or gender identity. Research has shown relations between minority stressors and suicidal ideation and suicide attempts among SGD youth. Mental healthcare does not yet meet the needs of SGD youth with suicidal ideation. It is important that mental healthcare becomes more inclusive of SGD youth and that healthcare professionals learn how to recognize and discuss suicidal ideation.","nl":"Lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en queer (lhbtq) jongeren en jongvolwassenen kunnen te maken krijgen met minderheidsstressoren, zoals discriminatie en afwijzing vanwege hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit. Onderzoeken laten zien dat er een verband is tussen minderheidsstressoren en suïcidale gedachten en suïcidepogingen onder lhbtq-jongeren. Tot op heden sluit psychologische hulpverlening nog niet aan op de behoeften van lhbtq-personen met suïcidale gedachten. Het is van belang dat de hulpverlening aan lhbtqpersonen inclusiever wordt en dat hulpverleners leren om suïcidaliteit te herkennen en bespreekbaar te maken."},"keywords":{"en":["Minority stress","Suicidal ideation","Suicide","Sexual and gender diverse youth","Healthcare"],"nl":["minderheidsstress","suïcidale\ngedachten","suïcidaliteit","lhbtq","hulpverlening"]},"region":["nationaal"],"type":["anders"],"setting":["healthcareworkers"],"age":[],"outcome":["poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"A Clinical Model for the Differentiation of Suicidality: Protocol for a Usability Study of the Proposed Model","authors":"De Winter, R.F.P., Meijer, C.M., Enterman, J.H., Kool, Goudzwaard, N.K., Gemen, M., Van den Bos, A.T., Steentjes, D., Van Son, G.E., Hazewinkel, M.C., De Beurs, D.P., De Groot, M.H.","affiliations":"Mental Health Institute Rivierduinen Leiden, VU Amsterdam, Maastricht University, Sussex Partnership National Health Service Foundation Trust Eastbourne, Parnassia Mental Health Institute, Trimbos Institute Utrecht, Lentis Mental Health Institute Groningen","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"JMIR Research Protocols","identifier":"10.2196/45438.","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10457700/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief","nabestaanden"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Even though various types of suicidality are observed in clinical practice, suicidality is still considered a uniform concept. To distinguish different types of suicidality and consequently improve detection and management of suicidality, we developed a clinical differentiation model for suicidality. We believe that the model allows for a more targeted assessment of suicidal conditions and improves the use of evidence-based treatment strategies. The differentiation model is based on the experience with suicidality that we have encountered in clinical practice. This model distinguishes 4 subtypes of entrapment leading to suicidality. The earliest description of this model and a proposal for usability research has been previously presented in a book chapter.\n\nOBJECTIVE: In this study, we present the most recent version of the 4-type differentiation model of suicidality and a protocol for a study into the usability of the proposed model.\n\nMETHODS: The 4-type differentiation model of suicidality distinguishes the following subtypes: (1) perceptual disintegration, (2) primary depressive cognition, (3) psychosocial turmoil, and (4) inadequate coping or communication. We plan to test the usability of the 4 subtypes in a pilot study of 25 cases, and subsequently, we will include 75 cases in a follow-up study. We looked at the case notes of 100 anonymized patients with suicidality who presented to mental health care emergency service in The Hague International Center. The summary and conclusions of the letters sent to the patients' general practitioners after suicide risk assessment will be independently rated by 3 psychiatrists and 3 nurse-scientists for absolute and dimensional scores. The Suicidality Differentiation version 2 (SUICIDI-II) instrument, developed for this study, is used for rating all the cases. Intraclass correlation coefficients for absolute and dimensional scores will be calculated to examine type agreement between raters to examine the usability of the model and the feasibility of the SUICIDI-II instrument.\n\nRESULTS: We consider the model tentatively valid if the intraclass correlation coefficients are ≥0.70. Subsequently, if the model turns out to be valid, we plan to rate 75 other cases in a follow-up study, according to a similar or adjusted procedure. Study results are expected to be published by the end of 2023.\n\nCONCLUSION: The theoretical roots of the differentiation model stem from classic and contemporary theoretical models of suicidality and from our clinical practice experiences with suicidal behaviors. We believe that this model can be used to adjust the diagnosis, management, treatment, and research of suicidality, in addition to distinguishing different dynamics between practitioners and patients with suicidality and their families.","nl":"ACHTERGROND: Hoewel er in de klinische praktijk verschillende vormen van suïcidaliteit worden waargenomen, wordt suïcidaliteit nog steeds als een uniform concept beschouwd. Om verschillende soorten suïcidaliteit te onderscheiden en bijgevolg de detectie en het beheer van suïcidaliteit te verbeteren, hebben we een klinisch differentiatiemodel voor suïcidaliteit ontwikkeld. Wij zijn van mening dat het model een meer gerichte beoordeling van suïcidale aandoeningen mogelijk maakt en het gebruik van op bewijs gebaseerde behandelstrategieën verbetert. Het differentiatiemodel is gebaseerd op de ervaringen met suïcidaliteit die we in de klinische praktijk tegenkomen. Dit model onderscheidt 4 subtypes van beknelling die tot suïcidaliteit leiden. De vroegste beschrijving van dit model en een voorstel voor bruikbaarheidsonderzoek zijn eerder gepresenteerd in een boekhoofdstuk.\n\nDOEL: In deze studie presenteren we de meest recente versie van het 4-type differentiatiemodel van suïcidaliteit en een protocol voor een onderzoek naar de bruikbaarheid van het voorgestelde model.\n\nMETHODEN: Het 4-type differentiatiemodel van suïcidaliteit onderscheidt de volgende subtypen: (1) perceptuele desintegratie, (2) primaire depressieve cognitie, (3) psychosociale onrust, en (4) inadequate coping of communicatie. We zijn van plan de bruikbaarheid van de 4 subtypen te testen in een pilotstudie van 25 cases, en vervolgens zullen we 75 cases in een vervolgstudie betrekken. We hebben gekeken naar de casusnotities van 100 geanonimiseerde patiënten met suïcidaliteit die zich meldden bij de spoedeisende hulp van de geestelijke gezondheidszorg in het The Hague International Center. De samenvatting en conclusies van de brieven die na de beoordeling van het suïciderisico naar de huisartsen van de patiënt worden gestuurd, zullen onafhankelijk worden beoordeeld door drie psychiaters en drie verpleegkundig-wetenschappers op absolute en dimensionale scores. Het Suicidality Differentiation versie 2 (SUICIDI-II) instrument, ontwikkeld voor dit onderzoek, wordt gebruikt voor het beoordelen van alle gevallen. Intraclass correlatiecoëfficiënten voor absolute en dimensionale scores zullen worden berekend om de typeovereenkomst tussen beoordelaars te onderzoeken om de bruikbaarheid van het model en de haalbaarheid van het SUICIDI-II-instrument te onderzoeken.\n\nRESULTATEN: We beschouwen het model als voorlopig geldig als de correlatiecoëfficiënten binnen de klasse ≥0,70 zijn. Als het model vervolgens valide blijkt, zijn we van plan om in een vervolgonderzoek 75 andere gevallen te beoordelen, volgens een vergelijkbare of aangepaste procedure. De onderzoeksresultaten zullen naar verwachting eind 2023 worden gepubliceerd.\n\nCONCLUSIE: De theoretische wortels van het differentiatiemodel komen voort uit klassieke en hedendaagse theoretische modellen van suïcidaliteit en uit onze klinische praktijkervaringen met suïcidaal gedrag. Wij zijn van mening dat dit model kan worden gebruikt om de diagnose, het beheer, de behandeling en het onderzoek naar suïcidaliteit aan te passen, naast het onderscheiden van verschillende dynamieken tussen behandelaars en patiënten met suïcidaliteit en hun families."},"keywords":{"en":["ICC","PD","PDC","categories","categorize","category","classification","classify","differentiation","dying","inadequate communication","intraclass correlation coefficients","mental health","mental illness","perceptual disintegration","primary depressive cognition","psychiatric","psychiatry","psychosocial turmoil","subcategories","subcategory","subtype","suicidal","suicidal behavior","suicidal ideation","suicidal thought","suicidality","suicide","suicide prevention","validation study."],"nl":["ICC; PD; PDC; categorieën; categoriseren; categorie; classificatie; classificeren; differentiatie; stervende; ontoereikende communicatie; correlatiecoëfficiënten binnen de klasse; mentale gezondheid; geestesziekte; perceptuele desintegratie; primaire depressieve cognitie; psychiatrisch; psychiatrie; psychosociale onrust; subcategorieën; subcategorie; subtype; suïcidaal; suïcidaal gedrag; suïcidale ideatie; suïcidale gedachten; suïcidaliteit; suïcide; preventie van suïcide; validatie studie."]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwalitatief"],"setting":["ggz"],"age":[],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Existential Suffering as a Legitimization of Euthanasia","authors":"Doomen, J.","affiliations":"Open University of the Netherlands","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Cambridge Quarterly of Healthcare Ethics","identifier":"10.1017/S0963180122000020","link":"https://www.cambridge.org/core/journals/cambridge-quarterly-of-healthcare-ethics/article/existential-suffering-as-a-legitimization-of-euthanasia/C1E56B85EDDC052560B41B7422A9255F","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Several countries have legalized euthanasia on the basis of medically diagnosable suffering over the last decennial; the criteria to which they adhere differ. The topic of this article is euthanasia on the basis of existential suffering. This article presents a recent proposal to legalize euthanasia for people who experience such suffering and then discusses the issue of what the value of life may be, and whether the standard that life is normally something positive should be accepted. This provides the foundation to answer the question of whether euthanasia on the basis of existential suffering should be allowed.","nl":"Verschillende landen hebben de afgelopen tien jaar euthanasie gelegaliseerd op basis van medisch diagnosticeerbaar lijden; de criteria waaraan zij zich houden verschillen. Het onderwerp van dit artikel is euthanasie op basis van existentieel lijden. Dit artikel presenteert een recent voorstel om euthanasie te legaliseren voor mensen die dergelijk lijden ervaren en bespreekt vervolgens de vraag wat de waarde van het leven kan zijn, en of de norm dat het leven normaal gesproken iets positiefs is, geaccepteerd moet worden. Dit biedt de basis voor het beantwoorden van de vraag of euthanasie op grond van existentieel lijden moet worden toegestaan."},"keywords":{"en":["Assisted suicide; Completed life; Euthanasia; Existential suffering."],"nl":["Hulp bij zelfdoding; Voltooid leven; Euthanasie; Existentieel lijden."]},"region":["nationaal"],"type":["fundamenteel","kwalitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The legal relevance of a minor patient's wish to die: a temporality-related exploration of end-of-life decisions in pediatric care","authors":"Dorscheidt, J.H.H.M.","affiliations":"University of Groningen, Maastricht University","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"History and Philosophy of the Life Sciences","identifier":"10.1007/s40656-022-00554-3","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC9845146/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Decisions regarding the end-of-life of minor patients are amongst the most difficult areas of decision-making in pediatric health care. In this field of medicine, such decisions inevitably occur early in human life, which makes one aware of the fact that any life—young or old—cannot escape its temporal nature. Belgium and the Netherlands have adopted domestic regulations, which conditionally permit euthanasia and physician-assisted suicide in minors who experience hopeless and unbearable suffering. One of these conditions states that the minor involved must be legally competent and able to express an authentic and lasting wish to die. This contribution is different from other legal texts on end-of-life decisions in modern health care. Foremost, it deals with the role time-bound components play in our views on the permissibility of such decisions with regard to minor patients. While other disciplines provide profound reflections on this issue, from a legal point of view this side has hardly been explored, let alone examined with regard to its relevance for the legal permissibility of end-of-life decisions in pediatrics. Therefore, the manuscript inquires whether there are legal lessons to be learned if we look more closely to temporality-related aspects of these end-of-life decisions, particularly in connection to a minor patient’s assumable ability to choose death over an agonizing existence.","nl":"Beslissingen over het levenseinde van minderjarige patiënten behoren tot de moeilijkste besluitvormingsgebieden in de pediatrische gezondheidszorg. Op dit gebied van de geneeskunde worden dergelijke beslissingen onvermijdelijk vroeg in het menselijk leven genomen, waardoor men zich bewust wordt van het feit dat geen enkel leven – jong of oud – aan zijn tijdelijke aard kan ontsnappen. België en Nederland hebben binnenlandse regelgeving aangenomen die euthanasie en hulp bij suïcide bij minderjarigen die hopeloos en ondraaglijk lijden ervaren, voorwaardelijk toestaat. Eén van deze voorwaarden stelt dat de betrokken minderjarige handelingsbekwaam moet zijn en een authentieke en duurzame doodswens moet kunnen uiten. Deze bijdrage verschilt van andere juridische teksten over beslissingen rond het levenseinde in de moderne gezondheidszorg. In de eerste plaats gaat het over de rol die tijdsgebonden componenten spelen in onze opvattingen over de toelaatbaarheid van dergelijke beslissingen met betrekking tot minderjarige patiënten. Terwijl andere disciplines diepgaande reflecties over deze kwestie bieden, is deze kant vanuit juridisch oogpunt nauwelijks verkend, laat staan onderzocht op de relevantie ervan voor de juridische toelaatbaarheid van beslissingen rond het levenseinde in de kindergeneeskunde. Daarom onderzoekt het manuscript of er juridische lessen kunnen worden geleerd als we nauwkeuriger kijken naar temporaliteitsgerelateerde aspecten van deze beslissingen rond het levenseinde, vooral in verband met het veronderstelde vermogen van een minderjarige patiënt om de dood te verkiezen boven een kwellend bestaan."},"keywords":{"en":["Euthanasia","End-of-life decisions","Pediatrics","Minor patients","Temporality","Health law"],"nl":["Euthanasie","Beslissingen rond het levenseinde","Kindergeneeskunde","Minderjarige patiënten","Tijdelijkheid","Gezondheidsrecht"]},"region":["nationaal"],"type":["anders"],"setting":["nvt"],"age":["young"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Investigating People's lifetime history of suicide attempts: A roadmap for studying interviewer-related error","authors":"Eikelenboom, M., Horsfall, M., Draisma, S., Smit, J.H.","affiliations":"VUmc, GGZ inGeest","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Quality & Quantity","identifier":"10.1007/s11135-022-01432-7","link":"Investigating people’s lifetime history of suicide attempts: a roadmap for studying interviewer-related error | Quality & Quantity (springer.com)","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"It is critically important to correctly identify persons with a lifetime history (LTH) of suicide attempts (SA) from both a clinical and research perspective. Face-to-face interviews are often the best available method for researchers to collect data about a complex phenomenon like a LTH of SA. However, extensive survey methodology research has shown that probing sensitive topics like a LTH of SA are sensitive for interviewer-related errors or interviewer effects. Studies investigating these interviewer effects are scarce in the field of suicide studies. This study presents a possible roadmap for study of interviewerrelated measurement error and an exploration of role-dependent behaviour of interviewers by assessing the LTH of SA through an epidemiological design. Data from the baseline assessment of the Netherlands Study of Depression and Anxiety (N = 2981) was used to illustrate the proposed roadmap to study interviewer effects. Results show: : (1) that it was possible to identify the existence of interviewer effects in assessing a LTH of SA; (2) that interviewer effects occurred by probing and clarification activities of the interviewer but not with inadequate formulation of the original question and so give a possible explanation for these effects; and (3) that it was possible to study the impact of these effects on the association between a well-known risk factor and LTH of SA. Applying the Measurement Error framework for systematically examining errors in data collection on suicidality seems a promising method.","nl":"Het is van cruciaal belang om personen met een levensgeschiedenis (LTH) van suïcidepogingen (SA) correct te identificeren, zowel vanuit klinisch als onderzoeksperspectief. Persoonlijke interviews zijn vaak de best beschikbare methode voor onderzoekers om gegevens te verzamelen over een complex fenomeen als een LTH of SA. Uit uitgebreid onderzoek naar de onderzoeksmethodologie is echter gebleken dat het onderzoeken van gevoelige onderwerpen, zoals een LTH of SA, gevoelig is voor interviewergerelateerde fouten of interviewereffecten. Studies die deze interviewereffecten onderzoeken, zijn schaars op het gebied van suïcidestudies. Deze studie presenteert een mogelijke routekaart voor onderzoek naar interviewergerelateerde meetfouten en een verkenning van rolafhankelijk gedrag van interviewers door de LTH van SA te beoordelen via een epidemiologisch ontwerp. Gegevens uit de nulmeting van de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (N = 2981) werden gebruikt om de voorgestelde routekaart voor het onderzoeken van interviewereffecten te illustreren. De resultaten tonen aan: (1) dat het mogelijk was om het bestaan van interviewereffecten te identificeren bij het beoordelen van een LTH van SA; (2) dat interviewereffecten optreden door indringende en verhelderende activiteiten van de interviewer, maar niet door een inadequate formulering van de oorspronkelijke vraag, en dus een mogelijke verklaring voor deze effecten geven; en (3) dat het mogelijk was om de impact van deze effecten op de associatie tussen een bekende risicofactor en LTH van SA te bestuderen. Het toepassen van het Measurement Error-framework voor het systematisch onderzoeken van fouten in de gegevensverzameling over suïcidaliteit lijkt een veelbelovende methode."},"keywords":{"en":["Suicide attempt","Reporting errors","Reliability","Prevalence"],"nl":["Suïcidepoging","Meldingsfouten","Betrouwbaarheid","Prevalentie"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief","anders"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt"]}},{"title":"Capturing patients’ satisfaction and experiences with suicide prevention in general \npractice: A bridge too far?","authors":"Elzinga E., Gilissen R., Beekman A., de Beurs D.","affiliations":"113, APH VU Amsterdam, Amsterdam UMC-VUmc, Trimbos Instituut","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"Wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders Reports","identifier":"10.1016/j.jadr.2023.100489","link":"https://pdf.sciencedirectassets.com/778037/1-s2.0-S2666915323X0002X/1-s2.0-S2666915323000288/main.pdf?X-Amz-Security-Token=IQoJb3JpZ2luX2VjEEQaCXVzLWVhc3QtMSJHMEUCIQDPwPIq0wdBvMK2gjJUPwjEAfJ7eB0gQKk9DV0j290nZQIgULLsyC%2F7uuLjYqJ0Boqoh2RxnlRYraUCc5NxgblCGt8qswUILRAFGgwwNTkwMDM1NDY4NjUiDGeY1YlEeX88XDwi2CqQBUkhpnp%2B902dA88bxh7YYOL7jdbjJb0yL9R%2FHScF4YD1R1b7qKa9fPr5oIEMjYPdPHpPjyz2f0rS8hFAKkyoMl4X5DG4sT43CmwTOSbZPG4wb1QExO%2Bmo7ll9unYX7rOWiSqNum5A69SM8ohFnY1KfirrWlArg%2Fspqiw22sbvGZ2IiLlvrq67bzsQD4ojaaeilMRifYXojezaV87GcBlmJL1ok3NKtHbrNjcmmMKfX%2BYLoMdbLBp%2FQMJd7LSQRLLrk494TI4wlxiAfJE0iJpgm4scbOhWaq75fjjpVQcGi%2BpniNvr2Tq4vPnp%2FBA%2FJUFAx3jCXrSXQgHYr2SroELjkXodgftkuasx6gLvW26MQc4THBA%2F6ZMVAMG%2B3OWzLzbNmKd1qUf8ZLYTNJsm1Wra3wBuQNNpa81g%2Bn9lsFHZbwiK6XSXAaGpoOMt4QpK4UWFvOnP4Oon75cCP7kbXoEgL5oFtO%2FsHSxytvyZtIXWhhx%2BibKt%2FM%2B6kHTK7v6kkF3EHzTJ%2F%2FiOUUfsRE2%2ByaQOPUOtuCqmD3CuMglbmU9oYB%2BFelCBINT7wsIYlmOKt6Pl3mrqpHpGZVOb%2FSMNOfQD3Y3wI6hsAfPkKFMlMZDtkGBAyNKy%2FOmKV1pfeWvjeBwOX6frrH9t6fW9SJAOHxO55zPiA70sPS88VWlE0IWwCAaNCSRIoUy%2BlauLGUK6ufoIACW6K5j9gW%2F8Nrl8YXru6y%2BVWP0hYySgvYXUJDlIceZOt6exhNFxd1nQallvFxomCmR5jAlUBMqwFr6XduOdcVuLSDSaessVnywxLogndwVfKARKkGmXBty4OH2jBYpRrYvLrmpDCEFWR69hUT5I1z0IshE3zF8LD%2FrAYYX%2F7eFMJHpuqEGOrEBfwvnyLpxNSWyCePkcSlCosRz%2FRpImSNC%2BJRf6jftrCf2%2BIypHTC48eSNofHBpcEJZQYEYLQS2Ia%2Btjn3SH30zD%2F%2BbBR9uKhciv32pW7WRsUov%2FeURtM2%2FKNiBoV11PHK%2BEaVt09MHBLJIWAOvipkDlH5BbNmh0a9JldHImdfqbNp4npEI1osmr8PZuR9uMX7aUM00GvMqGIPxVN8xEMalVfu2qLTWMDXakAlHtjSyEJn&X-Amz-Algorithm=AWS4-HMAC-SHA256&X-Amz-Date=20230406T125701Z&X-Amz-SignedHeaders=host&X-Amz-Expires=300&X-Amz-Credential=ASIAQ3PHCVTY7FHJNV6W%2F20230406%2Fus-east-1%2Fs3%2Faws4_request&X-Amz-Signature=a7cf4a5228ac26d1689dae3546c64ce692fee18720b7b26a4ec55f7b284c416a&hash=8cdc97ae0da6d5c24b7d91fb59b855430db0075a84b2f9a4b50d594a0e5d9a19&host=68042c943591013ac2b2430a89b270f6af2c76d8dfd086a07176afe7c76c2c61&pii=S2666915323000288&tid=spdf-67488a62-6de8-474b-95f4-304edb0c9de0&sid=4350a6f0189e8041ef18ce6631e3e261fba6gxrqb&type=client&ua=080c500052035052065b&rr=7b3a31b52e4c41bc&cc=nl","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Active exploration of suicidal thoughts in the general practice has the potential to prevent suicides. Yet, little is known about patients’ experiences with suicide\nexploration during consultations with General Practitioners (GPs). This study aimed to gain insights into their experiences of these consultations. \n\nMETHODS: Between March 2019 and March 2020, primary care professionals from Dutch sentinel GP practices were asked to invite eligible patients who consulted for depression or depressive feelings to complete a questionnaire about their experiences with the consultation. In 27 GP practices, a feature was included in the GP system that prompted a pop up screen when eligible patients consulted the GP, which provided data about the recruitment process.\n\nRESULTS: In one year, 521 patients consulted the 27 GP practices for depression related complaints. Hundred (19%) patients where invited by the GP, of which 23 (n = 23%) completed the questionnaire. Recruiting patients through GPs was the most important obstacle in this study; they invited only 1 out of five patients, mostly because of logistic and clinical reasons. The main reason patients declined to participate was simply no interest in the study. \n\nLIMITATIONS: Because of the fragility of consultations and logistical complications, this study failed in rcruiting sufficient participants. \n\nCONCLUSIONS: Capturing patients’ experiences and satisfaction with suicide prevention in primary care by recruiting them through GPs was a bridge too far. Future studies are recommended to better involve GPs into the research process and consider their workload or use alternative recruitment methods, and to combine multiple strategies.","nl":"Het bespreken van suïcidale gedachten met patiënten in de huisartsenpraktijk is belangrijk en heeft de potentie om suïcide te voorkomen. Er is echter weinig bekend over hoe patiënten zulke consulten rondom suïcidaliteit ervaren. Dit onderzoek had het doel om hier inzicht in te krijgen. Tussen maart 2019 en maart 2020 is aan huisartsen uit huisartsenpraktijken die onderdeel zijn van de Nivel peilstations gevraagd om patiënten die vanwege een depressie of depressieve gevoelens op consult kwamen uit te nodigen om een vragenlijst in te vullen over hun ervaringen. In een jaar tijd raadpleegden 521 patiënten de 27 aangesloten huisartsenpraktijken voor depressie gerelateerde klachten. Helaas slaagde het onderzoek er niet in om voldoende patiënten te werven om inzicht te bieden in hun ervaringen met en tevredenheid over het consult. Honderd van de 521 (19%) patiënten werden door de huisarts uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek, waarvan 23 patiënten (23%) de vragenlijst invulden. Het bleek dat het werven van patiënten via huisartsen een belangrijkste obstakel was; huisartsen nodigden slechts één op de vijf patiënten uit. De reden dat zij niet meer\npatiënten uitnodigden waren voornamelijk logistiek en klinisch van aard, zoals dat patiënten mentaal te verward waren of ze spraken geen Nederlands. De belangrijkste reden waarom patiënten weigerden deel te nemen, was eenvoudigweg geen interesse in het onderzoek. We concluderen dat het vastleggen van de ervaringen en tevredenheid van patiënten over suïcidepreventie in huisartsenpraktijken een brug te ver was. Toekomstige studies worden aanbevolen om huisartsen beter bij het onderzoeksproces te betrekken en rekening te houden met hun werkdruk of om alternatieve wervingsmethoden te gebruiken. Daarnaast is het aan te raden om voor een geslaagde werving meerdere strategieën te combineren."},"keywords":{"en":["Suicide prevention","General practice","Suicide exploration","Patients’\nexperiences","Patient satisfaction"],"nl":["Suicidepreventie","huisartsenpraktijk","bespreken van suïcidale gedachten","patiënten ervaring","patiënttevredenheid"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Factsheet Jongvolwassenen","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":null,"identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/infomateriaal_2025/20241023_FS_Jongvolwassenen.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["Young adults","Suicide","Prevention","Needs"],"nl":["Jongvolwassenen","Suïcide","Preventie","Behoeften"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","kwalitatief","anders"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Is there an elephant in the room? Suicide prevention in the General Practice.","authors":"Elzinga, E.","affiliations":"113, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":null,"identifier":"10.5463/thesis.246","link":"https://research.vu.nl/en/publications/is-there-an-elephant-in-the-room-suicide-prevention-in-the-genera","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"General practices play a significant role in suicide prevention. However, their role is not optimally utilized because they may not be fully equipped to prevent suicide. There is a need for more insights and strategies to improve suicide prevention in general practice. The aim of this dissertation is to provide insight into suicide prevention in general practice and describe the possibilities and innovations for improvement. Chapter 2 discusses a study in which we examined how often general practitioners (GPs) inquire about suicidal thoughts in patients who consult their GP for a depression. Suicidal thoughts were assessed about in approximately half of these consultations. Discussing suicidal thoughts was more common among men, younger patients, and patients with a new episode of depression. Four out of ten patients who were asked about suicidal thoughts reported having such thoughts. The main reasons for not assessing suicidal thoughts included GPs assuming, based on their clinical experience, that patients did not have suicidal thoughts. Chapter 3 describes a qualitative study in which we conducted interviews with professionals from general practices, including GPs and mental health practice nurses. Important challenges for suicide prevention included assessing which patients might experience suicidality, partly due to a perceived lack of competence, and collaboration with mental healthcare services. Facilitating factors included the presence of mental health practice nurses, as they have more time, expertise, and experience with such issues. The interventions offered within the SUPRANET community, especially suicide prevention training, were perceived as helpful. Chapter 4 presents a national registration study using data from statistics Netherlands. It compares risk factors for suicide between different healthcare settings: mental healthcare services, general practice, or neither. Patients who died by suicide were more than five times more likely to have received mental healthcare services in the one to two years prior to their death than the reference group. The primary general risk factor for suicide, male gender, showed a decreasing association with suicide in mental healthcare services compared to no mental healthcare services. This also applied to lower income levels and single-person households or single-parent families. Overall, the differences were small and not distinct enough to argue for different suicide prevention strategies per healthcare sector. Chapter 5 describes a study in which an algorithm was created using machine learning techniques to recognize suicidal behaviour based on automatically recorded data in general practices. We compared individuals with a registration of a suicide or suicide attempt with an at-risk control group. The algorithm recognized approximately four out of ten patients with a suicide (attempt). The performance of this algorithm was insufficient for implementation in clinical practice. Nonetheless, this study provides insights into how automated screening techniques may support professionals in general practices. Chapter 6 describes a study in which we attempted to capture the experiences and satisfaction of patients regarding suicide prevention in general practice. Since we failed to include an adequate number of patients, we present the lessons learned from this study instead. The main obstacle was the chosen setting: a depression consultation in the general practice. The main recommendation for future research is, therefore, to choose a design that allows patients to be included without the involvement of GPs. In chapter 7, we investigated whether an intervention involving pop-up windows which appeared during consultations with patients with depression would increase the frequency of assessment of suicidal thoughts over a period of two years. The intervention showed no such effect. It is possible that better alignment of the pop-up windows or simultaneous implementation with other interventions, such as training, yields a greater effect.","nl":"Huisartspraktijken spelen een belangrijke rol bij de preventie van suïcide. Hun rol wordt echter niet optimaal benut, omdat ze mogelijk niet volledig zijn toegerust om suïcide te voorkomen. Er is behoefte aan meer inzichten en strategieën om suïcidepreventie in de huisartspraktijk te verbeteren. Het doel van dit proefschrift is om inzicht te verschaffen in suïcidepreventie in de huisartspraktijk en mogelijkheden en innovaties voor verbetering te beschrijven. Hoofdstuk 2 beschrijft een onderzoek waarin we onderzochten hoe vaak huisartsen informeren naar suïcidale gedachten bij patiënten die hun huisarts raadplegen vanwege een depressie. In ongeveer de helft van deze consulten werden suïcidegedachten besproken. Het bespreken van suïcidegedachten kwam vaker voor bij mannen, jongere patiënten en patiënten met een nieuwe episode van depressie. Vier van de tien patiënten aan wie werd gevraagd naar suïcidegedachten, meldden dat ze dergelijke gedachten hadden. De belangrijkste redenen om suïcidegedachten niet te bespreken waren onder meer dat huisartsen op basis van hun klinische ervaring aannamen dat patiënten geen suïcidegedachten hadden. Hoofdstuk 3 beschrijft een kwalitatief onderzoek waarin we interviews hebben gehouden met professionals uit huisartspraktijken, waaronder huisartsen en praktijkondersteuners GGZ. Belangrijke uitdagingen voor de preventie van suïcide waren onder meer het beoordelen welke patiënten suïcidaliteit zouden kunnen ervaren, deels als gevolg van een ervaren gebrek aan competentie, en de samenwerking met GGZ-instellingen. Faciliterende factoren waren onder meer de aanwezigheid van praktijkverpleegkundigen in de GGZ, omdat zij meer tijd, expertise en ervaring hebben met dergelijke kwesties. De interventies die binnen de SUPRANET-gemeenschap worden aangeboden, met name trainingen op het gebied van suïcidepreventie, werden als nuttig ervaren. Hoofdstuk 4 presenteert een landelijk registratieonderzoek met behulp van gegevens van het CBS. Het vergelijkt risicofactoren voor suïcide in verschillende gezondheidszorginstellingen: GGZ-instellingen, huisartsenpraktijken of geen van beide. Patiënten die door suïcide stierven hadden ruim vijf keer meer kans op geestelijke gezondheidszorg in de één tot twee jaar voorafgaand aan hun overlijden dan de referentiegroep. De belangrijkste algemene risicofactor voor suïcide, het mannelijke geslacht, liet een afnemende relatie zien met suïcide in de geestelijke gezondheidszorg, vergeleken met wanneer er geen geestelijke gezondheidszorg was. Dit gold ook voor lagere inkomensniveaus en voor eenpersoonshuishoudens of eenoudergezinnen. Over het geheel genomen waren de verschillen klein en niet duidelijk genoeg om te pleiten voor verschillende suïcidepreventiestrategieën per gezondheidszorgsector. Hoofdstuk 5 beschrijft een onderzoek waarin een algoritme is ontwikkeld met behulp van machine learning-technieken om suïcidaal gedrag te herkennen op basis van automatisch geregistreerde gegevens in huisartspraktijken. Personen met een registratie van een suïcide of suïcidepoging hebben we vergeleken met een risicocontrolegroep. Het algoritme herkende ongeveer vier op de tien patiënten met een suïcide(poging). De prestaties van dit algoritme waren onvoldoende voor implementatie in de klinische praktijk. Niettemin biedt dit onderzoek inzicht in de manier waarop geautomatiseerde screeningstechnieken professionals in de huisartspraktijk kunnen ondersteunen. Hoofdstuk 6 beschrijft een onderzoek waarin we probeerden de ervaringen en tevredenheid van patiënten met betrekking tot suïcidepreventie in de huisartspraktijk vast te leggen. Omdat we er niet in zijn geslaagd een voldoende aantal patiënten te includeren, presenteren we in plaats daarvan de lessen die uit dit onderzoek zijn geleerd. Het voornaamste obstakel was de gekozen setting: een depressieconsult in de huisartsenpraktijk. De belangrijkste aanbeveling voor toekomstig onderzoek is daarom om een design te kiezen dat het mogelijk maakt patiënten te includeren zonder tussenkomst van huisartsen. In hoofdstuk 7 onderzochten we of een interventie met pop-upvensters die verschenen tijdens consultaties met patiënten met een depressie de frequentie van het beoordelen van suïcidegedachten over een periode van twee jaar zou verhogen. De interventie vertoonde geen dergelijk effect. Het is mogelijk dat een betere afstemming van de pop-upvensters of gelijktijdige implementatie met andere interventies, zoals training, een groter effect oplevert."},"keywords":{"en":["suicide prevention","general practice care","general practice","general practitioner","GP","depression","suicide","assessment","suicidal thoughts","suicide behaviour"],"nl":["suïcidepreventie","huisartsenzorg","huisartsenpraktijk","huisarts","huisarts","depressie","suïcide","beoordeling","suïcidale gedachten","suïcidaal gedrag"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","epi","obs","obs_cross","implementatie","kwantitatief","kwalitatief"],"setting":["patient_nonggz","patientcohort","alle_inwoners","healthcareworkers"],"age":["any"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"CBS bijlage Jongvolwassenen rapport","authors":"Elzinga, E., Berkelmans, G., Mérelle, S.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"rapport","publicationJournal":null,"identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/2023_Rapport_bijlage_jongvolwassenen_CBS.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["young adults","suicide","prevention","needs"],"nl":["Jongvolwassenen","suïcide","preventie","behoeften"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","kwantitatief"],"setting":["ggz","patient_nonggz","populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt"]}},{"title":"Nudging General Practitioners to explore suicidal thoughts among depressed patients","authors":"Elzinga, E., de Beurs, D. P., Beekman, A.T.F., Maarsingh, O.R., Gilissen, R.","affiliations":"113, APH, Amsterdam UMC, InGeest,","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Primary Care","identifier":"10.1186/s12875-023-02043-3","link":"https://bmcprimcare.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12875-023-02043-3","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: While frank discussion of suicidal thoughts in patients with depression is important for the prevention of suicide, suicide exploration of General Practitioners (GPs) is suboptimal. This study aimed to assess whether an intervention that prompts pop-up screens nudges GPs to more frequently explore suicidal thoughts over the course of two years.\n\nMETHODS: From January 2017 to December 2018, the intervention was incorporated in the information system of the Dutch general practice sentinel network. New registration of an episode of depression triggered a pop-up screen referring to a questionnaire about GPs’ behaviour with regard to exploring suicidal thoughts. In two years, 625 questionnaires were completed by GPs and analysed using multilevel logistic regression analyses.\n\nRESULTS: Compared to the first year, GPs were 50% more likely to explore suicidal thoughts among patients in the second year (OR 1.48; 95%CI 1.01–2.16). When adjusting for patients’ gender and age we found that the effect of the pop-up screens disappeared (OR 1.33; 95% CI 0.90–1.97). Suicide exploration occurred less frequently in women than in men (OR 0.64; 95% CI 0.43–0.98) and in older compared to younger patients (OR 0.97; 95% CI 0.96–0.98 per year older). In addition, 26% of variation in suicide exploration was because of differences in general practice. There was no evidence that general practices developed differently over time.\n\nCONCLUSIONS: Although low cost and easy to administer, the pop-up system was not effective in nudging GPs to explore suicidality more frequently. We encourage studies to test whether implementing these nudges as part of a multifaceted approach will lead to a stronger effect. Moreover, we recommend researchers to include more variables, such as work experience or previous mental health training, to better understand the effects of the intervention on GPs’ behaviour.","nl":"ACHTERGROND: Hoewel een openhartige discussie over suïcidegedachten bij patiënten met een depressie belangrijk is voor de preventie van suïcide, is het onderzoek naar suïcide door huisartsen niet optimaal. Deze studie was bedoeld om te beoordelen of een interventie die pop-upschermen oproept, huisartsen ertoe aanzet om in de loop van twee jaar vaker suïcidegedachten te onderzoeken.\n\nMETHODE: Van januari 2017 tot en met december 2018 is de interventie opgenomen in het informatiesysteem van het huisartsenpeilnetwerk Nederland. Nieuwe registratie van een depressieve episode leidde tot een pop-upscherm waarin werd verwezen naar een vragenlijst over het gedrag van huisartsen bij het onderzoeken van suïcidale gedachten. In twee jaar tijd zijn 625 vragenlijsten door huisartsen ingevuld en geanalyseerd met behulp van logistische regressieanalyses op meerdere niveaus.\n\nRESULTATEN: Vergeleken met het eerste jaar hadden huisartsen in het tweede jaar 50% meer kans om suïcidale gedachten bij patiënten te onderzoeken (OR 1,48; 95%CI 1,01–2,16). Bij correctie voor het geslacht en de leeftijd van de patiënt ontdekten we dat het effect van de pop-upschermen verdween (OR 1,33; 95% BI 0,90–1,97). suïcideonderzoek kwam minder vaak voor bij vrouwen dan bij mannen (OR 0,64; 95% BI 0,43–0,98) en bij oudere patiënten vergeleken met jongere patiënten (OR 0,97; 95% BI 0,96–0,98 per jaar ouder). Bovendien was 26% van de variatie in het onderzoek naar suïcide te wijten aan verschillen in de huisartspraktijk. Er waren geen aanwijzingen dat huisartspraktijken zich in de loop van de tijd anders ontwikkelden.\n\nCONCLUSIE: Hoewel het goedkoop was en gemakkelijk te beheren, was het pop-upsysteem niet effectief in het stimuleren van huisartsen om vaker suïcidaliteit te onderzoeken. Wij moedigen onderzoeken aan om te testen of het implementeren van deze nudges als onderdeel van een veelzijdige aanpak tot een sterker effect zal leiden. Bovendien raden we onderzoekers aan om meer variabelen mee te nemen, zoals werkervaring of eerdere opleidingen in de geestelijke gezondheidszorg, om de effecten van de interventie op het gedrag van huisartsen beter te begrijpen."},"keywords":{"en":["Suicide prevention","Suicide exploration","General practitioners","General practice","Mental health","Depression","Intervention","Nudging","Behaviour change","Clinical guidelines"],"nl":["Suïcidepreventie","Huisartsen","Huisartsenpraktijk","Interventie","Nudging","Gedragsverandering"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":[],"outcome":["poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Capturing patients’ satisfaction and experiences with suicide prevention in general practice: A bridge too far?","authors":"Elzinga, E., Gilissen, R., Beekman, A., de Beurs, D.","affiliations":"113, VU, Amsterdam UMC, GGZ inGeest, Trimbos institute","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders Reports","identifier":"10.1016/j.jadr.2023.100489","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2666915323000288","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief","ervaringsdeskundigen"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Active exploration of suicidal thoughts in the general practice has the potential to prevent suicides. Yet, little is known about patients’ experiences with suicide exploration during consultations with General Practitioners (GPs). This study aimed to gain insights into their experiences of these consultations.\n\nMETHODS: Between March 2019 and March 2020, primary care professionals from Dutch sentinel GP practices were asked to invite eligible patients who consulted for depression or depressive feelings to complete a questionnaire about their experiences with the consultation. In 27 GP practices, a feature was included in the GP system that prompted a pop up screen when eligible patients consulted the GP, which provided data about the recruitment process.\n\nRESULTS: In one year, 521 patients consulted the 27 GP practices for depression related complaints. Hundred (19%) patients where invited by the GP, of which 23 (n = 23%) completed the questionnaire. Recruiting patients through GPs was the most important obstacle in this study; they invited only 1 out of five patients, mostly because of logistic and clinical reasons. The main reason patients declined to participate was simply no interest in the study.\n\nLIMITATIONS: Because of the fragility of consultations and logistical complications, this study failed in rcruiting sufficient participants.\n\nCONCLUSIONS: Capturing patients’ experiences and satisfaction with suicide prevention in primary care by recruiting them through GPs was a bridge too far. Future studies are recommended to better involve GPs into the research process and consider their workload or use alternative recruitment methods, and to combine multiple strategies.","nl":"ACHTERGROND: Actief onderzoek naar suïcidegedachten in de huisartspraktijk heeft de potentie om suïcides te voorkomen. Toch is er weinig bekend over de ervaringen van patiënten met suïcideonderzoek tijdens consultaties met huisartsen. Dit onderzoek had tot doel inzicht te krijgen in hun ervaringen met dit overleg.\n\nMETHODE: Tussen maart 2019 en maart 2020 hebben eerstelijnsprofessionals van Nederlandse peilstationpraktijken werd gevraagd om in aanmerking komende patiënten die consulteerden vanwege depressie of depressieve gevoelens uit te nodigen om een vragenlijst in te vullen over hun ervaringen met het consult. In 27 huisartsenpraktijken was kreeg de huisarts een pop-upscherm in het systeem wanneer in aanmerking komende patiënten de huisarts raadpleegden, met informatie over deelname aan het onderzoek.\n\nRESULTATEN: In één jaar tijd raadpleegden 521 patiënten de 27 huisartspraktijken voor depressiegerelateerde klachten. Honderd (19%) patiënten waren uitgenodigd door de huisarts, waarvan 23 (n = 23%) de vragenlijst invulden. Het werven van patiënten via huisartsen was het belangrijkste obstakel in dit onderzoek; meestal nodigden ze slechts één op de vijf patiënten uit vanwege logistieke en klinische redenen. De belangrijkste reden waarom patiënten weigerden deel te nemen was simpelweg geen interesse in de studie.\n\nBEPERKINGEN: Vanwege de kwetsbaarheid van de consultaties en logistieke complicaties is de rekrutering van dit onderzoek mislukt voldoende deelnemers. \n\nCONCLUSIES: Het vastleggen van de ervaringen en tevredenheid van patiënten met suïcidepreventie in de eerstelijnszorg door het werven van hen via huisartsen was een brug te ver. Toekomstige studies worden aanbevolen om huisartsen beter bij de zorg te betrekken onderzoeksproces en houd rekening met hun werklast of gebruik alternatieve rekruteringsmethoden, en combineer er meerdere strategieën."},"keywords":{"en":["Suicide prevention","General practice","Suicide exploration","Patients’ experiences","Patient satisfaction"],"nl":["Suïcidepreventie","Huisartsgeneeskunde","Suïcide-onderzoek","Patiëntenervaringen","Patiënttevredenheid"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult","old"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Stop suïcide onder jongvolwassenen","authors":"Elzinga, E., Looijmans, M., von Spreckelsen, P., Gilissen, R., Mérelle, S.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"rapport","publicationJournal":null,"identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/113%20in%20media/113_rapport%20jongvolwassenen.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["Young adults","Suicide","Prevention","Needs"],"nl":["Jongvolwassenen","Suïcide","Preventie","Behoeften"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt"]}},{"title":"How do explicit, implicit, and sociodemographic measures relate to concurrent suicidal ideation? A comparative machine learning approach","authors":"Freichel, R., Kahveci, S., O'Shea, B.","affiliations":"UVA, Harvard University, Paris-Lodron-University of Salzburg, University of Nottingham","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-Threatening Behavior","identifier":"10.1111/sltb.13017","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/37960948/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicide is a leading cause of death, and decades of research have identified a range of risk factors, including demographics, past self-injury and suicide attempts, and explicit suicide cognitions. More recently, implicit self-harm and suicide cognitions have been proposed as risk factors for the prospective prediction of suicidal behavior. However, most studies have examined these implicit and explicit risk factors in isolation, and little is known about their combined effects and interactions in the prediction of concurrent suicidal ideation.\n\nMETHODS: In an online community sample of 6855 participants, we used different machine learning techniques to evaluate the utility of measuring implicit self-harm and suicide cognitions to predict concurrent desire to self-harm or die.\n\nRESULTS: Desire to self-harm was best predicted using gradient boosting, achieving 83% accuracy. However, the most important predictors were mood, explicit associations, and past suicidal thoughts and behaviors; implicit measures provided little to no gain in predictive accuracy.\n\nCONCLUSION: Considering our focus on the concurrent prediction of explicit suicidal ideation, we discuss the need for future studies to assess the utility of implicit suicide cognitions in the prospective prediction of suicidal behavior using machine learning approaches.","nl":"ACHTERGROND: suïcide is een belangrijke doodsoorzaak, en tientallen jaren van onderzoek hebben een reeks risicofactoren geïdentificeerd, waaronder demografische gegevens, eerdere zelfverwonding en suïcidepogingen, en expliciete suïcidecognities. Meer recentelijk zijn impliciete zelfbeschadiging en suïcidecognities voorgesteld als risicofactoren voor de toekomstige voorspelling van suïcidaal gedrag. De meeste onderzoeken hebben deze impliciete en expliciete risicofactoren echter afzonderlijk onderzocht, en er is weinig bekend over hun gecombineerde effecten en interacties bij het voorspellen van gelijktijdige suïcidegedachten.\n\nMETHODEN: In een online gemeenschapssteekproef van 6855 deelnemers hebben we verschillende machine learning-technieken gebruikt om het nut te evalueren van het meten van impliciete zelfbeschadiging en suïcidecognities om het gelijktijdige verlangen om zichzelf te beschadigen of te sterven te voorspellen.\n\nRESULTATEN: Het verlangen tot zelfbeschadiging werd het best voorspeld met behulp van gradiëntversterking, waarbij een nauwkeurigheid van 83% werd bereikt. De belangrijkste voorspellers waren echter stemming, expliciete associaties en suïcidegedachten en -gedragingen in het verleden; Impliciete metingen leverden weinig tot geen winst op in de voorspellende nauwkeurigheid.\n\nCONCLUSIE: Gezien onze focus op de gelijktijdige voorspelling van expliciete suïcidegedachten, bespreken we de noodzaak van toekomstige studies om het nut van impliciete suïcidecognities te beoordelen bij de prospectieve voorspelling van suïcidegedrag met behulp van machine learning-benaderingen."},"keywords":{"en":["Explicit suicide cognitions","Implicit suicide cognitions","Machine learning","Predictive utility","Self-harm","Suicidal ideation."],"nl":["Expliciete suïcidale cognities","Impliciete suïcidale cognities","Machinaal leren","Voorspellend nut","Zelfbeschadiging","Suïcidale gedachten."]},"region":["internationaal"],"type":["epi","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Community Prevention: Improving Suicide Prevention Through the Creation of Local Suicide Prevention Action Networks","authors":"Gilissen, R., Steendam, M., Elzinga, E., van der Burgt, M., Beekman, A.","affiliations":"113, Mental Healthcare Center Lentis, VUmc","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Springer Nature Switzerland","identifier":"10.1007/978-3-030-41319-4_71-1","link":"https://link.springer.com/referenceworkentry/10.1007/978-3-030-41319-4_71-1#DOI","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["lgbtq"],"abstract":{"en":"Worldwide there is a growing conviction that many and perhaps most suicides can be prevented. However, little progress has been made in reducing suicide rates. The lack of success in reducing suicide rates highlights the need to rethink current suicide prevention strategies. Shifts in trends require national as well as local approaches. This chapter describes the need of using evidence-based suicide prevention approaches on multiple levels and illustrates a multilevel community approach to prevent suicide in the Netherlands: SUPRANET Community, based on the European Alliance Against Depression. There is growing evidence that multilevel approaches to prevent suicide are indeed effective. However, there are various challenging factors that should be taken into account.","nl":"Wereldwijd groeit de overtuiging dat veel en misschien wel de meeste suïcides voorkomen kunnen worden. Er is echter weinig vooruitgang geboekt bij het terugdringen van de suïcidecijfers. Het gebrek aan succes bij het terugdringen van de suïcidecijfers onderstreept de noodzaak om de huidige strategieën voor suïcidepreventie te heroverwegen. Verschuivingen in trends vereisen zowel een nationale als een lokale aanpak. Dit hoofdstuk beschrijft de noodzaak van het gebruik van op bewijs gebaseerde benaderingen van suïcidepreventie op meerdere niveaus en illustreert een gemeenschapsaanpak op meerdere niveaus om suïcide in Nederland te voorkomen: SUPRANET Community, gebaseerd op de Europese Alliantie tegen Depressie. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat benaderingen op meerdere niveaus om suïcide te voorkomen inderdaad effectief zijn. Er zijn echter verschillende uitdagende factoren waarmee rekening moet worden gehouden."},"keywords":{"en":["Multilevel intervention"],"nl":["Interventie op meerdere niveaus\nPreventie van suïcide\nGemeenschapspreventie\nSUPRANET-gemeenschap"]},"region":["nationaal"],"type":["review","epi","obs","obs_cross","kwalitatief"],"setting":["ggz","alle_inwoners","healthcareworkers"],"age":[],"outcome":["suicide","poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"How do group workers respond to suicidal behavior? Experiences and perceptions of suicidal female adolescents residing in secure residential youth care in the Netherlands","authors":"Kaijadoe, S.P.T., Klip, H., de Weerd, A., van Arragon, E.A.\nNijhof, K.S., Popma, A., Scholte, R.H.J.","affiliations":"Karakter Child and Adolescent Psychiatry University Centre Nijmegen, Pluryn Nijmegen,Radboud University Nijmegen, VU Amsterdam","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"PLOS ONE","identifier":"10.1371/journal.pone.0283744","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10062624/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief","ervaringsdeskundigen","youngadult"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Adolescent suicidal behavior, including non-suicidal self-injury, is increasingly prevalent in Secure Residential Youth Care (SRYC) in the Netherlands. Group workers play a vital role in the well-being and functioning of adolescents in SRYC as they interact with adolescents on a daily basis. However, we have little understanding of how adolescents perceive group workers' responses to suicidal behavior and we lack knowledge about the impact of these responses on adolescents and the group climate.\n\nAIM: The aim of this study is to explore (a) how adolescents value group workers responses towards suicidal behavior and (b) the impact of these responses on adolescents, as well as (c) on the group climate. The results can be used to develop care-policy to improve care for suicidal adolescents in SYRC.\n\nMETHOD: Eleven suicidal female adolescents residing in SRYC were interviewed. All adolescents had previously displayed suicidal behavior, including non-suicidal self-injury. Interviews were analyzed using grounded theory.\n\nCONCLUSION: This study presents the perceptions of suicidal female adolescents residing in SRYC about group workers' responses on suicidal behavior. Adolescents prefer group workers who react responsive to suicidal behavior. Responsive care, trust and connectedness help adolescents disclose their suicidal thoughts. Participants criticize group workers who are non-responsive as being distant, and their relationship with these group workers lacked trust, communication, a sense of connection, or personal depth. All adolescents underline the devastating impact of involuntary seclusion, and stress the importance of being able to disclose without fear of coercive consequences. Findings indicate that non-responsive reactions contribute to an increase in suicidal distress as well as a closed group climate.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidaal gedrag bij adolescenten, inclusief niet-suïcidaal zelfverwonding, komt steeds vaker voor in de beveiligde residentiële jeugdzorg (SRYC) in Nederland. Groepswerkers spelen een cruciale rol in het welzijn en functioneren van adolescenten in SRYC terwijl zij dagelijks met adolescenten omgaan. We hebben echter weinig inzicht in hoe adolescenten de reacties van groepswerkers op suïcidaal gedrag waarnemen, en we missen kennis over de impact van deze reacties op adolescenten en het groepsklimaat.\n\nDOEL: Het doel van deze studie is om te onderzoeken (a) hoe adolescenten de reacties van groepswerkers op suïcidaal gedrag waarderen en (b) de impact van deze reacties op adolescenten, evenals (c) op het groepsklimaat. De resultaten kunnen worden gebruikt om zorgbeleid te ontwikkelen om de zorg voor suïcidale adolescenten in SYRC te verbeteren.\n\nMETHODE: Elf suïcidale vrouwelijke adolescenten die in SRYC woonden, werden geïnterviewd. Alle adolescenten hadden eerder suïcidaal gedrag vertoond, inclusief niet-suïcidale zelfverwonding. Interviews werden geanalyseerd met behulp van gefundeerde theorie.\n\nCONCLUSIE: Deze studie presenteert de percepties van suïcidale vrouwelijke adolescenten die in SRYC verblijven over de reacties van groepswerkers op suïcidaal gedrag. Adolescenten geven de voorkeur aan groepswerkers die reageren op suïcidaal gedrag. Responsieve zorg, vertrouwen en verbondenheid helpen adolescenten hun suïcidegedachten openbaar te maken. Deelnemers bekritiseren groepswerkers die niet reageren als afstandelijk, en hun relatie met deze groepswerkers ontbeert vertrouwen, communicatie, een gevoel van verbondenheid of persoonlijke diepgang. Alle adolescenten onderstrepen de verwoestende impact van onvrijwillige afzondering, en benadrukken het belang van het kunnen onthullen zonder angst voor dwangmatige gevolgen. Bevindingen geven aan dat niet-reagerende reacties bijdragen aan een toename van suïcidale problemen en aan een gesloten groepsklimaat."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["young"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Patients requesting and receiving euthanasia for psychiatric disorders in the Netherlands","authors":"Kammeraat, M., van Rooijen, G.,  Kuijper, L., Kiverstein, J. D., Denys, D. A. J. P.","affiliations":"Amsterdam UMC, Expertisecentrum Euthanasia The Hague, Dijklander Ziekenhuis Hoorn","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ Mental Health","identifier":"10.1136/bmjment-2023-300729","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10335461/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief","nabestaanden","ervaringsdeskundigen"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Euthanasia and assisted suicide (EAS) for patients with psychiatric disorders occupies a prominent place in the public debate, but little is known about the psychiatric patients requesting and receiving EAS.\n\nOBJECTIVE: To compare the social demographic and psychiatric profile of the patients who make a request for EAS and those who receive it.\n\nMETHOD: We carried out a review of records from 1122 patients with psychiatric disorders who have filed a potentially eligible request for EAS at Expertise Centrum for Euthanasia (EE) in the period 2012–2018.\n\nFINDINGS: The majority of the patients requesting EAS were single females, living independently with a comorbid diagnosis of depression with a history of undergoing psychiatric treatment for more than 10 years. From the small number of patients who went on to receive EAS in our sample, the majority were also single women, with a diagnosis of depressive disorder. A small subgroup of patients whose diagnoses included somatic disorders, anxiety disorders, obsessive-compulsive disorders and neurocognitive disorders were over-represented in the group of patients receiving EAS compared with the applicant group.\n\nCONCLUSION: The average demographic and psychiatric profile of patients requesting and receiving EAS were found to be broadly similar. The majority of patients requesting EAS had received a comorbid diagnosis, making this a difficult-to-treat patient group. Only a small number of patients requesting had their requests granted. Patients from different diagnostic groups showed patterns in why their requests were not granted.\n\nCLINICAL IMPLICATIONS: Many of the patients who withdrew their requests for EAS benefited from being able to discuss dying with end of life experts at EE. Health professionals can make a difference to a vulnerable group of patients, if they are trained to discuss end of life.","nl":"ACHTERGROND: Euthanasie en hulp bij suïcide (EAS) voor patiënten met psychiatrische stoornissen nemen een prominente plaats in in het publieke debat, maar er is weinig bekend over de psychiatrische patiënten die EAS aanvragen en ontvangen.\n\nOBJECTIEF: Om het sociaal-demografische en psychiatrische profiel te vergelijken van de patiënten die een verzoek om EAS indienen en degenen die het ontvangen.\n\nMETHODE: Wij hebben dossieronderzoek gedaan van 1122 patiënten met psychiatrische stoornissen die in de periode 2012–2018 bij het Expertisecentrum Euthanasie (EE) een mogelijk in aanmerking komende aanvraag voor EAS hebben ingediend.\n\nBEVINDINGEN: De meerderheid van de patiënten die om EAS vroegen, waren alleenstaande vrouwen, die zelfstandig woonden met een comorbide diagnose van depressie en een geschiedenis van het ondergaan van psychiatrische behandeling gedurende meer dan 10 jaar. Van het kleine aantal patiënten dat EAS in onze steekproef kreeg, bestond de meerderheid ook uit alleenstaande vrouwen, met de diagnose depressieve stoornis. Een kleine subgroep van patiënten bij wie de diagnose somatische stoornissen, angststoornissen, obsessief-compulsieve stoornissen en neurocognitieve stoornissen omvatte, was oververtegenwoordigd in de groep patiënten die EAS ontving vergeleken met de aanvragergroep.\n\nCONCLUSIE: Het gemiddelde demografische en psychiatrische profiel van patiënten die EAS aanvragen en ontvangen, bleek grotendeels vergelijkbaar te zijn. De meerderheid van de patiënten die om EAS vroegen, had een comorbide diagnose gekregen, waardoor dit een moeilijk te behandelen patiëntengroep was. Slechts bij een klein aantal patiënten die erom vroegen, werd hun verzoek ingewilligd. Patiënten uit verschillende diagnostische groepen vertoonden patronen in de reden waarom hun verzoeken niet werden ingewilligd.\n\nKLINISCHE IMPLICATIES: Veel van de patiënten die hun verzoek om EAS introkken, hadden er baat bij dat zij hun overlijden konden bespreken met deskundigen op het gebied van het levenseinde van EE. Zorgprofessionals kunnen een verschil maken voor een kwetsbare groep patiënten, als zij getraind zijn in het bespreken van het levenseinde."},"keywords":{"en":["Psychiatry","Suicide","Self-harm"],"nl":["Psychiatrie","Suïcide","Zelfbeschadiging"]},"region":["nationaal"],"type":["review","meta","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Editorial: Digital suicide prevention","authors":"Lasse Bosse, S., Spangenberg, L., La Sala,L., Van Ballegooijen, W.","affiliations":"Medical Psychology and Medical Sociology, Faculty of Medicine, University of Freiburg, Freiburg, Germany.\n2Department of Medical Psychology and Medical Sociology, Leipzig University, Leipzig, Germany.\nUniversity of Freiburg, Leipzig University, University of Melbourne, VU \nBlack Dog Institute, University of New South Wales, Sydney, New South Wales, Australia.\nDepartment of Statistics, TU Dortmund University, Dortmund, Germany.\nDepartment of Clinical, Neuro and Developmental Psychology, Amsterdam Public Health Research Institute, Vrije Universiteit Amsterdam, Amsterdam, The Netherlands.\nDepartment of Psychiatry, Amsterdam UMC, Amsterdam, The Netherlands.\nMental Health Research and Treatment Center, Faculty of Psychology, Ruhr-Universität Bochum, Bochum, Germany.\nInstitute of Psychology and Education, Department of Clinical Psychology and Psychotherapy, Ulm University, Ulm, Germany.","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Front Digit Health","identifier":"10.3389/fdgth.2023.1148356","link":"https://www.frontiersin.org/journals/digital-health/articles/10.3389/fdgth.2023.1148356/full","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["Ecological momentary assessment (EMA)","Prediction","Prevention","Suicide","Technology."],"nl":["ecologische momentane beoordeling (EMA); voorspelling; preventie; suïcide; Technologie."]},"region":["internationaal"],"type":["review","meta"],"setting":[],"age":[],"outcome":["suicide","poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suïcidaal gedrag op de SEH","authors":"Lommerse, K.M., Mérelle, S., de Beurs, D., Fuchs, M., Baden, D.N.,","affiliations":"Haaglanden medisch centrum, 113, UVA, Diakonessenhuis Utrecht","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde","identifier":null,"link":"https://www.ntvg.nl/artikelen/suicidaal-gedrag-op-de-seh","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"Patients with suicidal behavior are regularly seen in the emergency department. Providing care to this patient group is challenging and healthcare professionals are often not specifically trained in this. A good working relationship with the patient and short-term interventions, such as safety planning and cooperation with relatives and chain partners, are important.","nl":"Op de SEH worden geregeld patiënten met suïcidaal gedrag gezien. Zorg verlenen aan deze patiëntengroep is uitdagend en zorgprofessionals zijn hierin vaak niet specifiek getraind. Een goede werkrelatie met de patiënt en kortdurende interventies, zoals veiligheidsplanning en samenwerking met naasten en ketenpartners, zijn van belang. Met deze geïntegreerde aanpak kunnen SEH-professionals bijdragen aan de preventie van toekomstige suïcidepogingen"},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["review"],"setting":["healthcareworkers"],"age":[],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Jongeren en zelfdoding op het spoor. Een mixed-methods-onderzoek","authors":"Mérelle, S., Balt, E., Schweren, L., van den Brand, I., van Eijk, N.L., Creemers, D., Popma, A., Gilissen, R.","affiliations":"113, GGZ Oost Brabant, Radboud Universiteit, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen","identifier":"10.1007/s12508-023-00393-y","link":"https://link.springer.com/article/10.1007/s12508-023-00393-y","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["nabestaanden","autisme","youngadult"],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: In the Netherlands, 31% of railway suicides involve young people. Youngsters may be overrepresented because they act more impulsively and have less access to other lethal means. Since suicide rates among young people are increasing, this study aims to inform about characteristics of young people who died by railway suicides. \n\nMETHODS: This study uses microdata from CBS and interview data from a psychosocial autopsy study (2017–2021). Chi-square tests, logistic regression analyses, and qualitative analyses were conducted to identify characteristics of railway suicides. \n\nRESULTS: A total of 1,366 young people died by suicide, 304 via railway suicides (22%) and these were mostly young men. Being a Dutch native, attending education, and living with parents were more common in railway suicides than in other methods. Only education was significantly related to railway suicides. Several themes stood out from the interviews, namely school-related problems, a strong desire for an independent life but not being able to realize this and mental problems in young males with characteristics of autism. \n\nDISCUSSION AND CONCLUSION: This study provides insight into young people who have recently died by railway suicide. Suicide prevention in education is needed as well as better identification and help for youth with autism.","nl":"INLEIDING: In Nederland betreft 31% van de suïcides op het spoor een jong persoon (tot 30 jaar). Jongeren zijn wellicht oververtegenwoordigd omdat zij impulsiever kunnen handelen en minder toegang hebben tot andere dodelijke middelen. Omdat het aantal suïcides onder jongeren stijgt, heeft dit onderzoek als doel om inzicht te krijgen in de kenmerken van jongeren die op het spoor overlijden.\n\nMETHODE: Dit onderzoek gebruikt microdata van het CBS en interviewdata van een psychosociaal autopsieonderzoek in de periode 2017–2021. Er zijn chi-kwadraattoetsen, logistische regressieanalyses en kwalitatieve analyses uitgevoerd om kenmerken van spoorsuïcides te identificeren.\n\nRESULTATEN: In totaal overleden 1.366 jongeren door suïcide, van wie 304 jongeren op het spoor. Dit waren vooral jonge mannen. Nederlandse herkomst, onderwijs volgen, laag opgeleid zijn en woonachtig bij ouders zijn waren kenmerken die vaker voorkwamen bij spoorsuïcides dan bij andere methoden, waarvan alleen onderwijs volgen sterk samenhing met spoorsuïcides. Opvallende thema’s in de interviews waren problemen op school, het niet kunnen realiseren van een zelfstandig leven en psychische problemen van jonge mannen met autisme.\n\nBESCHOUWING EN CONCLUSIE: Dit onderzoek geeft inzicht in de kenmerken van jongeren die zijn overleden door suïcide op het spoor. Naast fysieke maatregelen is in het onderwijs suïcidepreventie nodig en moeten er betere signalering en hulp komen voor jongeren met autisme."},"keywords":{"en":["SUPRANET Community"],"nl":["spoorsuïcides","jeugd","risicofactoren","epidemiologie"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"A Proof of Concept Study on Individual Trends in Suicidal Ideation: An Ecological Momentary Assessment Study of 5 Patients Over Three Months","authors":"Nuij, C., van Ballegooijen, W.,  Smit, A.C.,de Beurs, D., de Winter, R.F.P., O'Connor, R.C., Kerkhof, A., Smit, J.H., Riper, H.","affiliations":"VU Amsterdam, GGZ Rivierduinen, University of Glasgow,","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal for Person-Oriented Research","identifier":"10.17505/jpor.2023.25265","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10302657/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidal ideation (SI) is a significant and long-lasting mental health problem, with a third of individuals still experiencing SI after two years. To date, most Ecological Momentary Assessment (EMA) studies of SI have assessed its day-to-day course over one to four consecutive weeks and found no consistent trends in average SI severity over time.\n\nAIM: The current proof of concept study assessed daily fluctuations of SI over a time span of 3 to 6 months to explore whether individual trends in SI severity could be detected, and if so, if the trajectory of changes were gradual or sudden. The secondary aim was to explore whether changes in SI severity could be detected at an early stage.\n\nMETHOD: Five adult outpatients with depression and SI used an EMA app on their smartphone in addition to their regular treatment for 3 to 6 months, where SI was assessed 3 times a day. To detect trends in SI for each patient, three models were tested: a null model, a gradual change model and a sudden change model. To detect changes in SI before a new plateau was reached, Early Warning Signals and Exponentially Weighted Moving Average control charts were used.\n\nRESULTS: In each patient, average SI severity had a unique trajectory of sudden and/or gradual changes. Additionally, in some patients, increases in both sudden and gradual SI could be detected at an early stage.\n\nCONCLUSION: The study presents a first indication of unique individual trends in SI severity over a 3 to 6 months period. Though replication in a larger sample is needed to test how well results generalize, a first proof-of-concept is provided that both sudden and gradual changes in SI severity may be detectable at an early stage using the dynamics of time-series data.","nl":"ACHTERGROND: suïcidegedachten (SI) zijn een aanzienlijk en langdurig geestelijk gezondheidsprobleem, waarbij een derde van de mensen na twee jaar nog steeds last heeft van SI. Tot nu toe hebben de meeste Ecological Momentary Assessment (EMA)-onderzoeken naar SI het dagelijkse beloop gedurende één tot vier opeenvolgende weken beoordeeld en geen consistente trends gevonden in de gemiddelde ernst van SI in de loop van de tijd.\n\nDOELSTELLINGEN: De huidige proof of concept-studie beoordeelde dagelijkse fluctuaties van SI over een tijdsbestek van 3 tot 6 maanden om te onderzoeken of individuele trends in de ernst van SI konden worden gedetecteerd, en zo ja, of het traject van veranderingen geleidelijk of plotseling was. Het secundaire doel was om te onderzoeken of veranderingen in de ernst van SI in een vroeg stadium konden worden gedetecteerd.\n\nMETHODE: Vijf volwassen poliklinische patiënten met depressie en SI gebruikten gedurende 3 tot 6 maanden een EMA-app op hun smartphone naast hun reguliere behandeling, waarbij SI 3 keer per dag werd beoordeeld. Om trends in SI voor elke patiënt te detecteren, werden drie modellen getest: een nulmodel, een model voor geleidelijke verandering en een model voor plotselinge verandering. Om veranderingen in SI te detecteren voordat een nieuw plateau werd bereikt, werden vroege waarschuwingssignalen en exponentieel gewogen voortschrijdend gemiddelde controlediagrammen gebruikt.\n\nRESULTATEN: Bij elke patiënt vertoonde de gemiddelde SI-ernst een uniek traject van plotselinge en/of geleidelijke veranderingen. Bovendien kon bij sommige patiënten in een vroeg stadium een toename van zowel plotselinge als geleidelijke SI worden gedetecteerd.\n\nCONCLUSIE: Het onderzoek presenteert een eerste indicatie van unieke individuele trends in de ernst van SI over een periode van 3 tot 6 maanden. Hoewel replicatie in een grotere steekproef nodig is om te testen hoe goed de resultaten generaliseren, wordt een eerste proof-of-concept gegeven dat zowel plotselinge als geleidelijke veranderingen in de ernst van SI in een vroeg stadium detecteerbaar kunnen zijn met behulp van de dynamiek van tijdreeksgegevens."},"keywords":{"en":["Suicide","Complex systems","Early warning signals","Ecological momentary assessment","Experience sampling methods","Time-series analyses."],"nl":["suïcide; ingewikkelde systemen; vroege waarschuwingssignalen; ecologische momentele beoordeling; ervaring met bemonsteringsmethoden; tijdreeksanalyses."]},"region":["nationaal"],"type":["trial","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Clinical correlates and prognostic implications of severe suicidal ideation in major depressive disorder","authors":"Olgiati, P., Fanelli, G., Serretti, A.","affiliations":"Radboud University Medical Center","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Clinical Psychopharmacology","identifier":"10.1097/YIC.0000000000000461","link":"https://journals.lww.com/intclinpsychopharm/Fulltext/9900/Clinical_correlates_and_prognostic_implications_of.51.aspx","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"Suicidal ideation (SI) is a risk factor for suicidal behaviour. To ascertain the clinical correlates and prognostic impact of severe SI, we analysed 249 outpatients with major depressive disorder (MDD) and suicidal thoughts included in the COmbining Medications to Enhance Depression outcome (CO-MED) trial. Patients with severe SI (36%) were younger at disease onset (P = 0.0033), more severely depressed (P = 0.0029), had more lifetime suicidal behaviour (P < 0.0001) and psychiatric comorbidities (panic disorder: P = 0.0025; post-traumatic stress disorder: P = 0.0216), and a history of childhood maltreatment (neglect: P = 0.0054; emotional abuse: P = 0.0230; physical abuse: P = 0.0076; sexual abuse: P = 0.0016) than those experiencing low-moderate SI. After controlling for depression score, severe SI was positively correlated with lifetime suicidal behaviour (OR [95% CI]: 1.26 [1.12–1.41]), panic disorder (1.05 [1.00–1.12]), and childhood maltreatment (neglect: 1.93 [1.13–3.30]; physical abuse: 2.00 [1.11–3.69]; sexual abuse: 2.13 [1.17–3.88]), and inversely correlated with age of onset (0.97 [0.95–0.99]) and sleep-onset insomnia (0.76 [0.61–0.96]). Finally, the occurrence of serious lifetime suicidal behaviour was predicted by SI severity (2.18 [1.11-4.27]), bipolar score (1.36 [1.02–1.81]), and childhood sexual abuse (2.35 [1.09–5.05]). These results emphasise the importance of assessing childhood maltreatment and bipolar liability in MDD to estimate suicidal behaviour risk.","nl":"Suïcidale gedachten (SG) zijn een risicofactor voor suïcidaal gedrag. Om de klinische correlaten en prognostische impact van ernstige SG te bepalen, bestudeerden de onderzoekers 249 poliklinische patiënten met een ernstige depressie (major depressive disorder, MDD) en suïcidale gedachten die waren opgenomen in het COmbining Medications to Enhance Depression outcome (CO-MED)-onderzoek. Patiënten met ernstige SG (36%) waren jonger bij de aanvang van de ziekte (p = 0,0033), hadden een ernstigere depressie (p = 0,0029), hadden meer suïcidaal gedrag op enig moment in het leven (p < 0,0001) en psychiatrische comorbiditeiten (paniekstoornis: p = 0,0025; posttraumatische stressstoornis: p = 0,0216) en voorgeschiedenis van kindermishandeling (verwaarlozing: p = 0,0054; emotionele mishandeling: p = 0,0230; lichamelijke mishandeling: p = 0,0076; seksueel misbruik: p = 0,0016) dan hen die laag-gemiddeld scoorden voor SG. Na correctie voor depressiescore, bleken ernstige SG positief gecorreleerd met suïcidaal gedrag op enig moment in het leven (OR [95% BI]: 1,26 [1,12–1,41]), paniekstoornis (1,05 [1,00–1,12]), en kindermishandeling (verwaarlozing: 1,93 [1,13–3,30]; lichamelijke mishandeling: 2,00 [1,11–3,69]; seksueel misbruik: 2,13 [1,17–3,88]), en invers gecorreleerd met leeftijd van eerste ontstaan (0,97 [0,95–0,99]) en slapeloosheid door moeite met inslapen (0,76 [0,61–0,96]). Tot slot werd het optreden van ernstig suïcidaal gedrag op enig moment in het leven voorspeld door de ernst van de SG (2,18 [1,11-4,27]), bipolaire score (1,36 [1,02–1,81]) en seksueel misbruik in de kindertijd (2,35 [1,09–5,05]). De resultaten benadrukken het belang van het beoordelen van kindermishandeling en bipolaire kwetsbaarheid bij MDD voor het inschatten van het risico op suïcidaal gedrag."},"keywords":{"en":["bipolar disorder","bipolar features","child abuse","childhood maltreatment","early life stress","insomnia","major depression","suicide attempt","suicidal behaviour","suicidal thoughts"],"nl":[]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Suicidal attempts and ideations in Kenyan adults with psychotic disorders: An observational study of frequency and associated risk factors","authors":"Ongeri, L., Kariuki, S.M., Nyawira, M., Schubart, C., Tijdink, J.K., Newton, C.R.J.C., Penninx, B.W.J.H.","affiliations":"Kenya Medical Research Institute, Pwani University, University of Oxford, Tergooi Medical Centre Hilversum, VU,","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Front Psychiatry","identifier":"10.3389/fpsyt.2022.1085201","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC9892760/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Psychotic disorders increase the risk for premature mortality with up to 40% of this mortality attributable to suicide. Although suicidal ideation (SI) and suicidal behavior (SB) are high in persons with psychotic disorders in sub-Saharan Africa, there is limited data on the risk of suicide and associated factors among persons with psychotic disorders.\n\nMETHODS: We assessed SI and SB in persons with psychotic disorders, drawn from a large case-control study examining the genetics of psychotic disorders in a Kenyan population. Participants with psychotic disorders were identified using a clinical review of records, and the diagnosis was confirmed with the Mini-International Neuropsychiatric Interview (MINI). We conducted bivariate and multivariate logistic (for binary suicide outcomes) or linear regression (for suicide risk score) analysis for each of the suicide variables, with demographic and clinical variables as determinants.\n\nRESULTS: Out of 619 participants, any current SI or lifetime suicidal attempts was reported by 203 (32.8%) with psychotic disorders, of which 181 (29.2%) had a lifetime suicidal attempt, 60 (9.7%) had SI in the past month, and 38 (20.9%) had both. Family history of suicidality was significantly associated with an increased risk of suicidality across all the following four outcomes: SI [OR = 2.56 (95% CI: 1.34–4.88)], suicidal attempts [OR = 2.01 (95% CI: 1.31–3.06)], SI and SB [OR = 2.00 (95% CI: 1.31–3.04)], and suicide risk score [beta coefficient = 7.04 (2.72; 11.36), p = 0.001]. Compared to persons aged <25 years, there were reduced odds for SI for persons aged ≥ 25 years [OR = 0.30 (95% CI: 0.14–0.62)] and ≥ 45 years [OR = 0.32 (95% CI: 0.12–0.89)]. The number of negative life events experienced increased the risk of SI and SB [OR = 2.91 (95% CI: 1.43–5.94)] for 4 or more life events. Higher negative symptoms were associated with more suicidal attempts [OR = 2.02 (95%CI: 1.15–3.54)]. Unemployment was also associated with an increased risk for suicidal attempts [OR = 1.58 (95%CI: 1.08–2.33)] and SI and SB [OR = 1.68 (95% CI: 1.15–2.46)].\n\nCONCLUSION: Suicidal ideation and SB are common in persons with psychotic disorders in this African setting and are associated with sociodemographic factors, such as young age and unemployment, and clinical factors, such as family history of suicidality. Interventions targeted at the community (e.g., economic empowerment) or at increasing access to care and treatment for persons with psychotic disorders may reduce the risk of suicide in this vulnerable population group.","nl":"ACHTERGROND: Psychotische stoornissen verhogen het risico op voortijdige sterfte, waarbij tot 40% van deze sterfte te wijten is aan suïcide. Hoewel suïcidegedachten (SI) en suïcidegedrag (SB) veel voorkomen bij personen met psychotische stoornissen in Afrika bezuiden de Sahara, zijn er beperkte gegevens over het risico op suïcide en de daarmee samenhangende factoren bij personen met psychotische stoornissen.\n\nMETHODEN: We hebben SI en SB beoordeeld bij personen met psychotische stoornissen, ontleend aan een groot case-control onderzoek naar de genetica van psychotische stoornissen in een Keniaanse bevolking. Deelnemers met psychotische stoornissen werden geïdentificeerd met behulp van een klinische beoordeling van gegevens, en de diagnose werd bevestigd met het Mini-International Neuropsychiatric Interview (MINI). We voerden bivariate en multivariate logistieke (voor binaire suïcideuitkomsten) of lineaire regressieanalyse (voor suïciderisicoscore) uit voor elk van de suïcidevariabelen, met demografische en klinische variabelen als determinanten.\n\nRESULTATEN: Van de 619 deelnemers werd elke huidige SI- of levenslange suïcidepoging gemeld door 203 (32,8%) met psychotische stoornissen, van wie 181 (29,2%) een levenslange suïcidale poging hadden gedaan, 60 (9,7%) in de afgelopen maand SI hadden gehad, en 38 (20,9%) hadden beide. Familiegeschiedenis van suïcidaliteit was significant geassocieerd met een verhoogd risico op suïcidaliteit bij alle volgende vier uitkomsten: SI [OR = 2,56 (95% BI: 1,34–4,88)], suïcidepogingen [OR = 2,01 (95% BI: 1,31–3,06). )], SI en SB [OR = 2,00 (95% BI: 1,31–3,04)], en suïciderisicoscore [bètacoëfficiënt = 7,04 (2,72; 11,36), p = 0,001]. Vergeleken met personen <25 jaar waren er lagere kansen op SI bij personen van ≥ 25 jaar [OR = 0,30 (95% BI: 0,14–0,62)] en ≥ 45 jaar [OR = 0,32 (95% BI: 0,12–0,89). )]. Het aantal ervaren negatieve levensgebeurtenissen verhoogde het risico op SI en SB [OR = 2,91 (95% BI: 1,43–5,94)] voor 4 of meer levensgebeurtenissen. Hogere negatieve symptomen waren geassocieerd met meer suïcidepogingen [OR = 2,02 (95%CI: 1,15–3,54)]. Werkloosheid was ook geassocieerd met een verhoogd risico op suïcidepogingen [OR = 1,58 (95% BI: 1,08–2,33)] en SI en SB [OR = 1,68 (95% BI: 1,15–2,46)].\n\nCONCLUSIE: suïcidegedachten en SB komen vaak voor bij personen met psychotische stoornissen in deze Afrikaanse setting en worden geassocieerd met sociaaldemografische factoren, zoals jonge leeftijd en werkloosheid, en klinische factoren, zoals familiegeschiedenis van suïcidaliteit. Interventies gericht op de gemeenschap (bijvoorbeeld economische empowerment) of op het vergroten van de toegang tot zorg en behandeling voor mensen met psychotische stoornissen kunnen het risico op suïcide in deze kwetsbare bevolkingsgroep verminderen."},"keywords":{"en":["Suicidal attempts","Suicidal ideation","Schizophrenia","Kenya","Sub-Saharan Africa","Low and middle income countries","Risk factors","Stigma"],"nl":["Suïcidepogingen","Suïcidale gedachten","Schizofrenie","Kenia","Afrika bezuiden de Sahara","Lage- en middeninkomenslanden","Risicofactoren","Stigma"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","patientcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Perspectives on reasons for suicidal behaviour and recommendations for suicide prevention in Kenya: qualitative study","authors":"Ongeri, L., Nyawira, M., Kariuki, S.M., Bitta, M., Schubart, C., Penninx, B.W.J.H., Newton, C.R.J.C., Tijdink, J.K.","affiliations":"Amsterdam UMC, Vrije Universiteit Amsterdam","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"Wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BJPsych Open","identifier":"10.1192/bjo.2023.7","link":"https://www.cambridge.org/core/journals/bjpsych-open/article/perspectives-on-reasons-for-suicidal-behaviour-and-recommendations-for-suicide-prevention-in-kenya-qualitative-study/D90D7351683653A4D834CDDD6134E6CB","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Little is known about the reasons for suicidal behaviour in Africa, and communities’ perception of suicide prevention. A contextualised understanding of these reasons is important in guiding the implementation of potential suicide prevention interventions in specific settings.\n\nAIMS: To understand ideas, experiences and opinions on reasons contributing to suicidal behaviour in the Coast region of Kenya, and provide recommendations for suicide prevention.\n\nMETHOD: We conducted a qualitative study with various groups of key informants residing in the Coast region of Kenya, using in-depth interviews. Audio-recorded interviews were transcribed and translated from the local language before thematic inductive content analysis.\n\nRESULTS: From the 25 in-depth interviews, we identified four key themes as reasons given for suicidal behaviour: interpersonal and relationship problems, financial and economic difficulties, mental health conditions and religious and cultural influences. These reasons were observed to be interrelated with each other and well-aligned to the suggested recommendations for suicide prevention. We found six key recommendations from our thematic content analysis: (a) increasing access to counselling and social support, (b) improving mental health awareness and skills training, (c) restriction of suicide means, (d) decriminalisation of suicide, (e) economic and education empowerment and (f) encouraging religion and spirituality.\n\nCONCLUSIONS: The reasons for suicidal behaviour are comparable with high-income countries, but suggested prevention strategies are more contextualised to our setting. A multifaceted approach in preventing suicide in (coastal) Kenya is warranted based on the varied reasons suggested. Community-based interventions will likely improve and increase access to suicide prevention in this study area.","nl":"ACHTERGROND: Er is weinig bekend over de redenen voor suïcidaal gedrag in Afrika en de perceptie van suïcidepreventie in gemeenschappen. Een gecontextualiseerd inzicht in deze redenen is belangrijk als basis voor de implementatie van mogelijke interventies voor suïcidepreventie in specifieke omgevingen.\n \nDOELEN: Inzicht krijgen in de ideeën, ervaringen en meningen over redenen die bijdragen aan suïcidaal gedrag in het kustgebied van Kenia en aanbevelingen doen voor suïcidepreventie.\n \nMETHODE: De onderzoekers voerden een kwalitatief onderzoek uit met verschillende groepen sleutelinformanten die woonachtig zijn in het kustgebied van Kenia; hiervoor werden diepte-interviews gebruikt. Geluidsopnames van interviews werden getranscribeerd en vertaald uit de lokale taal, voordat ze werden onderworpen aan een thematische inductieve analyse van de inhoud.\n \nRESULTATEN: In de 25 diepte interviews werden vier belangrijke thema's gevonden die als reden werden genoemd voor suïcidaal gedrag: interpersoonlijke en relatieproblemen, financiële en economische problemen, psychische stoornissen en religieuze en culturele invloeden. Deze redenen bleken met elkaar samen te hangen en goed aan te sluiten bij de gegeven aanbevelingen voor suïcidepreventie. Uit de thematische analyse van de inhoud vloeiden zes belangrijke aanbevelingen voort: (a) vergroten van toegang tot begeleiding en sociale ondersteuning, (b) verbeteren van bewustzijn van de geestelijke gezondheid en vaardigheidstraining, (c) beperking van middelen tot suïcide, (d) decriminalisering van suïcide, (e) vergroten van zelfbeschikking op economisch en onderwijsgebied en (f) stimuleren van religie en spiritualiteit.\n \nCONCLUSIES: De redenen voor suïcidaal gedrag zijn vergelijkbaar met die in landen met een hoog inkomen, maar de voorgestelde preventiestrategieën zijn meer gecontextualiseerd voor de onderzochte omgeving. Een aanpak op meerdere vlakken is nodig voor suïcidepreventie in (het kustgebied van) Kenia op basis van de verschillende redenen die genoemd zijn. Op de gemeenschap gebaseerde interventies zullen de toegang tot suïcidepreventie verbeteren en verhogen in het gebied waar dit onderzoek is uitgevoerd."},"keywords":{"en":["Community mental health teams","self-harm","psychiatry and law","suicide","qualitative research"],"nl":["Gemeenschapsteams voor geestelijke gezondheidszorg","Zelfbeschadiging","Psychiatrie en recht","Suïcide","Kwalitatief onderzoek"]},"region":["internationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":[],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Longitudinal analyses of depression, anxiety, and suicidal ideation highlight greater prevalence in the northern Dutch population during the COVID-19 lockdowns","authors":"Ori, A. P. S., Wieling, M.; Lifelines Corona Research Initiative; van Loo, H.M.","affiliations":"UMC Groningen, UG","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2022.11.040","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC9678820/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief","youngadult"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The pandemic of the coronavirus disease 2019 (COVID-19) has led to an increased burden on mental health.\n\nAIMS: To investigate the development of major depressive disorder (MDD), generalized anxiety disorder (GAD), and suicidal ideation in the Netherlands during the first fifteen months of the pandemic and three nation-wide lockdowns.\n\nMETHOD: Participants of the Lifelines Cohort Study -a Dutch population-based sample-reported current symptoms of MDD and GAD, including suicidal ideation, according to DSM-IV criteria. Between March 2020 and June 2021, 36,106 participants (aged 18-96) filled out a total of 629,811 questionnaires across 23 time points. Trajectories over time were estimated using generalized additive models and analyzed in relation to age, sex, and lifetime history of MDD/GAD.\n\nRESULTS: We found non-linear trajectories for MDD and GAD with a higher number of symptoms and prevalence rates during periods of lockdown. The point prevalence of MDD and GAD peaked during the third hard lockdown at 2.88 % (95 % CI: 2.71 %-3.06 %) and 2.92 % (95 % CI: 2.76 %-3.08 %), respectively, in March 2021. Women, younger adults, and participants with a history of MDD/GAD reported significantly more symptoms. For suicidal ideation, we found a significant linear increase over time in younger participants. For example, 20-year-old participants reported 4.14× more suicidal ideation at the end of June 2021 compared to the start of the pandemic (4.64 % (CI: 3.09 %-6.96 %) versus 1.12 % (CI: 0.76 %-1.66 %)).\n\nLIMITATIONS: Our findings should be interpreted in relation to the societal context of the Netherlands and the public health response of the Dutch government during the pandemic, which may be different in other regions in the world.\n\nCONCLUSION: Our study showed greater prevalence of MDD and GAD during COVID-19 lockdowns and a continuing increase in suicidal thoughts among young adults suggesting that the pandemic and government enacted restrictions impacted mental health in the population. Our findings provide actionable insights on mental health in the population during the pandemic, which can guide policy makers and clinical care during future lockdowns and epi/pandemics.","nl":"ACHTERGROND: De pandemie van de coronavirusziekte 2019 (COVID-19) heeft geleid tot een grotere last voor de geestelijke gezondheid.\n\nDOELSTELLINGEN: Onderzoek naar de ontwikkeling van depressieve stoornissen (MDD), gegeneraliseerde angststoornissen (GAS) en suïcidegedachten in Nederland tijdens de eerste vijftien maanden van de pandemie en drie landelijke lockdowns.\n\nMETHODE: Deelnemers aan de Lifelines Cohort Study, een steekproef uit de Nederlandse bevolking, rapporteerden huidige symptomen van MDD en GAD, inclusief suïcidegedachten, volgens de DSM-IV-criteria. Tussen maart 2020 en juni 2021 vulden 36.106 deelnemers (18-96 jaar) in totaal 629.811 vragenlijsten in, verspreid over 23 tijdstippen. Trajecten in de loop van de tijd werden geschat met behulp van gegeneraliseerde additieve modellen en geanalyseerd in relatie tot leeftijd, geslacht en levensgeschiedenis van MDD/GAS.\n\nRESULTATEN: We vonden niet-lineaire trajecten voor MDD en GAD met een hoger aantal symptomen en prevalentiecijfers tijdens perioden van lockdown. De puntprevalentie van MDD en GAD piekte tijdens de derde harde lockdown op respectievelijk 2,88% (95% BI: 2,71%-3,06%) en 2,92% (95% BI: 2,76%-3,08%) in maart 2021. Vrouwen, jongere volwassenen en deelnemers met een voorgeschiedenis van MDD/GAD rapporteerden significant meer symptomen. Voor suïcidegedachten vonden we bij jongere deelnemers in de loop van de tijd een significante lineaire toename. Zo rapporteerden 20-jarige deelnemers eind juni 2021 4,14 keer meer suïcidegedachten vergeleken met het begin van de pandemie (4,64% (CI: 3,09%-6,96%) versus 1,12% (CI: 0,76%-1,66%). %)).\n\nBEPERKINGEN: Onze bevindingen moeten worden geïnterpreteerd in relatie tot de maatschappelijke context van Nederland en de volksgezondheidsreactie van de Nederlandse overheid tijdens de pandemie, die in andere regio’s in de wereld anders kan zijn.\n\nCONCLUSIES: Ons onderzoek toonde een grotere prevalentie van MDD en GAD aan tijdens de COVID-19-lockdowns en een voortdurende toename van suïcidegedachten onder jongvolwassenen, wat erop wijst dat de pandemie en de door de overheid opgelegde beperkingen de geestelijke gezondheid van de bevolking beïnvloedden. Onze bevindingen bieden bruikbare inzichten over de geestelijke gezondheid van de bevolking tijdens de pandemie, die beleidsmakers en de klinische zorg kunnen begeleiden tijdens toekomstige lockdowns en epi/pandemieën."},"keywords":{"en":["Major depressive disorder","Generalized anxiety disorder","Suicidal ideation","COVID-19","Lifelines biobank","Generalized additive models"],"nl":["Depressieve stoornis","Gegeneraliseerde angststoornis","Suïcidale gedachten","COVID-19","Lifelines biobank","Gegeneraliseerde additieve modellen"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young","adult","old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"What About Us? Experiences of Relatives Regarding Physician-Assisted Death for Patients Suffering from Mental Illness: A Qualitative Study","authors":"Pronk, R., Willems , D.L., van de Vathorst, S.","affiliations":"Amsterdam UMC,  Erasmus Medical Centre Rotterdam","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Culture, Medicine, and Psychiatry","identifier":"10.1007/s11013-021-09762-1","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC8674522/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","nabestaanden","ervaringsdeskundigen"],"abstract":{"en":"Physician-assisted death (PAD) for patients suffering from mental illness is legally permitted in the Netherlands. Although patients’ relatives are not entrusted with a legal role, former research revealed that physicians take into account the patient’s social context and their well-being, in deciding whether or not to grant the request. However, these studies focussed on relatives’ experiences in the context of PAD concerning patients with somatic illness. To date, nothing is known on their experiences in the context of PAD concerning the mentally ill. We studied the experiences of relatives with regard to a PAD request by patients suffering from mental illness. The data for this study were collected through 12 interviews with relatives of patients who have or had a PAD request because of a mental illness. We show that relatives are ambivalent regarding the patient’s request for PAD and the following trajectory. Their ambivalence is characterised by their understanding of the wish to die and at the same time hoping that the patient would make another choice. Respondents’ experiences regarding the process of the PAD request varied, from positive (‘intimate’) to negative (‘extremely hard’). Some indicated that they wished to be more involved as they believe the road towards PAD should be a joint trajectory. To leave them out during such an important event is not only painful, but also harmful to the relative as it could potentially complicate their grieving process. Professional support during or after the PAD process was wanted by some, but not by all.","nl":"Arts-geassisteerde dood (PAD) voor patiënten met een psychische aandoening is wettelijk toegestaan in Nederland. Hoewel de familieleden van patiënten geen juridische rol krijgen, blijkt uit eerder onderzoek dat artsen rekening houden met de sociale context en het welzijn van de patiënt bij de beslissing om het verzoek wel of niet in te willigen. Deze onderzoeken concentreerden zich echter op de ervaringen van familieleden in de context van PAD met betrekking tot patiënten met een somatische ziekte. Tot op heden is er niets bekend over hun ervaringen in de context van PAD met betrekking tot geesteszieken. We bestudeerden de ervaringen van familieleden met betrekking tot een PAD-verzoek van patiënten met een psychische aandoening. De gegevens voor dit onderzoek zijn verzameld via twaalf interviews met familieleden van patiënten die vanwege een psychische aandoening een PAD-verzoek hebben of hadden. We laten zien dat familieleden ambivalent zijn over het verzoek van de patiënt om PAD en het daaropvolgende traject. Hun ambivalentie wordt gekenmerkt door begrip voor de doodswens en tegelijkertijd de hoop dat de patiënt een andere keuze zou maken. De ervaringen van respondenten met betrekking tot het proces van het PAD-verzoek liepen uiteen, van positief (‘intiem’) tot negatief (‘extreem moeilijk’). Sommigen gaven aan dat ze er meer bij betrokken wilden zijn, omdat ze van mening zijn dat de weg naar PAD een gezamenlijk traject moet zijn. Hen buiten beschouwing laten tijdens zo’n belangrijke gebeurtenis is niet alleen pijnlijk, maar ook schadelijk voor het nabestaande, omdat het hun rouwproces mogelijk zou kunnen compliceren. Professionele ondersteuning tijdens of na het PAD-proces was door sommigen gewenst, maar niet door iedereen."},"keywords":{"en":["Physician-assisted death","Mental illness","Relatives","Family members","Netherlands"],"nl":["Door artsen geassisteerde dood","Psychische aandoening","Familieleden","Familieleden","Nederland"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"A multidisciplinary perspective on physician-assisted dying in primary care in The Netherlands: A narrative interview study","authors":"Roest, B., Leget, C.","affiliations":"University of Humanistic Studies, Utrecht, The Netherlands.","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Death Studies","identifier":"10.1080/07481187.2022.2065554","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/35521997/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["nabestaanden"],"abstract":{"en":"Most research on physician-assisted dying (PAD) in the Netherlands focuses on general practitioners (GPs). Less is known about the perspectives of other professionals. We performed narrative interviews with 10 professionals other than GPs to explore their perspectives on PAD in primary care. The results provide insight into PAD as an enacted practice involving many different actors, considerations, and expectations and into the intertwinement between PAD and palliative sedation. The study shows how a multidisciplinary perspective to PAD provides new avenues for practice, research, and ethics. It poses the question whether PAD can and should be considered merely a physicians' concern.","nl":"Het meeste onderzoek naar arts-geassisteerd sterven (PAD) in Nederland richt zich op huisartsen. Over de perspectieven van andere professionals is minder bekend. We hebben narratieve interviews gehouden met tien andere professionals dan huisartsen om hun perspectieven op PAD in de eerstelijnszorg te verkennen. De resultaten bieden inzicht in PAD als een praktijk waarbij veel verschillende actoren, overwegingen en verwachtingen betrokken zijn, en in de verwevenheid tussen PAD en palliatieve sedatie. De studie laat zien hoe een multidisciplinair perspectief op PAD nieuwe wegen biedt voor praktijk, onderzoek en ethiek. Het roept de vraag op of PAD kan en moet worden beschouwd als louter een zorg van artsen."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Family involvement in euthanasia or Physician Assisted Suicide and dementia: A systematic review","authors":"Scheeres-Feitsma, T. M., Keijzer van Laarhoven, A. J. J. M., de Vries, R., Schaafsma, P., van der Steen, J.T.,","affiliations":"Protestant Theological University Amsterdam, VU Amsterdam, Radboud university medical center, Radboudumc Alzheimer Center Nijmegen, LUMC","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Alzheimer's Association","identifier":"10.1002/alz.13094","link":"https://alz-journals.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/alz.13094","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","nabestaanden"],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: To assess how families are involved in situations of euthanasia or physician assisted suicide (PAS) in dementia.\n\nDESIGN: Systematic review searching literature in nine databases from inception up to October 2021. We included studies on family involvement in euthanasia from the perspective of persons with dementia and family caregivers. Themes were formulated through thematic analysis. The design was registered at Prospero (CRD42022298215).\n\nRESULTS: We assessed 215 of 4038 studies in full text; 19 met the inclusion criteria of which 13 empirical studies. Themes included for people with dementia: being a burden; stage of dementia, and permissibility of euthanasia/PAS. Themes for family were the burden of care, responsibility toward the euthanasia or PAS wish, permissibility of euthanasia/PAS.\n\nCONCLUSION: The wish for euthanasia/PAS arises in situations of burdensome care and fear of future deterioration. The family feels entrusted with the responsibility to enact upon the death wish. In shaping this responsibility, four roles of family can be distinguished: carer, advocate, supporter, and performer. Family as in need of support themselves is understudied.","nl":"DOEL: Vaststellen hoe families betrokken zijn bij situaties van euthanasie of hulp bij suïcide (PAS) bij dementie.\n\nOPZET: Systematisch review zoeken naar literatuur in negen databanken vanaf de start tot en met oktober 2021. We hebben onderzoeken opgenomen naar de betrokkenheid van gezinnen bij euthanasie vanuit het perspectief van personen met dementie en mantelzorgers. Thema's zijn geformuleerd via thematische analyse. Het ontwerp is geregistreerd bij Prospero (CRD42022298215).\n\nRESULTATEN: We beoordeelden 215 van de 4038 onderzoeken in volledige tekst; 19 voldeden aan de inclusiecriteria, waarvan 13 empirische onderzoeken. Thema's voor mensen met dementie: een last zijn; stadium van dementie en de toelaatbaarheid van euthanasie/PAS. Thema's voor familie waren de zorglast, de verantwoordelijkheid ten aanzien van de euthanasie- of PAS-wens, de toelaatbaarheid van euthanasie/PAS.\n\nCONCLUSIE: De wens tot euthanasie/PAS ontstaat in situaties van belastende zorg en angst voor toekomstige achteruitgang. De familie voelt zich verantwoordelijk voor de uitvoering van de doodswens. Bij het vormgeven van deze verantwoordelijkheid kunnen vier rollen van het gezin worden onderscheiden: verzorger, belangenbehartiger, ondersteuner en uitvoerder. Er is weinig onderzoek gedaan naar gezinnen die zelf ondersteuning nodig hebbe"},"keywords":{"en":["PAS","dementia","ethics","euthanasia","family","physician-assisted suicide."],"nl":["PAS","dementie","ethiek","euthanasie","Familie","door een arts geassisteerde zelfdoding."]},"region":["internationaal"],"type":["review","meta","obs","fundamenteel","kwantitatief","kwalitatief"],"setting":["patient_nonggz","patientcohort","healthcareworkers"],"age":["old"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"De registratie van niet-fatale suïcidepogingen in Nederland","authors":"Schweren, L., van Zwieten, N., Gilissen, R.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen","identifier":"10.1007/s12508-023-00392-z","link":"https://link.springer.com/article/10.1007/s12508-023-00392-z#author-information","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"The yearly number of non-fatal suicide attempts in the Netherlands is unknown, as are relevant characteristics of the group of people who survive a suicide attempt. The project ‘Registration of non-fatal suicide attempts’ brings together existing data from diverse sources (e.g., emergency departments, police services) to compile a comprehensive view of suicide attempts across the country. An accurate overview of suicide attempts in the Netherlands will contribute to scientific research, facilitate early detection of societal trends, may inform healthcare and prevention policies, and stimulates improvements in quality of care for people who survive a suicide attempt.","nl":"Het aantal niet-fatale suïcidepogingen dat jaarlijks in Nederland plaatsvindt is niet bekend, en ook over de samenstelling van de groep mensen die een suïcidepoging overleeft weten we weinig. Binnen het project ‘Registratie van niet-fatale suïcidepogingen’ worden bestaande data uit uiteenlopende bronnen (bijvoorbeeld spoedeisendehulpposten, Nationale Politie) bijeengebracht om te komen tot een landelijk beeld van niet-fatale suïcidepogingen in Nederland. Accuraat inzicht in het vóórkomen van suïcidepogingen in Nederland bevordert wetenschappelijk onderzoek, faciliteert de tijdige detectie van trends in de samenleving, kan richting geven aan (gezondheids)beleid en stimuleert de verbetering van de kwaliteit van zorg voor mensen die een suïcidepoging overleven."},"keywords":{"en":["Attempted suicide","Suicide","Registries","Mental Health"],"nl":["suïcide","suïcidepoging","zorgregistratie","mentale gezondheid"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Which psychotherapy is most effective and acceptable in the treatment of adults with a (sub)clinical borderline personality disorder? A systematic review and network meta-analysis","authors":"Setkowski, K., Palantza, C., van Ballegooijen, W., Gilissen, R., Oud, M.,  Cristea, I. A.,  Noma, H., Furukawa, T.A.,  Arntz, A., van Balkom, A. J.L.M., Cuijpers, P.","affiliations":"113, Amsterdam UMC, GGZ inGeest, VU, Trimbos Institute, University of Pavia, IRCCS Mondino Foundation, The Institute of Statistical Mathematics Tokyo, Kyoto University Graduate School of Medicine/School of Public Health, Maastricht University, UVA","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychological Medicine","identifier":"10.1017/S0033291723000685","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10277776/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["borderline","depresssief"],"abstract":{"en":"A broad range of psychotherapies have been proposed and evaluated in the treatment of borderline personality disorder (BPD), but the question which specific type of psychotherapy is most effective remains unanswered. In this study, two network meta-analyses (NMAs) were conducted investigating the comparative effectiveness of psychotherapies on (1) BPD severity and (2) suicidal behaviour (combined rate). Study drop-out was included as a secondary outcome. Six databases were searched until 21 January 2022, including RCTs on the efficacy of any psychotherapy in adults (⩾18 years) with a diagnosis of (sub)clinical BPD. Data were extracted using a predefined table format. PROSPERO ID:CRD42020175411. In our study, a total of 43 studies (N = 3273) were included. We found significant differences between several active comparisons in the treatment of (sub)clinical BPD, however, these findings were based on very few trials and should therefore be interpreted with caution. Some therapies were more efficacious compared to GT or TAU. Furthermore, some treatments more than halved the risk of attempted suicide and committed suicide (combined rate), reporting RRs around 0.5 or lower, however, these RRs were not statistically significantly better compared to other therapies or to TAU. Study drop-out significantly differed between some treatments. In conclusion, no single treatment seems to be the best choice to treat people with BPD compared to other treatments. Nevertheless, psychotherapies for BPD are perceived as first-line treatments, and should therefore be investigated further on their long-term effectiveness, preferably in head-to-head trials. DBT was the best connected treatment, providing solid evidence of its effectiveness.","nl":"Er is een breed scala aan psychotherapieën voorgesteld en geëvalueerd bij de behandeling van borderline-persoonlijkheidsstoornis (BPS), maar de vraag welk specifiek type psychotherapie het meest effectief is, blijft onbeantwoord. In deze studie zijn twee netwerkmeta-analyses (NMA's) uitgevoerd waarin de vergelijkende effectiviteit van psychotherapieën werd onderzocht op (1) de ernst van de borderline-stoornis en (2) suïcidaal gedrag (gecombineerd percentage). Studieuitval werd als secundaire uitkomst meegenomen. Tot 21 januari 2022 werden zes databases doorzocht, waaronder RCT’s over de werkzaamheid van psychotherapie bij volwassenen (18 jaar) met de diagnose (sub)klinische BPS. Gegevens werden geëxtraheerd met behulp van een vooraf gedefinieerd tabelformaat. PROSPERO-ID: CRD42020175411. In ons onderzoek zijn in totaal 43 onderzoeken (N = 3273) geïncludeerd. We vonden significante verschillen tussen verschillende actieve vergelijkingen in de behandeling van (sub)klinische BPS. Deze bevindingen waren echter gebaseerd op zeer weinig onderzoeken en moeten daarom met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Sommige therapieën waren effectiever vergeleken met GT of TAU. Bovendien halveerden sommige behandelingen het risico op suïcidepogingen en suïcidepogingen (gecombineerd percentage), waarbij RR's rond de 0,5 of lager werden gerapporteerd. Deze RR's waren echter niet statistisch significant beter vergeleken met andere therapieën of met TAU. Het aantal patiënten dat de studie verliet, verschilde aanzienlijk tussen sommige behandelingen. Concluderend lijkt geen enkele behandeling de beste keuze te zijn om mensen met BPS te behandelen in vergelijking met andere behandelingen. Niettemin worden psychotherapieën voor BPS gezien als eerstelijnsbehandelingen en moeten daarom verder worden onderzocht op hun effectiviteit op de lange termijn, bij voorkeur in onderlinge onderzoeken. DGT was de best aansluitende behandeling en leverde solide bewijs van de effectiviteit ervan."},"keywords":{"en":["Suicide prevention"],"nl":["Borderline persoonlijkheidsstoornis","geestelijke gezondheidszorg","netwerkmeta-analyse","psychotherapie","suïcidaal gedrag"]},"region":["nvt"],"type":["review","meta","kwalitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide","poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Perspective on the Prevention of Suicide among School Learners by School Management","authors":"Shilubane, H.N., Ruiter, R.A.C., Khoza, L.B., van den Borne, B.H.W.","affiliations":"University of Venda, University of South Africa, Maastricht University","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Environmental Research and Public Health","identifier":"10.3390/ijerph20105856","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10218327/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief","nabestaanden"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Adolescents in South Africa have higher suicide rates than older people. A suicide or unexpected death of a fellow student can result in increased copycat behavior. Previous studies have placed emphasis on the significance of school involvement in the prevention of suicide. The study sought to explore the perspective on the prevention of suicide among school learners by school management. A qualitative phenomenological design was applied. The study used purposive sampling to select six high schools. In-depth interviews were conducted with six focus group discussions comprising fifty school management. A semi-structured interview guide guided the interviews. Data were analyzed using a general inductive approach. Findings revealed that school management should be supported through workshops to increase their skills in handling stressful situations at school. Support for learners through audio-visuals, professional counseling, and awareness campaigns also emerged. Parents–school partnership was said to be effective in preventing suicide among learners as both parties will be free to discuss the problems faced by the learner.\n\nCONCLUSION: empowering school management in the prevention of suicide is critical for Limpopo learners. Awareness campaigns conducted by suicide survivors where they can share their testimonies is necessary. School-based professional counseling services should be established to benefit all learners, particularly those experiencing financial challenges. Pamphlets in local languages should be developed for students to convey information about suicide.","nl":"ACHTERGROND: Adolescenten in Zuid-Afrika hebben hogere suïcidecijfers dan ouderen. Een suïcide of onverwachte dood van een medestudent kan leiden tot meer copycat-gedrag. Eerdere studies hebben de nadruk gelegd op het belang van de betrokkenheid van scholen bij de preventie van suïcide. Het onderzoek was bedoeld om het perspectief van de schoolleiding op de preventie van suïcide onder scholieren te verkennen. Er werd een kwalitatief fenomenologisch ontwerp toegepast. Het onderzoek maakte gebruik van doelgerichte steekproeven om zes middelbare scholen te selecteren. Er zijn diepte-interviews gehouden met zes focusgroepgesprekken met vijftig schooldirecties. Een semi-gestructureerde interviewgids leidde de interviews. Gegevens werden geanalyseerd met behulp van een algemene inductieve benadering. Uit de bevindingen bleek dat schoolmanagement ondersteund moet worden door middel van workshops om hun vaardigheden in het omgaan met stressvolle situaties op school te vergroten. Er ontstond ook steun voor leerlingen via audiovisuele middelen, professionele begeleiding en bewustmakingscampagnes. Er werd gezegd dat het partnerschap tussen ouders en school effectief is in het voorkomen van suïcide onder leerlingen, aangezien beide partijen de vrijheid hebben om de problemen waarmee de leerling te maken heeft, te bespreken.                                              \n\nCONCLUSIE: het versterken van het schoolmanagement bij het voorkomen van suïcide is van cruciaal belang voor leerlingen uit Limpopo. Bewustmakingscampagnes door overlevenden van suïcide, waarbij zij hun getuigenissen kunnen delen, zijn noodzakelijk. Er moeten professionele adviesdiensten op scholen worden opgezet waar alle leerlingen profijt van kunnen hebben, vooral degenen die met financiële problemen kampen. Er moeten pamfletten in lokale talen worden ontwikkeld waarmee leerlingen informatie over suïcide kunnen overbrengen."},"keywords":{"en":["Role","School managers","Teachers","School","Suicide"],"nl":["Rol","Schoolleiders","Leraren","School","Suïcide"]},"region":["internationaal"],"type":["review","obs","obs_long","kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Psychotic experiences, suicidality and non-suicidal self-injury in adolescents: Independent findings from two cohorts","authors":"Steenkamp, L.R., de Neve-Enthoven, N.G.M., Moreira João, A., Bouter, D.C., Hillegers, M.H.J., Hoogendijk, W.J.G., Blanken, L.M.E., Kushner, S.A., Tiemeier, H., Grootendorst-van Mil, N.H., Bolhuis, K.","affiliations":"Department of Child and Adolescent Psychiatry/Psychology, Erasmus MC Sophia Children's Hospital, Rotterdam, the Netherlands, UMC Rotterdam,","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Schizophrenia Research","identifier":"10.1016/j.schres.2023.05.006","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S092099642300186X?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Prior studies have shown that psychotic experiences are prospectively associated with an increased risk of suicidality. However, it is unclear whether this association is causal or arises from shared risk factors. Furthermore, little is known about the association between psychotic experiences and non-suicidal self-injury (NSSI).\n\nMETHODS:We used data from two independent samples of young adolescents, which we analyzed separately. In a population-based cohort, data on hallucinatory experiences and suicidality were collected at ages 10 and 14 years (N = 3435). In a cross-sectional study of a population oversampled for elevated psychopathology levels, psychotic experiences, suicidality, and NSSI were assessed at age 15 years (N = 910). Analyses were adjusted for sociodemographic covariates, maternal psychopathology, intelligence, childhood adversity, and mental health problems.\n\nRESULTS: Psychotic experiences were prospectively associated with an increased risk of suicidality, even when considering self-harm ideation at baseline. Furthermore, persistent and incident, but not remittent, patterns of psychotic experiences were related to an increased burden of suicidality. Self-harm ideation was also prospectively associated with the risk for psychotic experiences, although of smaller magnitude and only by self-report. Among at-risk adolescents, psychotic experiences were cross-sectionally associated with a greater burden of suicidality and a higher frequency of NSSI events, with more extensive tissue damage.\n\nCONCLUSION: Psychotic experiences are longitudinally associated with suicidality beyond the effects of shared risk factors. We also found modest support for reverse temporality, which warrants further investigation. Overall, our findings highlight the importance of assessing psychotic experiences as an index of risk for suicidality and NSSI.","nl":"ACHTERGROND: Eerdere onderzoeken hebben aangetoond dat psychotische ervaringen prospectief geassocieerd zijn met een verhoogd risico op suïcidaliteit. Het is echter onduidelijk of dit verband causaal is of voortkomt uit gedeelde risicofactoren. Bovendien is er weinig bekend over het verband tussen psychotische ervaringen en niet-suïcidale zelfverwonding (NSSI).\n\nMETHODEN: We gebruikten gegevens van twee onafhankelijke steekproeven van jonge adolescenten, die we afzonderlijk analyseerden. In een populatiegebaseerd cohort werden gegevens over hallucinatoire ervaringen en suïcidaliteit verzameld op de leeftijd van 10 en 14 jaar (N = 3435). In een cross-sectioneel onderzoek van een populatie die overbemonsterd was op verhoogde niveaus van psychopathologie, werden psychotische ervaringen, suïcidaliteit en NSSI beoordeeld op de leeftijd van 15 jaar (N = 910). Analyses werden aangepast voor sociodemografische covariabelen, maternale psychopathologie, intelligentie, tegenslagen in de kindertijd en geestelijke gezondheidsproblemen.\n\nRESULTATEN: Psychotische ervaringen werden prospectief geassocieerd met een verhoogd risico op suïcidaliteit, zelfs als bij aanvang rekening werd gehouden met gedachten over zelfbeschadiging. Bovendien waren aanhoudende en incidentele, maar niet terugkerende, patronen van psychotische ervaringen gerelateerd aan een verhoogde last van suïcidaliteit. Het idee van zelfbeschadiging werd ook prospectief in verband gebracht met het risico op psychotische ervaringen, hoewel van kleinere omvang en alleen op basis van zelfrapportage. Onder risicoadolescenten waren psychotische ervaringen cross-sectioneel geassocieerd met een grotere last van suïcidaliteit en een hogere frequentie van NSSI-voorvallen, met uitgebreidere weefselschade.\n\nCONCLUSIE: Psychotische ervaringen worden longitudinaal geassocieerd met suïcidaliteit, afgezien van de effecten van gedeelde risicofactoren. We vonden ook bescheiden steun voor omgekeerde temporaliteit, wat verder onderzoek rechtvaardigt. Over het geheel genomen benadrukken onze bevindingen het belang van het beoordelen van psychotische ervaringen als een index voor het risico op suïcidaliteit en NSSI."},"keywords":{"en":["Adolescent","Hallucinations","Psychotic disorders","Psychotic-like experiences","Self-injurious behavior","Suicidal ideation."],"nl":["Adolescent","Hallucinaties","Psychotische stoornissen","Psychotisch-achtige ervaringen","Zelfbeschadigend gedrag","Suïcidale gedachten."]},"region":["nationaal"],"type":["meta","kwalitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Risk factors for suicidality across psychosis vulnerability spectrum","authors":"Stephan, N.M., van Sprang, E.D., Wiebenga, J.X.M., Dickhoff, J., Schirmbeck,  F., de Haan, L., van Amelsvoort, T., Veling, W., Alizadeh, B. Z., Simons, C.J.P., Heering, H.D","affiliations":"113, GGZ inGeest Specialized Mental Health Care, Amsterdam, the Netherlands\nb\nDepartment of Research, 113 Suicide Prevention, the Netherlands\nc\nAmsterdam UMC, Location VUMC, Psychiatry, Amsterdam Public Health Research Institute, Amsterdam, the Netherlands\nd\nAmsterdam UMC, Location AMC, Department of Psychiatry, University of Amsterdam, Amsterdam, the Netherlands\ne\nUniversity of Groningen, University Medical Center Groningen, Department of Biomedical Sciences of Cells and Systems, Cognitive Neuroscience Center, Groningen, the Netherlands\nf\nArkin Mental Health Care, Amsterdam, the Netherlands\ng\nDepartment of Psychiatry and Neuropsychology, Maastricht University, Maastricht, the Netherlands\nh\nDepartment of Psychiatry, University Medical Center Groningen, University of Groningen, Groningen, the Netherlands\ni\nDepartment of Epidemiology, University Medical Center Groningen, University of Groningen, Groningen, the Netherlands\nj\nDepartment of Psychiatry, Rob Giel Research Center, University Medical Center Groningen, University Center for Psychiatry, University of Groningen, Groningen, the Netherlands\nk\nDepartment of Public Mental Health, Central Institute of Mental Health, Faculty Medicine Mannheim, Heidelberg University Mannheim, Germany","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Schizophrenia Research","identifier":"10.1016/j.schres.2023.09.021","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S0920996423003328","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicide is a leading cause of death in individuals with psychotic disorders. Risk factors for suicidality across the psychosis vulnerability spectrum are insufficiently known.\n\nMETHODS: For patients (n = 830), siblings (n = 664) and controls (n = 444), suicidality was assessed by the use of a clinical interview. Multilevel modelling was used to investigate risk factors of suicidality. Lastly, risk factor × familial risk interaction effects were examined.\n\nRESULTS: Multivariable models revealed a significant relation between suicidality and depressive symptoms across all three groups, and childhood trauma in patients and siblings. The association between suicidality and psychotic-like experiences is more pronounced in siblings compared to controls.\n\nCONCLUSION: Across the psychosis vulnerability spectrum, depressive symptoms and childhood trauma have been associated with suicidality. Clinicians should pay attention to suicidality in individuals at high familial risk for psychosis with psychotic-like experiences.","nl":"ACHTERGROND: suïcide is een van de belangrijkste doodsoorzaken bij mensen met psychotische stoornissen. Risicofactoren voor suïcidaliteit over het gehele psychose-kwetsbaarheidsspectrum zijn onvoldoende bekend.\n\nMETHODE: Voor patiënten (n = 830), broers en zussen (n = 664) en controles (n = 444) werd de suïcidaliteit beoordeeld aan de hand van een klinisch interview. Multilevel modellering werd gebruikt om risicofactoren voor suïcidaliteit te onderzoeken. Ten slotte werden risicofactoren x familiale risico-interactie-effecten onderzocht.\n\nRESULTATEN: Multivariabele modellen onthulden een significante relatie tussen suïcidaliteit en depressieve symptomen in alle drie de groepen, en trauma uit de kindertijd bij patiënten en broers en zussen. Het verband tussen suïcidaliteit en psychotisch-achtige ervaringen is duidelijker bij broers en zussen dan bij controles.\n\nCONCLUSIE: Over het gehele psychose-kwetsbaarheidsspectrum worden depressieve symptomen en kindertrauma's in verband gebracht met suïcidaliteit. Artsen moeten aandacht besteden aan suïcidaliteit bij personen met een hoog familiaal risico op psychose met psychotisch-achtige ervaringen."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["any"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicide in Switzerland: why gun ownership can be deadly","authors":"Stroebe, W.","affiliations":"University of Groningen","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Swiss medical weekly","identifier":"10.57187/smw.2023.40026","link":"https://smw.ch/index.php/smw/article/view/3279","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"There is a great deal of empirical evidence that owning a firearm increases the risk of dying from suicide. Most suicides are impulsive. Nearly 50% of survivors of suicide attempts report that they took less than 10 minutes between the decision to die and their suicide attempt. The great majority of these suicide survivors never make another attempt and die of natural causes. Because nearly 90% of firearm suicide attempts have a deadly outcome, gun owners are unlikely to have such a second chance. These impulsive suicide attempts are typically carried out with the means at hand. Swiss men have much higher firearm suicide rates than men in other European countries and this excess is likely to be due to their easy access to guns, because army conscripts have to keep their guns at home. When the number of conscripts was nearly halved in 2003/4 as a result of the Swiss Army Reform XXI, the number of army-issued firearms was reduced by an estimated 20%. An analysis of suicide rates before and after the reform indicated that male (but not female) suicide rates decreased by 8%, with no evidence of substitution with other means of suicide. If the army would require that the remaining half of conscripts had to keep their weapons at their barracks rather than at home, a further decrease in male suicide rates could be expected.","nl":"Er is een grote hoeveelheid empirisch bewijs dat aangeeft dat het bezitten van een vuurwapen het risico om te overlijden door suïcide vergroot. De meeste suïcides zijn impulsief. Bijna 50% van de overlevers van een suïcidepoging meldt dat er minder dan 10 minuten zat tussen het besluit om te sterven en hun suïcidepoging. De grote meerderheid van deze overlevers van een suïcidepoging heeft nooit een andere poging gedaan en overlijdt aan natuurlijke oorzaken. Omdat bijna 90% van alle suïcidepogingen met een vuurwapen een dodelijk afloop heeft, krijgen vuurwapenbezitters waarschijnlijk geen tweede kans. Deze impulsieve suïcides worden over het algemeen uitgevoerd met de middelen die op dat moment beschikbaar zijn. Het percentage suïcides met een vuurwapen onder Zwitserse mannen is veel hoger dan het percentage in andere Europese landen en deze overmaat wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat Zwitserse mannen eenvoudige toegang tot wapens hebben, omdat dienstplichtige militairen hun wapens thuis moeten bewaren. Toen het aantal dienstplichtigen in 2003/4 was gehalveerd als gevolg van de reorganisatie van het Zwitserse leger, werd het aantal door het leger uitgegeven vuurwapens met een geschatte 20% verminderd. Uit een analyse van de suïcidepercentages voor en na de reorganisatie bleek dat het percentage suïcide onder mannen (maar niet onder vrouwen) afnam met 8%, zonder bewijs voor vervanging door een andere methode van suïcide. Als het leger van de overgebleven helft van de dienstplichtigen zou vereisen dat ze hun wapens in hun barakken bewaren in plaats van thuis, kan een verdere afname in het percentage suïcides onder mannen worden verwacht."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Handgun Divestment and Risk of Suicide","authors":"Swanson, S.A., Studder D.M., Zhang, Y., Prince, L., Miller, M.","affiliations":"Erasmus MC, Rotterdam","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"Wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Epidemiology","identifier":"10.1097/EDE.0000000000001549","link":"https://journals.lww.com/epidem/Fulltext/2023/01000/Handgun_Divestment_and_Risk_of_Suicide.13.aspx","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Firearm ownership is strongly related to suicide risk, yet little is known about how much risk declines when ownership ends (“divestment”).\n\nMETHODS: Using data from 523,182 handgun owners, we estimated the effect of divesting and remaining divested versus never divesting on the risk of suicide and firearm-specific suicide. We used pooled logistic regression with inverse probability weighting, adjusting for demographic and area-level measures.\n\nRESULTS: The 5-year risk of suicide death was 25.6 (95% confidence interval [CI] = 15.1, 37.2) per 10,000 persons with divestment and 15.2 (95% CI = 13.2, 17.3) per 10,000 persons with no divestment, corresponding to a risk difference of 10.4 (95% CI = 0.7, 21.1) per 10,000 persons. The 5-year risk of firearm-specific suicide death was 6.3 (95% CI = 1.4, 11.9) per 10,000 persons with divestment and 12.9 (95% CI = 11.0, 14.6) per 10,000 persons with no divestment, corresponding to a risk difference of –6.6 (95% CI = –11.4, –0.1) per 10,000 persons. Comparing divestment to no divestment, risks were elevated for deaths due to other causes proposed as negative control outcomes; we incorporated these estimates into a series of bias derivations to better understand the magnitude of unmeasured confounding.\n\nCONCLUSIONS: Collectively, these estimates suggest that divestment reduces firearm suicide risk by 50% or more and likely reduces overall suicide risk as well, although future data collection is needed to fully understand the extent of biases such as unmeasured confounding.","nl":"ACHTERGROND: Het bezit van vuurwapens houdt sterk verband met suïciderisico, maar er is weinig bekend over de omvang van de afname van dit risico wanneer het bezit van een vuurwapen wordt beëindigd ('afstand doen').\n\nMETHODEN: Aan de hand van gegevens van 523.182 bezitters van een handvuurwapen, schatten de onderzoekers het effect van afstand doen van het vuurwapen en geen nieuw vuurwapen aanschaffen met nooit afstand doen van een vuurwapen op het suïciderisico en het risico op suïcide met een vuurwapen. De onderzoekers gebruikten samengevoegde logistische regressie met inverse probability weighting, corrigerend voor demografische kenmerken en uitkomsten op gebiedsniveau.\n\nRESULTATEN: Het 5 jaarsrisico op overlijden door suïcide was 25,6 (95% betrouwbaarheidsinterval [BI] = 15,1; 37,2) per 10.000 personen bij afstand doen en 15,2 (95% BI = 13,2; 17,3) per 10.000 personen zonder afstand doen, overeenkomend met een risicoverschil van 10,4 (95% BI = 0,7; 21,1) per 10.000 personen. Het 5 jaarsrisico op overlijden door suïcide met een vuurwapen was 6,3 (95% BI = 1,4; 11,9) per 10.000 personen bij afstand doen en 12,9 (95% BI = 11,0; 14,6) per 10.000 personen zonder afstand doen, overeenkomend met een risicoverschil van -6,6 (95% BI = -11,4; -0,1) per 10.000 personen. Wanneer afstand doen van een vuurwapen wordt vergeleken met geen afstand doen, waren de risico's verhoogd voor overlijden door andere oorzaken, voorgesteld als negatieve controle-uitkomsten; de onderzoekers verwerkte deze schattingen in een serie afleidingen van bias om meer inzicht te krijgen in de omvang van ongemeten verstorende factoren.\n\nCONCLUSIES: Alles bij elkaar genomen wijzen deze schattingen erop dat het afstand doen van een vuurwapen het risico op suïcide met een vuurwapen vermindert met 50% of meer en naar alle waarschijnlijkheid ook het algehele risico op suïcide vermindert, hoewel in de toekomst meer data verzameld moeten worden om volledig inzicht te krijgen in de mate waarin verschillende vormen van bias, zoals ongemeten verstorende factoren, hier invloed op hebben gehad."},"keywords":{"en":["divestment","firearm","handgun","suicide"],"nl":[]},"region":["internationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Euthanasia and physician-assisted suicide in people with intellectual disabilities and/or autism spectrum disorders: investigation of 39 Dutch case reports (2012-2021)","authors":"Tuffrey-Wijne, I., Curfs, L., Hollins, S., Finlay, I.","affiliations":"Kingston University London, Maastricht University Department of Pharmacology Cardiff Univeristy","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BJ Psych Open","identifier":"10.1192/bjo.2023.69","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10228250/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["ervaringsdeskundigen","autisme"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Euthanasia review committees (Regionale Toetsingscommissies Euthanasie, RTE) scrutinise all Dutch cases of euthanasia and physician-assisted suicide (EAS) to review whether six legal ‘due care’ criteria are met, including ‘unbearable suffering without prospect of improvement’. There are significant complexities and ethical dilemmas if EAS requests are made by people with intellectual disabilities or autism spectrum disorders (ASD).\n\nAIMS: To describe the characteristics and circumstances of people with intellectual disabilities and/or ASD who were granted their EAS request; investigate the main causes of suffering that led to the EAS request; and examine physicians’ response to the request.\n\nMETHOD: The online RTE database of 927 EAS case reports (2012–2021) was searched for patients with intellectual disabilities and/or ASD (n = 39). Inductive thematic content analysis was performed on these case reports, using the framework method.\n\nRESULTS: Factors directly associated with intellectual disability and/or ASD were the sole cause of suffering described in 21% of cases and a major contributing factor in a further 42% of cases. Reasons for the EAS request included social isolation and loneliness (77%), lack of resilience or coping strategies (56%), lack of flexibility (rigid thinking or difficulty adapting to change) (44%) and oversensitivity to stimuli (26%). In one-third of cases, physicians noted there was ‘no prospect of improvement’ as ASD and intellectual disability are not treatable.\n\nCONCLUSION: Examination of societal support for suffering associated with lifelong disability, and debates around the acceptability of these factors as reasons for granting EAS, are of international importance.","nl":"ACHTERGROND: Toetsingscommissies voor euthanasie (Regionale Toetsingscommissies Euthanasie, RTE) onderzoeken alle Nederlandse gevallen van euthanasie en hulp bij suïcide (EAS) om te beoordelen of aan zes wettelijke zorgvuldigheidscriteria is voldaan, waaronder ‘ondraaglijk lijden zonder uitzicht op verbetering’. Er zijn aanzienlijke complexiteiten en ethische dilemma's als EAS-verzoeken worden gedaan door mensen met een verstandelijke beperking of autismespectrumstoornissen (ASS).\n\nDOELSTELLINGEN: Om de kenmerken en omstandigheden te beschrijven van mensen met een verstandelijke beperking en/of ASS aan wie hun EAS-verzoek is ingewilligd; de belangrijkste oorzaken van het lijden onderzoeken die tot het EAS-verzoek hebben geleid; en de reactie van artsen op het verzoek onderzoeken.\n\nMETHODE: In de online RTE-database met 927 EAS-casusrapporten (2012-2021) werd gezocht naar patiënten met een verstandelijke beperking en/of ASS (n = 39). Op deze casusrapporten werd een inductieve thematische inhoudsanalyse uitgevoerd met behulp van de raamwerkmethode.\n\nRESULTATEN: Factoren die rechtstreeks verband houden met een verstandelijke beperking en/of ASS waren de enige oorzaak van het lijden die in 21% van de gevallen werd beschreven en een belangrijke bijdragende factor in nog eens 42% van de gevallen. Redenen voor het EAS-verzoek waren onder meer sociaal isolement en eenzaamheid (77%), gebrek aan veerkracht of coping-strategieën (56%), gebrek aan flexibiliteit (rigide denken of moeite om zich aan te passen aan veranderingen) (44%) en overgevoeligheid voor prikkels (26%) . In een derde van de gevallen merkten artsen op dat er ‘geen uitzicht op verbetering’ was, omdat ASS en verstandelijke beperkingen niet behandelbaar zijn.\n\nCONCLUSIES: Onderzoek naar maatschappelijke steun voor lijden dat gepaard gaat met levenslange handicaps, en debatten over de aanvaardbaarheid van deze factoren als redenen voor het verlenen van EAS, zijn van internationaal belang."},"keywords":{"en":["Euthanasia","Physician-assisted suicide","Assisted dying","Intellectual disability","Autism spectrum disorders"],"nl":["Euthanasie","Hulp bij zelfdoding","Hulp bij overlijden","Verstandelijke beperking","Autismespectrumstoornissen"]},"region":["nationaal"],"type":["review","meta","kwalitatief"],"setting":["ggz","patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The Suicidal Intrusions Attributes Scale (SINAS): a new tool measuring suicidal intrusions","authors":"Van Bentum, J.S., Kerkhof, A.J.F.M., Huibers, M.J.H., Holmes, E.A., De Geus, S., Sijbrandij, M.","affiliations":"VU Amsterdam, Utrecht University, NPI Center for Personality Disorders Arkin, Uppsala University,","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Front Psychiatry","identifier":"10.3389/fpsyt.2023.1158340.","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10354241/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidal intrusions are uncontrollable, intrusive mental images (e. g., visualizing a future suicidal act). They may also be called suicidal \"flash-forwards.\" Despite the importance of integrating the assessment of suicidal intrusions into a clinical routine assessment, quick self-report screening instruments are lacking. This study describes the development of a new instrument-Suicidal Intrusions Attributes Scale (SINAS)-to assess the severity and characteristics of suicidal intrusions and examines its psychometric properties.\n\nMETHOD: The sample included currently suicidal outpatients with elevated levels of depression recruited across mental health institutions in the Netherlands (N = 168). Instruments administered were 10-item SINAS, the Suicidal Ideation Attributes Scale (SIDAS), the Prospective Imagery Task (PIT), four-item Suicidal Cognitions Interview (SCI), and the Beck Depression Inventory (BDI-II).\n\nRESULTS: An exploratory factor analysis identified a one-factor structure. The resulting SINAS demonstrated good internal consistency (Cronbach's α = 0.91) and convergent validity, as expected.\n\nDISCUSSION: Overall, this study demonstrated acceptable levels of reliability and validity of the measure in a depressed clinical population with suicidal ideation. The SINAS may be a useful screening tool for suicidal intrusions in both research and clinical settings.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidale intrusies zijn oncontroleerbare, opdringerige mentale beelden (bijvoorbeeld het visualiseren van een toekomstige suïcidedaad). Ze kunnen ook suïcidale ‘flash-forwards’ worden genoemd. Ondanks het belang van het integreren van de beoordeling van suïcidale intrusies in een klinische routinebeoordeling, ontbreken instrumenten voor snelle zelfrapportage. Deze studie beschrijft de ontwikkeling van een nieuw instrument – Suicidal Inlusions Attributes Scale (SINAS) – om de ernst en kenmerken van suïcidale intrusies te beoordelen en onderzoekt de psychometrische eigenschappen ervan.\n\nMETHODE: De steekproef bestond uit poliklinische suïcidale patiënten met een verhoogd niveau van depressie, gerekruteerd uit instellingen voor geestelijke gezondheidszorg in Nederland (N = 168). De toegediende instrumenten waren SINAS met 10 items, de Suicidal Ideation Attributes Scale (SIDAS), de Prospective Imagery Task (PIT), het Suicidal Cognitions Interview (SCI) met vier items en de Beck Depression Inventory (BDI-II).\n\nRESULTATEN: Een verkennende factoranalyse identificeerde een structuur met één factor. De resulterende SINAS vertoonde, zoals verwacht, een goede interne consistentie (Cronbach's α = 0,91) en convergente validiteit.\n\nDISCUSSIE: Over het geheel genomen heeft dit onderzoek aanvaardbare niveaus van betrouwbaarheid en validiteit van de maatregel aangetoond bij een depressieve klinische populatie met suïcidegedachten. De SINAS kan een nuttig screeningsinstrument zijn voor suïcidale intrusies in zowel onderzoeks- als klinische omgevingen."},"keywords":{"en":["Suicidal Intrusions Attributes Scale","intrusions","intrusiveness","mental imagery","suicidal imagery","suicide","validation study."],"nl":["Suïcidale intrusies Attributen Schaal","intrusies","opdringerigheid","mentale beelden","suïcidale beelden","suïcide","validatie studie."]},"region":["nationaal"],"type":["trial","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"I Don't Feel at Home in This World - Sexual and Gender Minority Emerging Adults' Self-Perceived Links Between Their Suicidal Thoughts and Sexual Orientation or Gender Identity","authors":"van Bergen, D.D., Dumon, E., Parra, L.A., Motmans, J., Biedermann, L.C., Gilissen, R., Portzky, G.","affiliations":"University of Groningen, 113 Zelfmoordpreventie","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The Canadian Journal of Psychiatry","identifier":"10.1177/07067437221147420","link":"https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/07067437221147420?url_ver=Z39.88-2003&rfr_id=ori:rid:crossref.org&rfr_dat=cr_pub%20%200pubmed","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["lgbtq"],"abstract":{"en":"OBJECTIVES: To examine whether sexual and gender minority (SGM) emerging adults perceived their SGM status was linked to suicidal ideation, and to explore if their responses fell within tenets of the minority stress framework.\n\nMETHOD: Open text (survey) responses of Dutch and Flemish SGM emerging adults (n = 187) were thematically analysed using the constant comparative comparison method for qualitative analysis.\n\nRESULTS: We identified 8 themes in our qualitative analysis. Two themes fell within the scope of the minority stress framework that has received little attention: (1) concerns about relationships and family planning and (2) feeling different (internal stressor). Two additional themes emerged largely beyond the scope of existing minority stress framework studies on suicidality: (3) SGM-related questioning; (4) negativity in LGBT communities. Four established minority stress framework themes emerged: (5) gender identity stress; (6) victimization; (7) coming-out stress; (8) psychological difficulties linked to SGM status.\n\nCONCLUSION: Suicide prevention needs to focus on supporting SGM emerging adults who worry about feeling \"different\", or who have concerns over their romantic and family life, on reducing gender minority stress, as well as on caring for those who are victimized due to their sexual or gender identity.","nl":"DOELEN: Onderzoeken of jongvolwassen seksuele en genderminderheden (SGM) zelf van mening waren dat hun SGM status verband hield met suïcidale gedachten en verkennen of hun antwoorden vielen binnen de beginselen van het minderheidsstress-referentiekader.\n\nMETHODE: Antwoorden op open vragen (enquête) van Nederlandse en Vlaamse jongvolwassenen die tot een SGM behoren (n = 187) werden thematisch geanalyseerd aan de hand van de constante vergelijkende methode voor kwalitatieve analyse.\n\nRESULTATEN: In de kwalitatieve analyse hebben de onderzoekers 8 thema's gevonden. Twee thema's vielen binnen het minderheidsstress-referentiekader dat weinig aandacht heeft gekregen: (1) zorgen over relaties en gezinsplanning en (2) het gevoel anders te zijn (interne stressor). Twee aanvullende thema's werden zichtbaar die grotendeels buiten het bereik vallen van bestaande onderzoeken naar suïcidaliteit met een minderheidsstress-referentiekader: (3) SGM-gerelateerde vraagstelling; (4) negativiteit in LHBT-gemeenschappen. Vier bekende thema's binnen het minderheidsstress-referentiekader zijn vastgesteld: (5) stress in verband met genderidentiteit; (6) victimisatie; (7) stress in verband met coming-out; (8) psychologische problemen in verband met SGM-status.\n\nCONCLUSIE: Suïcidepreventie dient zich te richten op het ondersteunen van SGM-jongvolwassenen die zich zorgen maken over het feit dat ze zich 'anders' voelen of over hun romantische en familieleven, op het verminderen van minderheidsstress en op zorg voor hen die te maken hebben met victimisatie wegens hun seksuele of genderidentiteit."},"keywords":{"en":["emerging adults","minority stress","sexual/gender minorities","suicidal ideation"],"nl":[]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"The importance of clinicians' and parents' awareness of suicidal behaviour in adolescents reaching the upper age limit of their mental health services in Europe","authors":"van Bodegom, L, S., Gerritsen, S. E., Dieleman, G.C., Overbeek, M.M., de Girolamo, G., Scocco, P., Hillegers, M.H.J., Wolke, D., Rizopoulos, D., Appleton, R., Conti, P., Franić, T., Margari, F., Madan, J., McNicholas, F., Nacinovich, R., Pastore, A., Paul, M.,  Purper-Ouakil, D., Saam, M.C., Santosh, P.J., Sartor, A., Schulze, U.M.E., Signorini, G., Singh, S.P., Street, C., Tah, P., Tanase, E., Tremmery, S., Tuomainen, H., Maras, A. Milestone consortium","affiliations":"Erasmus Medical Center, Yulius Mental Health Organization, VU Amsterdam, IRCCS Istituto Centro San Giovanni di Dio Fatebenefratelli, ULSS 6 Euganea Department of Mental health Padova, University of Warwick, University College London, ASST Lariana Department of Child and Adolescent Psychiatry, University of Bari, University College Dublin, University of Milan Bicocca, Centre Hospitalier Universitaire de Montpellier, University of Ulm, Kings College London, Klinik für Kinder- und Jugendpsychiatrie und Psychotherapie Augsburg, KU Leuven","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2022.12.164","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032722015257?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["borderline","youngadult"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: To study clinicians' and parents' awareness of suicidal behaviour in adolescents reaching the upper age limit of their Child and Adolescent Mental Health Service (CAMHS) and its association with mental health indicators, transition recommendations and mental health service (MHS) use.\n\nMETHODS: 763 CAMHS users from eight European countries were assessed using multi-informant and standardised assessment tools at baseline and nine months follow-up. Separate ANCOVA's and pairwise comparisons were conducted to assess whether clinicians' and parents' awareness of young people's suicidal behaviour were associated with mental health indicators, clinician's recommendations to continue treatment and MHS use at nine months follow-up.\n\nRESULTS: 53.5 % of clinicians and 56.9 % of parents were unaware of young people's self-reported suicidal behaviour at baseline. Compared to those whose clinicians/parents were aware, unawareness was associated with a 72-80 % lower proportion of being recommended to continue treatment. Self-reported mental health problems at baseline were comparable for young people whose clinicians and parents were aware and unaware of suicidal behaviour. Clinicians' and parents' unawareness were not associated with MHS use at follow-up.\n\nLIMITATIONS: Aspects of suicidal behaviour, such as suicide ideation, -plans and -attempts, could not be distinguished. Few young people transitioned to Adult Mental Health Services (AMHS), therefore power to study factors associated with AMHS use was limited.\n\nCONCLUSION: Clinicians and parents are often unaware of suicidal behaviour, which decreases the likelihood of a recommendation to continue treatment, but does not seem to affect young people's MHS use or their mental health problems.","nl":"ACHTERGROND: Onderzoek naar het bewustzijn van artsen en ouders over suïcidaal gedrag bij adolescenten die de hoogste leeftijdsgrens van hun kinder- en adolescenten geestelijke gezondheidszorg (CAMHS) bereiken, en de associatie daarvan met indicatoren voor geestelijke gezondheid, transitieaanbevelingen en het gebruik van geestelijke gezondheidszorg (MHS).\n\nMETHODEN: 763 CAMHS-gebruikers uit acht Europese landen werden beoordeeld met behulp van multi-informante en gestandaardiseerde beoordelingsinstrumenten bij aanvang en negen maanden follow-up. Er werden afzonderlijke ANCOVA's en paarsgewijze vergelijkingen uitgevoerd om te beoordelen of het bewustzijn van artsen en ouders over het suïcidale gedrag van jongeren verband hield met indicatoren voor de geestelijke gezondheid, de aanbevelingen van de arts om de behandeling voort te zetten en het gebruik van MHS na negen maanden follow-up.\n\nRESULTATEN: 53,5% van de artsen en 56,9% van de ouders waren bij aanvang niet op de hoogte van het zelfgerapporteerde suïcidale gedrag van jongeren. Vergeleken met degenen van wie de artsen/ouders op de hoogte waren, ging onwetendheid gepaard met een 72-80% lager percentage dat werd aanbevolen om de behandeling voort te zetten. Zelfgerapporteerde geestelijke gezondheidsproblemen bij aanvang waren vergelijkbaar voor jongeren van wie de artsen en ouders zich wel en niet bewust waren van suïcidaal gedrag. De onwetendheid van artsen en ouders was niet geassocieerd met MHS-gebruik tijdens de follow-up.\n\nBEPERKINGEN: Aspecten van suïcidaal gedrag, zoals suïcidegedachten, -plannen en -pogingen, konden niet worden onderscheiden. Er waren maar weinig jonge mensen die overgingen naar de geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen (AMHS), daarom was de macht om factoren te bestuderen die verband hielden met AMHS-gebruik beperkt.\n\nCONCLUSIE: Artsen en ouders zijn zich vaak niet bewust van suïcidaal gedrag, wat de kans op een aanbeveling om de behandeling voort te zetten verkleint, maar geen invloed lijkt te hebben op het MHS-gebruik van jongeren of hun geestelijke gezondheidsproblemen."},"keywords":{"en":["Adolescent","Mental health services","Suicidal thoughts","Transition to adult care."],"nl":["Adolescent","Geestelijke gezondheidszorg","Suïcidale gedachten","Overgang naar volwassenenzorg."]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["young","adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"The impact of COVID-19 on the suicide prevention helpline in the Netherlands","authors":"van der Burgt, M.C.A., Mérelle, S., Beekman, A.T.F., Gilissen, R.","affiliations":"113, VUmc, GGZ ingeest\nb\nDepartment of Research, 113 Suicide Prevention, the Netherlands\nc\nAmsterdam UMC, Location VUMC, Psychiatry, Amsterdam Public Health Research Institute, Amsterdam, the Netherlands\nd\nAmsterdam UMC, Location AMC, Department of Psychiatry, University of Amsterdam, Amsterdam, the Netherlands\ne\nUniversity of Groningen, University Medical Center Groningen, Department of Biomedical Sciences of Cells and Systems, Cognitive Neuroscience Center, Groningen, the Netherlands\nf\nArkin Mental Health Care, Amsterdam, the Netherlands\ng\nDepartment of Psychiatry and Neuropsychology, Maastricht University, Maastricht, the Netherlands\nh\nDepartment of Psychiatry, University Medical Center Groningen, University of Groningen, Groningen, the Netherlands\ni\nDepartment of Epidemiology, University Medical Center Groningen, University of Groningen, Groningen, the Netherlands\nj\nDepartment of Psychiatry, Rob Giel Research Center, University Medical Center Groningen, University Center for Psychiatry, University of Groningen, Groningen, the Netherlands\nk\nDepartment of Public Mental Health, Central Institute of Mental Health, Faculty Medicine Mannheim, Heidelberg University Mannheim, Germany","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000863","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10448893/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief","youngadult"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Although the number of suicides did not increase in 2020, there are concerns about the mental health consequences of the COVID-19 pandemic. Aims: To present the demand for the Dutch suicide prevention helpline during times of lockdown and to describe the coronavirus-related problems discussed. \n\nMETHODS: An observational and exploratory study analyzing the frequency of helpline requests and registration data (n = 893 conversations). \n\nRESULTS: Demand for the helpline did increase, but with no distinctive relation with the lockdown measures. During the first lockdown, approximately a quarter of the analyzed helpline conversations were registered as coronavirus-related by the counselors. Most frequently mentioned conversation topics were the interruption to or changes in professional help, social isolation and loss of structure, and ways to find a distraction from suicidal thoughts/rumination. Limitations: Observational study design prevents causal inferences, and demand for the helpline is impacted by multiple factors. \n\nCONCLUSION: These coronavirus-related problems made help-seekers vulnerable to suicidal thoughts and a reduced desire to live. That many suffered from loneliness is concerning as this contributes to the risk of suicidal ideation. The distress among help-seekers due to the sudden loss of mental health care underscores the importance of maintaining contact with those in care and lowering the threshold for help.","nl":"ACHTERGROND: Hoewel het aantal suïcides in 2020 niet is toegenomen, bestaat er bezorgdheid over de gevolgen voor de geestelijke gezondheid van de COVID-19-pandemie. \n\nDOELEN: Het presenteren van de vraag naar de Nederlandse hulplijn voor suïcidepreventie in tijden van lockdown en het beschrijven van de besproken coronavirus-gerelateerde problemen. Methoden: Een observationeel en verkennend onderzoek waarin de frequentie van hulplijnverzoeken en registratiegegevens wordt geanalyseerd (n = 893 gesprekken). \n\nRESULTATEN: De vraag naar de hulplijn is weliswaar toegenomen, maar zonder onderscheidend verband met de lockdownmaatregelen. Tijdens de eerste lockdown werd ongeveer een kwart van de geanalyseerde hulplijngesprekken door de hulpverleners geregistreerd als coronagerelateerd. De meest genoemde gespreksonderwerpen waren de onderbreking van of veranderingen in professionele hulp, sociaal isolement en verlies van structuur, en manieren om afleiding te vinden van suïcidegedachten/herkauwen. Beperkingen: Observationele onderzoeksopzet voorkomt causale gevolgtrekkingen, en de vraag naar de hulplijn wordt beïnvloed door meerdere factoren. \n\nCONCLUSIE: Deze coronavirusgerelateerde problemen maakten hulpzoekers kwetsbaar voor suïcidegedachten en een verminderd verlangen om te leven. Dat velen onder eenzaamheid leden, is zorgwekkend, omdat dit bijdraagt aan het risico op suïcidegedachten. De nood onder hulpvragers als gevolg van het plotseling wegvallen van de geestelijke gezondheidszorg onderstreept het belang van het onderhouden van contact met degenen in de zorg en het verlagen van de drempel voor hulp."},"keywords":{"en":["COVID-19","mental health","suicide prevention helpline","conversation topics","lockdown"],"nl":["COVID-19","geestelijke gezondheid","hulplijn voor suïcidepreventie","gespreksonderwerpen","lockdown"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Breaking Down Barriers to a Suicide Prevention Helpline: Protocol for a Web-Based Randomized Controlled Trial","authors":"van der Burgt, M.C.A., Mérelle, S., Brinkman, W., Beekman, A.T.F., Gilissen, R.","affiliations":"113, Amsterdam UMC, TU Delft, GGZ inGeest","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"JMIR Research protocols","identifier":"10.2196/41078.","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10167578/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","ervaringsdeskundigen","middelbareman"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Globally, suicide is among the leading causes of death, with men being more at risk to die from suicide than women. Research suggests that people with suicidal ideation often struggle to find adequate help. Every month, around 4000 people fill in the anonymous self-test for suicidal thoughts on the website of the Dutch suicide prevention helpline. This self-test includes the Suicidal Ideation Attributes Scale (SIDAS), which educates users about the severity of their suicidal thoughts. The vast majority (70%) of people who complete the self-test score higher than the cutoff point (≥21) for severe suicidal thoughts. Unfortunately, despite this, less than 10% of test-takers navigate to the web page about contacting the helpline.\n\nOBJECTIVE: This protocol presents the design of a web-based randomized controlled trial that aims to reduce barriers to contacting the suicide prevention helpline. The aim of this study is 2-fold: (1) to measure the effectiveness of a brief barrier reduction intervention (BRI) provided in the self-test motivating people with severe suicidal thoughts to contact the Dutch suicide prevention helpline and (2) to specifically evaluate the effectiveness of the BRI in increasing service use by high-risk groups for suicide such as men and middle-aged people.\n\nMETHODS: People visiting the self-test for suicidal thoughts on the website of the suicide prevention helpline will be asked to participate in a study to improve the self-test. Individuals with severe suicidal thoughts and little motivation to contact the helpline will be randomly allocated either to a brief BRI, in which they will receive a short tailored message based on their self-reported barrier to the helpline (n=388) or care as usual (general advisory text, n=388). The primary outcome measure is the use of a direct link to contact the helpline after receiving the intervention or control condition. Secondary outcomes are the self-reported likelihood of contacting the helpline (on a 5-point scale) and satisfaction with the self-test. In the BRI, participants receive tailored information to address underlying concerns and misconceptions of barriers to the helpline. A pilot study was conducted among current test-takers to identify these specific barriers.\n\nRESULTS: The pilot study (N=1083) revealed multiple barriers to contacting the helpline. The most prominent were the belief that a conversation with a counselor would not be effective, fear of the conversation itself, and emotional concerns about talking about suicidal thoughts.\n\nCONCLUSIONS: Our study will provide insight into the effectiveness of a brief BRI designed to increase the use of a suicide prevention helpline provided in a self-test on suicidal thoughts. If successful, this intervention has the potential to be a low-cost, easily scalable, and feasible method to increase service use for helplines across the world.","nl":"ACHTERGROND: Wereldwijd is suïcide een van de belangrijkste doodsoorzaken, waarbij mannen een groter risico lopen om door suïcide te sterven dan vrouwen. Uit onderzoek blijkt dat mensen met suïcidegedachten vaak moeite hebben om adequate hulp te vinden. Maandelijks vullen zo'n 4000 mensen de anonieme zelftest voor suïcidegedachten in op de website van de Nederlandse hulplijn voor suïcidepreventie. Deze zelftest omvat de Suicidal Ideation Attributes Scale (SIDAS), die gebruikers informeert over de ernst van hun suïcidegedachten. De overgrote meerderheid (70%) van de mensen die de zelftest voltooien, scoort hoger dan het afkappunt (≥21) voor ernstige suïcidegedachten. Helaas navigeert minder dan 10% van de testpersonen naar de webpagina om contact op te nemen met de hulplijn.\n\nDOEL: Dit protocol presenteert het ontwerp van een webgebaseerd gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek dat tot doel heeft de belemmeringen voor het contacteren van de hulplijn voor suïcidepreventie te verminderen. Het doel van dit onderzoek is tweeledig: (1) het meten van de effectiviteit van een korte barrièreverminderende interventie (BRI) die wordt aangeboden in de zelftest en die mensen met ernstige suïcidegedachten motiveert om contact op te nemen met de Nederlandse hulplijn voor suïcidepreventie en (2) om specifiek de effectiviteit van de BRI evalueren bij het vergroten van het gebruik van diensten door groepen met een hoog risico op suïcide, zoals mannen en mensen van middelbare leeftijd.\n\nMETHODEN: Mensen die de zelftest voor suïcidegedachten op de website van de suïcidepreventielijn bezoeken, zullen worden gevraagd om deel te nemen aan een onderzoek om de zelftest te verbeteren. Personen met ernstige suïcidegedachten en weinig motivatie om contact op te nemen met de hulplijn zullen willekeurig worden toegewezen aan een korte BRI, waarin ze een korte, op maat gemaakte boodschap zullen ontvangen op basis van hun zelfgerapporteerde belemmering voor de hulplijn (n=388) of aan de gebruikelijke zorg. (algemene adviestekst, n=388). De primaire uitkomstmaat is het gebruik van een directe link om contact op te nemen met de hulplijn na ontvangst van de interventie- of controleconditie. Secundaire uitkomsten zijn de zelfgerapporteerde waarschijnlijkheid dat er contact wordt opgenomen met de hulplijn (op een vijfpuntsschaal) en de tevredenheid over de zelftest. In de BRI ontvangen deelnemers informatie op maat om onderliggende zorgen en misvattingen over belemmeringen voor de hulplijn aan te pakken. Er is een pilotstudie uitgevoerd onder huidige testpersonen om deze specifieke barrières te identificeren.\n\nRESULTATEN: Uit het pilotonderzoek (N=1083) kwamen meerdere belemmeringen naar voren om contact op te nemen met de hulplijn. De meest prominente waren de overtuiging dat een gesprek met een hulpverlener niet effectief zou zijn, de angst voor het gesprek zelf en emotionele zorgen over het praten over suïcidegedachten.\n\nCONCLUSIES: Ons onderzoek zal inzicht geven in de effectiviteit van een korte BRI, bedoeld om het gebruik van een hulplijn voor suïcidepreventie, die wordt aangeboden in een zelftest over suïcidegedachten, te vergroten. Indien succesvol heeft deze interventie het potentieel om een goedkope, gemakkelijk schaalbare en haalbare methode te zijn om het gebruik van diensten voor hulplijnen over de hele wereld te vergroten."},"keywords":{"en":["barrier reduction intervention","suicidal ideation","self-help","suicide prevention helpline","randomized controlled trial","help-seeking"],"nl":["interventie ter vermindering van barrières","suïcidale gedachten","zelfhulp","hulplijn voor suïcidepreventie","gerandomiseerde gecontroleerde studie","hulp zoeken"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult","old"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Efficacy of a digitally supported regional systems intervention for suicide prevention (SUPREMOCOL) in Noord-Brabant, the Netherlands","authors":"Van der Feltz-Cornelis, C.M., Hofstra, E., Elfeddali, I., Bakker, M., Metz, M.J., de Jong, J.J., van Nieuwenhuizen, C.","affiliations":"University of York, Tilburg University, GGZ Breburg","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"General Hospital Psychiatry","identifier":"10.1016/j.genhosppsych.2023.06.010","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0163834323001068?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: We evaluated the effect of a digitally supported systems intervention for suicide prevention (SUPREMOCOL) in Noord-Brabant, the Netherlands.\n\nMETHOD: Non-randomized stepped wedge trial design (SWTD). Stepwise implementation in the five subregions of the systems intervention. Pre-post analysis for the whole province (Exact Rate Ratio Test, Poisson count). SWTD Hazard Ratios of suicides per person-years for subregional analysis of control versus intervention conditions over five times three months. Sensitivity analysis.\n\nRESULTS: Suicide rates dropped 17.8% (p = .013) from 14.4 suicides per 100,000 before the start of implementation of the systems intervention (2017), to 11.9 (2018) and 11.8 (2019) per 100, during implementation; a significant reduction (p = .043) compared to no changes in the rest of the Netherlands. Suicide rates dropped further by 21.5% (p = .002) to 11.3 suicides per 100,000 during sustained implementation in 2021. Sensitivity analysis confirmed the reduction (p = .02). The SWTD analysis over 15 months in 2018-2019 did not show a significant association of this reduction with implementation per subregional level, probably due to insufficient power given the short SWTD timeframe for implementation and low suicide rates per subregion.\n\nCONCLUSION: During the SUPREMOCOL systems intervention, over four years, there was a sustained and significant reduction of suicides in Noord-Brabant.","nl":"DOEL: We evalueerden het effect van een digitaal ondersteunde systeeminterventie voor suïcidepreventie (SUPREMOCOL) in Noord-Brabant, Nederland.\n\nMETHODE: Niet-gerandomiseerd proefontwerp met getrapte wiggen (SWTD). Stapsgewijze implementatie in de vijf subregio's van de systeeminterventie. Pre-post analyse voor de hele provincie (Exact Rate Ratio Test, Poisson-telling). SWTD Hazard Ratio's van suïcides per persoonsjaren voor subregionale analyse van controle- versus interventieomstandigheden over vijf keer drie maanden. Gevoeligheids analyse.\n\nRESULTATEN: Het aantal suïcides daalde met 17,8% (p = 0,013) van 14,4 suïcides per 100.000 vóór de start van de implementatie van de systeeminterventie (2017) naar 11,9 (2018) en 11,8 (2019) per 100 tijdens de implementatie; een significante reductie (p=.043) vergeleken met geen veranderingen in de rest van Nederland. Het aantal suïcides daalde verder met 21,5% (p = 0,002) tot 11,3 suïcides per 100.000 tijdens de aanhoudende implementatie in 2021. Gevoeligheidsanalyse bevestigde de daling (p = 0,02). De SWTD-analyse over 15 maanden in 2018-2019 liet geen significant verband zien tussen deze reductie en de implementatie per subregionaal niveau, waarschijnlijk als gevolg van onvoldoende power gezien het korte SWTD-tijdsbestek voor implementatie en de lage suïcidecijfers per subregio.\n\nCONCLUSIE: Tijdens de SUPREMOCOL-systeeminterventie, gedurende vier jaar, was er een duurzame en significante vermindering van het aantal suïcides in Noord-Brabant."},"keywords":{"en":["Decision aid","Digital mental health","Suicide prevention","Systems intervention."],"nl":["Beslishulp","Digitale geestelijke gezondheidszorg","Suïcidepreventie","Systeeminterventie."]},"region":["nationaal"],"type":["trial","epi","obs","obs_long","implementatie","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Internet-Purchased Sodium Azide Used in a Fatal Suicide Attempt: A Case Report and Review of the Literature","authors":"Van der Heijden, L.T., Van den Hondel, K.E., Olyslager, E.J.H., De Jong, L.A.A., Reijnders, U.J.L., Franssen, E.J.F.","affiliations":"Antoni van Leeuwenhoek/The Netherlands Cancer Institute, GGD Amsterdam,  Expert Center Gelre-iLab Apeldoorn/Zutphen, OLVG Hospital","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Toxics","identifier":"10.3390/toxics11070608.","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC10385699/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief","youngadult"],"abstract":{"en":"There has been a significant increase in sodium azide intoxications since the 1980s. Intoxications caused by sodium azide are becoming increasingly prevalent in the Netherlands as a result of its promotion for the purpose of self-euthanasia. The mechanism of toxicity is not completely understood but is dose-dependent. The presented case describes a suicide by sodium azide of a young woman (26 years old) with a history of depression and suicide attempts. The decedent was found in the presence of prescription medicine, including temazepam, domperidone in combination with omeprazole, and the chemical preservative sodium azide. Quantitative toxicology screening of whole blood revealed the presence of 70 µg/L temazepam (toxic range > 1000 µg/L) and 28 mg/L sodium azide (fatal range: 2.6-262 mg/L). Whole blood qualitative analysis revealed the presence of temazepam, temazepam-glucuronide, olanzapine, n-desmethylolanzapine, and acetaminophen. In circles promoting sodium azide, it is recommended to use sodium azide in combination with medications targeting sodium azide's negative effects, such as analgesics, antiemetics, and anti-anxiety drugs. The medicines recovered at the body's location, as well as the results of the toxicology screens, were consistent with the recommendations of self-euthanasia using sodium azide.","nl":"Sinds de jaren tachtig is er sprake van een aanzienlijke toename van natriumazide-intoxicaties. Intoxicaties veroorzaakt door natriumazide komen in Nederland steeds vaker voor als gevolg van de promotie ervan ten behoeve van zelf-euthanasie. Het toxiciteitsmechanisme is nog niet volledig bekend, maar is dosisafhankelijk. De gepresenteerde casus beschrijft een suïcide door natriumazide van een jonge vrouw (26 jaar oud) met een voorgeschiedenis van depressie en suïcidepogingen. De overledene werd aangetroffen in de aanwezigheid van voorgeschreven medicijnen, waaronder temazepam, domperidon in combinatie met omeprazol en het chemische conserveermiddel natriumazide. Kwantitatieve toxicologische screening van volbloed bracht de aanwezigheid aan het licht van 70 µg/l temazepam (toxisch bereik > 1000 µg/l) en 28 mg/l natriumazide (fataal bereik: 2,6-262 mg/l). Kwalitatieve analyse van volbloed onthulde de aanwezigheid van temazepam, temazepam-glucuronide, olanzapine, n-desmethylolanzapine en paracetamol. In kringen die natriumazide promoten, wordt aanbevolen om natriumazide te gebruiken in combinatie met medicijnen die zich richten op de negatieve effecten van natriumazide, zoals pijnstillers, anti-emetica en angststillers. De op de lichaamslocatie teruggevonden medicijnen, evenals de resultaten van de toxicologische onderzoeken, kwamen overeen met de aanbevelingen voor zelfeuthanasie met behulp van natriumazide."},"keywords":{"en":["Postmortem toxicology","Sodium azide","Suicide."],"nl":["Postmortale toxicologie","Natriumazide","Suïcide."]},"region":["nationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Attachment-Based Family Therapy for Adolescents and Young Adults With Suicide Ideation and Depression","authors":"van der Spek, N.,Dekker, W., Peen, J.,Santens, T., Cuijpers, P., Bosmans, G., Dekker, J.","affiliations":"Academic Medical Center, De Amsterdamse - Center for Couples and Family Therapy Amsterdam, Arkin Jeugd & Gezin - Specialized Mental Health Care For Youth, Arkin GGZ, KU Leuven Department of Clinical Psychology and Clinical Psychology research group, VU Amsterdam, Babeş-Bolyai University,","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000916","link":"https://econtent.hogrefe.com/doi/10.1027/0227-5910/a000916","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief","youngadult"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicide ideation among adolescents is difficult to treat. Attachment-based family therapy (ABFT) is a promising evidence-based family intervention developed to decrease depressive symptoms and suicide ideation among adolescents.\n\nAIMS: This open trial assessed the feasibility of ABFT for adolescents (12–23 years) with suicide ideation and depression in an outpatient community mental health center in the Netherlands, by monitoring treatment compliance and satisfaction, treatment dose, and symptom reduction.\n\nMETHODS: Eligible patients were referred by the multidisciplinary treatment team at the facility. Treatment dose was monitored by the therapist. Depression (CDI-2), family functioning (SRFF), and strengths and difficulties (SDQ) were assessed online before the intervention and at 3, 6, and 9 months after baseline. Suicide ideation (SIQ-JR) was assessed at each therapy session, and a satisfaction questionnaire was administered postintervention. A total of 25 families signed informed consent, received ABFT treatment, and were included in the analyses. The therapists were at beginners’ level of ABFT, working under supervision during the trial. RESULTS: The treatment dose was acceptable, though impacted by COVID-related lockdowns, and treatment compliance was 89%. Patients received on average 22 ABFT sessions, and about half of the patients received additional psychotherapy. On average, patients were satisfied with ABFT. There was a significant decrease in suicide ideation postintervention (d = 0.69) and significant effects on the CDI-2, SRFF, and SDQ at follow-up with medium-to-large effect sizes (d = 0.53–0.94).\n\nRESULTS: These results should be interpreted with considerable caution, as there was no control group to establish the effectiveness of ABFT, and the sample was small.\n\nCONCUSION: ABFT appears to be a feasible therapy for youth with depression and suicide ideation in an outpatient community mental health setting.","nl":"ACHTERGROND: suïcidegedachten bij adolescenten zijn moeilijk te behandelen. Op gehechtheid gebaseerde gezinstherapie (ABFT) is een veelbelovende, op bewijs gebaseerde gezinsinterventie die is ontwikkeld om depressieve symptomen en suïcidegedachten bij adolescenten te verminderen.\n\nDOELSTELLINGEN: Deze open studie beoordeelde de haalbaarheid van ABFT voor adolescenten (12-23 jaar) met suïcidegedachten en depressie in een ambulante gemeenschapskliniek voor geestelijke gezondheidszorg in Nederland, door het monitoren van de therapietrouw en -tevredenheid, de behandelingsdosis en de symptoomvermindering.\n\nMETHODEN: Patiënten die in aanmerking kwamen, werden doorverwezen door het multidisciplinaire behandelteam van de instelling. De behandelingsdosis werd door de therapeut gecontroleerd. Depressie (CDI-2), gezinsfunctioneren (SRFF) en sterke punten en moeilijkheden (SDQ) werden online beoordeeld vóór de interventie en 3, 6 en 9 maanden na baseline. suïcidegedachten (SIQ-JR) werden bij elke therapiesessie beoordeeld en na de interventie werd een tevredenheidsvragenlijst afgenomen. In totaal ondertekenden 25 gezinnen geïnformeerde toestemming, kregen een ABFT-behandeling en werden opgenomen in de analyses. De therapeuten waren op beginnersniveau van ABFT en werkten tijdens de proef onder supervisie.\n\nRESULTATEN: De behandelingsdosis was acceptabel, hoewel beïnvloed door COVID-gerelateerde lockdowns, en de therapietrouw was 89%. Patiënten kregen gemiddeld 22 ABFT-sessies en ongeveer de helft van de patiënten kreeg aanvullende psychotherapie. Patiënten waren gemiddeld tevreden over ABFT. Er was een significante afname van suïcidegedachten na de interventie (d = 0,69) en significante effecten op de CDI-2, SRFF en SDQ bij de follow-up met middelgrote tot grote effectgroottes (d = 0,53–0,94).\n\nBEPERKINGEN: Deze resultaten moeten met grote voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, aangezien er geen controlegroep was om de effectiviteit van ABFT vast te stellen, en de steekproef klein was. \n\nCONCLUSIE: ABFT lijkt een haalbare therapie te zijn voor jongeren met depressie en suïcidegedachten in een poliklinische gemeenschapssetting voor geestelijke gezondheidszorg."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["young"],"outcome":["suicide","poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Acute mental health-caregivers speaking about Meaning in Life when assessing suicidality: a qualitative study","authors":"van Dijk-Rebel, H., Jongkind, M., Braam, A.W.","affiliations":"Altrecht Geestelijke Gezondheidszorg, Universiteit voor Humanistiek Utrecht.","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor Psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/artikelen/article/50-13223_Zingeving-en-suicidaliteit-volgens-crisisdiensthulpverleners-een-kwalitatief-onderzoek","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The Multidisciplinary guideline for diagnostics and treatment of suicidal behaviour recommends paying attention to the patients&rsquo; perception of meaning in life (MiL) while examining their suicidality. It is unknown how caregivers do this in practice.\n\nAIM: To gain insight into the way and the extent in which clinicians explore MiL with patients being assessed for <br />suicidality and their experiences with it.\n\nMETHOD: Qualitative research with in-depth interviews among eleven caregivers in acute mental health of Altrecht: data were thematically analysed both deductively and inductively.\n\nRESULTS: Five themes emerged: how aspects of MiL emerge in the conversation about suicidality; the intention to understand suicidality by exploring possible protective factors; the effect on patients; the helping and impeding factors for discussing MiL; the participant&rsquo;s attitude of being present while speaking about the patient&rsquo;s MiL.\n\nCONCLUSION: Participants experience the conversation about MiL with suicidal patients as relevant. It provides information about protective factors, which contributes to the understanding of suicidality. The concept of MiL requires further operationalisation. Follow-up research into the several aspects of MiL in relation to diagnostics of suicidality is recommended.","nl":"ACHTERGROND: De Multidisciplinaire richtlijn voor diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag beveelt aan om aandacht te besteden aan de patiënt. perceptie van de betekenis van het leven (MiL) terwijl hun suïcidaliteit wordt onderzocht. Hoe zorgverleners dit in de praktijk doen, is onbekend.\n\nDOEL: Inzicht verkrijgen in de manier en de mate waarin artsen MiL onderzoeken bij patiënten die worden beoordeeld op <br />suïcidaliteit en hun ervaringen daarmee.\n\nMETHODE: Kwalitatief onderzoek met diepte-interviews onder elf zorgverleners in de acute geestelijke gezondheidszorg van Altrecht: gegevens werden thematisch zowel deductief als inductief geanalyseerd.\n\nRESULTATEN: Er kwamen vijf thema’s naar voren: hoe aspecten van MiL naar voren komen in het gesprek over suïcidaliteit; de intentie om suïcidaliteit te begrijpen door mogelijke beschermende factoren te onderzoeken; het effect op patiënten; de helpende en belemmerende factoren bij het bespreken van MiL; de houding van de deelnemer om aanwezig te zijn tijdens het spreken over de MiL van de patiënt.\n\nCONCLUSIE: Deelnemers ervaren het gesprek over MiL met suïcidale patiënten als relevant. Het geeft informatie over beschermende factoren, wat bijdraagt aan het begrip van suïcidaliteit. Het concept MiL behoeft verdere operationalisering. Vervolgonderzoek naar de verschillende aspecten van MiL in relatie tot de diagnostiek van suïcidaliteit wordt aanbevolen.\n​"},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"A latent class analysis using the integrated motivational-volitional model of suicidal behaviour: Understanding suicide risk over 36 months","authors":"van Eijk, N. L., Wetherall, K., Ferguson, E., O'Connor, D. B., & O'Connor, R. C.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2023.05.028","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S0165032723006626","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The use of latent class analysis (LCA) to understand suicide risk is often not guided by theoretical frameworks. This study used the Integrated Motivational-Volitional (IMV) Model of Suicidal Behaviour to inform the classification of subtypes of young adults with a suicidal history.\n\nMETHODS: Data from young adults in Scotland (n = 3508) were used in this study including a subgroup of participants (n = 845) with a history of suicidality. LCA using risk factors from the IMV model was conducted on this subgroup, and the subgroups and non-suicidal control group were compared. Trajectories of suicidal behaviour over 36 months was compared between the classes.\n\nRESULTS: Three classes were identified. Class 1 (62 %) had low scores on all risk factors, Class 2 (23 %) had moderate scores, and Class 3 (14 %) had high scores on all risk factors. Those in Class 1 had a stable low risk of suicidal behaviour, while those in Class 2 and 3 showed marked variation over time, although Class 3 had the highest risk across all timepoints.\n\nLIMITATIONS: The rate of suicidal behaviour in the sample was low, and differential dropout may have impacted the findings.\n\nCONCLUSIONS: These findings suggest that young adults can be classified into different profiles based on suicide risk variables derived from the IMV model, which still distinguishes them 36 months later. Such profiling may help determining who is most at risk for suicidal behaviour over time.","nl":null},"keywords":{"en":["Suicide","Integrated motivational volitional (IMV) model","Latent class analysis","Theory"],"nl":["Suicide","Integrated motivational volitional (IMV) model","Latent class analyse","Theorie"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt"]}},{"title":"Suïcide onder mannen van 40-70 jaar","authors":"van Nunen, S., Luigjes, Y., Berkelmans, G., Rawee, J., Shields, L., Gilissen, R.","affiliations":"113, Trimbos Instituut","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"rapport","publicationJournal":null,"identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/113%20in%20media/113_Rapport%20Su%C3%AFcide%20onder%20mannen-samenvatting%2017112023.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["middelbareman"],"abstract":{"en":"Most suicides in the Netherlands occur among middle-aged men (40 - 70 years) (Figure 1). This study provided an in-depth look at what characteristics are of middle-aged men who died by suicide. The purpose of this is to find out what specific risk factors are for this high-risk group, and how to respond with prevention. This research used quantitative data from the Central Bureau of Statistics (CBS) and from Mental health institutions and qualitative data obtained from questionnaires for surviving relatives.","nl":"De meeste suïcides in Nederland vinden plaats bij mannen van middelbare leeftijd (40 tot 70 jaar) (Figuur 1). In dit onderzoek is verdiepend in beeld gebracht wat kenmerken zijn van mannen van middelbare leeftijd die zijn overleden door suïcide. Het doel hiervan is om te achterhalen wat specifieke risicofactoren voor deze hoog risicogroep zijn, en hoe hier mogelijk op ingespeeld kan worden met preventie. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van kwantitatieve data afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en afkomstig uit GGZ-instellingen en kwalitatieve data die verkregen is uit vragenlijsten voor nabestaanden."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","kwalitatief"],"setting":["ggz","patient_nonggz"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suïcidaliteit onder mbo-studenten","authors":"von Spreckelsen, P.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"rapport","publicationJournal":null,"identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/113%20in%20media/Rapport%20Su%C3%AFcidaliteit%20onder%20mbo-studenten.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["Suicide","Prevention","Young adults","Education"],"nl":["Suicide","Preventie","Jongvolwassenen","Onderwijs","Mbo","Middelbaar beroepsonderwijs"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","obs_long","kwantitatief"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt"]}},{"title":"Perceived ethnic discrimination, suicidal ideation and mastery in a multi-ethnic cohort: the HELIUS study","authors":"Willemen, F.E.M., Heuschen, C.B.B.C.M., Zantvoord, J.B., Galenkamp, H., de Wit, M.A.S., Zwinderman, A.H., Denys, D.A.J.P., Bockting, C.L.H., Stronks, K., Lok, A.","affiliations":"Amsterdam UMC","affiliation113":false,"year":2023,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BJPsych Open","identifier":"10.1192/bjo.2022.640","link":"https://www.cambridge.org/core/journals/bjpsych-open/article/perceived-ethnic-discrimination-suicidal-ideation-and-mastery-in-a-multiethnic-cohort-the-helius-study/F1D393A804CD1E68816A2A4A9DE5D77E","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The association between perceived ethnic discrimination (PED) and mental health conditions is well studied. However, less is known about the association between PED and suicidal ideation, or the role of positive psychosocial factors in this association.\n\nAIMS: To examine the association between PED and suicidal ideation among ethnic minority groups in Amsterdam, The Netherlands, and investigate whether ethnicity and mastery (people's extent of feeling in control of their lives and environment) moderate this association.\n\nMETHOD: Cross-sectional data from the multi-ethnic HELIUS study were analysed (n = 17 053) for participants of South-Asian Surinamese, African Surinamese, Ghanaian, Turkish and Moroccan origin. PED was measured using the Everyday Discrimination Scale, suicidal ideation using item 9 of the Patient Health Questionnaire-9 and mastery using the Pearlin–Schooler Mastery Scale.\n\nRESULTS: Logistic regression analyses demonstrated a small positive association between PED and suicidal ideation (OR = 1.068, 95% CI 1.059–1.077), which did not differ among ethnic minority groups. Mastery did not moderate the association between PED and suicidal ideation among the ethnic minority groups.\n\nCONCLUSIONS: Our findings support the hypothesis that PED is associated with suicidal ideation and this association does not significantly vary between ethnic minority groups. Although higher levels of mastery were associated with lower suicidal ideation, mastery did not moderate the relationship between PED and suicidal ideation. Besides targeting ethnic discrimination as a societal problem, future longitudinal research is needed to investigate whether interventions aimed at improving mastery could reduce suicidal ideation in ethnic minority groups.","nl":"ACHTERGROND: Het verband tussen ervaren etnische discriminatie (EED) en aandoeningen van de geestelijke gezondheid is uitgebreid onderzocht. Er is echter minder bekend over het verband tussen EED en suïcidale gedachten, of de rol van psychosociale factoren in dit verband.\n\nDOELEN: Het onderzoeken van de verbanden tussen EED en suïcidale gedachten in etnische minderheidsgroepen in Amsterdam en onderzoeken of etniciteit en beheersingsoriëntatie (de mate waarin mensen het gevoel hebben controle te hebben over hun leven en hun omgeving) dit verband modereert.\n\nMETHODE: Cross-sectionele data van het multi-etnische HELIUS-onderzoek werden geanalyseerd (n = 17.053) voor deelnemers van Zuid-Aziatisch-Surinaamse, Afrikaans-Surinaamse, Ghanese, Turkse en Marokkaanse afkomst. EED werd gemeten met de Everyday Discrimination Scale, suïcidale gedachten met onderdeel 9 van de Patient Health Questionnaire-9 en beheersingsoriëntatie met de Pearlin–Schooler Mastery Scale.\n\nRESULTATEN: Uit logistische regressieanalyses bleek een klein positief verband tussen EED en suïcidale gedachten (OR = 1,068, 95% BI 1,059–1,077), dat niet verschilde tussen etnische minderheidsgroepen. Beheersingsoriëntatie modereerde het verband tussen EED en suïcidale gedachten niet bij etnische minderheidsgroepen.\n\nCONCLUSIES: De bevindingen van de onderzoekers ondersteunen de hypothese dat EED niet significant verschilt tussen etnische minderheidsgroepen. Hoewel het ervaren van meer controle verband hield met minder suïcidale gedachten, modereerde de beheersingsoriëntatie het verband tussen EED en suïcidale gedachten niet. Naast het aanpakken van etnische discriminatie als maatschappelijk probleem, is longitudinaal onderzoek in de toekomst nodig om te onderzoeken of interventies die zich richten op het verbeteren van beheersingsoriëntatie kunnen zorgen voor een verlaging van suïcidale gedachten bij etnische minderheidsgroepen."},"keywords":{"en":["HELIUS study","ethnicity","mastery","perceived ethnic discrimination","suicidal ideation"],"nl":[]},"region":["internationaal"],"type":[],"setting":[],"age":["adult","old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"The Googlization of Health: Invasiveness and corporate responsibility in media discourses on Facebook's algorithmic programme for suicide prevention","authors":"Broer, T.","affiliations":"Tilburg University","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Social Science & Medicine","identifier":"10.1016/j.socscimed.2022.115131","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0277953622004373?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Big tech companies increasingly play a role in the domain of health. Also called the “Googlization of Health”, this phenomenon is often studied by drawing on the notion of ‘hostile worlds’, where market values and common goods are incommensurable. Yet, the ‘hostile worlds’ theory is not uncontested; scholars for instance argue that the justifications of big tech companies are important analytical considerations as well. Building on this literature, in this paper I report on a case study of Facebook employing AI for suicide prevention, moving beyond Facebook’s justifications only to study the ways in which media commentators and their audiences discussed Facebook’s programme and the values they saw as being at stake. In the results, I show how invasiveness was, in different ways and forms, a main theme in thinking about Facebook using AI to do suicide prevention. Commentators and readers alike discussed how: 1) Facebook takes corporate responsibility with this initiative, or alternatively Facebook only has commercial interests and uses the notion of ‘public good’ to transgress spheres and sectors even further, thus being invasive; 2) Facebook’s AI suicide prevention programme is invasive in relation to privacy and privacy laws, or, instead, people give up their privacy willingly in exchange for entertainment; 3) The programme undermines, rather than enhances, safety; 4) Suicide prevention in itself is already invasive. These different forms of invasiveness, I argue in the conclusion, also imply responsibility for different actors, from AI itself to Facebook through to medical professionals. Moreover, they show what values are at stake in, and transformed through, Facebook’s AI suicide prevention programme, going beyond the frames of privacy and surveillance capitalism.","nl":"Grote techbedrijven spelen een steeds grotere rol op het gebied van gezondheid. Dit fenomeen, dat ook wel de 'Googlisering van gezondheid' wordt genoemd, wordt vaak bestudeerd door voort te bouwen op het begrip 'vijandige werelden' waarin marktwaarden en gemeenschappelijke goederen niet verenigbaar zijn. Maar de theorie van 'vijandige werelden' is niet onomstreden. Wetenschappers beargumenteren bijvoorbeeld dat de rechtvaardigingen van grote techbedrijven ook belangrijke analytische overwegingen vormen. Voortbouwend op deze literatuur gaat dit artikel in op een casusonderzoek naar Facebook dat AI inzet voor suïcidepreventie. Er wordt niet zozeer gekeken naar de rechtvaardiging van Facebook, maar naar de manieren waarop mediacommentatoren en hun publiek het initiatief van Facebook hebben besproken en welke waarden er volgens hen in het geding waren. In de resultaten wordt beschreven hoe invasiviteit, op verschillende manieren en in verschillende vormen, een hoofdthema vormde in het denken over de inzet van AI door Facebook voor suïcidepreventie. Zowel commentatoren als lezers bespraken of: 1) Facebook maatschappelijk verantwoord onderneemt met dit initiatief of juist uitsluitend commerciële belangen heeft en het concept 'collectief welzijn' gebruikt om domeinen en sectoren nog verder binnen te dringen, en zich dus invasief gedraagt; 2) het AI-suïcidepreventieprogramma van Facebook invasief is in verband met privacy en privacywetgeving of dat mensen vrijwillig hun privacy opgeven in ruil voor vermaak; 3) het programma de veiligheid eerder ondermijnt dan vergroot; 4) suïcidepreventie in zichzelf al invasief is. In de conclusie wordt besproken hoe deze verschillende vormen van invasiviteit ook verantwoordelijkheid impliceren van de verschillende partijen, van AI zelf tot Facebook en medische zorgverleners. Verder blijkt daaruit welke waarden op het spel staan in, en worden veranderd door, het AI-suïcidepreventieprogramma van Facebook, voorbij de kaders van privacy en surveillancekapitalisme."},"keywords":{"en":["suicide prevention","Facebook","content moderation","privacy","googlization of health"],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":[],"setting":[],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Inequalities of Suicide Mortality across Urban and Rural Areas: A Literature Review","authors":"Casant, J., Helbich, M.","affiliations":"Utrecht University","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Enviornmental Research and Public Health","identifier":"10.3390/ijerph19052669","link":"https://www.mdpi.com/1660-4601/19/5/2669","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Suicide mortality is a major contributor to premature death, with geographic variation in suicide rates. Why suicide rates differ across urban and rural areas has not yet been fully established. We conducted a literature review describing the urban–rural disparities in suicide mortality. Articles were searched in five databases (EMBASE, PubMed, PsychINFO, Scopus, and Web of Science) from inception till 26 May 2021. Eligible studies were narratively analyzed in terms of the urban–rural disparities in suicides, different suicide methods, and suicide trends over time. In total, 24 articles were included in our review. Most studies were ecological and cross-sectional evidence tentatively suggests higher suicide rates in rural than in urban areas. Men were more at risk by rurality than women, but suicide is in general more prevalent among men. No obvious urban–rural pattern emerged regarding suicide means or urban–rural changes over time. Potential suicidogenic explana tions include social isolation, easier access to lethal means, stigmatization toward people with mental health problems, and reduced supply of mental health services. For research progress, we urge, first, individual-level cohort and case-control studies in different sociocultural settings. Second, both rurality and urbanicity are multifaceted concepts that are inadequately captured by oversimplified typologies and require detailed assessments of the sociophysical residential environment.","nl":"Sterfte door suïcide is een belangrijke bijdragende factor aan voortijdig overlijden en er zijn geografische variaties in suïcidepercentages. Het is nog niet volledig bekend waardoor suïcidepercentages verschillen in stedelijke en in landelijke gebieden. De onderzoekers voerden een literatuuronderzoek uit waarin verschillen tussen stedelijke en landelijke gebieden bij sterfte door suïcide worden beschreven Artikelen werden gezocht in vijf databases (EMBASE, PubMed, PsychINFO, Scopus en Web of Science) vanaf het ontstaan tot 26 mei 2021. Onderzoeken kwamen in aanmerking wanneer er een narratieve analyse had plaatsgevonden van verschillen tussen stedelijke en landelijke gebieden bij sterfte door suïcide, verschillende suïcidemethoden en trends in suïcide in het verloop van de tijd. In totaal werden 24 artikelen opgenomen in dit literatuuronderzoek. De meeste onderzoeken waren ecologisch en cross-sectioneel bewijs duidt voorzichtig op een hoger suïcidepercentage in landelijke gebieden vergeleken met stedelijke gebieden. Mannen liepen een groter risico door ruraliteit dan vrouwen, maar suïcide komt in het algemeen vaker voor bij mannen. Er werd geen duidelijk urbaan-ruraal patroon duidelijk als het gaat om suïcidemethodes of urbaan-rurale veranderingen in de loop van de tijd. Mogelijke suïcidogene verklaringen zijn onder andere sociale isolatie, makkelijkere toegang tot dodelijke middelen, stigmatisering van mensen met psychische problemen en verminderd aanbod van geestelijke gezondheidszorg. Voor de voortgang van het onderzoek, dringen de onderzoekers aan op cohortonderzoeken op een individueel niveau en patiënt-controleonderzoeken in verschillende socioculturele omgevingen. Daarnaast zijn zowel ruraliteit als urbaniciteit concepten die uit veel facetten bestaan, die ontoereikend worden gevat in ongenuanceerde typologieën en die gedetailleerde vaststelling van de sociaal-fysieke woonomgeving vereisen."},"keywords":{"en":["inequalities","rurality","suicide","urbanicity","urban–rural mental health"],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["review","kwalitatief"],"setting":[],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Meta-analysis of the effect of racial discrimination on suicidality","authors":"Coimbra, B.M., Hoeboer, C.M., Yik, J., Mello, A.F., Mello, M.F., Olff, M.","affiliations":"Amsterdam UMC, University of Amsterdam, ARQ National Psychotrauma Centre","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"SSM - Population Health","identifier":"10.1016/j.ssmph.2022.101283","link":"https://reader.elsevier.com/reader/sd/pii/S2352827322002622?token=C42099B110D13AE46DB2AE8625D2D7BA0E2F573D4042B5A32A959407AC9FF503F8FF345012E9E5AF284A6C19075CB462&originRegion=eu-west-1&originCreation=20230420091423","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Racial discrimination (RD) is unfair treatment of individuals based on race or ethnicity. It is a pervasive and increasing phenomenon in the lives of many individuals with deleterious effects on mental health. Research implicates RD in diminished well-being, lower life satisfaction and self-esteem, and mental health disorders. Furthermore, there have been reports that minorities and marginalized groups exposed to RD are at a higher risk of suicide. Given that RD negatively impacts mental health and that suicide is a major public health concern, we meta-analytically reviewed the literature to investigate whether RD is associated with suicidal ideation (SI) and suicide attempt (SA). We identified 43 eligible articles investigating the association between RD and suicidality through PubMed, Embase, PsycINFO and Scopus, from which we pooled 39 effect sizes for SI (58,629 individuals) and 15 for SA (30,088 individuals). Results demonstrated that RD has a small but significant effect both on SI (r = 0.16, 95% CI: 0.12 to 0.19; p < 0.0001) and on SA (r = 0.13, 95% CI: 0.02 to 0.23; p = 0.018). We found no indication of publication bias, and fail-safe tests confirmed the robustness of the results. Furthermore, we tested the moderating effects of several study characteristics (e.g., age, race, RD and SI time frame assessment, and categorization of RD measures). The only study characteristic to moderate the effect of RD on SI was SI time frame assessment (r = 0.07; 95% CI: 0.015 to 0.12; p = 0.01). Our findings suggest that SI and SA are phenomena that may be influenced by exposure to RD. Thus, individuals that are discriminated based on race may develop more suicidal thoughts and an increased likelihood of attempting suicide. These findings underscore the need for more prevention and intervention efforts to attenuate the effect of RD on suicidality.","nl":"Rassendiscriminatie (RD) is oneerlijke behandeling van personen op basis van ras of etniciteit. Het is een doordringend en toenemend fenomeen in de levens van veel mensen en het heeft schadelijke effecten op de geestelijke gezondheid. Uit onderzoek blijkt dat RD een rol speelt bij verminderd welzijn, minder levenstevredenheid en gevoel van eigenwaarde en psychische gezondheidsproblemen. Verder zijn er meldingen dat minderheden en gemarginaliseerde groepen die zijn blootgesteld aan RD een hoger suïciderisico hebben. Omdat RD een negatieve invloed heeft op de psychische gezondheid en suïcide een belangrijk probleem is voor de volksgezondheid, hebben de onderzoekers een meta-analyse uitgevoerd op de literatuur om te onderzoeken of RD samenhangt met suïcidale gedachten (SG) en suïcidepogingen (SP). De onderzoekers vonden 43 geschikte artikelen waarin het verband is bekeken tussen RD en suïcidale gedachten na een zoektocht in PubMed, Embase, PsycINFO en Scopus, waaruit 39 effectgroottes zijn samengevoegd voor SG (58.629 personen) en 15 voor SP (30.088 personen). Uit de resultaten bleek dat RD een klein, maar significant effect heeft op zowel SG (r = 0,16, 95% BI: 0,12 tot 0,19; p < 0,0001) als op SP (r = 0,13, 95% BI: 0,02 tot 0,23; p = 0,018). Er is geen indicatie gevonden voor publicatiebias en fail-safetoetsen bevestigden de betrouwbaarheid van de resultaten. Verder keken de onderzoekers naar modererende effecten van verschillende onderzoekskenmerken (bijv. leeftijd, ras, RD en tijdpadbeoordeling van SG en categorisering van RD-maatregelen). Het enige onderzoekskenmerk dat het effect van RD op SG modereerde was tijdpadbeoordeling van SG (r = 0,07; 95% BI: 0,015 tot 0,12; p = 0,01). Uit deze bevindingen blijk dat SG en SP fenomenen zijn die kunnen worden beïnvloed door blootstelling aan RD. Als zodanig kunnen mensen die gediscrimineerd worden op basis van ras meer suïcidale gedachten ontwikkelen en een grotere kans hebben om een suïcidepoging te doen. Deze bevindingen onderstrepen de noodzaak voor meer inzet van preventie en interventie om de effecten van RD op suïcidaliteit af te zwakken."},"keywords":{"en":["Ethnicity","Mental health","Minority groups","Public health","Racial discrimination","Racism","Suicide"],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["meta","kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Moderating role of coping in the association between minority stress and suicidal ideation and suicide attempts among sexual and gender minority young adults","authors":"de Lange, J., Baams, L., Bos, H., Bosker, R., Dumon, E., Portzky, G., Robinson, J., van Bergen, D.","affiliations":"University of Groningen, University of Amsterdam","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and life-threatening behavior","identifier":"10.1111/sltb.12913\nSECTIONS","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/sltb.12913","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["lgbtq","youngadult"],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: This study examined associations of minority stressors (i.e., victimi-zation,  internalized  homonegativity,  and  stigma  consciousness),  and  coping  styles  (i.e.,  active,  avoidant,  and  passive)  with  suicidal  ideation  and  suicide  at-tempts (suicidality) among sexual and gender minority (SGM) young adults, and whether coping style moderated these associations. \n\nMETHODS: Logistic regression analyses examined these associations among 1432 SGM young adults (ages 18– 29).\n\nRESULTS: Minority  stressors  and  passive  coping  were  associated  with  a  higher  likelihood of suicidality. Avoidant coping was associated with a lower likelihood of  lifetime  suicidal  ideation  and  attempts  among  sexual  minority  participants,  and  active  coping  with  a  lower  likelihood  of  past-  year  suicidal  ideation  among  sexual  minority  participants.  Moderation  analyses  among  sexual  minority  par-ticipants showed that when avoidant coping was high, associations between low victimization  (compared  with  no  victimization)  and  lifetime  suicide  attempts,  and stigma consciousness and lifetime suicide attempts became non- significant, and the association between internalized homonegativity and lifetime suicide at-tempts  became  significant.  Among  gender  minority  participants,  when  passive  coping was high the association between low victimization and lifetime suicidal ideation became significant.\n\nCONCLUSION: This study underlines the importance of minority stress and coping for suicidality among SGM young adults and the need for more research regard-ing the role of coping.","nl":"DOEL:  In dit onderzoek werd gekeken naar verbanden van minderheidsstressoren (d.w.z. victimisatie, geïnternaliseerde homonegativiteit en stigmabewustheid) en copingstijlen (d.w.z. actief, vermijdend en passief) met suïcidale gedachten en suïcidepogingen (suïcidaliteit) onder jongvolwassen seksuele en genderminderheden (SGM) en of copingstijl deze verbanden modereerde. \n\nMETHODEN: Met behulp van logistische regressieanalyses werden deze verbanden onderzocht bij 1432 SGM-jongvolwassenen (18-29 jaar). \n\nRESULTATEN: Minderheidsstressoren en passieve coping hielden verband met een hogere kans op suïcidaliteit. Vermijdende coping hield verband met een kleinere kans op suïcidale gedachten en suïcidepogingen op enig moment in het leven onder deelnemers die tot een seksuele minderheid behoren en actieve coping hing samen met een kleinere kans op suïcidale gedachten in het afgelopen jaar onder deelnemers die tot een seksuele minderheid behoren.  Uit moderatieanalyses onder deelnemers die tot een seksuele minderheid behoren bleek dat in het geval van een hoge score voor vermijdende coping, de verbanden tussen een lage score op victimisatie (vergeleken met een afwezigheid van victimisatie) en suïcidepogingen op enig moment in het leven, en tussen stigmabewustheid en suïcidepogingen tijdens het hele leven, niet significant werden, en dat het verband tussen geïnternaliseerde homonegativiteit en suïcidepogingen op enig moment in het leven significant werden.  Onder deelnemers die tot een genderminderheid behoren, werd bij een hoge score op passieve coping het verband tussen lage victimisatie en suïcidale gedachten op enig moment in het leven significant. \n\nCONCLUSIE: Uit dit onderzoek blijkt het belang van minderheidsstress en coping voor suïcidaliteit onder SGM-jongvolwassenen en de noodzaak om meer onderzoek te doen naar de rol van coping."},"keywords":{"en":["coping","minority stress","sexual and gender minority","suicidality","young adults"],"nl":[]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Minority Stress and Suicidal Ideation and Suicide Attempts Among LGBT Adolescents and Young Adults: A Meta-Analysis","authors":"de Lange, J., Baams, L., van Bergen, D.D., Bos, H., Bosker., R.J.","affiliations":"University of Groningen, University of Amsterdam","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"LGBT Health","identifier":"10.1089/lgbt.2021.0106","link":"https://www.liebertpub.com/doi/10.1089/lgbt.2021.0106?url_ver=Z39.88-2003&rfr_id=ori%3Arid%3Acrossref.org&rfr_dat=cr_pub++0pubmed","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["lgbtq"],"abstract":{"en":"PURPOSE: This meta-analytic study examined associations between minority stressors and suicidal ideation andsuicide attempts among LGBT adolescents and young adults (aged 12–25 years).\n\nMETHODS: Identified studies were screened using the inclusion and exclusion criteria. Studies had to include anassociation between a minority stressor and a suicidality outcome and were categorized into 10 meta-analyses.Overall effect sizes were calculated using three-level meta-analyses. In addition, moderation by sampling strat-egy was examined. \n\nRESULTS: A total of 44 studies were included. Overall, LGBT bias-based victimization, general victimization, bul-lying, and negative family treatment were significantly associated with suicidal ideation and/or suicide attempts. Associations of discrimination and internalized homophobia and transphobia with suicidal ideation and/or sui-cide attempts were not significant. No moderation effects were found for sampling strategy.\n\nCONCLUSION: Although overall effect sizes were small, our meta-analytic study shows a clear link between var-ious types of minority stressors and suicidal ideation and suicide attempts among LGBT adolescents and youngadults.","nl":"DOEL: In dit meta-analytische onderzoek is gekeken naar verbanden tussen minderheidsstressoren en suïcidale gedachten en suïcidepogingen onder LHBT-adolescenten en -jongvolwassenen (van 12-25 jaar). \n\nMETHODEN: Gevonden onderzoeken werden gescreend aan de hand van de inclusie- en exclusiecriteria. Onderzoeken moesten een verband hebben opgenomen tussen een minderheidsstressor en een uitkomst op het gebied van suïcidaliteit. De onderzoeken werden gecategoriseerd in 10 meta analyses. Algehele effectgroottes werden berekend met meta analyses met drie niveaus. Daarnaast werd moderatie door steekproefstrategie onderzocht. \n\nRESULTATEN: in totaal werden 44 onderzoeken geïncludeerd. Over het geheel bleken victimisatie op basis van LHBT bias, algehele victimisatie, pesten en negatieve behandeling door familie significant verband te houden met suïcidale gedachten en/of suïcidepogingen. Verbanden tussen discriminatie en geïnternaliseerde homofobie en transfobie enerzijds en suïcidale gedachten en/of suïcidepogingen anderzijds waren niet significant. Er werden geen moderatie-effecten gevonden voor steekproefstrategie. \n\nCONCLUSIE: Hoewel algehele effectgroottes klein waren, bleek uit dit meta analytische onderzoek een duidelijk verband tussen verschillende soorten minderheidsstressoren en suïcidale gedachten en/of suïcidepogingen onder LHBT-adolescenten en -jongvolwassenen."},"keywords":{"en":["adolescents","LGBT","meta-analysis","minority stress","suicidality"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["review","meta","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["young"],"outcome":["suicide","poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Temporomandibular Disorders as a Risk Factor for Suicidal Behavior: A Systematic Review","authors":"Dibello, V., Panza, F., Mori, G., Ballini, A., Di Cosola, M., Lozupone, M., Dibello, A., Santarcangelo, F., Vertucci, V., Dioguardi, M., Cantore, S.","affiliations":"University of Amsterdam, Vrije Universiteit Amsterdam","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Personalized Medicine","identifier":"10.3390/jpm12111782","link":"https://www.mdpi.com/2075-4426/12/11/1782","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Temporomandibular disorders (TMD) are a group of common musculoskeletal dysfunctions that affect the temporomandibular joint or masticatory muscles and related structures or are expressed as a clinical combination of these two factors. The etiology of TMD is multifactorial and features related to anxiety, depression and mental disorders can contribute to the predisposition, onset and progression of TMD. The ability to adapt and develop coping attitudes was reduced in patients presenting with chronic pain, while suicidal behavior (suicidal ideation, suicide attempts, and suicide completion) was increased. The objective of this review was therefore to investigate suicidal behavior in relation to TMD. \n\nMETHODS: The review was performed according to the PRISMA 2020 guidelines. Six databases (PubMed, MEDLINE, EMBASE, Scopus, Ovid, and Google Scholar) were consulted through the use of keywords related to the review topic. The study is registered on PROSPERO (CRD42022320828). \n\nRESULTS: The preliminary systematic search of the literature yielded 267 records. Excluding duplicates, 15 were considered potentially relevant and kept for title and abstract analysis. Only six articles were considered admissible reporting a single exposure factor, TMD and a single outcome, suicidal behavior, although these were evaluated through different assessment tools. We found a low association of TMD with suicidal behavior in observational studies, with estimates partly provided [prevalence ratio (PR) from 1.26 to 1.35, 95% confidence intervals (CI) from 1.15 to 1.19 (lower) and from 1.37 to 1.54 (higher); and odds ratios (OR) from 1.54 to 2.56, 95% CI from 1.014 to 1.157 (lower) and 2.051 to 6.484 (higher)], a relevant sample size (n = 44,645), but a few studies included (n = 6). \n\nCONCLUSIONS: The results of the included studies showed that the prevalence data of suicidal behavior were more present in young adults with TMD, with a controversial association with gender. Suicidal behavior was also correlated and aggravated by the intensity of pain.","nl":"ACHTERGROND: Temporomandibulaire disfunctie (TMD) is een verzameling veel voorkomende disfuncties van het skeletspierstelsel die van invloed zijn op het temporomandibulaire gewricht of de kauwspieren en aanverwante structuren of komen tot uiting als een klinische combinatie van deze twee factoren. De etiologie van TMD is multifactorieel en kenmerken die verband houden met angst, depressie en psychische stoornissen kunnen bijdragen aan de predispositie voor en het ontstaan en de progressie van TMD. Het vermogen om aan te passen en het ontwikkelen van een copinghouding was verminderd bij patiënten die last hadden van chronische pijn, terwijl suïcidaal gedrag (suïcidale gedachten, suïcidepogingen en geslaagde suïcide) was toegenomen. Het doel van dit literatuuronderzoek was daarom om suïcidaal gedrag in relatie tot TMD te onderzoeken. \n\nMETHODEN: Het literatuuronderzoek werd uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van PRISMA 2020. Zes databases (PubMed, MEDLINE, EMBASE, Scopus, Ovid en Google Scholar) werden geraadpleegd door het gebruik van zoektermen die verband hielden met het onderwerp van de literatuurbeoordeling. Het onderzoek is geregistreerd op PROSPERO (CRD42022320828). \n\nRESULTATEN: De voorbereidende systematische zoektocht van de literatuur leverde 267 resultaten op. Na het uitsluiten van duplicaten, werden 15 van de resultaten beschouwd als mogelijk relevant en bewaard voor analyse van de titel en de samenvatting. Hiervan werden slechts zes artikelen toelaatbaar bevonden. Deze artikelen meldden een enkele blootstellingsfactor, TMD en een enkele uitkomst, suïcidaal gedrag, hoewel deze werden beoordeeld met verschillende beoordelingsinstrumenten. Er werd een laag verband gevonden tussen TMD en suïcidaal gedrag in observationele onderzoeken, waarin gedeeltelijk schattingen werden gegeven [prevalentieratio (PR) van 1,26 tot 1,35, 95% betrouwbaarheidsintervallen (BI) van 1,15 tot 1,19 (lager) en van 1,37 tot 1,54 (hoger); en odds-ratio's (OR) van 1,54 tot 2,56, 95% BI van 1,014 tot 1,157 (lager) en 2,051 tot 6,484 (hoger)], een relevante steekproefomvang (n = 44.645), maar met weinig opgenomen onderzoeken (n = 6). \n\nCONCLUSIES: Uit de resultaten van de opgenomen onderzoeken bleek dat de prevalentiedata van suïcidaal gedrag meer aanwezig waren bij jongvolwassenen met TMD, met een controversieel verband met geslacht. Suïcidaal gedrag hing ook samen met de intensiteit van pijn en nam hierdoor toe."},"keywords":{"en":["chronic pain","orofacial pain","suicidal behavior","suicidal ideation","suicide attempts","suicide completion","temporomandibular disorders","temporomandibular joint dysfunction"],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["meta","kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Suïcide onder jongvolwassenen tussen 20-30 jaar: een \nspoedonderzoek","authors":"Elzinga, E., Heesen, K., Schweren, L., van Eijk, N., Gilissen, R.","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie","affiliation113":true,"year":2022,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"Niet van toepassing","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/Onderzoek/Sui%CC%88cide-onder-jongvolwassenen-een-spoedonderzoek.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["Suicide","jongvolwassenen","kenmerken","probleemgebieden","suicidale gedachten"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["young"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Lifelong versus not lifelong death wishes in older adults without severe illness: a cross-sectional survey","authors":"Elzinga, E., Zomers, M.,. Van der Burg, K., Van Veen, S., Schweren, L., Van Thiel, G., Van Wijngaarden, E.","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, Amsterdam UMC, Julius Centrum, UMC Utrecht, Radboud Universiteit","affiliation113":true,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Geriatrics","identifier":"10.1186/s12877-022-03592-5","link":"https://bmcgeriatr.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12877-022-03592-5","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Some older adults with a persistent death wish without being severely ill report having had a death wish their whole lives (lifelong persistent death wish; L-PDW). Differentiating them from older adults without severe illness who developed a death wish later in life (persistent death wish, not lifelong; NL-PDW) can be relevant for the provision of adequate help and support. This study aims to gain insight into the characteristics, experiences, and needs of older adults with a L-PDW versus older adults with a NL-PDW and into the nature of their death wishes. \n\nMETHODS: In the Netherlands, in April 2019, a cross-sectional survey study was conducted among a large representative sample of 32,477 citizens aged 55 years and older. Respondents with a L-PDW (N = 50) were compared with respondents with a NL-PDW (N = 217) using descriptive statistics, Kruskal–Wallis tests, and Fisher’s exact tests. \n\nRESULTS: Respondents with a L-PDW were relatively younger and less often had (step)children. They less often looked back on a good and satisfying life with many good memories and more often reported trauma. Older adults with a NL-PDW more often reported loss and bereavement. Overall, the groups showed a lot of similarities. Both groups reported a death wish diverse in nature, numerous health problems, and a variety of needs for help and support. \n\nCONCLUSIONS: Some of the differences we found between the groups might be particularly relevant for the provision of adequate help and support to older adults with a L-PDW (i.e., their past and trauma) and to older adults with a NL-PDW (i.e., their loss and bereavement). The heterogeneity of both groups and the diverse nature of their death wish indicate that careful assessment of the death wish, its background, and underlying needs is required to provide personalized help and support to older adults with a death wish.","nl":"ACHTERGROND: Sommige oudere volwassenen met een aanhoudende doodswens zonder ernstige ziekte melden dat ze hun hele leven al een doodswens hebben gehad (levenslange persisterende doodswens; L-PDW). Het onderscheid tussen hen en oudere volwassenen zonder ernstige ziekte die later in het leven een doodswens ontwikkelden (persisterende doodswens, niet levenslang; NL-PDW) kan relevant zijn voor het bieden van adequate hulp en ondersteuning. Dit onderzoek heeft als doel inzicht te krijgen in de kenmerken, ervaringen en behoeften van oudere volwassenen met een L-PDW versus oudere volwassenen met een NL-PDW en in de aard van hun doodswensen.\n\nMETHODEN: In Nederland is in april 2019 een cross-sectionele survey uitgevoerd onder een grote representatieve steekproef van 32.477 burgers van 55 jaar en ouder. Respondenten met een L-PDW (N = 50) werden vergeleken met respondenten met een NL-PDW (N = 217) met behulp van beschrijvende statistieken, Kruskal-Wallis-tests en Fisher's exacte tests.\n\nRESULTATEN: Respondenten met een L-PDW waren relatief jonger en hadden minder vaak (stief)kinderen. Ze keken minder vaak terug op een goed en bevredigend leven met veel goede herinneringen en rapporteerden vaker trauma. Oudere volwassenen met een NL-PDW rapporteerden vaker verlies en rouw. Over het geheel genomen vertoonden de groepen veel overeenkomsten. Beide groepen rapporteerden een doodswens die divers van aard was, tal van gezondheidsproblemen en verschillende behoeften aan hulp en ondersteuning. \n\nCONCLUSIES: Sommige van de verschillen die we vonden tussen de groepen kunnen met name relevant zijn voor het bieden van adequate hulp en ondersteuning aan oudere volwassenen met een L-PDW (bijv met betrekking tot hun verleden en trauma) en aan oudere volwassenen met een NL-PDW (verlies en rouw). De heterogeniteit van beide groepen en de diverse aard van hun doodswens duiden erop dat een zorgvuldige beoordeling van de doodswens, de achtergrond ervan en de onderliggende behoeften nodig is om gepersonaliseerde hulp en ondersteuning te bieden aan oudere volwassenen met een doodswens."},"keywords":{"en":[],"nl":["Suicide","jongvolwassenen","kenmerken","probleemgebieden","suicidale\ngedachten"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["old"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Depression and suicide: What an evidence-based clinician should know","authors":"Emmelkamp, P.M.G., Spada, M.M.","affiliations":"University of Amsterdam","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Clinical Psychology & Psychotherapy","identifier":"10.1002/cpp.2787","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.1002/cpp.2787","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["kwalitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":[]}},{"title":"Results of the COVID-19 mental health international for the general population (COMET-G) study","authors":"Fountoulakis, K. N., Karakatsoulis, G., Abraham, S., Adorjan, K., Ahmed, H. U., Alarcón, R. D., ... & Vega-Dienstmaier, J. M.","affiliations":"Maastricht University","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"European Neuropsychopharmacology","identifier":"10.1016/j.euroneuro.2021.10.004","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0924977X21007756?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: There are few published empirical data on the effects of COVID-19 on mental health, and until now, there is no large international study.\n\nMATERIAL AND METHODS: During the COVID-19 pandemic, an online questionnaire gathered data from 55,589 participants from 40 countries (64.85% females aged 35.80 ± 13.61; 34.05% males aged 34.90±13.29 and 1.10% other aged 31.64±13.15). Distress and probable depression were identified with the use of a previously developed cut-off and algorithm respectively.\n\nSTATISTICAL ANALYSIS: Descriptive statistics were calculated. Chi-square tests, multiple forward stepwise linear regression analyses and Factorial Analysis of Variance (ANOVA) tested relations among variables.\n\nRESULTS: Probable depression was detected in 17.80% and distress in 16.71%. A significant percentage reported a deterioration in mental state, family dynamics and everyday lifestyle. Persons with a history of mental disorders had higher rates of current depression (31.82% vs. 13.07%). At least half of participants were accepting (at least to a moderate degree) a non-bizarre conspiracy. The highest Relative Risk (RR) to develop depression was associated with history of Bipolar disorder and self-harm/attempts (RR = 5.88). Suicidality was not increased in persons without a history of any mental disorder. Based on these results a model was developed.\n\nCONCLUSIONS: The final model revealed multiple vulnerabilities and an interplay leading from simple anxiety to probable depression and suicidality through distress. This could be of practical utility since many of these factors are modifiable. Future research and interventions should specifically focus on them.","nl":"ACHTERGROND: Er zijn weinig gepubliceerde empirische gegevens over de effecten van corona op de geestelijke gezondheid en tot op heden is er geen groot internationaal onderzoek.\n\nMATERIAAL EN METHODEN: Tijdens de coronapandemie zijn via een online vragenlijst gegevens verzameld van 55.589 deelnemers uit 40 landen (64,85% vrouw, leeftijd 35,80 ± 13,61; 34,05% man, leeftijd 34,90 ± 13,29; en 1,10% anders, leeftijd 31,64 ± 13,15). Psychische klachten en waarschijnlijke depressie werden vastgesteld met behulp van respectievelijk een eerder ontwikkelde grenswaarde en een eerder ontwikkeld algoritme.\n\nSTATISTISCHE ANALYSE: Er werd beschrijvende statistiek berekend. Verbanden tussen variabelen werden getoetst via de chi-kwadraattoets, multipele voorwaartse stapsgewijze lineaire regressie-analyses en factoriële variantieanalyse (ANOVA).\n\nRESULTATEN: Waarschijnlijke depressie werd gemeten bij 17,80% en psychische klachten bij 16,71%. Een significant percentage meldde een achteruitgang in mentale toestand, familiedynamiek en dagelijkse levensstijl. Personen met een voorgeschiedenis van psychische aandoeningen hadden een hoger percentage van huidige depressie (31,82% versus 13,07%). Ten minste de helft van de deelnemers geloofde (in ieder geval in bescheiden mate) in een niet-bizarre samenzwering. Het hoogste relatieve risico (RR) op het ontwikkelen van depressie hing samen met een voorgeschiedenis van bipolaire stoornis en zelfbeschading/pogingen hiertoe (RR = 5,88). Suïcidaliteit was niet verhoogd bij personen zonder een psychische aandoening in de voorgeschiedenis. Op basis van deze resultaten is een model ontwikkeld.\n\nCONCLUSIES: Uit het uiteindelijke model bleken meerdere kwetsbaarheden en een samenspel dat leidde van eenvoudige angst tot waarschijnlijke depressie en suïcidaliteit door psychische klachten. Dit kan bruikbaar zijn in de praktijk, omdat veel van deze factoren beïnvloedbaar zijn. Toekomstig onderzoek en interventies kunnen zich hier specifiek op richten."},"keywords":{"en":["Anxiety; COVID-19; Conspiracy theories; Depression; Mental disorders; Mental health; Psychiatry; Suicidality."],"nl":["angst","covid-19","corona","depressie","mentale stoornissen","mentale gezondheid","suïcide"]},"region":["internationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Effects of childhood adversity and cortisol levels on suicidal ideation and behaviour: Results from a general population study","authors":"Gartland, N., Rosmalen, J.G.M., O'Connor, D.B.","affiliations":"University of Groningen","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychoneuroendocrinology","identifier":"10.1016/j.psyneuen.2022.105664","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0306453022000051?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Childhood trauma is known to increase the risk of suicidal ideation and behaviours, and has also been linked to hypothalamic pituitary adrenal (HPA) axis dysregulation measured in cortisol levels. Recent evidence has shown that adverse childhood experiences are associated with lower cortisol reactivity to stress and diminished cortisol levels upon awakening in individuals vulnerable to suicide. The present study aimed to investigate whether less traumatic long term difficulties during childhood produced a similar effect on suicidal ideation/behaviour and cortisol levels in a general population sample. Participants (N = 1094; mean age 53 years, 53.7% female) from a large cohort study completed retrospective measures of long-term difficulties during childhood and adolescent years and a measure of history of suicidal thoughts, plans and actions together with a measure of current psy\u0002chological distress. 24-hour urinary free cortisol samples were collected over two days. The results showed that experiencing childhood long-term difficulties were associated with 21% higher odds of reporting suicidal thoughts or plans in adulthood. Early childhood and adolescent difficulties were equally important predictors of suicide thoughts and plans. However, childhood difficulties were not found to be associated with adult urinary free cortisol, nor were adulthood suicidal thoughts, plans and behaviour associated with adult urinary free cortisol levels. Future research should explore the extent to which childhood difficulties and stressors are related to other indicators of HPA axis functioning. The current findings have implications for clinicians and for the development of future suicide prevention interventions.","nl":"Van trauma in de kindertijd is bekend dat dit het risico op suïcidale gedachten en gedragingen verhoogt en dit is ook in verband gebracht met disregulatie van de hypothalamus-hypofyse-bijnierschors-as (HPA as) gemeten in cortisolgehaltes. Uit recent bewijs is gebleken dat negatieve ervaringen in de kindertijd samenhangen met een lagere reactiviteit van cortisol op stress en een afgenomen cortisolgehalte na ontwaken van personen die kwetsbaar zijn voor suïcide. In dit onderzoek wordt bekeken op minder traumatische, langer durende negatieve ervaringen in de kindertijd een vergelijkbaar effect geven op suïcidale gedachten/gedrag en cortisolgehaltes in een steekproef van de algemene bevolking. Deelnemers (N = 1094; gemiddelde leeftijd 53 jaar, 53,7% vrouw) uit een groot cohortonderzoek vulden retrospectieve metingen in van langer durende negatieve ervaringen tijdens de kindertijd en adolescentie en een meting van voorgeschiedenis van suïcidale gedachten, plannen en handelingen, samen met een meting van huidige psychologische klachten. Op 2 dagen werd vrij cortisol gemeten in 24-uurs urinemonsters. Uit de resultaten bleek dat het hebben van langdurige negatieve ervaringen in de kindertijd een 21% hogere kans gaf op het melden van suïcidale gedachten of plannen in de volwassenheid. Vroege negatieve ervaringen tijdens de kindertijd en adolescentie waren evenzeer belangrijke voorspellers van suïcidale gedachten en plannen. Toch bleken negatieve ervaringen in de kindertijd niet samen te hangen met vrij cortisol in de urine van volwassenen en bleken suïcidale gedachten, plannen en gedragingen ook niet samen te hangen met vrije cortisolgehaltes in urine van volwassenen. Toekomstig onderzoek zou de mate moeten verkennen waarin negatieve ervaringen en stressoren in de kindertijd gerelateerd zijn aan andere indicatoren aan het functioneren van de HPA as. De huidige bevindingen hebben implicaties voor behandelaren en voor de ontwikkeling van interventies op het gebied van suïcidepreventie in de toekomst."},"keywords":{"en":["Childhood difficulties","Cortisol","Urinary free cortisol","HPA axis","Suicidal ideation","Suicidal behaviour"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["anders"],"setting":["patientcohort","populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Effectiveness of school-based preventive programs in suicidal thoughts and behaviors: A meta-analysis","authors":"Gijzen, M. W., Rasing, S. P., Creemers, D. H., Engels, R. C., & Smit, F.","affiliations":"Trimbos, GGZ Oost-Brabant, Radboud universiteit, Erasmus Universiteit","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2021.10.062","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032721011484?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidal thoughts and behaviors (STBs) among adolescents have hardly decreased despite preventative efforts. School-based prevention programs could have a great reach, yet suicide prevention is not an easy topic to address. To increase acceptability of school-based suicide prevention, it is important to evaluate whether programs that target known risk factors of STBs, such as depression, could be equally effective.\n\nMETHODS: We conducted a systematic literature search in major electronic databases. Outcomes were suicidal ideation and behaviors. Multivariate random effects meta-regression-analyses were conducted.\n\nRESULTS: Eleven primary studies met the inclusion criteria, totalling 23,230 participants. The post-test effect size was small for both suicidal ideation (g = 0.15) and suicidal behaviors (g = 0.30). Meta-regression indicated that targeting known risk factors of STBs was not a significant modifier of effect size for ideation, indicating equal effectiveness. However, it was significant modifier of effect for behaviors, but only one intervention targeted know risk factors. Effects at follow-up (3-12 months) were also significant but small for both outcomes.\n\nLIMITATIONS: Substantial heterogeneity between studies was noted. Only few and small sample size studies could be included that targeted known risk factors of STBs. Therefore, these results should be interpreted with caution.\n\nCONCLUSIONS: School-based prevention of STBs shows some promise within three months post-test assessments, and potentially also have effects that are sustained over time. More studies are needed to make conclusions regarding school-based interventions that target risk factors of STBs.","nl":"ACHTERGROND: Ondanks inspanningen op het gebied van preventie zijn suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag onder jongeren nauwelijks afgenomen. Preventieprogramma's op scholen kunnen een groot bereik hebben, maar suïcidepreventie is geen makkelijk onderwerp om aan te snijden. Om de aanvaardbaarheid van suïcidepreventieprogramma's op scholen te verhogen, is het belangrijk om te evalueren of programma's die zich richten op risicofactoren van suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag, zoals depressie, even effectief kunnen zijn.\n\nMETHODEN: In belangrijke elektronische databases hebben de onderzoekers een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd. Uitkomsten waren suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag. Meta-regressie-analyses met multivariate willekeurige effecten zijn uitgevoerd.\n\nRESULTATEN: Elf primaire onderzoeken voldeden aan de inclusiecriteria, wat in totaal 23.230 deelnemers opleverde. De omvang van het post-testeffect was klein voor zowel suïcidale gedachten (g = 0,15) als suïcidaal gedrag (g = 0,30). Uit meta-regressie bleek dat het aanpakken van bekende risicofactoren voor suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag geen significante beïnvloedende factor was voor de omvang van het effect voor suïcidale gedachten, wat duidt op gelijkwaardige effectiviteit. Het was echter wel een significante beïnvloedende factor voor gedragingen, maar slechts één interventie richtte zich op bekende risicofactoren. Effecten bij follow-up (3-12 maanden) waren ook significant, maar klein voor beide uitkomsten.\n\nBEPERKINGEN: Er werd substantiële heterogeniteit tussen onderzoeken opgemerkt. Slechts enkele onderzoeken met een kleine steekproefomvang konden worden opgenomen die zich richtten op bekende risicofactoren voor suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag. De resultaten dienen daarom met voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd.\n\nCONCLUSIES: Preventieprogramma's voor suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag op scholen laten enige effecten zien binnen drie maanden na de interventie en hebben mogelijk ook effecten die langer aanhouden. Meer onderzoeken zijn nodig om conclusies te kunnen trekken over interventies op scholen die zich richten op risicofactoren voor suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag."},"keywords":{"en":["Prevention; School-based; Suicidal thoughts and behaviors."],"nl":["preventie","suïcide","depressie","adolescenten","school-gebaseerd"]},"region":["internationaal"],"type":["meta","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["young"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Living near coasts is associated with higher suicide rates among females but not males: A register-based linkage study in the Netherlands","authors":"Helbich, M., Browning, M.H.E.M., White. M., Hagedoorn, P.","affiliations":"Utrecht University","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Science of The Total Environment","identifier":"10.1016/j.scitotenv.2022.157329","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0048969722044278?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Exposure to blue spaces may promote psychological wellbeing and reduce mental distress. Whether these effects extend to suicide is unknown. We used register data from 14 million Dutch adults aged 18–64-years between 2007 and 2016 in a nested case-control study to estimate associations between blue space exposures and suicide risk. Each suicide case was matched to ten randomly selected controls. Two blue space exposures were assigned over a ten-year residential address history: distance to the closest inland blue space and distance to the coast. We fitted (gender-stratified) conditional logistic regressions to the data. Possible effect modifications by income were also examined. In total, our analyses included 9757 cases and 95,641 controls. Effect estimates for distance to the closest inland blue space in the total population showed that people living farthest away from inland blue space were at-risk. Suicide risk was lower among women who lived farther away from the coast; no significant effect was observed for men. No evidence was observed that income modified these associations. Our findings provide suggestive evidence that living close to the coast is associated with greater suicide risk for women, while living closer to inland blue spaces may add to the resilience against suicide in the total population. Past research shows that coastal proximity protects against milder forms of mental illness, but these protective effects do not appear to hold for suicide. Blue space interventions for women with severe mental illness or propensities to engage in self-harm should be approached with caution.","nl":"Blootstelling aan blauwe ruimtes kan psychisch welbevinden bevorderen en mentale problemen verkleinen. Of deze effecten ook opgaan voor suïcide is niet bekend. Met behulp van registergegevens van 14 miljoen Nederlandse volwassenen tussen de 18 en 64 jaar in de periode tussen 2007 en 2016, is een genest patiënt-controleonderzoek uitgevoerd om verbanden te schatten tussen blootstelling aan blauwe ruimte en suïciderisico. Elk geval van suïcide werd gematcht met tien willekeurig geselecteerde controlepersonen. Aan een woonadresgeschiedenis van tien jaar, werden twee soorten blootstelling aan blauwe ruimte gekoppeld: afstand tot de dichtstbijzijnde binnenlandse blauwe ruimte en afstand tot de kust. Met de gegevens werden (voor geslacht gestratificeerde) conditionele logistische regressieanalyses uitgevoerd. Ook werd gekeken naar mogelijke effectmodificaties door inkomen. In totaal werden in de analyses 9757 gevallen en 95.641 controlepersonen opgenomen. Effectschattingen voor afstand tot de dichtstbijzijnde binnenlandse blauwe ruimte in de totale populatie liet zien dat mensen die het verst bij binnenlandse blauwe ruimte vandaan woonden risico liepen. Suïciderisico was lager voor vrouwen die verder bij de kust vandaan woonden. Voor mannen werd geen significant effect waargenomen. Er is geen bewijs gevonden dat deze verbanden werden gewijzigd door inkomen. Deze bevindingen leveren suggestief bewijs dat dicht bij de kust wonen gepaard gaat met een groter suïciderisico voor vrouwen, terwijl dichter bij binnenlandse blauwe ruimte wonen kan bijdragen aan de veerkracht tegen suïcide in de totale populatie. Uit onderzoeken in het verleden bleek dat in de buurt van de kust wonen beschermt tegen mildere vormen van psychische ziekte, maar deze beschermende effecten lijken niet op te gaan voor suïcide. Interventies gebaseerd op blauwe ruimte voor vrouwen met ernstige psychische ziekten of met de neiging tot zelfbeschadiging moeten voorzichtig worden benaderd."},"keywords":{"en":["Aquatic environments","Mental health\nResidential address history","Air pollution","Green spaces","Deprivation"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Suicidal ideation in remitted major depressive disorder predicts recurrence","authors":"Heuschen.,  C.B.B.C.M., Mocking., R.J.T., Zantvoord., J.B., Figueroa., C.A., Schene., A.H., Denys., D.A.J.P., Ruhé., H.G., Bockting., C.L.H., Lok., A.","affiliations":"Amsterdam UMC, University of Amsterdam, Radboudumc, Radboud University, University Medical Centre Utrecht","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of psychiatric research","identifier":"10.1016/j.jpsychires.2022.04.005","link":"Suicidal ideation in remitted major depressive disorder predicts recurrence - ScienceDirect","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: Each year almost 800.000 people die from suicide, of which up to 87% are affected by major depressive disorder (MDD). Despite the strong association between suicidality and MDD, it remains unknown if suicidal symptoms during remission put remitted recurrent MDD patients (rrMDD) at risk for recurrence.\n\nMETHODS: At baseline we compared sociodemographic characteristics and suicidal symptoms in un-medicated rrMDD participants to matched never-depressed controls. We used the HDRS17 and IDS-SR30 to assess suicidal symptoms and depressive symptomatology. Next, we studied the longitudinal association between baseline suicidal symptoms and time to recurrence(s) in rrMDD during a 2.5-year follow-up period using cox regression analyses. Further, we studied with longitudinal data whether suicidal symptoms and depressive symptomatology were cross-sectionally associated using mixed model analysis.\n\nRESULTS: At baseline, rrMDD participants (N = 73) had higher self-reported suicidal symptoms than matched never-depressed controls (N = 45) (χ2 = 12.09 p < .002). Self-reported suicidal symptoms were almost four times higher (27.9% versus 6.9%) compared to clinician-rated suicidal symptoms in rrMDD at baseline. Self-reported baseline suicidal symptoms, but not clinician-rated symptoms, predicted earlier MDD-recurrence during follow-up, independent of other residual depressive symptoms (χ2 = 7.26, p < .026). Higher suicidal symptoms were longitudinally related to higher depressive symptoms (HDRS17; F = 49.87, p < .001), IDS-SR30; (F = 22.36, p < .001).\n\nCONCLUSION: This study showed that self-reported - but not clinician-rated - suicidal symptoms persist during remission in rrMDD and predict recurrence, independent from residual symptoms. We recommend to monitor both suicidal and depressive symptomatology during remission in rrMDD, preferably also including self-reported questionnaires apart from clinician-rated. It would be beneficial for future research to assess suicidality using questionnaires primarily designed for measuring suicidal ideation.","nl":"ACHTERGROND: Elk jaar overlijden er bijna 800.000 mensen door suïcide, waarbij er in maximaal 87% van de gevallen sprake is van een ernstige depressie (major depressive disorder, MDD). Ondanks het sterke verband tussen suïcidaliteit en MDD, blijft het onbekend of suïcidale symptomen tijdens remissie een risico vormen voor terugval bij patiënten met een recidiverende MDD in remissie (rrMDD).\n\nMETHODEN: Bij baseline vergeleken de onderzoekers sociodemografische kenmerken en suïcidale symptomen bij deelnemers met rrMDD die geen medicatie gebruikten met een controlegroep van personen die nooit depressief zijn geweest. Suïcidale symptomen en depressieve symptomatologie werden beoordeeld met de HDRS17 en IDS-SR30. Vervolgens bestudeerden de onderzoekers het longitudinale verband tussen suïcidale symptomen bij baseline en tijd tot recidivering(en) bij rrMDD tijdens een 2,5 jaar durende follow upperiode, met behulp van cox regressieanalyses. Verder werd met de longitudinale gegevens bekeken of er een cross-sectioneel verband bestond tussen suïcidale symptomen en depressieve symptomatologie via een mixed model analyse.\n\nRESULTATEN: Bij baseline hadden rrMDD deelnemers (N = 73) meer zelfgerapporteerde suïcidale symptomen dan overeenkomende controlepersonen die nooit een depressie hadden gehad (N = 45) (χ2 = 12,09, p < 0,002). Zelfgerapporteerde suïcidale symptomen waren bijna vier maal zo hoog (27,9% versus 6,9%) vergeleken met de door de behandelaar beoordeelde suïcidale symptomen bij deelnemers met rrMDD bij baseline. Zelfgerapporteerde suïcidale symptomen, en niet door de behandelaar beoordeelde symptomen, waren een voorspeller voor een vroeger recidief van MDD tijdens follow up, onafhankelijk van andere restsymptomen van depressie (χ2 = 7,26, p < 0,026). Een hogere score op suïcidale symptomen hield longitudinaal verband met een hogere score op depressieve symptomen (HDRS17; F = 49,87, p < 0,001), IDS-SR30; (F = 22,36, p < 0,001).\n\nCONCLUSIE: Uit dit onderzoek blijkt dat zelfgerapporteerde − maar niet door de behandelaar gerapporteerde − suïcidale symptomen aanhielden tijdens remissie bij rrMDD en een voorspeller waren voor recidief, onafhankelijk van restsymptomen. De onderzoekers raden aan om tijdens remissie bij rrMDD zowel suïcidale als depressieve symptomatologie te monitoren, bij voorkeur ook met door de cliënt ingevulde vragenlijsten, naast de beoordeling van de behandelaar. Toekomstig onderzoek zou baat hebben bij het beoordelen van suïcidaliteit met behulp van vragenlijsten die primair ontwikkeld zijn voor het meten van suïcidale gedachten."},"keywords":{"en":["Major depressive disorder (MDD)","Remitted recurrent MDD","Residual depressive symptoms","Suicidal ideation"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["adult","old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Bullying involvement and suicidal ideation in elementary school children across Europe","authors":"Husky, M. M., Bitfoi, A., Carta, M. G., Goelitz, D., Koç, C., Lesinskiene, S., ... & Kovess-Masféty, V.","affiliations":"Radboud Universiteit","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2021.12.023","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S0165032721013380?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Bullying involvement is associated with suicidal ideation among adolescents, yet there are no studies examining this issue among younger children.\n\nMETHODS: The School Children Mental Health in Europe study was conducted in seven countries in 2010 using similar methods to collect cross-sectional data from children, parents, and teachers. Suicidal ideation and thoughts of death were assessed using the Dominic Interactive among children. Parent and teacher reports were used to determine bullying involvement. The sample comprised n = 5,183 children ages 6 to 11 identified as bullies (n = 740, 14.3%), victims (n = 945, 18.2%), bully-victims (n = 984, 18.2%) and not involved in bullying (n = 2,514, 48.5%). Multivariate logistic regressions were used to assess the association of bullying involvement with suicidal ideation and thoughts of death.\n\nRESULTS: Suicidal ideation was reported by 13.3% of those not involved in bullying, 17.1% of victims, 19.6% of bullies and 24.4% of bully-victims. Similarly, thoughts of death were reported by 19.0% of victims, 24.3% of bullies, and 25.0% of bully-victims. Children identified as being involved were more likely than those not involved to report suicidal ideation in bivariate analyses. When controlling for psychopathology and for maternal distress among other factors, the association remained significant for bullies (AOR=1.30, 95%CI=1.01-1.66), bully-victims (AOR=1.54, 95%CI=1.22-1.94), but not for victims (AOR=1.02, 95%CI=0.80-1.30).\n\nLIMITATIONS: The study is cross-sectional. The assessment of bullying may have underestimated victimization.\n\nCONCLUSIONS: The association of bullying involvement and child suicidal ideation is present among elementary school children across Europe, using multiple informants to avoid shared variance biases, and adjusting for key factors.","nl":"ACHTERGROND: Betrokkenheid bij pesten hangt samen met suïcidale gedachten bij adolescenten, maar er zijn geen onderzoeken die bij jongere kinderen naar dit probleem kijken.\n\nMETHODEN: Het onderzoek School Children Mental Health in Europe werd in 2010 uitgevoerd in zeven landen met vergelijkbare methoden om cross-sectionele gegevens te verzamelen van kinderen, ouders en leerkrachten. Suïcidale gedachten en gedachten aan de dood werden beoordeeld met de Dominic Interactive voor kinderen. Meldingen van ouders en leerkrachten werden gebruikt om de betrokkenheid bij pesten te bepalen. De steekproef bestond uit n = 5.183 kinderen van 6 tot 11 die zijn geïdentificeerd als pesters (n = 740, 14,3%), slachtoffers (n = 945, 18,2%), pestslachtoffers (n = 984, 18,2%) en niet betrokken bij pesten (n = 2.514, 48,5%). Multivariate logistische regressies werden gebruikt om het verband te beoordelen tussen betrokkenheid bij pesten en suïcidale gedachten en gedachten aan de dood.\n\nRESULTATEN: Suïcidale gedachten werden gemeld door 13,3% van degenen die niet betrokken waren bij pesten, 17,1% van de slachtoffers, 19,6% van de pesters en 24,4% van de pestslachtoffers. Vergelijkbaar werden gedachten aan de dood gemeld door 19,0% van de slachtoffers, 24,3% van de pesters en 25,0% van de pestslachtoffers. Kinderen die waren geïdentificeerd als betrokken bij pesten bleken in de bivariate analyses vaker suïcidale gedachten te melden dan kinderen die hier niet bij betrokken waren. Wanneer werd gecorrigeerd voor onder andere de factoren psychopathologie en maternale problemen, bleef het verband significant voor pesters (AOR = 1,30, 95% BI = 1,01-1,66) en pestslachtoffers (AOR = 1,54, 95% BI = 1,22-1,94), maar niet voor slachtoffers (AOR = 1,02, 95% BI = 0,80-1,30).\n\nBEPERKINGEN: Het onderzoek is cross-sectioneel. De beoordeling van pesten heeft het aantal slachtoffers mogelijk onderschat.\n\nCONCLUSIES: Het verband tussen betrokkenheid bij pesten en suïcidale gedachten is aanwezig bij basisschoolkinderen in heel Europa, in een onderzoek waarbij meerdere informatiebronnen zijn gebruikt om gedeelde variantiebias te vermijden en is bijgesteld voor belangrijke factoren."},"keywords":{"en":["Bullying; Children; Cross-national; Elementary school; Mental health; Suicidal ideation."],"nl":["pesten","kinderen","cross-nationaal","basisschool","mentale gezondheid","suïcidale gedachten"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Can Outcomes of a Chat-Based Suicide Prevention Helpline Be Improved by Training Counselors in Motivational Interviewing? A Non-randomized Controlled Trial","authors":"Janssen, W., van Raak, J.,  van der Lucht, Y., van Ballegooijen, W., Mérelle, S.","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, Vrije Universiteit Amsterdam, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Digital Health","identifier":"10.3389/fdgth.2022.871841","link":"Frontiers | Can Outcomes of a Chat-Based Suicide Prevention Helpline Be Improved by Training Counselors in Motivational Interviewing? A Non-randomized Controlled Trial (frontiersin.org)","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: To examine whether the outcomes of a chat-based suicide-prevention helpline could be improved by training counselors in motivational interviewing (MI). \n\nMETHODS: In a pre- and post-test design, visitors of a chat-based suicide prevention helpline received either the Five-Phase Model (treatment as usual [TAU]) or MI. They completed a pre- and post-chat questionnaire on several suicide-related risk factors. Linear mixed modeling was used to estimate the effect of the condition. Furthermore, the treatment proficiency of newly trained counselors was assessed using MI-Scope.\n\nRESULTS: A total of 756 visitors and 55 counselors were included in this study. The visitors showed an improvement in suicidal ideation and psychological risk factors after a chat conversation. However, there were no significant differences between the MI and TAU conditions (β = 0.03, 95% CI [−0.23–0.30], p = 0.80). The treatment integrity indices showed that the counselors mostly used MI-consistent techniques but were unable to strategically employ these techniques to evoke enough change talk.\n\nCONCLUSIONS: MI and TAU led to comparable outcomes in a chat-based suicide prevention helpline. The effectiveness of MI might improve by intensifying or improving the training of counselors, keeping the process of engaging more concise or offering visitors multiple sessions of MI.","nl":"DOEL: Onderzoeken of de uitkomsten van een hulplijn voor suïcidepreventie op basis van chat kan worden verbeterd door hulpverleners te trainen in motiverende gespreksvoering (MG). \n\nMETHODEN: Met een pre-test-en-post-test-opzet kregen bezoekers van een hulplijn voor suïcidepreventie op basis van chat het vijf-fasenmodel (gebruikelijke behandeling) of MG. Ze vulden voor en na de chat een vragenlijst in over verschillende suïcidegerelateerde risicofactoren. Met behulp van lineaire mixed modeling werd het effect van de gespreksaanpak geschat. Verder werd bekwaamheid in de behandeling van net opgeleide hulpverleners beoordeeld met MI-Scope. \n\nRESULTATEN: In dit onderzoek werden in totaal 756 bezoekers en 55 hulpverleners opgenomen. De bezoekers lieten een verbetering zien in suïcidale gedachten en psychologische risicofactoren na een chatgesprek. Er werden echter geen significante verschillen gevonden tussen de MG en de gebruikelijke behandeling (β = 0,03, 95% BI [−0,23–0,30], p = 0,80). Uit de indexen voor behandelintegriteit bleek dat de hulpverleners MG grotendeels consequent toepasten, maar niet in staat waren om deze technieken strategisch toe te passen om voldoende gesprek over verandering uit te lokken. \n\nCONCLUSIES: MG en gebruikelijke behandeling gaven vergelijkbare uitkomsten bij een hulplijn voor suïcidepreventie op basis van chat. De effectiviteit van MG kan mogelijk verbeteren door de training van hulpverleners te intensiveren of verbeteren, het proces van actief betrekken bij het gesprek beknopter te houden of door bezoekers meerdere sessies met MG te bieden."},"keywords":{"en":["motivational interviewing (MI)","suicide prevention","helpline","treatment integrity","training","chat"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":[]}},{"title":"Competency-Based Training and Assessment of Listening Skills: A Waitlist-Controlled Study in European Telephone Emergency Services","authors":"Jennissen, S., Schumacher, S., Rucli, D., Hal, M., Székely, A., de Beurs, D., Dinger, U.","affiliations":"Trimbos-instituut","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Clinical Psychology in Europe","identifier":"10.32872/cpe.7933","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC9881125/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Telephone emergency services (TES) provide an essential part of suicide prevention and emotional support services across different health care settings. TES are usually provided by paraprofessional counselors, who need specific training in listening skills to meet the demands of callers.\n\nMETHOD: This project developed a competency-based training for listening skills which was then evaluated in a randomized controlled waitlist study across four EU countries (Germany, Hungary, Italy, and the Netherlands). Each country provided one training group and one waitlist group. Across countries, a total of 71 (trained: n = 36, waiting: n = 35) counselor trainees were assessed in a standardized, simulated emergency call with an actor client either before or after training participation. Calls were audiotaped and competencies in listening skills were evaluated by external raters using a standardized rating form.\n\nRESULTS: Trained counselors showed significantly better listening skills than participants from the waitlist condition.\n\nCONCLUSION: Results provide support for the efficacy of a competency-based training for listening skills in the field of TES across Europe. Furthermore, results demonstrated that a standardized competency-based assessment with an actor client is suitable to assess listening skills.","nl":"ACHTERGROND: Telefonische hulpdiensten zorgen voor een cruciaal deel van suïcidepreventie en emotionele ondersteuning verdeeld over verschillende zorgomgevingen. Deze diensten worden meestal geleverd door paraprofessionele hulpverleners die specifieke training nodig hebben op het gebied van luistervaardigheden om tegemoet te komen aan de behoeften van bellers.\n\nMETHODE: In dit project is een op vaardigheden gebaseerde training ontwikkeld voor luistervaardigheden die vervolgens is beoordeeld in een gerandomiseerd, gecontroleerd wachtlijstonderzoek in vier Europese landen (Duitsland, Hongarije, Italië en Nederland). Elk land leverde een trainingsgroep en een wachtlijstgroep. In alle landen bij elkaar werden in totaal 71 (getraind: n = 36, wachtlijst: n = 35) hulpverleners in opleiding beoordeeld tijdens een gestandaardiseerd, gesimuleerd spoedgesprek met een acteur als cliënt, hetzij voor, hetzij na deelname aan de training. Gesprekken werden opgenomen en bekwaamheid in luistervaardigheden werd beoordeeld door externe beoordelaars aan de hand van een gestandaardiseerd scoreformulier.\n \nRESULTATEN: Getrainde hulpverleners lieten significant betere luistervaardigheden zien dan deelnemers uit de wachtlijstgroep.\n \nCONCLUSIE: De resultaten ondersteunen de effectiviteit van op competenties gerichte training voor luistervaardigheden bij telefonische hulpdiensten in Europa. Verder lieten de resultaten zien dat een gestandaardiseerde op competenties gebaseerde beoordeling met een acteur als cliënt, geschikt is voor het beoordelen van luistervaardigheden."},"keywords":{"en":["helpline","listening skills","paraprofessional counselors","telephone emergency services","training"],"nl":[]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["trial","obs","obs_cross"],"setting":[],"age":[],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Beoordeling van de suïcidale toestand met de CASE-benadering","authors":"Jongkind, M., Braam, A.W., de Beurs, D.P., van Hemert, A.M.","affiliations":"Universiteit van Utrecht, Universiteit voor humanistiek, Trimbos-institituut, Leids Universitair Medisch Centrum","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/artikelen/article/50-12873_Beoordeling-van-de-suicidale-toestand-met-de-CASE-benadering","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Shawn Shea’s Chronological Assessment of Suicide Events (CASE approach) is worldwide, including the Netherlands, a well-known and widely used method for clinical interviewing a patient’s suicidal state. However, the original description of the author is not always followed.\n\nAIM: Comparing the Dutch CASE approach with the original description.\n\nMETHOD: The Dutch CASE approach has been explored on the basis of the text of the Dutch multidisciplinary guideline and current handbooks. This approach is compared with the original description.\n\nRESULTS: Three differences emerge. The main difference is that in the original CASE approach, seven validity techniques represent the foundation for investigation the suicidal state, while these are missing from the Dutch texts. Second, the chronological interview system in the Netherlands is interpreted differently than in the original CASE approach. Third, in the Netherlands, in contrast to the original approach, risk factors and protective factors are included in the study of the suicidal state.\n\nCONCLUSION: In the Netherlands, the CASE approach has been adopted in a simplified form, which is useful as a basic skill in the study of suicidal behavior. The diagnosis of suicidality can gain in depth, especially for advanced mental health professionals, by paying attention in training and education to the interviewing techniques of the original CASE approach.","nl":"ACHTERGROND: De Chronological Assessment of Suicide Events (CASE-benadering) van Shawn Shea is wereldwijd en ook in Nederland een bekend en veelgebruikt klinisch interview om de suïcidale toestand van een patiënt te onderzoeken. De oorspronkelijke beschrijving van de auteur wordt niet altijd gevolgd. Doel Vergelijken van de Nederlandse CASE-benadering met de oorspronkelijke beschrijving. \n\nMETHODE: De Nederlandse CASE-benadering is geëxploreerd aan de hand van de tekst van de multidisciplinaire richtlijn en gangbare handboeken. Deze benadering wordt vergeleken met de oorspronkelijke beschrijving. \n\nRESULTATEN: Drie verschillen komen naar voren. Het grootste verschil is dat in de originele CASE-benadering zeven validerende gesprekstechnieken het fundament vormen bij het onderzoek naar de suïcidale toestand, terwijl deze ontbreken in de Nederlandse teksten. Een tweede verschil is dat de chronologische interviewsystematiek in Nederland een andere invulling krijgt dan in de originele CASE-benadering. Een derde verschil is dat in Nederland, in tegenstelling tot de oorspronkelijke benadering, de risico- en beschermende factoren bij het onderzoek naar de suïcidale toestand worden meegenomen. \n\nCONCLUSIE: In Nederland is de CASE-benadering in een vereenvoudigde vorm ingeburgerd, wat nuttig is als basisvaardigheid in het onderzoek naar suïcidaal gedrag. De diagnostiek van suïcidaliteit kan, zeker voor gevorderde ggz-professionals, aan verdieping winnen door in training en onderwijs aandacht te besteden aan de gesprekstechnieken van de originele CASE-benadering"},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":[],"type":["review","kwalitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"The relationship between daily positive future thinking and past-week suicidal ideation in youth: An experience sampling study","authors":"Kirtley,  O.J., Lafit, G., Vaessen, T., Decoster, J., Derom, C., Gülöksüz, S., De Hert, M., Jacobs, N., Menne-Lothmann, C., Rutten, B.P.F., Thiery, E., van Os, J., van Winkel, R., Wichers, M., Myin-Germeys, I.","affiliations":"Maastricht University, Open University of the Netherlands, University Medical Centre Utrecht, University of Groningen, University Medical Center Groningen","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Psychiatry","identifier":"10.3389/fpsyt.2022.915007","link":"https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fpsyt.2022.915007/full","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Reduced positive future thinking has been associated with suicidal ideation and behavior in adults, and appears to be exacerbated by negative affect. Yet, this has received little attention in youth. Prior research has also focused on longer-term future thinking, e.g., months and years, and relied on lab-based assessments. Using the experience sampling method (ESM), we investigated whether short-term future thinking in daily life was associated with suicidal ideation in youth and explored the role of affect in the future thinking-suicidal ideation relationship. A community sample of N = 722 adolescent twins and their non-twin siblings completed ESM as part of the TwinssCan study (n = 55 with, and n = 667 without, past-week suicidal ideation). Participants completed self-report questionnaires, including on past-week suicidal ideation as part of the SCL-90. Subsequently, daily future thinking was assessed each morning for six days with ESM. To investigate the relationship between daily positive future thinking and past-week suicidal ideation, we estimated a mixed-effects linear regression model with a random intercept for participant, including age and sex as covariates. The relationship between daily positive future thinking, past-week suicidal ideation, and average positive and negative affect from the previous day was investigated by estimating two separate mixed-effects linear regression models (one for negative affect, one for positive affect), with a random intercept for participant, and random slopes for average positive and negative affect. Our results showed that participants reporting higher past-week suicidal ideation also reported significantly less daily positive future thinking during the ESM period, and this association remained significant when controlling for previous-day average positive and negative affect. Higher average positive affect from the previous day was significantly associated with higher positive future thinking. Although average negative affect from the previous day was associated with lower positive future thinking, this association was not statistically significant. Our findings indicate that short-term future thinking relates to suicidal ideation among a non-clinical sample of adolescents. Future research should investigate the directionality of the future thinking-suicidal ideation relationship, in order to investigate whether impaired future thinking may be an early warning signal for escalating suicidal ideation in youth.","nl":"Verminderd positief toekomstdenken is in verband gebracht met suïcidale gedachten en gedragingen bij volwassenen en lijkt te verergeren door negatief affect. Maar bij jongeren heeft dit weinig aandacht gekregen. Eerder onderzoek richtte zich ook op toekomstdenken op de langere termijn, bijv. maanden en jaren, en maakte gebruik van lab-gebaseerde beoordelingen. Met behulp van de experience sampling method (ESM) werd onderzocht of toekomstdenken op de korte termijn in het dagelijks leven verband hield met suïcidale gedachten bij jongeren en werd de rol van affect verkend in de relatie tussen toekomstdenken en suïcidale gedachten. Een bevolkingssteekproef van N = 722 adolescente tweelingen en hun broers/zussen die geen tweeling zijn vulden ESM in als onderdeel van het TwinssCan-onderzoek (n = 55 met, en n = 667 zonder suïcidale gedachten in de afgelopen week). Deelnemers vulden zelfrapportagevragenlijsten in, onder andere over suïcidale gedachten in de afgelopen week als onderdeel van de SCL 90. Vervolgens werd dagelijks toekomstdenken zes dagen lang elke ochtend beoordeeld met ESM. Om het verband te onderzoeken tussen positief toekomstdenken en suïcidale gedachten in de afgelopen week, werd een mixed-effects lineair regressiemodel met willekeurig intercept geschat voor de deelnemer, met onder andere leeftijd en geslacht als covarianten. Het verband tussen dagelijks positief toekomstdenken, suïcidale gedachten in de afgelopen week en gemiddeld positief en negatief affect van de afgelopen dag werd onderzocht door het schatten van twee aparte mixed-effects lineaire regressiemodellen (een voor negatief affect, een voor positief affect), met een random intercept voor de deelnemer en random slopes voor positief en negatief affect. Uit de resultaten van de onderzoekers bleek dat deelnemers die meer suïcidale gedachten meldden in de afgelopen week, ook significant minder dagelijks positief toekomstdenken rapporteerden tijdens de ESM periode, en dat dit verband significant bleef wanneer gecorrigeerd werd voor gemiddeld positief en negatief affect tijdens de vorige dag. Een hoger gemiddeld positief affect tijdens de vorige dag, hield significant verband met hoger positief toekomstdenken. Hoewel een gemiddeld negatief affect tijdens de vorige dag verband hield met lager positief toekomstdenken, was dit verband niet statistisch significant. Uit de bevindingen blijk dat toekomstdenken op de korte termijn verband houdt met suïcidale gedachten in een niet-klinische steekproef van adolescenten. Toekomstig onderzoek zou moeten onderzoeken in hoeverre het verband tussen toekomstdenken en suïcidale gedachten directioneel is, om te kunnen bepalen of verminderd toekomstdenken een vroeg waarschuwingssignaal kan zijn voor escalerende suïcidale gedachten bij jongeren."},"keywords":{"en":["experience sampling method","future thinking","general population","suicidal ideation","youth"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Translating promise into practice: a review of machine learning in suicide research and prevention","authors":"Kirtley, O.J., van Mens, K., Hoogendoorn, M., Kapur, N., de Beurs, D.","affiliations":"Altrecht Mental Health Care, Vrije Universiteit Amsterdam, Trimbos Institute","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"the Lancet Psychiatry","identifier":"10.1016/S2215-0366(21)00254-6","link":"Translating promise into practice: a review of machine learning in suicide research and prevention - The Lancet Psychiatry","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In ever more pressured health-care systems, technological solutions offering scalability of care and better resource targeting are appealing. Research on machine learning as a technique for identifying individuals at risk of suicidal ideation, suicide attempts, and death has grown rapidly. This research often places great emphasis on the promise of machine learning for preventing suicide, but overlooks the practical, clinical implementation issues that might preclude delivering on such a promise. In this Review, we synthesise the broad empirical and review literature on electronic health record-based machine learning in suicide research, and focus on matters of crucial importance for implementation of machine learning in clinical practice. The challenge of preventing statistically rare outcomes is well known; progress requires tackling data quality, transparency, and ethical issues. In the future, machine learning models might be explored as methods to enable targeting of interventions to specific individuals depending upon their level of need—ie, for precision medicine. Primarily, however, the promise of machine learning for suicide prevention is limited by the scarcity of high-quality scalable interventions available to individuals identified by machine learning as being at risk of suicide","nl":"In een gezondheidszorgsysteem dat steeds meer onder druk komt te staan, zijn technologische oplossingen die schaalbaarheid van zorg en een betere inzet van middelen bieden aantrekkelijk. Onderzoek naar machinelearning als een techniek om personen te identificeren die risico lopen op suïcidale gedachten, suïcidepogingen en overlijden is snel gegroeid. Dergelijk onderzoek benadrukt vaak sterk de belofte die machinelearning inhoudt voor het voorkomen van suïcide, maar gaat vaak voorbij aan de praktische, klinische problemen die het waarmaken van deze belofte in de weg staan. In dit literatuuronderzoek synthetiseren de onderzoekers de brede empirische en beoordeelde literatuur over machinelearning op basis van gezondheidsdossiers bij suïcide-onderzoek en ligt de nadruk op zaken die van fundamenteel belang zijn voor de implementatie van machinelearning in de klinische praktijk. De uitdaging van het voorkomen van statistisch zeldzame uitkomsten is genoegzaam bekend; vooruitgang vereist een goede omgang met kwaliteit van data, transparantie en ethische kwesties. In de toekomst kan mogelijk naar machinelearningmodellen worden gekeken als methoden om interventies te kunnen richten op specifieke personen, afhankelijk van de mate waarin ze dit nodig hebben, met andere woorden voor precisiegeneeskunde. Maar primair wordt de belofte die machinelearning inhoudt voor suïcidepreventie beperkt door het gebrek aan schaalbare interventies van hoge kwaliteit die beschikbaar zijn voor personen die door machinelearning worden aangemerkt als personen die risico lopen op suïcide."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["review","kwalitatief"],"setting":[],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Don't Miss the Moment: A Systematic Review of Ecological Momentary Assessment in Suicide Research","authors":"Kivelä, L., van der Does, W.A.J., Riese, H., Antypa, N.","affiliations":"Leiden University, Leiden University Treatment Center LUBEC, Universitair Medisch Centrum Groningen","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Digital Health","identifier":"10.3389/fdgth.2022.876595","link":"https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fdgth.2022.876595/full","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Suicide and suicide-related behaviors are prevalent yet notoriously difficult to predict. Specifically, short-term predictors and correlates of suicide risk remain largely unknown. Ecological momentary assessment (EMA) may be used to assess how suicidal thoughts and behaviors (STBs) unfold in real-world contexts. We conducted a systematic literature review of EMA studies in suicide research to assess (1) how EMA has been utilized in the study of STBs (i.e., methodology, findings), and (2) the feasibility, validity and safety of EMA in the study of STBs. We identified 45 articles, detailing 23 studies. Studies mainly focused on examining how known longitudinal predictors of suicidal ideation perform within shorter (hourly, daily) time frames. Recent studies have explored the prospects of digital phenotyping of individuals with suicidal ideation. The results indicate that suicidal ideation fluctuates substantially over time (hours, days), and that individuals with higher mean ideation also have more fluctuations. Higher suicidal ideation instability may represent a phenotypic indicator for increased suicide risk. Few studies succeeded in establishing prospective predictors of suicidal ideation beyond prior ideation itself. Some studies show negative affect, hopelessness and burdensomeness to predict increased ideation within-day, and sleep characteristics to impact next-day ideation. The feasibility of EMA is encouraging: agreement to participate in EMA research was moderate to high (median = 77%), and compliance rates similar to those in other clinical samples (median response rate = 70%). More individuals reported suicidal ideation through EMA than traditional (retrospective) self-report measures. Regarding safety, no evidence was found of systematic reactivity of mood or suicidal ideation to repeated assessments of STBs. In conclusion, suicidal ideation can fluctuate substantially over short periods of time, and EMA is a suitable method for capturing these fluctuations. Some specific predictors of subsequent ideation have been identified, but these findings warrant further replication. While repeated EMA assessments do not appear to result in systematic reactivity in STBs, participant burden and safety remains a consideration when studying high-risk populations. Considerations for designing and reporting on EMA studies in suicide research are discussed.","nl":"Suïcide en suïcidegerelateerde gedragingen zijn gangbaar, maar zeer lastig te voorspellen. In het bijzonder voorspellende factoren op korte termijn en correlaten van suïciderisico blijven grotendeels onbekend. Ecological momentary assessment (EMA) kan worden gebruikt om te beoordelen hoe suïcidale gedachten en gedragingen zich ontwikkelen in de praktijk. De onderzoekers hebben een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd naar EMA-studies in suïcideonderzoek om te beoordelen (1) hoe EMA is ingezet in het onderzoek naar suïcidale gedachten en gedragingen (d.w.z.: methodologie, bevindingen) en (2) wat de haalbaarheid, validiteit en veiligheid van EMA is in het onderzoek naar suïcidale gedachten en gedragingen. Er zijn 45 artikelen gevonden waarin 23 onderzoeken worden beschreven. De onderzoek richtten zich vooral op het bestuderen hoe longitudinale voorspellende factoren van suïcidale gedachten zich gedragen binnen kortere tijdspannes (per uur/per dag). In recente onderzoeken zijn de mogelijkheden onderzocht van digitale fenotypering van personen met suïcidale gedachten. De resultaten laten zien dat suïcidale gedachten behoorlijk fluctueren in het verloop van de tijd (uren, dagen) en dat personen met hogere gemiddelde suïcidale gedachten ook meer fluctuaties hebben. Hogere instabiliteit van suïcidale gedachten kunnen een fenotypische indicator vormen voor een verhoogd suïciderisico. Weinig onderzoeken zijn erin geslaagd om prospectieve voorspellende factoren van suïcidale gedachten vast te stellen, anders dan eerdere suïcidale gedachten. Uit sommige onderzoeken blijkt dat negatief affect, hopeloosheid en het gevoel anderen tot last te zijn een voorspeller zijn van toegenomen suïcidale gedachten binnen de dag en dat slaapkenmerken invloed hebben op suïcidale gedachten de volgende dag. De haalbaarheid van EMA is bemoedigend: bereidheid om deel te nemen aan EMA onderzoek was gemiddeld tot hoog (mediaan = 77%), en nalevingspercentages zijn vergelijkbaar met die in andere klinische steekproeven (mediaan responspercentage = 70%). Meer personen melden suïcidale gedachten via EMA dan via traditionele (retrospectieve) zelfgerapporteerde bepalingen. Als het gaat om de veiligheid is er geen bewijs gevonden voor systematische reactiviteit van stemming of suïcidale gedachten door herhaalde metingen van suïcidale gedachten en gedragingen. Tot slot kunnen suïcidale gedachten behoorlijk fluctueren in een korte tijdsperiode en is EMA een geschikte methode om deze fluctuaties vast te leggen. Enkele specifieke voorspellende factoren van daaropvolgende suïcidale gedachten zijn vastgesteld, maar deze bevindingen moeten nog worden bevestigd door replicatie. Hoewel herhaalde EMA-beoordelingen niet lijken te leiden tot systematische reactiviteit in suïcidale gedachten en gedragingen, blijven de belasting en veiligheid van de deelnemer een overweging bij het bestuderen van populaties met een hoog risico. Overwegingen bij de opzet van en verslaglegging over EMA onderzoeken in suïcideonderzoek worden besproken."},"keywords":{"en":[": suicidal ideation","suicide attempt","experience sampling method","ambulatory assessment","electronic\ndiary"],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"A Latent Profile Analysis of Psychotic Experiences, Non-psychotic Symptoms, Suicidal Ideation and Underlying Mechanisms in a Sample of Adolescents From the General Population","authors":"Langer, Á.I., Wardenaar, K., Wigman, J.T.W., Luis, J.L., Núñez, D.","affiliations":"University Medical Center Groningen","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Psychiatry","identifier":"10.3389/fpsyt.2022.926556","link":"https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fpsyt.2022.926556/full","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Psychotic experiences (PEs) are prevalent in the general population, particularly in adolescents. PEs are associated with various negative outcomes such as psychotic, depressive, anxiety and post-traumatic stress disorders and suicidal behavior. Recent studies in the general population have suggested that what makes PEs relevant is not so much the experiences per se, but their association with non-psychotic comorbidity and other transdiagnostic domains. Thus, there is a need for a better understanding of how PEs exist in a larger psychopathological context in adolescents. In the present study we aimed to explore this, using latent profile analysis (LPA) to identify different patterns in which PEs, psychiatric symptoms and psychological processes co-occur. LPA was conducted using data from an adolescent general population subsample (n = 335) with PEs. We conducted LPA, using measures of PEs, psychiatric symptoms and behaviors (depression, anxiety post-traumatic stress disorder and suicidal behavior) and cognitive and affective processes of entrapment/defeat and emotional regulation as manifest variables. We found that the best fit was obtained with a four-class solution that distinguished primarily between different levels of overall severity: “low symptomatology” (19.1%), “mild-moderate symptomatology” (39.4%), “moderate symptomatology” (33.7%); “high symptomatology” (7.8%). Levels of depression, post-traumatic stress symptoms and defeat/entrapment were most differentiated between classes. The high symptomatology group showed the highest scores in all psychiatric symptoms suicidal ideation, and emotional/cognitive domains, except in cognitive reappraisal. This group also showed the highest usage of emotional suppression. Our results suggest that the assessment of mental health risk in adolescents should be aware that PEs exist in a broad context of other domains of psychopathology and transdiagnostic cognitive and affective processes.","nl":"Psychotische ervaringen (PE) komen voor in de algehele populatie, in het bijzonder bij adolescenten. PE hangen samen met verschillende negatieve uitkomsten zoals psychotische, depressieve, angst- en posttraumatische stressstoornissen en suïcidaal gedrag. Recente onderzoeken onder de algehele populatie geven aan dat datgene wat PE relevant maakt niet zozeer de ervaringen zelf zijn, maar het verband hiervan met niet-psychotische comorbiditeit en andere transdiagnostische domeinen. Om die reden is er behoefte aan meer inzicht in hoe PE bestaan in een bredere psychopathologische context bij adolescenten. Het doel van dit onderzoek was om dit te verkennen met behulp van latente profielanalyse (LPA) om verschillende patronen te vinden waarin PE, psychiatrische symptomen en psychologische processen naast elkaar voorkomen. LPA werd uitgevoerd met gegevens van een deelsteekproef van adolescenten uit de algehele populatie (n = 335) met PE. LPA is uitgevoerd met metingen van PE, psychiatrische symptomen en gedragingen (psychotische, depressieve, angst- en posttraumatische stressstoornissen en suïcidaal gedrag) en cognitieve en affectieve processen van het gevoel vast te zitten/verslagenheid en emotieregulatie als manifeste variabelen. De beste overeenkomst werd bereikt met een oplossing met vier klassen waarin primair onderscheid werd gemaakt tussen verschillende niveaus van algehele ernst: 'lage symptomatologie' (19,1%), 'milde tot gemiddelde symptomatologie' (39,4%), 'gemiddelde symptomatologie' (33,7%) en 'hoge symptomatologie' (7,8%). Mate van depressie, symptomen van posttraumatische stress en verslagenheid/gevoel vast te zitten waren het meest gedifferentieerd tussen klassen. De groep met hoge symptomatologie had de hoogste scores voor alle psychiatrische symptomen, suïcidale gedachten en emotionele/cognitieve domeinen, met uitzondering van cognitieve herinterpretatie. Deze groep bleek ook het hoogst te scoren op het gebruik van emotieonderdrukking. De resultaten van de onderzoekers wijzen erop dat er bij het beoordelen van psychische gezondheidsrisico's van adolescenten rekening mee moet worden gehouden dat PE bestaan in een bredere context van andere domeinen van psychopathologie en transdiagnostische en affectieve processen."},"keywords":{"en":["psychotic experiences","psychopathology risk","regulatory strategies","adolescence","latent profile\nanalysis"],"nl":[]},"region":["internationaal"],"type":[],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":[]}},{"title":"Cluster B versus Cluster C Personality Disorders: A Comparison of Comorbidity, Suicidality, Traumatization and Global Functioning","authors":"Massaal-van der Ree., L.Y., Eikelenboom., M., Hoogendoorn., A.W., Thomaes., K., van Marle., H.J.F.","affiliations":"GGZ in Geest, Amsterdam UMC, Sinai Centrum, Arkin Institute for Mental Health, Amsterdam Neuroscience, Mood, Anxiety, Psychosis, Stress & Sleep Program","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Behavioral Sciences","identifier":"10.3390/bs12040105","link":"https://www.mdpi.com/2076-328X/12/4/105","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["borderline"],"abstract":{"en":"A general clinical assumption states that cluster B personality disorders (PDs) represent a more severe form of PD than cluster C PDs. Consequently, most PD research is centered on cluster B PDs (especially borderline PD). Yet, prevalence ratings of cluster C PDs exceed those of cluster B PDs. In this explorative, cross-sectional study, we compared cluster B and C PD patients (N = 94) on a wide range of clinically-relevant severity measures, including comorbidity, suicidality, (childhood) traumatization and global functioning. Results showed that, although cluster B PD patients suffered more often from substance use disorders and lifetime suicide attempts, no difference could be established between groups for all other severity measures, including trauma variables. In our study, we additionally included a group of combined cluster B and C PDs, who were largely similar to both other groups. Although our study is insufficiently powered to claim a significant non-difference, these findings emphasize that high rates of comorbidity, suicidality, childhood traumatization and functional impairment apply to both cluster B and C patients. As such, our findings encourage more research into cluster C PDs, ultimately leading to more evidence-based treatments for this prevalent patient group. In addition, the high level of traumatization across groups calls for a routine trauma screening, especially since PD treatment may benefit from concurrent trauma treatment.","nl":"Een algemene klinische aanname gaat ervan uit dat cluster B persoonlijkheidsstoornissen (PS) een ernstigere vorm van PS zijn dan cluster C PS. Als gevolg daarvan richt het merendeel van het onderzoek naar PS zich op cluster B PS (met name borderline PS). Toch blijkt dat de prevalentie van cluster C PS die van cluster B PS overschrijdt. In dit verkennende cross-sectionele onderzoek vergeleken de onderzoekers patiënten met een cluster B-PS en cluster C PS (N = 94) met elkaar op een breed scala aan klinisch relevante maten van ernst, waaronder comorbiditeit, suïcidaliteit, trauma (in de kindertijd) en algeheel functioneren. Uit de resultaten bleek dat patiënten met cluster B PS weliswaar vaker een stoornis hadden op het gebied van middelenmisbruik en suïcidepogingen op enig moment in het leven, maar dat geen verschillen konden worden gevonden tussen de groepen voor alle andere maten van ernst, waaronder traumavariabelen. In dit onderzoek is verder een groep opgenomen met een gecombineerde cluster B- en C PS, die grotendeels vergelijkbaar was met beide andere groepen. Hoewel dit onderzoek onvoldoende onderscheidend vermogen heeft om met significantie te stellen dat er geen verschil is, benadrukken deze bevindingen dat een hoog percentage comorbiditeit, suïcidaliteit, trauma in de kindertijd en belemmeringen in het functioneren zowel van toepassing zijn op cluster B- als op cluster C patiënten. Als zodanig moedigen deze resultaten meer onderzoek naar cluster C PS aan, zodat er uiteindelijk meer onderbouwde behandelingen komen voor deze veel voorkomende patiëntengroep. Daarnaast vraagt de hoge mate waarin traumatisering voorkomt in de groepen om een routinematige screening op trauma, in het bijzonder omdat de behandeling van de PS baat kan hebben bij gelijktijdige traumabehandeling."},"keywords":{"en":["(childhood) traumatization","comorbidity","global functioning","personality disorders","suicidality."],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"[Suicide prevention training for youth care professionals]","authors":"Meijer-Rozema, S.G., Nijhof, K.S., Bosch, A.N., Bex, N.W.K., Twisk, J.W.R., van Domburgh, L.","affiliations":"Pluryn, Youz, Afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie UMC, Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpschyatrie","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/artikelen/article/50-13010_Suicidepreventietraining-voor-jeugdzorgprofessionals","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidality is common in youth care and has a major impact on young people, parents and professionals. The number of suicides among young people (10-25 years) in the Netherlands has risen in recent years from 103 suicides in 2008 to 159 suicides in 2019, with a high of 169 suicides in 2017. Many youth care professionals experience timidity in dealing with suicidal behaviour.\n\nAIM: To investigate whether suicide prevention training leads to an improvement in knowledge, skills and self-confidence in dealing with suicidal behavior in young people.\n\nMETHOD: Professionals working at a national youth care institution participated in suicide prevention training. Before and immediately after the training they completed questionnaires to measure their knowledge, skills and self-confidence in the field of suicide prevention.\n\nRESULTS: There was an improvement in knowledge, skills and self-confidence of youth care professionals after the training. In particular, more knowledge about suicide prevention led to more self-confidence. The change was equal in the different forms of care. Scientifically trained and higher educated professionals showed a less strong change in their competencies than secondary educated professionals. The change in knowledge and skills was less pronounced the older the professionals were.\n\nCONCLUSION: Participation in suicide prevention training led to more knowledge, skills and self-confidence of youth care professionals in dealing with suicidal behaviour.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidaliteit komt veel voor in de jeugdzorg en heeft een grote impact op jongeren, ouders en medewerkers. Het aantal suïcides onder jongeren (10-25 jaar) is in Nederland de afgelopen jaren gestegen van 103 in 2008 naar 159 in 2019, met als hoogste aantal 169 suïcides in 2017. Professionals in de jeugdzorg ervaren handelingsverlegenheid in het omgaan met suïcidaal gedrag. \n\nDOEL: Onderzoeken of een suïcidepreventietraining leidt tot verbetering van kennis, vaardigheden en zelfvertrouwen in het omgaan met suïcidaal gedrag van jongeren. \n\nMETHODE: Professionals werkzaam bij een landelijke jeugdzorginstelling namen deel aan een suïcidepreventietraining. Voor en na de training vulden zij vragenlijsten in om hun kennis, vaardigheden en zelfvertrouwen op het gebied van suïcidepreventie te meten. \n\nRESULTATEN: Na de training was er een verbetering van kennis, vaardigheden en zelfvertrouwen van jeugdzorgprofessionals. Vooral meer kennis over suïcidepreventie leidde tot meer zelfvertrouwen. De verandering was in verschillende hulpvormen even groot. Wo- en hbo-opgeleide professionals lieten een minder sterke verandering zien op hun competenties dan mbo-opgeleide professionals. De verandering in kennis en vaardigheden was minder groot naarmate de professionals ouder waren. \n\nCONCLUSIE: Deelname aan een suïcidepreventietraining leidt tot meer kennis, vaardigheden en zelfvertrouwen van professionals in de jeugdzorg in het omgaan met suïcidaal gedrag."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["trial"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Suïcidaliteit bij jongeren. Signaleren, aan- pakken en daarmee erger voorkomen","authors":"Mérelle, S., Rasing, S., van Bergen, D., Creemers, D.","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, GGZ Oost-Brabant, Radboud Universiteit, Rijksuniversiteit Groningen","affiliation113":true,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Vakblad sociaal werk","identifier":"10.1007/s12459-022-0959-1","link":"https://link.springer.com/article/10.1007/s12459-022-0959-1","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":["nabestaanden"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Psychiatric euthanasia, suicide and the role of gender","authors":"Nicolini, M.E., Gastmans, C., Kim, S.Y.H","affiliations":"Niet van toepassing","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The British Journal of Psychiatry","identifier":"10.1192/bjp.2021.95","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC8777112/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"The preponderance of women among persons who request and receive euthanasia and assisted suicide based on a psychiatric condition, as shown by data from the Netherlands and Belgium, is virtually unexplored. In this Analysis, we provide a critical discussion of this gender gap and propose it can inform a key debate point in the controversy over the practice, namely its tension with suicide prevention.","nl":"De oververtegenwoordiging van vrouwen onder personen die euthanasie en hulp bij suïcide vragen en krijgen op basis van een psychiatrische aandoening, zoals blijkt uit gegevens uit Nederland en België, is bijna niet onderzocht. In deze analyse wordt deze geslachtskloof kritisch besproken en wordt gesteld dat deze kan dienen als basis voor een belangrijk discussiepunt in de controverse rondom deze praktijk, namelijk het spanningsveld tussen euthanasie en suïcidepreventie."},"keywords":{"en":["Euthanasia","assisted suicide","suicide","ethics","psychiatry and law"],"nl":[]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":[]}},{"title":"The feasibility of using smartphone apps as treatment components for depressed suicidal outpatients","authors":"Nuij, C., van Ballegooijen, W., de Beurs, W., de Beurs, D., de Winter, R.F.P., Gilissen, R., O'Connor, R.C., Smit, J.H., Kerkhof, A., Riper, H.","affiliations":"Vrije Universiteit, Amsterdam UMC, Trimbos Institute, Mental Health Institution (GGZ) Rivierduinen, 113 Zelfmoordpreventie","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Psychiatry","identifier":"10.3389/fpsyt.2022.971046","link":"https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fpsyt.2022.971046/full","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"Mental health smartphone apps could increase the safety and self-management of patients at risk of suicide, but it is still unclear whether it is feasible to integrate such apps into routine mental healthcare. This study reports on the feasibility of using a safety planning app (BackUp) and a self-monitoring app (mEMA) as components of the routine treatment of depressed outpatients with suicidal ideation. Clinicians were trained in working with both of the apps, and they invited their eligible patients with suicidal ideation for study participation. Patients used the apps for 3 months and discussed these with their clinician during treatment. Patients completed assessments at baseline (T0), 4 weeks (T1) and post-test (T2, 12 weeks after baseline). Both patients and clinicians also participated in telephone interviews. Feasibility was assessed in terms of usability (score > 70 on System Usability Scale, SUS), acceptability (score > 20 on Client Satisfaction Questionnaire-8, CSQ-8), and uptake (sufficient rates of component completion and app usage in treatment). The sample included 17 adult outpatients (52.9% male, age range 20-50 years) diagnosed with a depressive disorder and suicidal ideation at baseline. BackUp was rated by patients at above the cut-off scores for usability (SUS mean score at T1 75.63 and at T2 77.71) and acceptability (CSQ-8 mean score at T1 23.42 and at T2 23.50). mEMA was similarly rated (SUS mean score at T1 75.83 and at T2 76.25; CSQ-8 mean score at T1 23.92 and at T2 22.75). Telephone interviews with patients and clinicians confirmed the usability and acceptability. The uptake criteria were not met. Our findings suggest that mobile safety planning and mobile self-monitoring can be considered acceptable and usable as treatment components for depressed suicidal outpatients, but the integration of apps into routine treatment needs to be further explored.","nl":"Smartphone-apps voor geestelijke gezondheid kunnen de veiligheid en het zelfmanagement vergroten van patiënten met een suïciderisico, maar het is nog onduidelijk of het haalbaar is om dergelijke apps te integreren in standaard geestelijke gezondheidszorg. Dit onderzoeksrapport over de haalbaarheid van het gebruik van een app voor het maken van een veiligheidsplan (BackUp) en een zelfmonitoringsapp (mEMA) als onderdelen van de standaard behandeling van depressieve poliklinische patiënten met suïcidale gedachten. Behandelaren werden getraind in het werken met beide apps en zij nodigden hun patiënten met suïcidale gedachten die ervoor in aanmerking kwamen uit voor deelname aan het onderzoek. Patiënten gebruikten de apps 3 maanden lang en bespraken deze tijdens de behandeling met hun behandelaar. Patiënten vulden beoordelingen in bij baseline (T0), na 4 weken (T1) en na afloop van de interventie (T2, 12 weken na baseline). Patiënten en behandelaren namen beide ook deel aan telefonische interviews. Haalbaarheid werd beoordeeld op de onderdelen bruikbaarheid (score > 70 op System Usability Scale, SUS), aanvaardbaarheid (score > 20 op Client Satisfaction Questionnaire-8, CSQ-8) en gebruik (voldoende percentages van afronding van componenten en app-gebruik tijdens de behandeling). In de steekproef waren 17 volwassen poliklinische patiënten opgenomen (52,9% man, leeftijdsbereik 20-50 jaar) met een diagnose depressieve stoornis en suïcidale gedachten bij baseline. BackUp werd door patiënten beoordeeld boven de grenswaarden voor bruikbaarheid (gemiddelde SUS score bij T1: 75,63 en bij T2: 77,71) en aanvaardbaarheid (gemiddelde CSQ-8-score bij T1: 23,42 en bij T2: 23,50). mEMA werd vergelijkbaar beoordeeld (gemiddelde SUS score bij T1: 75,83 en bij T2: 76,25; gemiddelde CSQ-8-score bij T1: 23,92 en bij T2: 22,75). Tijdens telefonische interviews met patiënten en behandelaren werden de bruikbaarheid en aanvaardbaarheid bevestigd. Aan de criteria voor gebruik werd niet voldaan. Deze bevindingen wijzen erop dat een mobiel veiligheidsplan en mobiele zelfmonitoring kunnen worden beschouwd als aanvaardbare en bruikbare behandelonderdelen voor depressieve suïcidale poliklinische patiënten, maar dat de integratie van de apps in de standaard behandeling verder verkend moet worden."},"keywords":{"en":["apps","feasibility","Health (mobile health)","suicide","suicide prevention"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Suicidal attempts and ideations in Kenyan adults with psychotic disorders: An observational study of frequency and associated risk factors","authors":"Ongeri, L., Kariuki, S.M., Nyawira, M., Schubart, C., Tijdink, J.K., Newton, C.R.J.C., Penninx, B.W.J.H.","affiliations":"Amsterdam UMC, Vrije Universiteit Amsterdam","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Psychiatry","identifier":"10.3389/fpsyt.2022.1085201","link":"https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fpsyt.2022.1085201/full","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Psychotic disorders increase the risk for premature mortality with up to 40% of this mortality attributable to suicide. Although suicidal ideation (SI) and suicidal behavior (SB) are high in persons with psychotic disorders in sub-Saharan Africa, there is limited data on the risk of suicide and associated factors among persons with psychotic disorders.\n\nMETHODS: We assessed SI and SB in persons with psychotic disorders, drawn from a large case-control study examining the genetics of psychotic disorders in a Kenyan population. Participants with psychotic disorders were identified using a clinical review of records, and the diagnosis was confirmed with the Mini-International Neuropsychiatric Interview (MINI). We conducted bivariate and multivariate logistic (for binary suicide outcomes) or linear regression (for suicide risk score) analysis for each of the suicide variables, with demographic and clinical variables as determinants.\n\nRESULTS: Out of 619 participants, any current SI or lifetime suicidal attempts was reported by 203 (32.8%) with psychotic disorders, of which 181 (29.2%) had a lifetime suicidal attempt, 60 (9.7%) had SI in the past month, and 38 (20.9%) had both. Family history of suicidality was significantly associated with an increased risk of suicidality across all the following four outcomes: SI [OR = 2.56 (95% CI: 1.34-4.88)], suicidal attempts [OR = 2.01 (95% CI: 1.31-3.06)], SI and SB [OR = 2.00 (95% CI: 1.31-3.04)], and suicide risk score [beta coefficient = 7.04 (2.72; 11.36), p = 0.001]. Compared to persons aged <25 years, there were reduced odds for SI for persons aged ≥ 25 years [OR = 0.30 (95% CI: 0.14-0.62)] and ≥ 45 years [OR = 0.32 (95% CI: 0.12-0.89)]. The number of negative life events experienced increased the risk of SI and SB [OR = 2.91 (95% CI: 1.43-5.94)] for 4 or more life events. Higher negative symptoms were associated with more suicidal attempts [OR = 2.02 (95%CI: 1.15-3.54)]. Unemployment was also associated with an increased risk for suicidal attempts [OR = 1.58 (95%CI: 1.08-2.33)] and SI and SB [OR = 1.68 (95% CI: 1.15-2.46)].\n\nCONCLUSION: Suicidal ideation and SB are common in persons with psychotic disorders in this African setting and are associated with sociodemographic factors, such as young age and unemployment, and clinical factors, such as family history of suicidality. Interventions targeted at the community (e.g., economic empowerment) or at increasing access to care and treatment for persons with psychotic disorders may reduce the risk of suicide in this vulnerable population group.","nl":"ACHTERGROND: Psychotische stoornissen verhogen het risico op voortijdige sterfte, waarbij tot 40% van deze voortijdige sterfte toe te schrijven is aan suïcide. Hoewel suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag veel voorkomen bij mensen met een psychotische stoornis in Sub-Saharaans Afrika, zijn er beperkte gegevens over het risico op suïcide en samenhangende factoren bij mensen met psychotische stoornissen.\n \nMETHODEN: De onderzoekers beoordeelden suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag bij personen met psychotische stoornissen, waarbij de gegevens afkomstig zijn uit een groot patiënt-controleonderzoek naar de genetica van psychotische aandoeningen in een Keniaanse populatie. Deelnemers met een psychotische stoornis werden opgespoord met een klinisch dossieronderzoek en de diagnose werd bevestigd met het Mini-International Neuropsychiatric Interview (MINI). Voor elk van de suïcidevariabelen hebben de onderzoekers bivariate en multivariate logistische (voor binaire suïcide-uitkomsten) of lineaire (voor suïcidescore) regressieanalyses uitgevoerd, met demografische en klinische variabelen als determinanten.\n \nRESULTATEN: Van de 619 deelnemers rapporteerden 203 (32,8%) deelnemers met een psychotische stoornis suïcidale gedachten op dit moment of op enig moment in het leven, waarvan 181 (29,2%) deelnemers op enig moment in het leven een suïcidepoging hadden gedaan, 60 (9,7%) in de afgelopen maand suïcidale gedachten hadden gehad en 38 (20,9%) beide hadden. Suïcidaliteit in de familiegeschiedenis hing significant samen met een verhoogd risico op suïcidaliteit bij elk van de volgende vier uitkomsten: Suïcidale gedachten [OR = 2,56 (95%-BI: 1,34 4,88)], suïcidepogingen [OR = 2,01 (95%-BI: 1,31 3,06)]), suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag [OR = 2,00 (95%-BI: 1,31-3,04)], en suïciderisicoscore [bètacoëfficiënt = 7,04 (2,72; 11,36), p = 0,001]. Vergeleken met personen < 25 jaar, was de kans op suïcidale gedachten lager voor personen ≥ 25 jaar [OR = 0,30 (95% BI: 0,14-0,62)] en ≥ 45 jaar [OR = 0,32 (95% BI: 0,12-0,89)]. Het aantal meegemaakte negatieve levensgebeurtenissen verhoogde het risico op suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag [OR = 2,91; 95%-BI: 1,43-5,94)] voor 4 of meer levensgebeurtenissen. Een hogere score op negatieve symptomen hield verband met meer suïcidepogingen [OR = 2,02 (95% BI: 1,15-3,54)]. Werkloosheid hing ook samen met een verhoogd risico op suïcidepogingen [OR = 1,58 (95% BI: 1,08-2,33]) en suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag [OR = 1,68 (95%-BI: 1,15-2,46)].\n \nCONCLUSIE: Suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag komen vaak voor bij personen met psychotische stoornissen in deze Afrikaanse omgeving en hangen samen met sociodemografische factoren als jonge leeftijd en werkloosheid en met klinische factoren als familiegeschiedenis van suïcidaliteit. Interventies gericht op de gemeenschap (bijv. economische zelfredzaamheid) of het verbeteren van toegang tot zorg en behandeling voor mensen met een psychotische stoornis kunnen mogelijk het suïciderisico verlangen van deze kwetsbare bevolkingsgroep."},"keywords":{"en":["Kenya","low and middle income countries","risk factors","schizophrenia","stigma","sub-Saharan Africa","suicidal attempts","suicidal ideation"],"nl":[]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwalitatief"],"setting":[],"age":["adult","old"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Sociocultural perspectives on suicidal behaviour at the Coast Region of Kenya: an exploratory qualitative study","authors":"Ongeri., L., Nyawira.,M., Kariuki., S.M., Theuri., C., Bitta., M., Penninx.,B., Newton., C.R., Tijdink., J.","affiliations":"Amsterdam UMC","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ Open","identifier":"10.1136/bmjopen-2021-056640","link":"https://bmjopen.bmj.com/content/12/4/e056640.long","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVES: To explore perceived sociocultural factors that may influence suicidality from key informants residing in coastal Kenya.\n\nDESIGN: We used an exploratory qualitative study design.\n\nSETTING: Mombasa and Kilifi Counties of Coastal Kenya.\n\nPARTICIPANTS: 25 key informants including community leaders, professionals and community members directly and indirectly affected by suicidality.\n\nMETHODS: We conducted in-depth interviews with purposively selected key informants to collect data on sociocultural perspectives of suicide. Thematic analysis was used to identify key themes using both inductive and deductive processes.\n\nRESULTS: Four key themes were identified from the inductive content analysis of 25 in-depth interviews as being important for understanding cultural perspectives related to suicidality: (1) the stigma of suicidal behaviour, with suicidal victims perceived as weak or crazy, and suicidal act as evil and illegal; (2) the attribution of supernatural causality to suicide, for example, due to sorcery or inherited curses; (3) the convoluted pathway to care, specifically, delayed access to biomedical care and preference for informal healers; and (4) gender and age differences influencing suicide motivation, method of suicide and care seeking behaviour for suicidality.\n\nCONCLUSIONS: This study provides an in depth understanding of cultural factors attributed to suicide in this rural community that may engender stigma, discrimination and poor access to mental healthcare in this community. We recommend multipronged and multilevel suicide prevention interventions targeted at changing stigmatising attitudes, beliefs and behaviours, and improving access to mental healthcare in the community.","nl":"DOELEN: Het verkennen van ervaren socioculturele factoren die van invloed kunnen zijn op suïcidaliteit van sleutelinformanten die woonachtig zijn in het Keniaanse kustgebied.\n\nOPZET: De onderzoekers gebruikten een verkennende, kwalitatieve onderzoeksopzet.\n\nLOCATIE: De provincies Mombasa en Kilifi in het Keniaanse kustgebied.\n\nDEELNEMERS: Vijfentwintig sleutelinformanten, waaronder gemeenschapsleiders, professionals en leden van de gemeenschap die direct en indirect te maken hebben met suïcidaliteit.\n\nMETHODEN: De onderzoekers hielden diepte interviews met bewust geselecteerde sleutelinformanten om gegevens te verzamelen over socioculturele perspectieven op suïcide. Met thematische analyse werden hoofdthema's bepaald via zowel inductieve als deductieve processen.\n\nRESULTATEN: Met de inductieve inhoudelijke analyse van 25 diepte-interviews werden vier hoofdthema's gevonden die belangrijk waren voor het begrip van culturele perspectieven in verband met suïcidaliteit: (1) het stigma van suïcidaal gedrag, waarbij suïcideslachtoffers worden gezien als zwak of gestoord en suïcidale handelingen als kwaadaardig en illegaal; (2) het toeschrijven van bovennatuurlijke oorzaken voor suïcide, bijvoorbeeld tovenarij of erfvloeken; (3) het ingewikkelde pad naar zorg, met name vertraagde toegang tot biomedische zorg en een voorkeur voor informele genezers; en (4) verschillen in geslacht en leeftijd die van invloed zijn op de motivatie voor suïcide, suïcidemethode en hulpzoekend gedrag voor suïcidaliteit.\n\nCONCLUSIES: Dit onderzoek geeft een diepgaand inzicht in culturele factoren die in deze plattelandsgemeenschap worden toegeschreven aan suïcide en die leiden tot stigmatisering, discriminatie en gebrekkige toegang tot geestelijke gezondheidszorg in deze gemeenschap. De onderzoekers adviseren veelzijdige suïcidepreventie op meerdere niveaus die gericht is op het veranderen van stigmatiserende houdingen, overtuigingen en gedragingen en het verbeteren van toegang tot geestelijke gezondheidszorg in deze gemeenschap."},"keywords":{"en":["public health","qualitative research","Suicide & self-harm."],"nl":[]},"region":["internationaal"],"type":["fundamenteel","kwalitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Longitudinal analyses of depression, anxiety, and suicidal ideation highlight greater prevalence in the northern Dutch population during the COVID-19 lockdowns","authors":"Ori, A.P.S., Wieling, M., Lifelines Corona Research Initiative, van Loo, H.M.","affiliations":"University of Groningen, University Medical Center Groningen","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2022.11.040","link":"https://reader.elsevier.com/reader/sd/pii/S0165032722013003?token=F08267C21C0AF10BDECB2BBC1E94B20A4337B6C0B7FDD87C4710269B5A764C02BF9D8F47C977AE412AFB46F95278CA4E&originRegion=eu-west-1&originCreation=20230420093637","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["angst"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The pandemic of the coronavirus disease 2019 (COVID-19) has led to an increased burden on mental health. AIMS: To investigate the development of major depressive disorder (MDD), generalized anxiety disorder (GAD), and suicidal ideation in the Netherlands during the first fifteen months of the pandemic and three nation-wide lockdowns. \n\nMETHOD: Participants of the Lifelines Cohort Study –a Dutch population-based sample-reported current symptoms of MDD and GAD, including suicidal ideation, according to DSM-IV criteria. Between March 2020 and June 2021, 36,106 participants (aged 18–96) filled out a total of 629,811 questionnaires across 23 time points. Trajectories over time were estimated using generalized additive models and analyzed in relation to age, sex, and lifetime history of MDD/GAD. \n\nRESULTS: We found non-linear trajectories for MDD and GAD with a higher number of symptoms and prevalence rates during periods of lockdown. The point prevalence of MDD and GAD peaked during the third hard lockdown at 2.88 % (95 % CI: 2.71 %–3.06 %) and 2.92 % (95 % CI: 2.76 %–3.08 %), respectively, in March 2021. Women, younger adults, and participants with a history of MDD/GAD reported significantly more symptoms. For suicidal ideation, we found a significant linear increase over time in younger participants. For example, 20-year-old participants reported 4.14× more suicidal ideation at the end of June 2021 compared to the start of the pandemic (4.64 % (CI: 3.09 %–6.96 %) versus 1.12 % (CI: 0.76 %–1.66 %)). \n\nLIMITATIONS: Our findings should be interpreted in relation to the societal context of the Netherlands and the public health response of the Dutch government during the pandemic, which may be different in other regions in the world. CONCLUSIONS: Our study showed greater prevalence of MDD and GAD during COVID-19 lockdowns and a continuing increase in suicidal thoughts among young adults suggesting that the pandemic and government enacted restrictions impacted mental health in the population. Our findings provide actionable insights on mental health in the population during the pandemic, which can guide policy makers and clinical care during future lockdowns and epi/pandemics.","nl":"ACHTERGROND: De coronapandemie van 2019 heeft geresulteerd in een toegenomen druk op de geestelijke gezondheid. Doelen: Onderzoeken van de ontwikkeling van een ernstige depressie (major depressive disorder, MDD), gegeneraliseerde angststoornis (GAS) en suïcidale gedachten in Nederland tijdens de eerste vijftien maanden van de pandemie en drie landelijke lockdowns. \n\nMETHODE: Deelnemers aan het Lifelines-cohortonderzoek (een steekproef van de Nederlandse populatie) rapporteerden huidige symptomen van MDD en GAS, inclusief suïcidale gedachten, volgens DSM-IV-criteria. Tussen maart 2020 en juni 2021 vulden 36.106 deelnemers (van 18–96 jaar) in totaal 629.811 vragenlijsten in, verdeeld over 23 tijdstippen. Trajecten in het verloop van de tijd werden geschat met gebruik van gegeneraliseerde additieve modellen en geanalyseerd in relatie met leeftijd, geslacht en voorgeschiedenis van MDD/GAS. \n\nRESULTATEN: De onderzoekers vonden niet-lineaire trajecten voor MDD en GAS met een hoger aantal symptomen en prevalentiepercentages tijdens periodes van lockdown. De puntprevalentie van MDD en GAS piekte tijdens de derde harde lockdown met respectievelijk 2,88% (95% BI: 2,71%–3,06%) en 2,92% (95% BI: 2,76%–3,08%) in maart 2021. Vrouwen, jongvolwassenen en deelnemers met een voorgeschiedenis van MDD/GAS rapporteerden significant meer symptomen. Voor suïcidale gedachten werd een significante lineaire toename gevonden in het verloop van de tijd bij jongere deelnemers. Zo rapporteerden deelnemers van 20 jaar bijvoorbeeld 4,14 keer meer suïcidale gedachten aan het eind van juni 2021 vergeleken met de start van de pandemie (4,64% (BI: 3,09%–6,96%) versus 1,12% (BI:  0,76%-1,66%)). Beperkingen: Deze bevindingen moeten worden geïnterpreteerd in relatie tot de maatschappelijke context in Nederland en de reactie van de Nederlandse overheid op het gebied van volksgezondheid tijdens de pandemie, die anders kan zijn dan in andere gebieden van de wereld. \n\nCONCLUSIES: Uit dit onderzoek bleek een hogere prevalentie van MDD en GAS tijdens coronalockdowns een aanhoudende stijging in suïcidale gedachten bij jongvolwassenen die erop wijst dat de beperkingen die voortvloeien uit de pandemie en overheid van invloed zijn geweest op de geestelijke gezondheid in de populatie. Deze bevindingen bieden praktische inzichten in de geestelijke gezondheid van de populatie tijdens de pandemie, die de basis kunnen vormen voor beleidsmakers en klinische zorgverlening tijdens toekomstige lockdowns en epidemieën/pandemieën."},"keywords":{"en":["Major depressive disorder","Generalized anxiety disorder","Suicidal ideation","COVID-19","Lifelines biobank","Generalized additive models"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["populationcohort","healthcareworkers"],"age":["adult","old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Exploring the Role of Age and Gender on the Impact of Client Suicide in Mental Health Practitioners","authors":"Pulleyn, E.C.J., van der Hallen, R.","affiliations":"Erasmus University Rotterdam","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"OMEGA - Journal of Death and Dying","identifier":"10.1177/00302228221075287","link":"https://journals.sagepub.com/doi/epub/10.1177/00302228221075287","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Previous research has revealed that mental health professionals (MHPs) often experience severe, yet varying, levels of short-term impact in the aftermath of client suicide. Individual differences are significant, yet what factors help explain these differences remains unclear. The current study investigated the role of the MHPs’ and the clients’ age and gender upon the impact of client suicide. \n\nMETHOD: An international sample of 213 MHPs, aged between 18 and 75, reported on a client’s suicide and its short-term impact (IES-R). \n\nRESULTS: The results indicate that both MHPs’ and clients’ gender did not affect impact. MHPs’ and clients’ age did not affect impact individually, although a significant interaction effect was revealed. \n\nCONCLUSION: Age, not gender, of the MHP and client are relevant in light of the impact of client suicide. Potential implications and suggestions for future research are discussed.","nl":"DOEL: Uit eerder onderzoek is gebleken dat ggz hulpverleners vaak te maken hebben met ernstige kortetermijngevolgen in de periode na suïcide door een cliënt, hoewel de omvang van deze impact varieert. Individuele verschillen zijn significant, maar welke factoren deze verschillen kunnen verklaren blijft onduidelijk. Dit onderzoek heeft gekeken naar de rol van de ggz hulpverlener en de leeftijd en het geslacht van de cliënt op de impact van suïcide door een cliënt. \n\nMETHODE: In een internationale steekproef hebben 213 ggz hulpverleners van 18 tot 75 jaar suïcide door een cliënt gemeld en een vragenlijst ingevuld over de impact hiervan op korte termijn (IES-R). \n\nRESULTATEN: Uit de resultaten bleek dat het geslacht van de ggz hulpverlener of de cliënt geen invloed had op de impact. De leeftijd van de ggz hulpverlener en de cliënt hadden los van elkaar geen invloed op de impact, hoewel een significant interactie-effect aan het licht kwam. \n\nCONCLUSIE: Als het gaat om de impact van suïcide door een cliënt is de leeftijd van de ggz hulpverlener een relevante factor, in tegenstelling tot het geslacht. Mogelijke gevolgtrekkingen en suggesties voor toekomstig onderzoek worden besproken."},"keywords":{"en":["practitioner","client suicide","demographics","age","gender","short-term impact","IES-R"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Detecting changes in help seeker conversations on a suicide prevention helpline during the COVID- 19 pandemic: in-depth analysis using encoder representations from transformers","authors":"Salmi, S., Mérelle., S., Gilissen, R., van der Mei., R., Bhulai., S.","affiliations":"Centrum Wiskunde & Informatica, 113, Vrije Universiteit Amsterdam","affiliation113":true,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Public Health","identifier":"10.1186/s12889-022-12926-2","link":"https://bmcpublichealth.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12889-022-12926-2","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Preventatives measures to combat the spread of COVID−19 have introduced social isolation, loneliness and fnancial stress. This study aims to identify whether the COVID-19 pandemic is related to changes in suicide\u0002related problems for help seekers on a suicide prevention helpline.\n\nMETHODS: A retrospective cohort study was conducted using chat data from a suicide prevention helpline in the Netherlands. The natural language processing method BERTopic was used to detect common topics in messages from December 1, 2019 until June 1, 2020 (N=8589). Relative topic occurrence was compared before and during the lock down starting on March 23, 2020. The observed changes in topic usage were likewise analyzed for male and female, younger and older help seekers and help seekers living alone.\n\nRESULTS: The topic of the COVID-19 pandemic saw an 808% increase in relative occurrence after the lockdown. Furthermore, the results show that help seeker increased mention of thanking the counsellor (+15%), and male and young help seekers were grateful for the conversation (+45% and+32% respectively). Coping methods such as watching TV (−21%) or listening to music (−15%) saw a decreased mention. Plans for suicide (−9%) and plans for suicide at a specifc location (−15%) also saw a decreased mention. However, plans for suicide were mentioned more frequently by help seekers over 30 years old (+11%) or who live alone and (+52%). Furthermore, male help seekers talked about contact with emergency care (+43%) and panic and anxiety (+24%) more often. Negative emotions (+22%) and lack of self-confdence (+15%) were mentioned more often by help seekers under 30, and help seekers over 30 saw an increased mention of substance abuse (+9%).\n\nCONCLUSION: While mentions of distraction, social interaction and plans for suicide decreased, expressions of grateful\u0002ness for the helpline increased, highlighting the importance of contact to help seekers during the lockdown. Help seekers under 30, male or who live alone, showed changes that negatively related to suicidality and should be monItored closely.","nl":"ACHTERGROND: Maatregelen om de verspreiding van corona tegen te gaan hebben gezorgd voor sociale isolatie, eenzaamheid en financiële zorgen. Dit onderzoek heeft als doel om vast te stellen of de coronapandemie verband houdt met veranderingen in suïcidegerelateerde problemen voor mensen die hulp zoeken bij een hulplijn voor suïcidepreventie.\n\nMETHODEN: Een retrospectief cohortonderzoek werd uitgevoerd met behulp van chatgegevens van een hulplijn voor suïcidepreventie in Nederland. De natuurlijke taalverwerkingsmethode BERTopic werd gebruikt om veel voorkomende onderwerpen in berichten vast te stellen in de periode van 1 december 2019 tot 1 juni 2020 (N = 8589). Er werd een vergelijking gemaakt van de relatieve frequentie waarmee een onderwerp voorkwam voorafgaand aan en tijdens de lockdown die begon op 23 maart 2020. De waargenomen veranderingen in onderwerpen werd daarnaast geanalyseerd voor mannelijke en vrouwelijke en jongere en oudere hulpvragers en voor alleen wonende hulpvragers.\n\nRESULTATEN: Het onderwerp van de coronapandemie nam met 808% toe in relatieve frequentie na de lockdown. Verder bleek uit de resultaten dat hulpvragers de hulpverlener vaker bedankten (+ 15%), en dat mannelijke en jonge hulpvragers dankbaar waren voor het gesprek (respectievelijk + 45% en + 32%). Copingmethoden als televisiekijken (- 21%) of naar muziek luisteren (- 15%) werden minder vaak genoemd. Ook werden minder plannen voor suïcide (- 9%) en plannen voor suïcide op een specifieke locatie (- 15%) genoemd. Maar plannen voor suïcide werden vaker genoemd door hulpvragers van 30 jaar en ouder (+ 11%) of hen die alleen wonen (+ 52%). Verder spraken mannelijke hulpvragers vaker over contact met spoeddiensten (+ 43%) en over paniek en angst (+ 24%). Negatieve gevoelens (+ 22%) en gebrek aan zelfvertrouwen (+ 15%) werden vaker genoemd door hulpvragers onder de 30 en hulpvragers boven de 30 hadden het vaker over middelenmisbruik (+ 9%).\n\nCONCLUSIE: Hoewel afleiding, sociale interactie en plannen voor suïcide minder vaak werden genoemd, benadrukken uitingen van dankbaarheid voor de hulplijn het belang van contact met hulpvragers tijdens de lockdown. Hulpvragers onder de 30, mannen en alleenstaanden lieten veranderingen zien die negatief verband hielden met suïcidaliteit en moeten nauwgezet gevolgd worden."},"keywords":{"en":["Natural language processing","Suicide chat counseling","Machine learning","BERT"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["any"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Topiramate intoxications & hemodialysis - Literature review and the first case report of a massive suicidal intoxication treated with hemodialysis","authors":"Schutte, T., Tellingen, A.V., van den Broek, J., Ten Brink, M., van Agtmael-Boerrigter, M.G.","affiliations":"Amsterdam UMC, Zaans Medisch centrum","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Toxicology Reports","identifier":"10.1016/j.toxrep.2022.08.004","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2214750022001767?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Topiramate is an anticonvulsant from sulfamate-substituted monosaccharides that is increasingly used to treat migraines. Serious topiramate intoxications have been described. Unfortunately, indications for and the effect of interventions, including hemodialysis, in severe intoxications seem expert-based and lack empirical evidence. We aim to review the literature on topiramate intoxication cases and to describe the first topiramate intoxication with toxicokinetic data following treatment with hemodialysis. \n\nMETHODS: A literature review was conducted using the PubMed database. Included articles were reviewed for symptoms; management, including acute hemodialysis; toxicokinetic data; and outcomes. \n\nRESULTS: We found 61 hits in the PubMed database and checked 392 references in the snowball search; 22 were included for data extraction, reporting 29 cases. The majority of the patients were female (n = 23/29, 79%), ranging in age from 2 to 44 years (median 21). The ingested topiramate amount ranged from 175 to 40,000 mg (usual maintenance dose of 50 mg BID and a general maximum of 500 mg BID). Topiramate concentrations were reported in eight cases, ranging from 3.7 to 356.6 mg/L (for reference, the therapeutic range is 2–30 mg/L). Serious topiramate intoxications can result in seizures, coma, hemodynamic instability and severe metabolic acidosis. In no single case was hemodialysis used. \n\nCONCLUSION: Serious symptoms of topiramate intoxications exist, and hemodialysis is used infrequently. If symptoms are refractory to symptomatic treatment, hemodialysis can reduce topiramate concentrations and symptomatology.","nl":"ACHTERGROND: Topiramaat is een anti-epilepticum van sulfamaatgesubstitueerde monosacchariden dat in toenemende mate wordt gebruikt voor het behandelen van migraine. Ernstige intoxicaties met topiramaat zijn beschreven. Helaas lijken de indicaties voor en het effect van interventies, waaronder hemodialyse, bij ernstige intoxicaties gebaseerd op het inzicht van deskundigen en ontbreekt empirisch bewijs. Het doel is om de literatuur over gevallen van intoxicatie met topiramaat te onderzoeken en de eerste intoxicatie met topiramaat te beschrijven met toxicokinetische gegevens na behandeling met hemodialyse. \n\nMETHODEN: Een literatuuronderzoek werd uitgevoerd met gebruik van de PubMed database. Opgenomen artikelen werden beoordeeld op symptomen, behandeling (inclusief hemodialyse), toxicokinetische gegevens en resultaten. \n\nRESULTATEN: In de PubMed database werden 61 resultaten gevonden en 392 referenties gecontroleerd via de sneeuwbalmethode; 22 resultaten werden geïncludeerd voor gegevensextractie, waarin 29 gevallen werden beschreven. De meerderheid van de patiënten was vrouw (n = 23/29, 79%), in de leeftijd van 2 tot 44 jaar (mediaan 21). De ingenomen hoeveelheid topiramaat liep uiteen van 175 tot 40.000 mg (gebruikelijke onderhoudsdosering van 50 mg tweemaal daags en een algemeen maximum van 500 mg tweemaal daags). In acht gevallen werden topiramaatconcentraties gemeld, uiteenlopend van 3,7 tot 356,6 mg/l (ter referentie, het therapeutisch bereik is 2–30 mg/l). Ernstige intoxicaties met topiramaat kunnen leiden tot toevallen, coma, hemodynamische instabiliteit en ernstige metabole acidose. En geen enkel geval werd hemodialyse gebruikt. \n\nCONCLUSIE: Er bestaan ernstige symptomen van intoxicaties met topiramaat en hemodialyse wordt sporadisch gebruikt. Wanneer symptomen niet reageren op symptomatische behandeling, kan hemodialyse de topiramaatconcentraties en symptomatologie verlagen."},"keywords":{"en":["Topiramate intoxications","Dialysis","Hemodialysis"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["review","kwalitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":[]}},{"title":"I lost so much more than my partner - Bereaved partners' grief experiences following suicide or physician-assisted dying in case of a mental disorder","authors":"Snijdewind, M.C., de Keijser, J., Gasteelen, G., Boelen, P.A., Smid, G.E.","affiliations":"ARQ Centrum'45, Amsterdam UMC, University of Groningen, Expertisecentrum Euthanasie, ARQ National Psychotrauma Centre, Utrecht University, ARQ National Psychotrauma Centre, University of Humanistic Studies","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"10.1186/s12888-022-04098-5","link":"https://bmcpsychiatry.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12888-022-04098-5","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["nabestaanden"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: There is a lack of existing research on grief following the intentional death of people sufering from a mental disorder. Our study aims to provide insight into grief experiences and social reactions of bereaved persons who lost their life partners, who were sufering from a mental disorder, to physician-assisted dying (PAD) or suicide. \n\nMETHODS: For this mixed-methods research, we conducted a survey and in-depth interviews with 27 persons living in the Netherlands and bereaved by the death of their life partners. The deceased life partners sufered from a mental disorder and had died by physician-assisted dying (n = 12) or suicide (n = 15). Interviews explored grief experiences and social reactions. In the survey we compared self-reported grief reactions of partners bereaved by suicide and PAD using the Grief Experience Questionnaire. \n\nRESULTS: Compared to suicide, physician-assisted dying was associated with less severe grief experiences of the bereaved partners. Participants reported that others rarely understood the sufering of their deceased partners and sometimes expected them to justify their partners’ death. Following physician-assisted dying, the fact that the partner’s euthanasia request was granted, helped others understand that the deceased person’s mental sufering had been unbearable and irremediable. Whereas, following suicide, the involvement of the bereaved partners was some times the focus of judicial inquiry, especially, if the partner had been present during the death. \n\nCONCLUSION: When individuals sufering from a mental disorder die by suicide or PAD, their bereaved partners may experience a lack of understanding from others. Although both ways of dying are considered unnatural, their impli cations for bereaved partners vary considerably. We propose looking beyond the dichotomy of PAD versus suicide when studying grief following the intentional death of people sufering from a mental disorder, and considering other important aspects, such as expectedness of the death, sufering during it, and partners’ presence during the death.","nl":"ACHTERGROND: Er is een gebrek aan bestaand onderzoek naar rouw die volgt op opzettelijk overlijden van mensen die lijden aan een psychische stoornis. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te geven in de rouwervaringen en sociale reacties van nabestaanden die hun aan een psychische stoornis lijdende levenspartner zijn kwijtgeraakt, door hulp bij suïcide door een arts of suïcide. \n\nMETHODEN: Voor dit mixed-methodsonderzoek zijn vragenlijsten en diepte-interviews afgenomen bij 27 personen die in Nederland wonen en rouwen om de dood van hun levenspartner. De overleden levenspartners leden aan een psychische stoornis en waren overleden door hulp bij suïcide (n = 12) of suïcide (n = 15). In de interviews werd ingegaan op rouwervaringen en sociale reacties. In de vragenlijst vergeleken de onderzoekers zelfgerapporteerde rouwreacties van overblijvende partners na suïcide en hulp bij suïcide met behulp van de Grief Experience Questionnaire. \n\nRESULTATEN: Vergeleken met suïcide, ging hulp bij suïcide gepaard met minder ernstige rouwervaringen van de overgebleven partner. Deelnemers meldden dat anderen zelden het lijden begrepen van hun overleden partner en soms van hen verwachtten dat ze de dood van hun partner verantwoordden. Volgend op hulp bij suïcide leek het feit dat het verzoek van de partner om euthanasie ingewilligd was, anderen te helpen begrijpen dat het psychische lijden van de overleden persoon ondraaglijk en uitzichtloos was. Terwijl volgend op suïcide, de betrokkenheid van de overgebleven partner soms het doel was van gerechtelijk onderzoek, in het bijzonder wanneer de partner aanwezig was geweest tijdens het overlijden. \n\nCONCLUSIE: Wanneer personen die lijden aan een psychische aandoening overlijden door suïcide of hulp bij suïcide, kan de overgebleven partner te maken krijgen met een gebrek aan begrip van anderen. Hoewel beide manieren van overlijden als onnatuurlijk worden beschouwd, verschillen de gevolgen hiervan aanzienlijk voor de overgebleven partners. De onderzoekers stellen voor om verder te kijken dan de dichotomie van hulp bij suïcide versus suïcide wanneer wordt gekeken naar rouw die volgt op het opzettelijk overlijden van mensen die lijden aan een psychische stoornis en aandacht te besteden aan andere belangrijke aspecten zoals de mate waarin het overlijden werd verwacht, lijden tijdens het sterven en de aanwezigheid van de partner bij het overlijden."},"keywords":{"en":["Grief","Suicide","Physician-assisted dying","Mental health","Death taboo"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","kwalitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["suicide","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":[]}},{"title":"Only One Way Out - Partners' Experiences and Grief Related to the Death of Their Loved One by Suicide or Physician-Assisted Dying Due to a Mental Disorder","authors":"Snijdewind, M.C., de Keijser, J., Gasteelen, G., Boelen, P.A., Smid, G.E.","affiliations":"ARQ Centrum'45, Amsterdam UMC, University of Groningen, Expertisecentrum Euthanasie, ARQ National Psychotrauma Centre, Utrecht University, ARQ National Psychotrauma Centre, University of Humanistic Studies","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Psychiatry","identifier":"10.3389/fpsyt.2022.894417","link":"https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fpsyt.2022.894417/full","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["nabestaanden"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Previous research has provided insight into the grief of suicide survivors, but little is known about grief following physician-assisted dying (PAD), and no prior study specifically focused on grief following PAD due to a mental disorder. The current study aims to increase insight into experiences preceding PAD or suicide of a loved one due to a mental disorder and their impact on mental health symptoms.\n\nMETHODS: We performed a survey study and in-depth interviews with 27 bereaved life partners. The deceased had been in treatment for mental disorders and had died by PAD (n = 12) or suicide (n = 15). Interviews explored grief experiences and experiences with mental health care. In the survey, we assessed self-reported symptoms of grief, post-traumatic stress, anxiety, depression, quality of life, and impairments in social, and occupational functioning.\n\nRESULTS: All participants reported generally low levels of mental health symptoms. Longer time since death and death by PAD were associated with lower grief intensity. Interviews showed various degrees of expectedness of the partners' death, and a varying impact of being present at the death on bereaved partners.\n\nCONCLUSION: Expectedness of the death of the partner, absence of suffering of the partner at the time of dying, and presence of physician support may in part explain the protective effects of PAD against severe grief reactions. Physicians considering their position regarding their personal involvement in PAD due to a mental disorder could take grief reactions of the bereaved partner into account.","nl":"ACHTERGROND: Eerder onderzoek heeft inzicht gegeven in de rouw van mensen die achterblijven na suïcide, maar er is weinig bekend over rouw die volgt op overlijden na hulp bij suïcide en er is geen eerder onderzoek dat zich specifiek heeft gericht op rouw na overlijden door hulp bij suïcide wegens een psychische stoornis. Het doel van dit onderzoek is het vergroten van inzicht in de ervaringen die voorafgaan aan hulp bij suïcide of suïcide van een geliefde wegens een psychische stoornis en de impact hiervan op symptomen van psychische gezondheid.\n\nMETHODEN: Bij 27 rouwende levenspartners zijn enquêtes afgenomen en diepte-interviews gevoerd. De overledenen waren in behandeling geweest voor een psychische stoornis en waren overleden door hulp bij suïcide (n = 12) of suïcide (n = 15). In de interviews werd ingegaan op rouwervaringen en ervaringen met geestelijke gezondheidszorg. In dit onderzoek beoordeelden de onderzoekers zelfgerapporteerde symptomen van rouw, posttraumatische stress, angst, depressie, kwaliteit van leven en beperkingen in sociaal functioneren en functioneren op het werk.\n\nRESULTATEN: Alle deelnemers rapporteerden een algeheel laag niveau van psychische gezondheidsproblemen. Langere tijd sinds overlijden en overlijden door hulp bij suïcide, hingen samen met een lagere rouwintensiteit. Uit de interviews bleken verschillen in de mate waarin de dood van de partner was verwacht en verschillen in de impact op de achterblijvende partners van het aanwezig zijn bij het overlijden.\n\nCONCLUSIE: Dat de dood van de partner verwacht was, de afwezigheid van lijden van de partner op het moment van overlijden en de aanwezigheid van de steun van een arts kan mogelijk deels een verklaring zijn voor het beschermende effect van hulp bij suïcide tegen ernstige rouwreacties. Artsen zouden rouwreacties van de achterblijvende partner in overweging kunnen nemen bij het bepalen van hun standpunt ten aanzien van hun persoonlijke betrokkenheid bij hulp bij suïcide."},"keywords":{"en":[": grief/loss","suicide","physician-assisted dying (PAD)","mental disorder","mental health"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Wie zorgt er voor de suïcidale jongeren in de jeugdhulp?","authors":"Ter Huurne, N., Steenmeijer, J.","affiliations":"GGZ Centraal Nijmegen","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"comment op wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/artikelen/article/50-12961_Wie-zorgt-er-voor-de-suicidale-jongeren-in-de-jeugdhulp","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["anders"],"setting":["ggz"],"age":["young"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":[]}},{"title":"The temporal relationships between defeat, entrapment and suicidal ideation: ecological momentary assessment study","authors":"van Ballegooijen, W., Littlewood, D.L., Nielsen, E., Kapur, N., Gooding, P.","affiliations":"Vrije Universiteit; and Amsterdam Public Health, Mental Health Program","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BJPsych Open","identifier":"10.1192/bjo.2022.68","link":"https://www.cambridge.org/core/journals/bjpsych-open/article/temporal-relationships-between-defeat-entrapment-and-suicidal-ideation-ecological-momentary-assessment-study/A4AC427A67C0222FAE825FD8DC9B02C9","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Psychological models of suicidal experiences are largely based on cross-sectional or long-term prospective data with follow-up intervals typically greater than 1 year. Recent time-series analyses suggest that these models may not account for fluctuations in suicidal thinking that occur within a period of hours and/or days.\n\nAIMS: We explored whether previously posited causal relationships between defeat, entrapment and suicidal ideation accounted for temporal associations between these experiences at small time intervals from 3 to 12 h.\n\nMETHOD: Participants (N = 51) completed an ecological momentary assessment (EMA) study, comprising repeated assessments at semi-random time points up to six times per day for 1 week, resulting in 1852 completed questionnaires. Multilevel vector autoregression was used to calculate temporal associations between variables at different time intervals (i.e. 3 to 12 h between measurements).\n\nRESULTS: The results showed that entrapment severity was temporally associated with current and later suicidal ideation, consistently over these time intervals. Furthermore, entrapment had two-way temporal associations with defeat and suicidal ideation at time intervals of approximately 3 h. The residual and contemporaneous network revealed significant associations between all variables, of which the association between entrapment and defeat was the strongest.\n\nCONCLUSIONS: Although entrapment is key in the pathways leading to suicidal ideation over time periods of months, our results suggest that entrapment may also account for the emergence of suicidal thoughts across time periods spanning a few hours.","nl":"ACHTERGROND: Psychologische modellen van ervaringen met suïcide zijn grotendeels gebaseerd op cross-sectionele of langlopende prospectieve gegevens met follow-up intervallen die meestal groter dan 1 jaar zijn. Recente tijdreeksanalyses wijzen erop dat deze modellen geen rekening houden met zffluctuaties in suïcidale gedachten die plaatsvinden in een periode van uren en/of dagen.\n\nDOELEN: De onderzoekers hebben verkend of eerder gestelde oorzakelijke verbanden tussen verslagenheid, het gevoel vast te zitten en suïcidale gedachten ook opgaan voor tijdsgebonden verbanden tussen deze ervaringen met kleine tijdsintervallen van 3 tot 12 uur. \n\nMETHODE: Deelnemers (N = 51) voltooiden een ecological momentary assessment (EMA)-onderzoek dat bestond uit herhaalde metingen op semi-willekeurige tijdstippen tot maximaal 6 keer per dag, gedurende 1 week, wat leidde tot 1852 ingevulde vragenlijsten. Multilevel vector-autoregressie werd gebruikt om tijdsgebonden verbanden te berekenen tussen variabelen met verschillende tijdsintervallen (d.w.z. 3 tot 12 uur tussen metingen).\n\nRESULTATEN: Uit de resultaten bleek dat de ernst van het gevoel vast te zitten tijdsgebonden verband hield met huidige en latere suïcidale gedachten en dat dit consistent was binnen deze tijdsintervallen. Verder bestond er een tweezijdig tijdsgebonden verband tussen het gevoel vast te zitten enerzijds en verslagenheid en suïcidale gedachten anderzijds bij tijdsintervallen van ongeveer 3 uur. Het residuele en contemporaine netwerk liet significante verbanden zien tussen alle variabelen, waarbij het verband tussen het gevoel vast te zitten en verslagenheid het sterkst was.\n\nCONCLUSIES: Hoewel het gevoel vast te zitten de sleutel vormt bij processen die tot suïcidale gedachten leiden bij tijdsperiodes van meerdere maanden, wijzen de bevindingen van de onderzoeksgroep erop dat het gevoel vast te zitten ook verantwoordelijk kan zijn voor het ontstaan van suïcidale gedachten in een tijdspanne van enkele uren."},"keywords":{"en":["Suicidal ideation","suicide","defeat","entrapment","ecological momentary assessment"],"nl":[]},"region":["internationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["suicide","ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"The association between childhood maltreatment and suicidal intrusions: A cross-sectional study","authors":"van Bentum.,  J.S., Sijbrandij., M., Saueressig.,F., Huibers., M.J.H.","affiliations":"Vrije Universiteit Amsterdam","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"J Trauma Stress.","identifier":"10.1002/jts.22821","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/jts.22821","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Childhood maltreatment may play an important role in the transition fromsuicidal ideation to suicidal behavior. Recently, research has begun evaluat-ing the association between childhood maltreatment and involuntary and dis-tressing intrusions about one’s own suicide, also called suicidal intrusions. Thiscross-sectional, multicenter study aimed to investigate the association betweenchildhood maltreatment and the severity of suicidal intrusions using onlinequestionnaires. Participants were suicidal outpatients currently receiving treat-ment at a Dutch mental health institution (N=149). The Childhood TraumaQuestionnaire–Short Form and Suicidal Intrusions Attributes Scale were admin-istered online. A simple linear regression was performed followed by a multiplelinear regression with backward selection to separate the predictors of childhoodmaltreatment subscales. Next, significant predictor variables were used to per-form an additional regression analysis with gender, age, posttraumatic stress dis-order (PTSD) diagnosis, and depressive symptoms as potential covariates. Theresults showed that childhood maltreatment was significantly associated withsuicidalintrusionscores,B=.22,t(147)=2.010,p=.046.Amultiplelinearregres-sion analysis showed that the only specific form of childhood maltreatment asso-ciated with suicidal intrusions was sexual abuse; the association remained aftercontrolling for age, gender, PTSD diagnosis and depressive symptoms,F(5, 143)=11.15,p<.001. In summary, the present study confirms the link between child-hoodmaltreatment,particularlychildhoodsexualabuse,andsuicidalintrusions.This finding implies that in the treatment of suicidal intrusions and suicidality,childhood sexual abuse should be identified and targeted with evidence-basedtreatments for PTSD.","nl":"Kindermishandeling speelt mogelijk een belangrijke rol bij de overgang van suïcidale gedachten naar suïcidaal gedrag. Recent is onderzoek begonnen met het beoordelen van het verband tussen kindermishandeling en onvrijwillige en verontrustende beelden van en gedachten over de eigen suïcide, ook wel suïcidale intrusies genoemd. Het doel van dit cross-sectionele onderzoek is om het verband te bestuderen tussen kindermishandeling en de ernst van suïcidale intrusies met behulp van online vragenlijsten. Deelnemers waren poliklinische suïcidale patiënten die op dat moment behandeld werden in een Nederlandse ggz instelling (N = 149). De Childhood TraumaQuestionnaire–Short Form en Suicidal Intrusions Attributes Scale werden online afgenomen. Er werd een eenvoudige lineaire regressieanalyse uitgevoerd, gevolgd door een meervoudige lineaire regressieanalyse met achterwaartse selectie om de voorspellers van subschalen van kindermishandeling te scheiden. Vervolgens werden significante voorspellende variabelen gebruikt voor het uitvoeren van een aanvullende regressieanalyse met geslacht, leeftijd, de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) en depressieve symptomen als mogelijke covariabelen. Uit de resultaten bleek dat kindermishandeling significant verband hield met scores van suïcidale intrusies, B = 0,22, t(147) = 2,010, p = 0,046. Uit een meervoudige lineaire regressieanalyse bleek dat de enige specifieke vorm van kindermishandeling die samenhing met suïcidale intrusies seksuele mishandeling was; het verband bleef bestaan nadat was gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, PTSS-diagnose en depressieve symptomen, F (5, 143) = 11,15, p < 0,001. Samenvattend bevestigt dit onderzoek het verband tussen kindermishandeling, in het bijzonder seksueel misbruik, en suïcidale intrusies. Deze bevinding impliceert dat bij de behandeling van suïcidale intrusies en suïcidaliteit, mogelijke seksueel kindermisbruik moet worden opgespoord en worden behandeld met wetenschappelijk onderbouwde behandelingen voor PTSS."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers","nvt"],"age":["any"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"[Treatment plan for female adolescents in the grip of chronic suicidality]","authors":"van de Koppel, M., Mérelle, S.Y.M., Stikkelbroek, Y.A.J., van der Heijden, P.T., Spijker, J., Popma, A., Creemers, D.H.M.","affiliations":"GGZ Oost Brabant, 113 Zelfmoordpreventie, Universiteit Utrecht, Radboud Universiteit, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/artikelen/article/50-12957_Behandelbeleid-bij-vrouwelijke-adolescenten-gegijzeld-door-chronische-suicidaliteit","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: A psychological autopsy study (Mérelle e.a. 2020) demonstrates a subgroup of female adolescents with chronic\nsuicidal behavior and severe internalizing problems.\n\nAIM: To describe characteristics of the suicidal process and the challenges experienced in providing mental health care for\nthis subgroup.\n\nMETHOD: A case description and review of literature.\n\nRESULTS: The persistent suicidal threat and the following despair of the patient and its parents are forcing care providers\ninto an impasse: the primary focus of treatment is to guarantee the patient’s safety, whereby the treatment of\nunderlying problems is underexposed. Based on expert knowledge we make recommendations including autonomypromoting treatment policy, treating suicidality as a transdiagnostic phenomenon, creating a multidisciplinary\nnetwork of care providers and making chronic suicidality tolerable for care providers.\n\nCONCLUSION: We propose preliminary practical recommendations in our quest for optimal mental health care for chronic suicidal\nadolescents.","nl":"ACHTERGROND: Vanuit een psychologische autopsiestudie (Mérelle e.a. 2020) komt een subgroep naar voren van vrouwelijke adolescenten met chronisch suïcidaal gedrag en ernstige internaliserende problematiek.\n\nDOEL: Het beschrijven van kenmerken van het suïcidale proces van deze subgroep en de ondervonden uitdagingen in de hulpverlening.\n\nMETHODE: Een casusbeschrijving en literatuuronderzoek.\n\nRESULTATEN: De persisterende suïcidale dreiging en de daaropvolgende wanhoop van patiënt en ouders dwingen de hulpverleners in een impasse: het waarborgen van veiligheid wordt de primaire behandelfocus, waardoor de behandeling van onderliggende problematiek naar de achtergrond raakt. Op basis van ervaringskennis doen we aanbevelingen waaronder het streven naar autonomiebevorderend beleid, het behandelen van suïcidaliteit als een transdiagnostisch fenomeen, een multidisciplinair zorgnetwerk creëren en chronische suïcidaliteit verdraagbaar maken voor\nhulpverleners.\n\nCONCLUSIE: We doen een eerste voorstel met praktische aanbevelingen in de zoektocht naar optimalere hulpverlening voor chronisch suïcidale adolescenten."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["review","kwalitatief"],"setting":["ggz"],"age":["young"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":[]}},{"title":"Behandelbeleid bij vrouwelijke adolescenten gegijzeld door chronische suïcidaliteit","authors":"van den Koppel, M., Mérelle, S.Y.M., Stikkelbroek, Y.A.J., van der Heijden, P.T., Spijker, J., Popma, A., Creemers, D.H.M.","affiliations":"GGZ Oost Brabant, 113 Zelfmoordpreventie,  Universiteit Utrecht, Radboud Universiteit","affiliation113":true,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/issues/575/articles/12959","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: A psychological autopsy study (Mérelle et al., 2020) revealed a subgroup of female adolescents with chronic suicidal behaviour and severe internalising problems. \n\nOBJECTIVE: To describe characteristics of the suicidal process in this subgroup and the challenges experienced in the provision of care. \n\nMETHODOLOGY: A case study and literature review. \n\nFINDINGS: The persistent suicidal threat and the consequent despair felt by patients and parents force healthcare providers into an impasse: ensuring safety becomes the primary treatment focus, which pushes the treatment of underlying problems into the background. Based on experiential knowledge, we make recommendations including making efforts to create policy that promotes autonomy, treating suicidality as a transdiagnostic phenomenon, creating a multidisciplinary care network and making chronic suicidality more tolerable for healthcare providers. \n\nCONCLUSION: We present an initial proposal containing practical recommendations in the quest for improved care provision for chronically suicidal adolescents.","nl":"ACHTERGROND: Vanuit een psychologische autopsiestudie (Mérelle e.a. 2020) komt een subgroep naar voren van vrouwelijke adolescenten met chronisch suïcidaal gedrag en ernstige internaliserende problematiek.\n\nDOEL: Het beschrijven van kenmerken van het suïcidale proces van deze subgroep en de ondervonden uitdagingen in de hulpverlening.\n\nMETHODE: Een casusbeschrijving en literatuuronderzoek.\n\nRESULTATEN: De persisterende suïcidale dreiging en de daaropvolgende wanhoop van patiënt en ouders dwingen de hulpverleners in een impasse: het waarborgen van veiligheid wordt de primaire behandelfocus, waardoor de behandeling van onderliggende problematiek naar de achtergrond raakt. Op basis van ervaringskennis doen we aanbevelingen waaronder het streven naar autonomiebevorderend beleid, het behandelen van suïcidaliteit als een transdiagnostisch fenomeen, een multidisciplinair zorgnetwerk creëren en chronische suïcidaliteit verdraagbaar maken voor hulpverleners.\n\nCONCLUSIE: We doen een eerste voorstel met praktische aanbevelingen in de zoektocht naar optimalere hulpverlening voor chronisch suïcidale adolescenten."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"The Impact of COVID-19 on the Suicide Prevention Helpline in The Netherlands","authors":"Van der Burgt, M.C.A., Mérelle, S., Beekman, A.T.F., Gilissen, R.","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, Amsterdam University Medical Centers/Vumc, GGZ inGeest","affiliation113":true,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000863","link":"https://econtent-hogrefe-com.vu-nl.idm.oclc.org/doi/10.1027/0227- 5910/a000863","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Although the number of suicides did not increase in 2020, there are concerns about the mental health consequences of the COVID-19 pandemic. AIMS: To present the demand for the Dutch suicide prevention helpline during times of lockdown and to describe the coronavirus-related problems discussed. \n\nMETHODS: An observational and exploratory study analyzing the frequency of helpline requests and registration data (n = 893 conversations). \n\nRESULTS: Demand for the helpline did increase, but with no distinctive relation with the lockdown measures. During the first lockdown, approximately a quarter of the analyzed helpline conversations were registered as coronavirus-related by the counselors. Most frequently mentioned conversation topics were the interruption to or changes in professional help, social isolation and loss of structure, and ways to find a distraction from suicidal thoughts/rumination. Limitations: Observational study design prevents causal inferences, and demand for the helpline is impacted by multiple factors. \n\nCONCLUSION: These coronavirus-related problems made help-seekers vulnerable to suicidal thoughts and a reduced desire to live. That many suffered from loneliness is concerning as this contributes to the risk of suicidal ideation. The distress among help-seekers due to the sudden loss of mental health care underscores the importance of maintaining contact with those in care and lowering the threshold for help.","nl":"Toen de coronacrisis uitbrak waren er al snel zorgen over de impact van de lockdown-maatregelen op de maatschappij. Veel experts waren bang dat het aantal suïcides zou stijgen doordat bekende risicofactoren voor suïcidaliteit (zoals eenzaamheid, financiële stress en alcoholgebruik) zouden toenemen tijdens de lockdown. Wij zijn daarom binnen 113 zo snel mogelijk begonnen met het meten van de corona-gerelateerde problemen in de hulplijn. Hulpverleners registreerde of de gevolgen van de coronacrisis één van de redenen was dat de hulpvrager contact zocht met 113. En als dat het geval was, schreven ze een korte samenvatting over de problemen waarmee de hulpvrager worstelde. Tijdens de eerste lockdown in 2020, was een kwart van de gesprekken corona-gerelateerd. Onze hulpvragers worstelde vooral met het wegvallen van professionele zorg, gevoelens van eenzaamheid en sociale isolatie en het verlies van structuur in de dag en manieren om afleiding te vinden van hun suïcidale gedachten. Het leed van de hulpvragers als gevolg van het plotselinge wegvallen van professionele hulp onderstreept het belang van het onderhouden van contact met mensen in zorg en het verlagen van de drempel naar hulp, met name in tijden van “social distancing”."},"keywords":{"en":["COVID-19","mental health","suicide prevention helpline","conversation topics","lockdown"],"nl":["Corona","hulplijn","gespreksonderwerpen","gesprekken"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":[],"age":["any"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Exploring the Role of Coping Strategies on the Impact of Client Suicide: A Structural Equation Modeling Approach","authors":"van der Hallen, R., Godor, B.P.","affiliations":"Erasmus University Rotterdam","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"OMEGA - Journal of Death and Dying","identifier":"10.1177/00302228211073213","link":"https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/00302228211073213","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Client suicide refers to cases where a mental health practitioner is exposed, affected, or bereaved by a client’s suicide and is known to have a profound impact on MHPs. The current study investigated the role of coping styles in understanding short- and long-term impact of client suicide. An international sample of 213 mental health practitioners who experienced a client suicide completed a survey on coping strategies (i.e., Brief-COPE) and the impact of traumatic events (i.e., impact of event scale-revised, long-term emotional impact scale and professional practice impact scale). Results indicate coping strategies explain 51% of the short-term, 64% of the long-term emotional and 55% of the long-term professional differences in impact of client suicide. Moreover, while an Avoidant coping style predicted more impact of client suicide, Positive coping and Humor predicted less impact of client suicide. Social Support coping did not predict impact of client suicide. Implications for both research and clinical practice are discussed.","nl":"Met suïcide door een cliënt worden gevallen bedoeld waarbij een ggz hulpverlener wordt blootgesteld aan suïcide door een cliënt, hierdoor beïnvloed wordt of hierom rouwt en het is bekend dat dit grote invloed heeft op ggz hulpverleners. Dit onderzoek heeft gekeken naar de rol van copingstrategieën om inzicht te krijgen in de impact op korte en lange termijn van suïcide door een cliënt. In een internationale steekproef, vulden 213 ggz hulpverleners die suïcide door een cliënt hebben meegemaakt vragenlijsten in over copingstrategieën (d.w.z. Brief-COPE) en de impact van traumatische gebeurtenissen (d.w.z. Impact of event scale-revised, Long-term emotional impact scale en Professional practice impact scale). Resultaten wijzen erop dat de verschillen in impact van suïcide door een cliënt voor 51% van de kortetermijngevolgen, 64% van de emotionele gevolgen op lange termijn en 55% van de professionele verschillen op lange termijn, kunnen worden verklaard door copingstrategieën. Daarnaast bleek een vermijdende copingstijl een voorspeller van een grotere impact van suïcide door een cliënt en bleken positieve coping en humor een voorspeller van een minder grote impact van suïcide door een cliënt. Coping door sociale ondersteuning was geen voorspeller van de impact van suïcide door een cliënt. Gevolgtrekkingen voor zowel onderzoek als de klinische praktijk worden besproken."},"keywords":{"en":["patient suicide","bereavement","clinicians","coping","therapy"],"nl":[]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["fundamenteel","kwalitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Attitudes toward Suicide and the Impact of Client Suicide: A Structural Equation Modeling Approach","authors":"van der Hallen, R., Pisnoli, I.","affiliations":"Erasmus University","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Environmental Research and Public Health","identifier":"10.3390/ijerph19095481","link":"https://www.mdpi.com/1660-4601/19/9/5481","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Previous research has revealed that mental health professionals (MHPs) often experience significant short- and long-term impacts in the aftermath of client suicide. Individual differences are significant, yet what factors explain these differences remain unclear. The current study aimed to investigate to what extent MHPs’ attitudes toward (client) suicide could predict the short- and long-term impacts of client suicide. A total of 213 MHPs, aged between 18 and 75, reported on a client suicide and their attitudes toward (client) suicide using self-report questionnaires. The results indicate that MHPs who believe it is one’s “rightful choice” to die by suicide report less and MHPs who believe “suicide can and should be prevented” report more impact of client suicide. Predictability and preventability of client suicide proved strongly, positively correlated; yet, neither predicted the impact of client suicide. Taken together, these findings highlight the importance of MHPs’ attitudes toward (client) suicide with respect to clients and MHPs (self-)care.","nl":"Eerder onderzoek heeft aangetoond dat professionals in de geestelijke gezondheidszorg (MHP's) vaak significante korte- en langetermijneffecten ervaren in de nasleep van suïcide bij cliënten. Individuele verschillen zijn significant, maar welke factoren deze verschillen verklaren blijft onduidelijk. De huidige studie had als doel te onderzoeken in hoeverre de houding van MHP's ten opzichte van (cliënt)suïcide de korte- en langetermijneffecten van suïcide bij cliënten kan voorspellen. In totaal 213 MHP's, in de leeftijd van 18 tot 75 jaar, rapporteerden over een suïcide bij een cliënt en hun houding ten opzichte van (cliënt)suïcide met behulp van zelfrapportage vragenlijsten. De resultaten geven aan dat MHP's die geloven dat het iemands \"juiste keuze\" is om te sterven door suïcide minder rapporteren en MHP's die geloven dat \"suïcide kan en moet worden voorkomen\" meer impact van suïcide bij cliënten rapporteren. Voorspelbaarheid en voorkombaarheid van suïcide bleken sterk, positief gecorreleerd; toch voorspelde geen van beide de impact van suïcide bij cliënten. Al met al benadrukken deze bevindingen het belang van de houding van MHP's ten opzichte van (cliënt)suïcide met betrekking tot cliënten en MHP's (zelf)zorg."},"keywords":{"en":["practioner","clinician","survivor","patient","PTSS"],"nl":[]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Railway Suicide in The Netherlands Lower Than Expected","authors":"van Houwelingen, C.A.J., Di Bucchianico, A., Beersma, D.G.M., Kerkhof, A.J.F.M.","affiliations":"Integrated Mental Health Services Eindhoven (GGzE), Eindhoven University of Technology, Rijksuniversiteit Groningen, Vrije Universiteit Amsterdam","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000792","link":"https://econtent.hogrefe.com/doi/full/10.1027/0227-5910/a000792?rfr_dat=cr_pub++0pubmed&url_ver=Z39.88-2003&rfr_id=ori%3Arid%3Acrossref.org","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Increasing rail transportation requires appropriate railway suicide preventive measures. \n\nAIMS: The investigation of trends in railway suicide during 2008–2018, a period in which preventive measures were taken by Dutch railway infrastructure manager ProRail. \n\nMETHODS: Generalized linear regression models for railway suicide were developed for the period 1970–2007 with general suicide rate, railway traffic intensity, and a combination of these variables as regressors. Subsequently, the best-fitting model was used to investigate trends in railway suicide after 2007 by comparing in retrospect observed values with the expected outcomes of the regression model. \n\nRESULTS: An adequate regression model for railway suicide was obtained using both general suicide rate and railway traffic intensity as regressors. Based on this model, while national suicide mortality and railway traffic increased, a distinct relative decline in railway suicides was found from 2012 onward. \n\nCONCLUSIONS: This decline of railway suicides in the Netherlands may indicate that preventive measures taken by ProRail were effective and prevented around 85 railway suicides annually, a reduction of 30%.","nl":"ACHTERGROND: Intensivering van vervoer per spoor vereist passende maatregelen om suïcides op het spoor te voorkomen. \n\nDOELEN: Het onderzoeken van trends in suïcides op het spoor tussen 2008 en 2018, een periode waarin preventieve maatregelen werden genomen door de Nederlandse spoorwegbeheerder ProRail. \n\nMETHODEN: Voor de periode 1970–2007 zijn lineaire regressiemodellen voor suïcides op het spoor ontwikkeld, met algeheel suïcidepercentage, intensiteit van het spoorverkeer en een combinatie van deze variabelen als regressors. Vervolgens werd met het best-fittingmodel gekeken naar trends in suïcides op het spoor na 2007 door het vergelijken van retrospectief gevonden waarden met de verwachte uitkomsten van het regressiemodel. \n\nRESULTATEN: Er is een adequaat regressiemodel voor suïcides op het spoor verkregen met gebruik van zowel algehele suïcidepercentages als intensiteit van het spoorverkeer als regressors. Gebaseerd op dit model is gevonden dat er, ondanks een toename in het nationale sterftecijfer door suïcide en in de intensiteit van het spoorverkeer, een duidelijke relatieve afname was in het aantal suïcides op het spoor in de periode vanaf 2012. \n\nCONCLUSIES: Deze afname van suïcides op het spoor in Nederland kan erop wijzen dat preventieve maatregelen die zijn genomen door ProRail effectief waren en jaarlijks ongeveer 85 suïcides op het spoor hebben voorkomen, een afname van 30%."},"keywords":{"en":["The Netherlands","prevention","railroads","statistics","suicide"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Structural brain alterations associated with suicidal thoughts and behaviors in young people: results from 21 international studies from the ENIGMA Suicidal Thoughts and Behaviours consortium","authors":"van Velzen, L.S. , Dauvermann, M.R. , Colic, L., Villa, L.M., Savage, H.S., Toenders, Y.J., Zhu, A.H., Bright, J.K., Campos, A.I., Salminen, L.E., Ambrogi, S., Ayesa-Arriola, R., Banaj, N., Başgöze, Z., Bauer, J., Blair, K., Blair, R.J., Brosch, K., Cheng, Y., Colle, R., Connolly, C.G., Corruble, E., Couvy-Duchesne, B., Crespo-Facorro, B., Cullen, K.R., Dannlowski, U., Davey, C.G., Dohm, K., Fullerton, J.M., Gonul, A.S., Gotlib, I.H., Grotegerd, D., Hahn, T., Harrison, B.J., He, M., Hickie, I.B., Ho, T.C., Iorfino, F., Jansen, A., Jollant, F., Kircher, T., Klimes-Dougan, B., Klug, M., Leehr, E.J., Lippard, E.T.C., McLaughlin, K.A., Meinert, S., Miller, A.B., Mitchell, P.B., Mwangi, B., Nenadić, I., Ojha, A., Overs, B.J., Pfarr, J.K., Piras, F., Ringwald, K.G., Roberts, G., Romer, G., Sanches, M., Sheridan, M.A., Soares, J.C., Spalletta, G., Stein, F., Teresi, G.I., Tordesillas-Gutiérrez, D., Uyar-Demir, A., van der Wee, N.J.A., van der Werff, S.J., Vermeiren, R.R.J.M., Winter, A., Wu, M.J., Yang, T.T., Thompson, P.M., Rentería, M.E., Jahanshad, N., Blumberg, H.P., van Harmelen, A.L.","affiliations":"Leiden University Medical Center, Leiden Institute for Brain and Cognition, Leiden University, Leids Universitair Behandel- en Expertise Centrum","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Molecular Psychiatry","identifier":"10.1038/s41380-022-01734-0","link":"https://www.nature.com/articles/s41380-022-01734-0","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Identifying brain alterations associated with suicidal thoughts and behaviors (STBs) in young people is critical to understanding their development and improving early intervention and prevention. The ENIGMA Suicidal Thoughts and Behaviours (ENIGMA-STB) consortium analyzed neuroimaging data harmonized across sites to examine brain morphology associated with STBs in youth. We performed analyses in three separate stages, in samples ranging from most to least homogeneous in terms of suicide assessment instrument and mental disorder. First, in a sample of 577 young people with mood disorders, in which STBs were assessed with the Columbia Suicide Severity Rating Scale (C-SSRS). Second, in a sample of young people with mood disorders, in which STB were assessed using different instruments, MRI metrics were compared among healthy controls without STBs (HC; N = 519), clinical controls with a mood disorder but without STBs (CC; N = 246) and young people with current suicidal ideation (N = 223). In separate analyses, MRI metrics were compared among HCs (N = 253), CCs (N = 217), and suicide attempters (N = 64). Third, in a larger transdiagnostic sample with various assessment instruments (HC = 606; CC = 419; Ideation = 289; HC = 253; CC = 432; Attempt=91). In the homogeneous C-SSRS sample, surface area of the frontal pole was lower in young people with mood disorders and a history of actual suicide attempts (N = 163) than those without a lifetime suicide attempt (N = 323; FDR-p = 0.035, Cohen’s d = 0.34). No associations with suicidal ideation were found. When examining more heterogeneous samples, we did not observe significant associations. Lower frontal pole surface area may represent a vulnerability for a (non-interrupted and non-aborted) suicide attempt; however, more research is needed to understand the nature of its relationship to suicide risk.","nl":"Het opsporen van veranderingen in de hersenen die samenhangen met suïcidale gedachten en gedragingen bij jonge mensen is cruciaal voor inzicht in de ontwikkeling ervan en het verbeteren van vroege interventie en preventie. Het ENIGMA Suicidal Thoughts and Behaviours (ENIGMA-STB)-consortium heeft neurologisch beeldmateriaal geanalyseerd dat tussen verschillende centra was geharmoniseerd om te kijken naar de morfologie in de hersenen die gepaard gaat met suïcidale gedachten en gedragingen bij jongeren. De onderzoekers hebben de analyses in drie aparte fasen uitgevoerd, bij steekproeven die uiteenliepen van het meest tot het minst homogeen als het gaat om het suïcidebeoordelingsinstrument en de psychische stoornis. De eerste fase was een steekproef van 577 jonge mensen met een stemmingsstoornis, waarbij suïcidale gedachten en gedragingen werden beoordeeld met de Columbia Suicide Severity Rating Scale (C-SSRS). De tweede fase was een steekproef van jonge mensen met een stemmingsstoornis waarbij suïcidale gedachten en gedragingen waren beoordeeld met verschillende instrumenten, en waarbij de MRI gegevens met elkaar werden vergeleken van gezonde controlepersonen zonder suïcidale gedachten en gedragingen (GC; N = 519), klinische controlepersonen met een stemmingsstoornis maar zonder suïcidale gedachten en gedragingen (KC; N = 246) en jonge mensen die op dit moment suïcidale gedachten hebben (N = 223). In aparte analyses werden MRI-gegevens met elkaar vergeleken van GC (N = 253), KC (N = 217), en mensen die een suïcidepoging hadden gedaan (N = 64). In de derde fase werden analyses uitgevoerd in een grotere transdiagnostische steekproef met verschillende beoordelingsinstrumenten (GC = 606; KC = 419; suïcidale gedachten = 289; GC = 253; KC = 432; suïcidepoging = 91). In de homogene C-SSRS-steekproef, was het oppervlaktegebied van de frontale pool kleiner bij jongeren met een stemmingsstoornis en een voorgeschiedenis van daadwerkelijke suïcidepogingen (N = 163) dan bij hen zonder een suïcidepoging op enig moment in het leven (N = 323; FDR-p = 0,035, Cohens d = 0,34). Er werden geen verbanden gevonden met suïcidale gedachten. Bij het onderzoeken van meer heterogene steekproeven werden geen significante verbanden gevonden. Een kleiner oppervlaktegebied van de frontale pool kan een afspiegeling zijn van een kwetsbaarheid voor een (niet-onderbroken en niet-afgebroken) suïcidepoging; er is echter meer onderzoek nodig om inzicht te krijgen in de aard van dit verband met suïciderisico."},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["young"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Associations of three major physiological stress systems with suicidal ideation and suicide attempts in patients with a depressive and/or anxiety disorder","authors":"Wiebenga, J.X.M., Heering,. H.D., Eikelenboom., M., van Hemert.,  A.M., van Oppen.,  P., Penninx., B.W.J.H.","affiliations":"Amsterdam UMC, Vrije Universiteit, GGZ inGeest, Leiden University Medical Center","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Brain, Behavior, and Immunity","identifier":"10.1016/j.bbi.2022.02.021","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0889159122000587?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: People with depressive and/or anxiety disorders are at increased risk of suicidal ideation and suicide attempts, but biological correlates signaling such risk remain unclear. Independent and cumulative dysregulations in physiological stress systems, in particular the hypothalamic–pituitaryadrenal axis (HPA-axis), immune-inflammatory system, and autonomous nervous system (ANS), may contribute to this risk. However, findings have either been heterogeneous or absent thus far. \n\nMETHODS: Associations between individual markers and cumulative indices of the HPA-axis (cortisol awakening response and evening cortisol), immune-inflammatory system (C-reactive protein, interleukin-6 (IL-6), and tumor necrosis factor-α), and the ANS (heart rate, respiratory sinus arrhythmia, and pre-ejection period) and the outcomes no suicide ideation with suicide attempt (SI-SA+), suicide ideation without suicide attempt (SI+SA-) and suicide ideation with suicide attempt (SI+SA+) were investigated in 1749 persons with depressive and/or anxiety disorders from the Netherlands Study of Depression and Anxiety (NESDA). \n\nRESULTS: High levels of CRP and IL-6 were associated with SI-SA+ and SI+SA+ respectively when compared to non-suicidal patients after adjusting for confounders and multiple testing. Also, cumulative immune-inflammatory dysregulations were positively associated with SI+SA+, suggesting a dose–response effect. No significant associations were found between HPA-axis or ANS indicators and suicide-outcomes and between immune-inflammatory system markers or cumulative stress system dysregulations and SI+SA-. \n\nCONCLUSION: Although stress system markers could not differentiate between SI+SA- and non-suicidal patients, findings indicate that dysregulations of individual and cumulative immune-inflammatory markers are associated with suicide attempts in depressive and/or anxiety patients. Thus, immune-inflammatory system dysregulation may be involved in the pathophysiology of suicidal behavior, supporting further examination of the effects of anti-inflammatory interventions on suicidality","nl":"ACHTERGROND: Mensen met een depressieve en/of angststoornis lopen risico op suïcidale gedachten en suïcidepogingen, maar biologische correlaten die wijzen op een dergelijk risico blijven onduidelijk. Onafhankelijke en cumulatieve ontregelingen in fysiologische stresssystemen, in het bijzonder de hypothalamus-hypofyse-bijnierschors-as (HPA-as), ontstekingsreacties binnen het immuunsysteem en het autonome zenuwstelsel (AZS), kunnen bijdragen aan dit risico. Bevindingen tot nu toe zijn echter heterogeen of ontbreken.\n\nMETHODEN: Verbanden tussen individuele markers en cumulatieve indexen van de HPA as (cortisolrespons na ontwaken en in de avond), ontstekingsreacties in het immuunsysteem (C-reactief proteïne, interleukine-6 (IL-6) en tumornecrosefactor-α) en het AZS (hartfrequentie, respiratoire sinusaritmie en pre-ejectieperiode) en de uitkomsten geen suïcidale gedachten met suïcidepoging (SG-SP+), suïcidale gedachten zonder suïcidepoging (SG+SP-) en suïcidale gedachten met suïcidepoging (SG+SP+) werden onderzocht van 1749 personen met depressieve en/of angststoornissen uit de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA).\n\nRESULTATEN: Een hoger gehalte CRP en IL 6 hield verband met respectievelijk SG-SP+ en SG+SP+ wanneer dit werd vergeleken met niet-suïcidale patiënten, na aanpassing voor verstorende factoren en meervoudig testen. Ook was er een positief verband tussen cumulatieve ontregeling door ontstekingsreacties in het immuunsysteem en SG+SP+, wat wijst op een dosis-responseffect. Er werden geen significante verbanden gevonden tussen indicatoren van de HPA-as of het AZS en uitkomsten van suïcide en ook niet tussen markers van ontstekingsreacties in het immuunsysteem of het cumulatieve stresssysteem en SG+SP-.\n\nCONCLUSIE: Hoewel markers van het stresssysteem geen onderscheid konden maken tussen patiënten met SG+SP- en niet-suïcidale patiënten, geven de bevindingen wel aan dat ontregelingen van individuele en cumulatieve markers van ontstekingsreacties in het immuunsysteem verband houden met suïcidepogingen bij patiënten met een depressieve en/of angststoornis. Als zodanig kan ontregeling door ontstekingsreacties in het immuunsysteem betrokken zijn bij de pathofysiologie van suïcidaal gedrag en ondersteunt deze bevinding verder onderzoek naar de effecten van op ontstekingsreacties gerichte interventies op suïcidaliteit."},"keywords":{"en":["Suicide ideation","Suicide attempt","Depressive disorder","Anxiety disorder","HPA-axis","Inflammation","Autonomic nervous system"],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":[]}},{"title":"Hippocampal neuropathology in suicide: Gaps in our knowledge and opportunities for a breakthrough","authors":"Zhang, L., Lucassen, P.J., Salta, E., Verhaert, P.D.E.M., Swaab. D.F.","affiliations":"Netherlands Institute for Neuroscience, University of Amsterdam","affiliation113":false,"year":2022,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Neuroscience & Biobehavioral Reviews","identifier":"10.1016/j.neubiorev.2021.12.023","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0149763421005716?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Suicide is a major global hazard. There is a need for increasing suicide awareness and effective and evidence-based interventions, targeting both suicidal ideation and conduct. However, anti-suicide pharmacological effects are unsatisfactory. The human hippocampus is vulnerable to neuropsychiatric damages and subsequently releases psychobiological signals. Human hippocampal studies of suicide completers have shown mechanistic changes in neurobiology, which, however, could not reflect the neuropathological ‘fingerprints’ of fatal suicide ideations and suicide attempts. In this review, we provide several leading theories of suicide, including the serotoninergic system, Wnt pathway and brain-derived neurotrophic factor/tropomyosin receptor kinase B signalling, and discuss the evidence for their roles in suicide and treatment. Moreover, the cognitive dysfunctions associated with suicide risk are discussed, as well as the novel evidence on cognitive therapies that decrease suicidal ideation. We highlight the need to apply multi-omics techniques (including single-nucleus RNA sequencing and mass spectrometry histochemistry) on hippocampal samples from donors who died by suicide or legal euthanasia, to clarify the aetiology of suicide and propose novel therapeutic strategies.","nl":"Suïcide is een belangrijk, wereldwijd probleem. Er is behoefte aan een groter bewustzijn van suïcide en door literatuur onderbouwde interventies die zich zowel op suïcidale gedachten als op suïcidaal gedrag richten. Maar farmacologische effecten die suïcide tegengaan zijn onbevredigend. De menselijke hippocampus is kwetsbaar voor neuropsychiatrische schade en geeft vervolgens psychobiologische signalen af. Onderzoek naar de hippocampus van mensen die suïcide hebben gepleegd heeft mechanische veranderingen in de neurobiologie aan het licht gebracht, die desondanks geen neuropathologische 'vingerafdrukken' hebben opgeleverd van fatale suïcidale gedachten en suïcidepogingen. In dit literatuuronderzoek komen enkele toonaangevende theorieën over suïcide aan bod, waaronder het serotonerg systeem, Wnt signaalroutes en brain-derived neurotrophic factor/tropomyosine receptor kinase B-signalering en worden het bewijs voor de rol hiervan bij suïcide en de behandeling hiervan besproken. Daarnaast wordt het cognitief disfunctioneren dat gepaard gaat met suïciderisico besproken, evenals het nieuwe bewijs voor cognitieve therapieën die suïcidale gedachten verminderen. De onderzoekers benadrukken de noodzaak om meerdere omics-technieken te gebruiken (waaronder single-nucleus-RNA-sequentiëring en massaspectrometrische histochemie) op monsters van de hippocampus van donoren die zijn overleden door suïcide of legale euthanasie, om de etiologie van suïcide te verduidelijken en tot nieuwe therapeutische benaderingen te komen."},"keywords":{"en":["Human hippocampus","Neuropathology","Cognition","Legal euthanasia","Single-nucleus RNA sequencing","Mass spectrometry histochemistry"],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["review","kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Gender differences in suicide-related communication \nof young suicide victims","authors":"Balt, E., Mérelle, S., van Bergen, D., Gilissen, R., van der Post, P., Looijmans, M., Creemers, D., Rasing, S., Mulder, W., van Domburgh, L., & Popma, A.","affiliations":"113, RUG, GGZ Oost-Brabant, Radboud Universiteit, NCJ, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"PLoS One","identifier":"10.1371/journal.pone.0252028","link":"https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0252028","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Suicide-related communication (SRC) is defined as “the act of conveying one’s own suicide ideation, intent or behaviours to another person”. Increasing our understanding of SRC in youths will enable us to recognize and specify needs of female versus male youths. The current study explores SRC in Dutch suicide victims aged under 20 and examines gender differences. \n\nMETHODS: Interview data from a psychological autopsy study of 35 youths who died by suicide in the Netherlands in 2017 were analysed. We employed the Constant Comparative Method to explore patterns in SRC in the last months prior to suicide death.\n\nRESULTS: We identified commonalities in the SRC of youths, including the content of suicide notes and an emphasis on suicide method and preparation in the last months. Girls had an earlier debut of SRC, a higher frequency of explicit SRC, and more often directed SRC towards varied types of recipients compared to boys. Moreover, SRC of girls seemed focused on coping and achieving support from others more than SRC of boys. SRC of boys in comparison to girls was often ambiguous or diluted by “humorous” connotations. \n\nCONCLUSIONS: Unique patterns in SRC of boys and girls posed corresponding challenges for next of kin to interpret communications and respond adequately to SRC. The early debut of girls’ SRC highlights the importance of early screening and prevention efforts in girls. The late debut and ambiguity in boys’ SRC implores professionals and next of kin to encourage young males to be unequivocal about suicide ideation or intent.","nl":"DOEL:  Suicide-gerelateerde communicatie (SGC) houdt in: “de handeling van het overbrengen van eigen suicidale ideatie, intentie of gedrag naar een ander persoon”. Beter begrip van de suicide-gerelateerde communicatie van jongeren stelt ons in staat om (zorg)behoeften van jongeren te herkennen en specificeren voor jongens versus meisjes. In het huidige onderzoek is de SGC onderzocht van jongeren onder de 20 die zijn overleden door suïcide.\n\nMETHODE: Interviewdata van een psychologische autopsie van 35 jongeren die zijn overleden door suïcide in 2017 zijn geanalyseerd. De Constant Comparative Method is toegepast om patronen in de SGC van jongeren te bestuderen.\n\nBEVINDINGEN: Er werden overeenkomsten gevonden in de SGC van jongens en meisjes, zoals de inhoud van afscheidsbrieven en een nadruk op de methode en voorbereidingen in de laatste maanden. Meisjes hadden een eerder debuut van SGC, een hogere frequentie van expliciete SGC, en richtten communicatie vaker richting een brede groep naasten. De nadruk lag daarnaast meer op coping en steun. SGC van jongens was vaker ambigu, of vermengd met macabere humor. \n\nCONCLUSIE: unieke patronen in SGC van jongens en meisjes hingen samen met uitdagingen voor naasten in het interepreteren van en reageren op SGC. Het vroege debuut in meisjes belicht het belang van vroege screening en preventie binnen deze groep. Het late debuut en de ambiguiteit in SGC van jongens toont het belang aan dat naasten en profesisonals de suicidale gedachten van jongens tijdig en eenduidig in beeld proberen te krijgen door er expliciet naar te vragen"},"keywords":{"en":["Suicide; Youths; Suicide-related communication; Psychological Autopsy;"],"nl":["Suïcide; Jongeren; Suicide-gerelateerde communicatie; Psychologische \nAutopsie."]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz"],"age":["young"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Death With Dignity and Suicide Compared","authors":"Beekman, A. T. F., & van Veen, S. M. P.","affiliations":"Amsterdam UMC, GGZ inGeest","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"American Journal of Geriatric Psychiatry","identifier":"10.1016/j.jagp.2021.07.019","link":"https://www.ajgponline.org/article/S1064-7481(21)00414-0/fulltext","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"The debate about physician-assisted death (PAD) is as old as medicine itself. 1 The Death With Dignity Act (DWDA), that became active in Oregon in 1997, was the first of such acts legalizing Physician Assisted Death in the US. This was before several countries in Europe, Canada, New Zealand and South Africa passed similar acts. In this issue, Canetto and McIntosh examine the effect of this legislation on causes of death among older men and women in Oregon. 2 They specifically compared deaths under DWDA and suicide, arguing that these are both forms of self-initiated death and that men and women may differ in their choices when legislation permits this. An underlying concern of the authors is that there may be groups of people who are vulnerable to being pressured into requesting PAD because of social prejudice, feeling unworthy of care, being a burden or otherwise. For several reasons, described well by the authors, this may concern primarily older women. Although death wishes, PAD and suicide are not restricted to older people, the vast majority of people requesting PAD are older and suffer irremediable physical illness. Empirical data on the effects of legislation in this emotionally charged area are scarce, which is just one of many reasons to welcome this paper.","nl":"Het debat over hulp bij suïcide door een arts vindt al zo lang plaats als dat geneeskunde wordt beoefend. 1 De wet t.a.v. waardig sterven, de Death With Dignity Act (DWDA), die in 1997 is ingevoerd in Oregon, was de eerste wet in zijn soort waarmee hulp bij suïcide door een arts werd gelegaliseerd in de VS. Dit was voordat enkele landen in Europa, Canada, Nieuw-Zeeland en zuidelijk Afrika vergelijkbare wetten invoerden. In dit artikel onderzoeken Canetto en McIntosh het effect van deze wetgeving op doodsoorzaken van oudere mannen en vrouwen in Oregon. 2 In het bijzonder werd een vergelijking gemaakt tussen overlijden onder de DWDA en suïcide, vanuit de redenatie dat dit allebei vormen zijn van een zelfgekozen dood en dat mannen en vrouwen verschillende keuzes kunnen maken wanneer de wetgeving dit toestaat. Een onderliggende zorg van de auteurs is dat er groepen mensen kunnen zijn die kwetsbaar zijn en onder druk gezet kunnen worden om hulp bij suïcide aan een arts te vragen wegens sociale vooroordelen, het gevoel geen zorg te verdienen, het gevoel een last te zijn, of om andere redenen. Om verschillende redenen, die de auteurs goed beschrijven, betreft deze zorg hoofdzakelijk oudere vrouwen. Hoewel een doodswens, hulp bij suïcide door een arts en suïcide niet beperkt zijn tot oudere mensen, heeft het overgrote merendeel van de mensen die hulp bij suïcide vraagt aan een arts een hogere leeftijd en lijden ze aan een lichamelijke aandoening die ongeneeslijk is. Empirische gegevens over de effecten van wetgeving op dit emotioneel beladen gebied zijn schaars, wat een van de vele redenen is om dit rapport met open armen te ontvangen."},"keywords":{"en":["physician-assisted death","euthanasia","suicide","elderly"],"nl":["hulp bij zelfdoding","euthanasie","huisarts","suïcide"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["ggz"],"age":["old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Prevalence and correlates of current suicide risk in an international sample of OCD adults: A report from the International College of Obsessive-Compulsive Spectrum Disorders (ICOCS) network and Obsessive Compulsive and Related Disorders Network (OCRN) of the European College of Neuropsychopharmacology","authors":"Benatti, B., Dell'Osso, B., Shen, H., Filippou-Frye, M., Varias, A., Sanchez, C., ... & Rodriguez, C. I.","affiliations":"AMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Psychiatric Research","identifier":"10.1016/j.jpsychires.2021.05.054.","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S0022395621003241?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: Obsessive-compulsive disorder (OCD), characterized by repetitive anxiety-inducing intrusive thoughts and compulsive behaviors, is associated with higher suicide ideation and suicide attempts than the general population. This study investigates the prevalence and the correlates of current suicide risk in adult outpatients in an international multisite cross-sectional sample of OCD outpatients.\n\nMETHODS: Data were derived from the International College of Obsessive-Compulsive Spectrum Disorders (ICOCS) network's cross-sectional data set (N = 409). Current suicide risk (assessed by Item C of the MINI) and diagnoses of psychiatric disorders were based on DSM-IV. Chi-squared test for categorical variables and t-test for continuous variables were used to make statistical inferences about main features associated with current suicide risk. P < .05 was considered as statistically significant.\n\nRESULTS: The prevalence of current suicidal risk was 15.9%, with equal likelihood in sociodemographic variables, including age and gender. Increased rates of major depression and generalized anxiety disorder were associated to higher current suicide risk. Current suicide risk was also associated with higher severity of OCD, depressive comorbidity, and higher levels of disability. There were no significant differences in treatment correlates-including type of treatment and psychiatric hospitalizations-between the groups of individuals with and without current suicide risk.\n\nCONCLUSIONS: Our findings suggest that current suicide risk is common in patients with OCD and associated with various forms of pathology. Our work also provides further empirical data to support what is already known clinically: a worse clinical picture characterized by a high severity of OCD, high distress related to obsessions and compulsions, and the presence of comorbidities such as major depression and generalized anxiety disorder should be considered as relevant risk factors for suicide risk.","nl":"ACHTERGROND: Een obsessief-compulsieve stoornis (OCS), gekenmerkt door herhaalde angstopwekkende intrusieve gedachten en compulsief gedrag, gaat gepaard met meer suïcidale gedachten en suïcidepogingen dan het geval is onder de algemene bevolking. Deze studie doet onderzoek naar de prevalentie en de correlaten van huidig suïciderisico bij volwassen poliklinische patiënten in een internationale cross-sectionele steekproef van poliklinische OCS-patiënten in meerdere centra.\n\nMETHODEN: Gegevens zijn verkregen via de cross-sectionele dataset (n = 409) van het International College of Obsessive-Compulsive Spectrum Disorders (ICOCS)-netwerk. Huidig suïciderisico (beoordeeld door Item C van de MINI) en diagnoses van psychiatrische aandoeningen werden gebaseerd op DSM-IV. Chi-kwadraattoets voor categorische variabelen en t-toets voor continue variabelen werden gebruikt voor het maken van statistische inferenties over de belangrijkste kenmerken die samenhangen met huidig suïciderisico. P < 0,05 werd beschouwd als statistisch significant.\n\nRESULTATEN: De prevalentie van huidig suïciderisico was 15,9%, met gelijke verdeling van sociodemografische variabelen, waaronder leeftijd en geslacht. Een verhoogd risico op ernstige depressie en een gegeneraliseerde angststoornis hingen samen met een hoger huidig suïciderisico. Huidig suïciderisico hing ook samen met een ernstigere vorm van OCS, depressieve comorbiditeit en een hoger invaliditeitsniveau. Er waren geen significante verschillen in behandelingscorrelaten, waaronder type behandeling en opnames in de psychiatrie, tussen de groepen mensen met en zonder huidig suïciderisico.\n\nCONCLUSIE: Uit de bevindingen van het onderzoek blijkt dat huidig suïciderisico veel voorkomt bij patiënten met OCS en samenhangt met verschillende vormen van pathologie. Het onderzoek geeft ook verdere empirische gegevens om te ondersteunen wat klinisch al bekend is: een slechter klinisch beeld dat gekenmerkt wordt door een ernstigere vorm van OCS, een hoge mate van onrust in verband met obsessies en compulsies en de aanwezigheid van comorbiditeiten zoals een ernstige depressie en een gegeneraliseerde angststoornis, kunnen worden beschouwd als relevante risicofactoren voor suïciderisico."},"keywords":{"en":["Disability; Obsessive compulsive disorder; Severity of illness; Suicide risk."],"nl":["obsessief compulsieve stoornis","OCD","suïciderisico"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Identifying socio-demographic risk factors for suicide using data on an individual level","authors":"Berkelmans, G., van der Mei, R., Bhulai, S., & Gilissen, R.","affiliations":"CWI, 113. VU","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC public health","identifier":"10.1186/s12889-021-11743-3","link":"https://bmcpublichealth.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12889-021-11743-3","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicide is a complex issue. Due to the relative rarity of the event, studies into risk factors are regularly limited by sample size or biased samples. The aims of the study were to find risk factors for suicide that are robust to intercorrelation, and which were based on a large and unbiased sample.\n\nMETHODS: Using a training set of 5854 suicides and 596,416 control cases, we fit a logistic regression model and then evaluate the performance on a test set of 1425 suicides and 594,893 control cases. The data used was micro-data of Statistics Netherlands (CBS) with data on each inhabitant of the Netherlands.\n\nRESULTS: Taking the effect of possible correlating risk factors into account, those with a higher risk for suicide are men, middle-aged people, people with low income, those living alone, the unemployed, and those with mental or physical health problems. People with a lower risk are the highly educated, those with a non-western immigration background, and those living with a partner.\n\nCONCLUSION: We confirmed previously known risk factors such as male gender, middle-age, and low income and found that they are risk factors that are robust to intercorrelation. We found that debt and urbanicity were mostly insignificant and found that the regional differences found in raw frequencies are mostly explained away after correction of correlating risk factors, indicating that these differences were primarily caused due to the differences in the demographic makeup of the regions. We found an AUC of 0.77, which is high for a model predicting suicide death and comparable to the performance of deep learning models but with the benefit of remaining explainable.","nl":"ACHTERGROND: Suïcide is een complex probleem. Doordat het relatief zeldzaam is, worden onderzoeken naar de risicofactoren regelmatig beperkt door de steekproefgrootte of door een steekproef met bias. Het doel van het onderzoek was om risicofactoren voor suïcide te vinden die een hoge intercorrelatie hebben en die zijn gebaseerd op een grote steekproef zonder bias.\n\nMETHODEN: Met behulp van een trainingsset van 5854 suïcides en 596.416 controlegevallen, is een logistisch regressiemodel opgezet, waarna de prestaties hiervan werden beoordeeld op een toetsingsset van 1425 suïcides en 594.893 controlegevallen. De gebruikte gegevens waren microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) met gegevens over alle inwoners van Nederland.\n\nRESULTATEN: Rekening houdend met mogelijke correlerende risicofactoren, bleken de volgende personen een hoger suïciderisico te hebben: mannen, mensen van middelbare leeftijd, mensen met een laag inkomen, mensen die alleen wonen, werklozen en mensen met mentale of lichamelijke gezondheidsproblemen. Mensen met een lager risico zijn hoogopgeleide mensen, mensen met een niet-westerse immigratieachtergrond en mensen die met een partner samenwonen.\n\nCONCLUSIE: De onderzoekers hebben eerder bekende risicofactoren bevestigd, zoals mannelijk geslacht, middelbare leeftijd en laag inkomen en vastgesteld dat dit risicofactoren zijn die een hoge intercorrelatie hebben. Verder bleek dat schulden en wonen in de stad voornamelijk onbetekenend waren en dat de regionale verschillende die werden gevonden in de ruwe frequentiegegevens grotendeels verklaarbaar waren en verdwenen na correctie voor correlerende risicofactoren, wat erop wijst dat deze verschillen hoofdzakelijk veroorzaakt werden door verschillen in de demografische samenstelling van de regio's. De onderzoekers vonden een AUC van 0,77, wat hoog is voor een model voor het voorspellen van overlijden door suïcide en vergelijkbaar met de prestaties van dieplerende modellen, maar met het voordeel dat het model verklaarbaar blijft."},"keywords":{"en":["big data","machine learning","risk factors","suicide"],"nl":["big data","machine learning","risicofactoren","suïcide"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":[],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc"]}},{"title":"Associations between personality traits and suicidal ideation and suicide attempts in patients with personality disorders","authors":"Boot, K., Wiebenga, J. X., Eikelenboom, M., van Oppen, P., Thomaes, K., van Marle, H. J., & Heering, H. D.","affiliations":"GGZ inGeest, Amsterdam UMC, VU","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Comprehensive Psychiatry","identifier":"10.1016/j.comppsych.2021.152284","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0010440X21000626?via%3Dihub#s0010","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: People with personality disorders (PDs) have an elevated suicide risk. However, correlates of suicidal ideation (SI) and suicide attempts (SA) remain largely unknown in this population. A growing body of literature highlights the contribution of the Big Five personality traits in suicide-outcomes. Therefore, the present study investigates the association between the Big Five personality traits and SI and SA in people with PDs while applying the ideation-to-action framework.\n\nMETHOD: Data were obtained from 105 treatment-seeking individuals diagnosed with PDs participating in the Trauma tO Personality Spectrum Study (TOPSS). Multinomial logistic regression analyses were used to analyze the association between the NEO Five-Factor Inventory and the three category suicide-outcome: non-suicidal, SI, and SA.\n\nRESULTS: After controlling for age, gender, a comorbid depressive disorder, the severity of borderline manifestations, and other personality traits from the Big Five taxonomy, significantly lower levels of extraversion were observed in participants with SI compared to non-suicidal participants (OR = 0.27, 95% CI 0.10-0.72) but not in SA participants. In contrast, higher levels of extraversion were associated with SA when compared to SI (OR = 3.52, 95% CI 1.33-9.32). Other Big Five traits were not independently associated with suicide-outcomes.\n\nCONCLUSIONS: Of the Big Five traits, the introversion-extraversion dimension most clearly distinguishes individuals with SI from non-suicidal individuals, as well as those with a SA in the past from those with SI only. Prospective studies are required to investigate if this personality trait can predict the progression from being non-suicidal to having SI and from having SI to performing an attempt.","nl":"ACHTERGROND: Mensen met een persoonlijkheidsstoornis hebben een verhoogd suïciderisico. Toch zijn correlaten van suïcidale gedachten en suïcidepogingen binnen deze populatie grotendeels niet bekend. Een groeiend aantal publicaties noemt de bijdrage van de Big Five-persoonlijkheidskenmerken aan suïcide-uitkomsten. In dit onderzoek wordt daarom gekeken naar het verband tussen de Big Five-persoonlijkheidskenmerken en suïcidale gedachten en suïcidepogingen bij mensen met een persoonlijkheidsstoornis, met toepassing van het ideation-to-action-raamwerk (dat de overgang van gedachten aan suïcide naar handelen betreft).\n\nMETHODE: Gegeven werden verzameld van 105 personen met een persoonlijkheidsstoornis die behandeling zochten in het TOPSS onderzoek (Trauma tO Personality Spectrum Study). Multinomiale logistische regressieanalyses werden gebruikt om het verband te analyseren tussen de NEO Five-Factor Inventory en de drie suïcide-uitkomsten: niet-suïcidaal, suïcidale gedachten en suïcidepogingen.\n\nRESULTATEN: Na correctie voor leeftijd, geslacht, een comorbide depressieve stoornis, de ernst van borderlinemanifestaties en andere persoonlijkheidskenmerken uit de Big Five-taxonomie, werd een significant lager niveau van extraversie waargenomen bij deelnemers met suïcidale gedachten vergeleken met niet-suïcidale deelnemers (OR = 0,27, 95% BI 0,10-0,72), maar niet bij deelnemers met een suïcidepoging. Aan de andere kant hing een hoger niveau van extraversie samen met een suïcidepoging, vergeleken met suïcidale gedachten (OR = 3,52, 95% BI 1,33-9,32). Andere Big Five-kenmerken hingen niet afzonderlijk samen met suïcide-uitkomsten.\n\nCONCLUSIES: Van de Big Five-kenmerken maakt de dimensie introversie-extraversie het duidelijkste onderscheid tussen mensen met suïcidale gedachten en niet-suïcidale mensen en tussen hen met een suïcidepoging in het verleden en hen met uitsluitend suïcidale gedachten. Prospectieve onderzoeken zijn nodig om te bestuderen of dit persoonlijkheidskenmerk een voorspeller kan zijn voor de overgang van niet-suïcidaal zijn naar het hebben van suïcidale gedachten en van het hebben van suïcidale gedachten naar het doen van een suïcidepoging."},"keywords":{"en":["Big Five personality traits; NEO-FFI; Personality disorder; Suicidal ideation; Suicide attempt"],"nl":["persoonlijkheid; NEO-FFI; persoonlijkheidsstoornis; suïcidale gedachten; suïcidepoging"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych"]}},{"title":"Brain Correlates of Suicide Attempt in 18,925 Participants Across 18 International Cohorts","authors":"Campos, A. I., Thompson, P. M., Veltman, D. J., Pozzi, E., van Veltzen, L. S., Jahanshad, N., ... & ENIGMA-MDD working group.","affiliations":"Amsterdam UMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Biological Psychiatry","identifier":"10.1016/j.biopsych.2021.03.015","link":"https://www.biologicalpsychiatryjournal.com/article/S0006-3223(21)01174-4/fulltext","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Neuroimaging studies of suicidal behavior have so far been conducted in small samples, prone to biases and false-positive associations, yielding inconsistent results. The ENIGMA-MDD Working Group aims to address the issues of poor replicability and comparability by coordinating harmonized analyses across neuroimaging studies of major depressive disorder and related phenotypes, including suicidal behavior.\n\nMETHODS: Here, we pooled data from 18 international cohorts with neuroimaging and clinical measurements in 18,925 participants (12,477 healthy control subjects and 6448 people with depression, of whom 694 had attempted suicide). We compared regional cortical thickness and surface area and measures of subcortical, lateral ventricular, and intracranial volumes between suicide attempters, clinical control subjects (nonattempters with depression), and healthy control subjects.\n\nRESULTS: We identified 25 regions of interest with statistically significant (false discovery rate < .05) differences between groups. Post hoc examinations identified neuroimaging markers associated with suicide attempt including smaller volumes of the left and right thalamus and the right pallidum and lower surface area of the left inferior parietal lobe.\n\nCONCLUSIONS: This study addresses the lack of replicability and consistency in several previously published neuroimaging studies of suicide attempt and further demonstrates the need for well-powered samples and collaborative efforts. Our results highlight the potential involvement of the thalamus, a structure viewed historically as a passive gateway in the brain, and the pallidum, a region linked to reward response and positive affect. Future functional and connectivity studies of suicidal behaviors may focus on understanding how these regions relate to the neurobiological mechanisms of suicide attempt risk.","nl":"ACHTERGROND: Neurologische beeldvormingsonderzoeken naar suïcidaal gedrag zijn tot dusverre uitgevoerd met een kleine steekproefomvang en zijn daardoor gevoelig voor bias en fout-positieve verbanden, wat leidt tot inconsistente resultaten. De werkgroep ENIGMA-MDD heeft als doel de problemen van slechte reproduceerbaarheid en vergelijkbaarheid aan te pakken door het coördineren van op elkaar afgestemde analyses in verschillende neurologische beeldvormingsonderzoeken naar ernstige depressies en gerelateerde fenotypes, waaronder suïcidaal gedrag.\n\nMETHODEN: Hierbij zijn de gegevens samengevoegd van 18 internationale cohorten met neurologische beeldvorming en klinische metingen bij 18.925 deelnemers (12.477 gezonde controleproefpersonen en 6448 mensen met depressie, waarvan er 694 een suïcidepoging hadden gedaan). Er is gekeken naar verschillen in corticale dikte en oppervlaktegebied en metingen van subcorticale, lateraal-ventriculaire en intracraniale volumes tussen mensen die een suïcidepoging hebben gedaan, klinische controleproefpersonen (met depressie, maar zonder suïcidepoging) en gezonde controleproefpersonen.\n\nRESULTATEN: Er zijn 25 interessegebieden gevonden met statistisch significante verschillen (false discovery rate < 0,05) tussen groepen. Post hoc onderzoeken hebben markers op neurologische beeldvorming gevonden die samenhangen met een suïcidepoging, waaronder een kleiner volume van de linker en rechter thalamus en het rechter pallidum en een kleiner oppervlaktegebied van de linker lobulus pariëtalis inferior.\n\nCONCLUSIES: Het onderzoek pakt het gebrek aan reproduceerbaarheid en consistentie aan in enkele eerder gepubliceerde neurologische beeldvormingsonderzoeken naar suïcidepogingen en toont verder de noodzaak voor steekproeven met een omvang die voldoende onderscheidend vermogen geeft en samenwerkingsinspanningen. Uit de resultaten blijkt mogelijke betrokkenheid van de thalamus, een hersenstructuur die altijd gezien is als een passieve toegangspoort in de hersenen en het pallidum, een gebied dat in verband wordt gebracht met beloningsreacties en positieve gevoelens. Functionele en verbindingsonderzoeken naar suïcidaal gedrag in de toekomst kunnen zich richten op het verkrijgen van inzicht in hoe deze gebieden verband houden met de neurobiologische mechanismen van risico op een suïcidepoging."},"keywords":{"en":["Major depressive disorder; Structural magnetic resonance imaging; Suicide attempt"],"nl":["depressie; MRI; suïcidepoging"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio"]}},{"title":"Machinelearning en suïcidepreventie: is een algoritme de oplossing","authors":"de Beurs, D., & Mens, K.","affiliations":"Trimbos, Altrecht","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"anders","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde","identifier":null,"link":"https://www.ntvg.nl/artikelen/machinelearning-en-suicidepreventie","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"Suicide is inherently difficult to predict. Epidemiological research identified many general risk factors such as a depression, but these predictors have limited predictive power. Machine learning offers a set of tools that can combine hundreds of predictors resulting in the most optimal prediction. It might therefore offer a powerful way to predict inherently complex behaviour such as suicide. In a recent study, state of the art ML algorithms where applied to a large Swedish dataset of 126.205 patients treated in psychiatry containing over 400 potential risk factors. Although the presented results such as an area under the curve if 88% sounds promising, many questions on for example the cost of a false negative remain unanswered. In our comment, we critically discuss the presented findings, and bring up some unanswered questions.","nl":"Suïcide is per definitie lastig te voorspellen. Epidemiologisch onderzoek heeft ons veel geleerd over algemene risicofactoren, zoals een depressie. Toch hebben deze factoren maar een beperkt voorspellend vermogen. Machinelearning biedt een set instrumenten die honderden voorspellende factoren kunnen combineren om tot de meest optimale voorspelling te komen, en kan daarom een goede manier zijn om inherent complex gedrag als suïcide te voorspellen. In een recent onderzoek zijn geavanceerde ML-algoritmes toegepast op een grote Zweedse dataset van 126.205 patiënten die werden behandeld in de psychiatrie. De dataset bevatte meer dan 400 mogelijke risicofactoren. Hoewel de gepresenteerde resultaten zoals een gebied onder de curve (AUC) van 88% veelbelovend klinkt, blijven nog veel vragen, bijvoorbeeld over de kosten van een vals-negatief resultaat, onbeantwoord. In dit commentaar bespreken de onderzoekers de gepresenteerde bevindingen kritisch en stellen ze enkele onbeantwoorde vragen."},"keywords":{"en":[],"nl":["machine learning","algoritme","suïcidepreventie"]},"region":["nvt"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych"]}},{"title":"A network perspective on suicidal behavior: Understanding suicidality as a complex system","authors":"De Beurs, D., Bockting, C., Kerkhof, A., Scheepers, F., O’Connor, R., Penninx, B., & van de Leemput, I.","affiliations":"Trimbos, VU, UMCU, Universiteit van Wageningen","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-Threatening Behavior","identifier":"10.1111/sltb.12676","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/sltb.12676","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidal behavior is the result of complex interactions between many different factors that change over time. A network perspective may improve our understanding of these complex dynamics. Within the network perspective, psychopathology is considered to be a consequence of symptoms that directly interact with one another in a network structure. To view suicidal behavior as the result of such a complex system is a good starting point to facilitate moving away from traditional linear thinking.\n\nOBJECTIVE: To review the existing paradigms and theories and their application to suicidal behavior.\n\nMETHODS: In the first part of this paper, we introduce the relevant concepts within network analysis such as network density and centrality. Where possible, we refer to studies that have applied these concepts within the field of suicide prevention. In the second part, we move one step further, by understanding the network perspective as an initial step toward complex system theory. The latter is a branch of science that models interacting variables in order to understand the dynamics of complex systems, such as tipping points and hysteresis.\n\nRESULTS: Few studies have applied network analysis to study suicidal behavior. The studies that do highlight the complexity of suicidality. Complexity science offers potential useful concepts such as alternative stable states and resilience to study psychopathology and suicidal behavior, as demonstrated within the field of depression. To date, one innovative study has applied concepts from complexity science to better understand suicidal behavior. Complexity science and its application to human behavior are in its infancy, and it requires more collaboration between complexity scientists and behavioral scientists.\n\nCONCLUSIONS: Clinicians and scientists are increasingly conceptualizing suicidal behavior as the result of the complex interaction between many different biological, social, and psychological risk and protective factors. Novel statistical techniques such as network analysis can help the field to better understand this complexity. The application of concepts from complexity science to the field of psychopathology and suicide research offers exciting and promising possibilities for our understanding and prevention of suicide.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidaal gedrag is het resultaat van complexe interacties tussen veel verschillende factoren die in de loop van de tijd veranderen. Een netwerkbenadering van suïcidaal gedrag kan ons inzicht in deze complexe interactie vergroten. In een netwerkbenadering wordt psychopathologie beschouwd als het gevolg van symptomen die een directe interactie met elkaar aangaan binnen een netwerkstructuur. Het beschouwen van suïcidaal gedrag als het gevolg van een dergelijk complex systeem biedt een goed uitgangspunt om het mogelijk te maken van het traditionele lineaire denken af te stappen.\n\nDOEL:  Het beoordelen van de bestaande paradigma's en theorieën en de toepassing hiervan op suïcidaal gedrag.\n\nMETHODEN: In het eerste deel van dit artikel worden de relevante concepten binnen netwerkanalyse geïntroduceerd, zoals netwerkdichtheid en -centraliteit. Waar mogelijk wordt verwezen naar onderzoeken die deze concepten hebben toegepast op suïcidepreventie. In het tweede deel wordt een stap verder gegaan, door de netwerkbenadering te zien als een eerste stap in de richting van complexe systeemtheorie. Dit is een wetenschapstak die interacterende variabelen modelleert met als doel inzicht te krijgen in de dynamiek van complexe systemen, zoals kantelpunten en hysterese.\n\nRESULTATEN: Er zijn weinig onderzoeken waarin netwerkanalyse is toegepast op suïcidaal gedrag. De onderzoeken die dit wel hebben gedaan, laten de complexiteit van suïcidaliteit zien. Complexiteitswetenschap biedt mogelijk bruikbare concepten, zoals alternatieve stabiele toestanden en veerkracht voor het bestuderen van psychopathologie en suïcidaal gedrag, zoals is aangetoond op het gebied van depressie. Tot op heden heeft één innovatief onderzoek concepten van complexiteitswetenschap toegepast om meer inzicht te krijgen in suïcidaal gedrag. Complexiteitswetenschap en de toepassing hiervan op menselijk gedrag staat in de kinderschoenen en er is meer samenwerking nodig tussen complexiteitswetenschappers en gedragswetenschappers.\n\nCONCLUSIES: Artsen en wetenschappers conceptualiseren suïcidaal gedrag steeds meer als het resultaat van de complexe interactie tussen verschillende biologische, sociale en psychologische risicofactoren en beschermende factoren. Nieuwe statistische technieken, zoals netwerkanalyse, kunnen het veld helpen om meer inzicht te krijgen in deze complexiteit. De toepassing van concepten uit de complexiteitswetenschap op onderzoek naar psychopathologie en suïcide, biedt boeiende en veelbelovende mogelijkheden voor ons inzicht in en het voorkomen van suïcide."},"keywords":{"en":["network analysis","suicide","networks"],"nl":["netwerkanalyse","suïcidaal gedrag"]},"region":["nvt"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":[],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Suïcidepreventie: uitdagingen en \naanbevelingen","authors":"De Beurs, D., Maes, T., & Beekman, A.T.F.","affiliations":"Trimbos, Amsterdam UMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/issues/561/articles/12466","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["EVALUATION","POLICY","RCT","SUICIDE PREVENTION"],"nl":["wetgeving","evaluatie","RCT. suïcidepreventie"]},"region":["internationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":[],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Toxoplasma gondii seropositivity in patients with depressive and anxiety disorders","authors":"de Bles, N. J., van der Does, J. E., Kortbeek, L. M., Hofhuis, A., van Grootheest, G., Vollaard, A. M., ... & Giltay, E. J.","affiliations":"LUMC, RIVM, Amsterdam UMC, UMCG","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Brain, Behavior, & Immunity - Health","identifier":"10.1016/j.bbih.2020.100197","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2666354620301629?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst"],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: Toxoplasma gondii (T. gondii) is an obligate intracellular parasite that is estimated to be carried by one-third of the world population. Latent T. gondii infection has been linked to several neuropsychiatric mood disorders and behaviors. The aim of the present study was to examine whether T. gondii seropositivity is associated with affective disorders, as well as with aggression reactivity and suicidal thoughts.\n\nMETHODS: In the Netherlands Study of Depression and Anxiety (NESDA), T. gondii antibodies were assessed in patients with current depressive (n ​= ​133), anxiety (n ​= ​188), comorbid depressive and anxiety (n ​= ​148), and remitted disorders (n ​= ​889), as well as in healthy controls (n ​= ​373) based on DSM-IV criteria. Seropositivity was analyzed in relation to disorder status, aggression reactivity and suicidal thoughts using multivariate analyses of covariance and regression analyses.\n\nRESULTS: Participants were on average 51.2 years (SD ​= ​13.2), and 64.4% were female. Seropositivity was found in 673 participants (38.9%). A strong positive association between T. gondii seropositivity and age was observed. No significant associations were found between T. gondii seropositivity and disorder status, aggression reactivity and suicidal thoughts. The adjusted odds ratio (OR) for any remitted disorder versus controls was 1.13 (95% CI: 0.87-1.49), and for any current disorder versus controls was 0.94 (95% CI: 0.69-1.28).\n\nCONCLUSIONS: No evidence was found for a relationship between affective disorders and T. gondii infection in the current sample.","nl":"ACHTERGROND: Toxoplasma gondii (T. gondii) is een obligate intracellulaire parasiet die naar schatting een derde van de wereldbevolking bij zich draagt. Latente T. gondii-infectie is in verband gebracht met verschillende neuropsychiatrische stemmingsstoornissen en gedragingen. Het doel van het huidige onderzoek was om te onderzoeken of seropositiviteit voor T. gondii samenhangt met affectieve stoornissen en met agressieve reactiviteit en suïcidale gedachten.\n\nMETHODEN: In de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA), werden antilichamen tegen T. gondii bepaald bij patiënten met een huidige depressieve stoornis (n = 133), angststoornis (n = 188), comorbide depressieve en angststoornis (n = 148) en stoornis in remissie (n = 889), evenals bij gezonde controlepersonen (n = 373) gebaseerd op DSM-IV criteria. Seropositiviteit werd geanalyseerd in samenhang met status van de stoornis, agressieve reactiviteit en suïcidale gedachten met gebruik van multivariate analyse van covariantie en regressieanalyses.\n\nRESULTATEN: Deelnemers waren gemiddeld 51,2 jaar oud (SD = 13,2) en 64,4% was vrouw. Seropositiviteit werd gevonden bij 673 deelnemers (38,9%). Er werd een sterk positief verband gevonden tussen seropositiviteit voor T. gondii en leeftijd. Er werden geen significante verbanden gevonden tussen seropositiviteit voor T. gondii en status van de stoornis, agressieve reactiviteit en suïcidale gedachten. De bijgestelde odds-ratio (OR) voor alle afgenomen stoornissen versus de controlegroep was 1,13 (95% BI: 0,87 1,49) en voor huidige stoornis versus de controlegroep was dit 0,94 (95% BI: 0,69-1,28).\n\nCONCLUSIES: In de huidige steekproef is geen bewijs gevonden voor een verband tussen stemmingsstoornissen en infectie met T. gondii."},"keywords":{"en":["Anxiety; Cognitive reactivity; Depression; Suicidality; Toxoplasma gondii"],"nl":["angst","cognitieve reactiviteit","depressie","suïcidaliteit","toxoplasma gondii"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio"]}},{"title":"Mortality trends over five decades in adult transgender people receiving hormone treatment: a report from the Amsterdam cohort of gender dysphoria","authors":"de Blok, C. J., Wiepjes, C. M., van Velzen, D. M., Staphorsius, A. S., Nota, N. M., Gooren, L. J., ... & den Heijer, M.","affiliations":"Amsterdam UMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The Lancet Diabetes & Endocrinology","identifier":"10.1016/S2213-8587(21)00185-6","link":"https://www.thelancet.com/journals/landia/article/PIIS2213-8587(21)00185-6/fulltext","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Increased mortality in transgender people has been described in earlier studies. Whether this increased mortality is still present over the past decades is unknown. Therefore, we aimed to investigate trends in mortality over five decades in a large cohort of adult transgender people in addition to cause-specific mortality.\n\nMETHODS: We did a retrospective cohort study of adult transgender people who visited the gender identity clinic of Amsterdam University Medical Centre in the Netherlands. Data of transgender people who received hormone treatment between 1972 and 2018 were linked to Statistics Netherlands. People were excluded if they used alternating testosterone and oestradiol treatment, if they started treatment younger than age 17 years, or if they had ever used puberty-blockers before gender-affirming hormone treatment. Standardised mortality ratios (SMRs) were calculated using general population mortality rates stratified by age, calendar period, and sex. Cause-specific mortality was also calculated.\n\nFINDINGS: Between 1972 and 2018, 8831 people visited the gender identity clinic. 4263 were excluded from the study for a variety of reasons, and 2927 transgender women and 1641 transgender men were included in the study, with a total follow-up time of 40 232 person-years for transgender women and 17 285 person-years for transgender men. During follow-up, 317 (10·8%) transgender women died, which was higher than expected compared with general population men (SMR 1·8, 95% CI 1·6-2·0) and general population women (SMR 2·8, 2·5-3·1). Cause-specific mortality in transgender women was high for cardiovascular disease, lung cancer, HIV-related disease, and suicide. In transgender men, 44 people (2·7%) died, which was higher than expected compared with general population women (SMR 1·8, 95% CI 1·3-2·4) but not general population men (SMR 1·2, 95% CI 0·9-1·6). Cause-specific death in transgender men was high for non-natural causes of death. No decreasing trend in mortality risk was observed over the five decades studied.\n\nINTERPRETATION: This observational study showed an increased mortality risk in transgender people using hormone treatment, regardless of treatment type. This increased mortality risk did not decrease over time. The cause-specific mortality risk because of lung cancer, cardiovascular disease, HIV-related disease, and suicide gives no indication to a specific effect of hormone treatment, but indicates that monitoring, optimising, and, if necessary, treating medical morbidities and lifestyle factors remain important in transgender health care.","nl":"ACHTERGROND: In eerdere onderzoeken is beschreven dat transgenderpersonen een verhoogd sterftecijfer hebben. Of dit verhoogde sterftecijfer nog steeds aanwezig is in de afgelopen decennia is niet bekend. Het doel van dit onderzoek was daarom om trends in sterftecijfers over een periode van vijf decennia te bestuderen in een groot cohort van volwassen transgenderpersonen naast oorzaakspecifieke sterfte.\n\nMETHODEN: Er is een retrospectief cohortonderzoek uitgevoerd onder volwassen transgenderpersonen die het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie van het Amsterdam UMC bezochten. Gegevens van transgenderpersonen die hormoonbehandeling hebben gekregen tussen 1972 en 2018 werden gekoppeld aan gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Personen werden uitgesloten als ze afwisselend behandeling met testosteron en oestradiol kregen, als ze met de behandeling waren gestart op een leeftijd jonger dan 17 jaar, of als ze ooit puberteitsremmers hadden gebruikt voorafgaand aan genderbevestigende hormoonbehandeling. SMR-cijfers (Standardised Mortality Ratio's) werden berekend op basis van sterftecijfers onder de gehele bevolking, gestratificeerd naar leeftijd, kalenderperiode en geslacht. Ook werd oorzaakspecifieke sterfte berekend.\n\nRESULTATEN: Tussen 1972 en 2018 bezochten 8831 mensen het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie. Hiervan werden 4263 personen uitgesloten van het onderzoek om diverse redenen en er werden 2927 transgendervrouwen en 1641 transgendermannen opgenomen in het onderzoek, met een totale follow-upduur van 40.232 persoonsjaren voor transgendervrouwen en 17.285 persoonsjaren voor transgendermannen. Tijdens follow-up zijn 317 (10,8%) transgendervrouwen overleden, wat hoger was dan verwacht vergeleken met het aantal mannen in de algemene bevolking (SMR: 1,8; 95 BI: 1,6-2,0) en vrouwen in de algemene bevolking (SMR: 2,8; 2,5-3,1). Oorzaakspecifieke sterfte bij transgendervrouwen was hoog voor cardiovasculaire ziekte, longkanker, hiv gerelateerde ziekte en suïcide. Bij transgendermannen zijn 44 personen (2,7%) overleden, wat hoger was dan verwacht vergeleken met het aantal vrouwen in de algemene bevolking (SMR: 1,8; 95 BI: 1,3-2,4) maar niet vergeleken met het aantal mannen in de algemene bevolking (SMR: 1,2; 95% BI: 0,9-1,6). Oorzaakspecifieke sterfte bij transgendermannen was hoog voor niet-natuurlijke oorzaken van overlijden. Er werd geen dalende trend in sterfterisico gezien in de vijf bestudeerde decennia.\n\nINTERPRETATIE: Uit dit observationele onderzoek bleek een verhoogd sterfterisico voor transgenderpersonen die worden behandeld met hormonen, ongeacht het soort behandeling. Dit verhoogde sterfterisico nam niet af in de loop van de tijd. Het oorzaakspecifieke sterfterisico wegens longkanker, cardiovasculaire ziekte, hiv-gerelateerde ziekte en suïcide wijst niet op een specifiek effect van hormoonbehandeling, maar wijst erop dat het monitoren, optimaliseren en zo nodig behandelen van medische comorbiditeiten en leefstijlfactoren belangrijk blijft bij gezondheidszorg aan transgenderpersonen."},"keywords":{"en":[],"nl":["transgender","lhbti","doodsoorzaken"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Secondary Outcomes of Implemented Depression Prevention in Adolescents: A Randomized Controlled Trial","authors":"de Jonge-Heesen, K. W., Rasing, S., Vermulst, A. A., Scholte, R. H., van Ettekoven, K. M., Engels, R. C., & Creemers, D. H.","affiliations":"GGZ Oost-Brabant, Erasmus universiteit, Radboud Universiteit","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Psychiatry","identifier":"10.3389/fpsyt.2021.643632","link":"https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fpsyt.2021.643632/full","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Our most recent RCT provides evidence that indicated depression prevention is effective in reducing depressive symptoms in adolescents when implemented in the school community. In the present study we further test the potential effects of this prevention approach on symptoms related to depression: anxiety, suicidality, somatic symptoms, and perfectionism. We conducted exploratory analyses in 130 adolescents with elevated depressive symptoms aged between 12 and 16 years old (M = 13.59; SD = 0.68; 63.8% girls) who were randomly assigned to the experimental (OVK 2.0) or active control condition (psycho-education). Self-reported anxiety, suicidality, somatic symptoms, and perfectionism were assessed at pretest, post intervention, as well as 6- and 12-months follow-up. Latent growth curve analyses revealed that there was a significant decrease in anxiety in both conditions and that this decrease was significantly larger in the intervention condition than in the control condition. Somatic symptoms and socially prescribed perfectionism decreased significantly in the intervention condition and suicidality decreased significantly in the control condition. Yet there was no difference in decrease in suicidality, somatic symptoms, and perfectionism between the two conditions. This study suggest that screening on depressive symptoms and providing a CBT depression prevention program for adolescents with elevated depressive symptoms, can decrease comorbid symptoms of anxiety and therefore ensure better outcomes. We discuss the clinical implications as well suggestions for future research.","nl":"In het meest recente RCT van deze onderzoeksgroep is bewijs te vinden dat aangeeft dat depressiepreventie effectief is voor het verminderen van depressieve symptomen bij adolescenten wanneer dit wordt geïmplementeerd in de schoolgemeenschap. In het huidige onderzoek worden de mogelijke effecten getoetst van deze preventieve aanpak op symptomen die verband houden met depressie: angst, suïcidaliteit, somatische symptomen en perfectionisme. Er zijn verkennende analyses uitgevoerd bij 130 adolescenten met verhoogde depressieve symptomen van 12 tot 16 jaar oud (gem. = 13,59; SD = 0,68; 63,8% meisjes) die willekeurig werden toegewezen aan de experimentele groep (OVK 2.0) of actieve controlegroep (psycho-educatie). Zelfgerapporteerde angst, suïcidaliteit, somatische symptomen en perfectionisme werden op verschillende momenten beoordeeld, namelijk voorafgaand aan de test, na de interventie en bij follow up na 6 en na 12 maanden. Uit latente groeicurve-analyses bleek een significante afname van angst in beide groepen en verder dat deze afname significant groter was in de interventiegroep dan in de controlegroep. Somatische symptomen en sociaal voorgeschreven perfectionisme namen significant af in de interventiegroep en suïcidaliteit nam significant af in de controlegroep. Er was geen verschil tussen de twee groepen in afname van suïcidaliteit, somatische symptomen en perfectionisme. Dit onderzoek wijst erop dat het screenen op depressieve symptomen en het bieden van een CGT-preventieprogramma voor depressie aan adolescenten met verhoogde depressieve symptomen comorbide symptomen van angst kan verminderen en zo kan zorgen voor betere uitkomsten. De klinische toepassingen worden besproken en er worden aanbevelingen gedaan voor toekomstig onderzoek."},"keywords":{"en":["adolescence; anxiety; cognitive behavior therapy; depressive symptoms; perfectionism; prevention; somatic symptoms; suicidality"],"nl":["jongvolwassenen","angst","cognitieve gedragstherapie","depressieve symptomen","perfectionisme","somatische klachten","suïcidaliteit"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["young"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Zelfbeschadigend gedrag door patiënten \nin de forensische psychiatrie","authors":"de Vogel, V., & Verstegen, N.","affiliations":"Hogeschool Utrecht","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/issues/565/articles/12664","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Incidents of self-harm by forensic psychiatric patients usually have a large impact on all those involved and self-harming behavior is an important predictor for violence towards others during treatment.\n\nAIM: To describe incidents of self-harm during the treatment of patients admitted to forensic psychiatry.\n\nMETHOD: All incidents of self-harm during treatment in a forensic psychiatric center that were registered between 2008 and 2019 were analyzed and coded with respect to severity with the MOAS+.\n\nRESULTS: Between 2008 and 2019 299 incidents of self-harm were registered committed by 106 patients. Most of these incidents (87,6%) were classified as non-suicidal. Methods most often used were cutting themselves with glass, broken plates or mugs, a razor or knife and swallowing dangerous objects or liquids. There were ten cases of suicide, almost all by suffocation with a rope or belt. The majority of the incidents were coded as severe or extreme with the MOAS+. Female patients were overrepresented and they caused on average three times more incidents than male patients.\n\nCONCLUSIONS: Incidents of self-harm happen regularly in forensic psychiatry and are usually severe. More research is needed into the impact on all those involved, motivations and triggers for self-harming behavior and effective treatment of it.","nl":"ACHTERGROND: Zelfbeschadigend gedrag door forensisch psychiatrische patiënten maakt vaak grote indruk op alle betrokkenen en is een belangrijke voorspeller voor geweld naar anderen tijdens de behandeling.\n\nDOEL: Beschrijven van incidenten van zelfbeschadiging door patiënten die opgenomen zijn in de forensische psychiatrie.\n\nMETHODE: Alle geregistreerde incidenten van zelfbeschadiging tijdens behandeling in een forensisch psychiatrisch centrum tussen 2008 en 2019 werden geanalyseerd en gecodeerd wat betreft ernst met de MOAS+.\n\nRESULTATEN: In de periode 2008-2019 werden in totaal 299 incidenten van zelfbeschadiging geregistreerd, gepleegd door 106 patiënten. De meerderheid van de incidenten (87,6%) betrof zelfbeschadigend gedrag zonder suïcidale intentie. De meest toegepaste methoden waren zichzelf snijden met glas, gebroken servies of een (scheer)mes en het inslikken van gevaarlijke vloeistoffen of voorwerpen. Er waren 10 suïcides, nagenoeg alle middels verhanging met een touw of riem. De meerderheid van de incidenten werd als sterk of extreem ernstig gescoord op de MOAS+. Vrouwelijke patiënten hadden gemiddeld drie keer zoveel incidenten als mannelijke patiënten.\n\nCONCLUSIE: Incidenten van zelfbeschadiging komen regelmatig voor in de forensische psychiatrie en zijn doorgaans ernstig van aard. Meer onderzoek naar de invloed op betrokkenen en getuigen, motieven en aanleidingen voor het zelfbeschadigende gedrag en effectieve behandeling hiervan is noodzakelijk."},"keywords":{"en":["forensic psychiatry","self-harm","suicide"],"nl":["forensische psychiatrie","zelfbeschadiging","opnames"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":[],"age":[],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"A review and conceptual model of the association of Type D personality with suicide risk","authors":"Denollet, J., Trompetter, H. R., & Kupper, N.","affiliations":"CoRPS","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Psychiatric Research","identifier":"10.1016/j.jpsychires.2021.03.056","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0022395621002089?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"The role of personality as distal risk factor for suicidal thoughts and behavior is still unclear. This review aims to propose two conceptual models that explain the psychological plausibility of Type D personality as distal risk factor and contributor to the transition from general to suicide distress. To support this aim, we performed a systematic review of existing studies on the association between Type D personality and suicidal distress. A systematic search yielded eight studies that reported on Type D personality and suicidal distress. Type D personality was robustly associated with suicidal thoughts and behaviors, across populations and countries. Type D was related to the level/frequency of suicidal ideation in seven studies, and suicide attempt in two studies. Our first theoretical model identifies intra-psychic (depression, alcohol misuse, posttraumatic stress) and interpersonal (low belonging, social isolation, lack of support) vulnerabilities of individuals with Type D that may fuel the development of suicidal thoughts and behaviors. Type D by itself will not account for why people become suicidal, but our second theoretical model suggests that the avoidant-passive tendencies of Type D individuals may result in persistent problem-solving deficits, and, eventually, feelings of entrapment that may contribute to the desire to escape from pain. We conclude that empirical evidence supports the hypothesized link between Type D personality, and suicidal thoughts and behaviors. Our conceptual models - albeit often supported by indirect evidence - further substantiate the plausibility of this link, and offer concrete guidance for future studies. Primarily, more longitudinal research is necessary.","nl":"De rol van persoonlijkheid als een distale risicofactor voor suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag is nog steeds onduidelijk. Het doel van deze review is te komen tot een voorstel van twee conceptuele modellen die de psychologische aannemelijkheid verklaren van type D persoonlijkheid als distale risicofactor en bijdragende factor voor de overgang van algemene psychische problemen naar psychische problemen met suïciderisico. Ter ondersteuning van dit doel is een systematische review uitgevoerd van bestaande onderzoeken naar het verband tussen type D persoonlijkheid en psychische problemen met suïciderisico. Een systematische zoekactie leverde acht onderzoeken op die melding maakten van type D persoonlijkheid en psychische problemen met suïciderisico. Type D persoonlijkheid hield sterk verband met suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag in verschillende populaties en landen. Type D hield verband met de mate en/of frequentie van suïcidale gedachten in zeven onderzoeken en met suïcidepogingen in twee onderzoeken. In het eerste theoretische model worden twee soorten kwetsbaarheden vastgesteld voor personen met type D die mogelijk bijdragen aan het ontwikkelen van suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag. Dit zijn intrapsychische kwetsbaarheid (depressie, alcoholmisbruik, posttraumatische stress) en interpersoonlijke kwetsbaarheid (lage verbondenheid, sociale isolatie, gebrek aan ondersteuning). Type D op zichzelf is geen verklaring voor de reden waarom mensen suïcidaal worden, maar het tweede theoretische model dat wordt beschreven wijst erop dat de neiging tot vermijding en passiviteit van personen met type D kan leiden tot hardnekkige tekorten op het gebied van probleemoplossing en uiteindelijk tot het gevoel vast te zitten, wat kan bijdragen aan het verlangen om te ontsnappen aan de pijn. De conclusie is dat empirisch bewijs het veronderstelde verband tussen type D persoonlijkheid en suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag ondersteunt. Hoewel deze conceptuele modellen vaak ondersteund worden door indirect bewijs, onderbouwen ze dit verband verder en bieden ze concrete handvatten voor toekomstig onderzoek. Er is hoofdzakelijk meer longitudinaal onderzoek nodig."},"keywords":{"en":["Entrapment; Personality; Social inhibition; Suicidal ideation; Suicide risk; Type D"],"nl":["persoonlijkheid","type D","entrapment","sociale inhibitie","suïcidale gedachten"]},"region":["internationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":[],"age":[],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych"]}},{"title":"Relationship between social cognition, general cognition, and risk for suicide in individuals with a psychotic disorder","authors":"Dickhoff, J., Opmeer, E. M., Heering, H. D., Bruggeman, R., van Amelsvoort, T., Bartels-Velthuis, A. A., ... & van Tol, M. J.","affiliations":"UMCG, Windesheim, GGZ inGeest, Maastricht university, UMCU, Amsterdam UMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Schizophrenia Research","identifier":"10.1016/j.schres.2021.02.024","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0920996421001432?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Cognitive alterations putatively contribute to the risk for suicide in individuals with psychosis. Yet, a comprehensive assessment of social- and general-cognitive abilities in a large sample is lacking.\n\nMETHODS: Seven-hundred-fifteen individuals diagnosed with a psychotic disorder performed tasks of facial emotion recognition, Theory of Mind, and general cognitive functioning (sustained attention, set-shifting, IQ-tests and verbal learning) as part of the Genetic-Risk-and-Outcome-of-Psychosis (GROUP) study. Presence of past suicide attempt/s and/or current suicidal ideation was reported by 261 individuals and 454 individuals reported no suicide attempt or ideation. We used general linear models to investigate group differences in task performance. All analysis were controlled for age, sex, education, and psychotic symptom severity.\n\nRESULTS: Individuals with suicide attempt and/or ideation showed better performance on the facial emotion recognition task and lower performance on tasks of sustained attention and verbal learning, compared to individuals without suicide attempt and/or ideation, without a clear effect of attempt or ideation. Theory of Mind performance was also better for individuals with suicide attempt and/or ideation, with largest differences between individuals who reported both attempts and ideation compared to individuals without suicide attempt and/or ideation. No effect of suicide attempt and/or ideation was found on misperception of facial emotions, IQ and set-shifting. Overall, effect sizes were small.\n\nCONCLUSIONS: Higher sensitivity to social-emotional cues together with weakened attentional control and learning capacity was observed in individuals with psychosis and suicide attempt and/or ideation. This may suggest that insufficient capacity for regulating perceived social stress contributes to suicidal thoughts and behavior.","nl":"DOEL: Cognitieve veranderingen dragen vermoedelijk bij aan het suïciderisico voor personen met een psychose. Toch ontbreekt een uitgebreide beoordeling van sociale en algemene cognitieve vermogens bij een grote steekproef.\n\nMETHODEN: In het kader van het Genetic-Risk-and-Outcome-of-Psychosis (GROUP) onderzoek, hebben 715 personen met een psychotische aandoening taken uitgevoerd op het gebied van emotieherkenning van het gezicht, Theory of Mind en algemeen cognitief functioneren (volgehouden aandacht, taakwisseling, IQ-testen en verbaal leren). De aanwezigheid van suïcidepoging(en) in het verleden en/of huidige suïcidale gedachten werd gemeld voor 261 personen en bij 454 personen werd geen suïcidepoging of suïcidale gedachten gemeld. Met behulp van algemene lineaire modellen werden groepsverschillen bestudeerd in het uitvoeren van de taken. Alle analyses werden gecontroleerd voor leeftijd, geslacht, opleiding en ernst van de psychotische symptomen.\n\nRESULTATEN: Personen met een suïcidepoging of suïcidale gedachten scoorden beter op de taak voor emotieherkenning op gezichten en lager op taken van volgehouden aandacht en verbaal leren in vergelijking met personen zonder suïcidepoging en/of suïcidale gedachten, zonder duidelijk effect op poging of gedachten. Ook presteerden personen met een suïcidepoging en/of suïcidale gedachten beter op Theory of Mind, waarbij de grootste verschillen werden gezien tussen personen die zowel pogingen als gedachten meldden vergeleken met personen zonder suïcidepoging en/of suïcidale gedachten. Er werd geen effect gevonden van suïcidepoging en/of suïcidale gedachten op misperceptie van emoties op gezichten, IQ en taakwisseling. Over het geheel was de omvang van het effect gering.\n\nCONCLUSIE: Er werd een hogere gevoeligheid voor sociaal-emotionele signalen met een zwakkere aandachtscontrole en een lager leervermogen waargenomen bij personen met psychose en een suïcidepoging en/of suïcidale gedachten. Dit zou erop kunnen wijzen dat onvoldoende vermogen om ervaren sociale spanningen te reguleren bijdraagt aan suïcidale gedachten of suïcidaal gedrag."},"keywords":{"en":["affective symptom","cognition","psychotic disorder","suicide"],"nl":["affectieve symptomen","cognitie","psychotische stoornis","suïcide"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_bio"]}},{"title":"Het belang van postventie na zelfdoding van een leerling","authors":"Elzinga, E., & Mérelle, S.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"anders","publicationJournal":"Impact","identifier":null,"link":"https://oorlog.arq.org/sites/default/files/domain-50/documents/impact_magazine-2021-03-web-50-163966434020177779.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["jongeren","scholen","postventie"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Who didn't consult the doctor? Understanding sociodemographic factors in relation to health care uptake before suicide","authors":"Elzinga, E., de Beurs, D., Beekman, A., Berkelmans, G., & Gilissen, R.","affiliations":"113, Trimbos, GGZ inGeest, Amsterdam UMC, CWI","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2021.03.014","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032721002391?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: This study aimed to establish differences between suicide decedents and a reference population across various health care settings.\n\nMETHODS: This population-wide registration study combined death statistics, sociodemographic data and health care data from Statistics Netherlands. From 2010 to 2016, 12,015 suicide cases and a random reference group of 132,504 were included and assigned to one of the three health care settings; mental health (MH) care, primary care or no care. Logistic regression analyses were performed to determine differences in suicide risk factors across settings.\n\nRESULTS: In the 1-2 year period before suicide, 52% of the suicide decedents received MH care, 41% received GP care only and 7% received neither. Although sociodemographic factors showed significant differences across settings, the suicide risk profiles were not profoundly distinctive. A decreasing trend in suicide risk across health care settings became apparent for male gender, income level and being in a one-person or one-parent household, whereas for other factors (middle and older age, non-Western migration background, couples without children and people living in more sparsely populated areas), risk of suicide increased when health care setting became more specialized.\n\nLIMITATIONS: Because of the data structure, 18 months of suicide decedents' health care use were compared with two years health care use of the reference group, which likely led to an underestimation of the reported differences.\n\nCONCLUSION: Although there are differences between suicide decedents and a reference group across health care settings, these are not sufficiently distinctive to advocate for a setting-specific approach to suicide prevention.","nl":"DOEL: Deze studie had als doel verschillen vast te stellen tussen suïcidepatiënten en een referentiepopulatie in verschillende gezondheidszorgsettings.\n\nMETHODEN: Deze populatiebrede registratiestudie combineerde overlijdensstatistieken, sociodemografische gegevens en gezondheidszorggegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Van 2010 tot 2016 werden 12.015 suïcidegevallen en een willekeurige referentiegroep van 132.504 geïncludeerd en toegewezen aan een van de drie gezondheidszorgsettings: geestelijke gezondheidszorg, eerstelijnsgezondheidszorg of geen zorg. Logistische regressieanalyses werden uitgevoerd om verschillen in suïciderisicofactoren tussen de instellingen te bepalen.\n\nRESULTATEN: In de periode van 1-2 jaar voorafgaand aan de suïcide ontving 52% van de suïcidale patiënten MH-zorg, 41% ontving alleen huisartsenzorg en 7% ontving geen van beide. Hoewel sociodemografische factoren significante verschillen vertoonden tussen de instellingen, waren de suïciderisicoprofielen niet sterk verschillend. Een dalende trend in het suïciderisico tussen verschillende zorginstellingen werd duidelijk voor mannelijk geslacht, inkomensniveau en het behoren tot een eenpersoons- of eenoudergezin, terwijl voor andere factoren (middelbare en oudere leeftijd, niet-westerse migratieachtergrond, paren zonder kinderen en mensen die in dunner bevolkte gebieden woonden) het suïciderisico toenam wanneer de zorginstelling meer gespecialiseerd werd.\n\nBEPERKINGEN: Vanwege de gegevensstructuur werden 18 maanden gezondheidszorggebruik van suïcidegedetineerden vergeleken met twee jaar gezondheidszorggebruik van de referentiegroep, wat waarschijnlijk leidde tot een onderschatting van de gerapporteerde verschillen.\n\nCONCLUSIE: Hoewel er verschillen zijn tussen suïcidegedetineerden en een referentiegroep in verschillende zorgsettings, zijn deze niet onderscheidend genoeg om te pleiten voor een setting-specifieke aanpak van suïcidepreventie.\""},"keywords":{"en":["General practitioner; Health services; Mental health care; Primary care; Suicide"],"nl":["huisarts","gezondheidszorg","ggz","suïcide"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Een levenslange doodswens en persisterende suïcidaliteit: een exploratief onderzoek naar het ontstaan, verloop en behoeften van mensen die hieraan lijden","authors":"Elzinga, E., van Veen, S., van Wijngaarden, E., Zomers, M., Gaijmans, A., Boogert, K., Schweren, L., Franx, G., & Gilissen, R.","affiliations":"113, GGZ inGeest, Amsterdam UMC, Universiteit voor humanistiek, Julius, UMCU","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"Niet van toepassing","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/actueel/ontstaan-en-verloop-van-een-levenslange-doodswens-en-persisterende-suicidaliteit","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["Levenslange doodswens","persisterende suïcidaliteit","kwalitatief onderzoek","literatuur onderzoek"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["review","obs","obs_long","kwalitatief"],"setting":[],"age":[],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Reducing suicidal ideation among Turkish migrants in the Netherlands and in the UK: the feasibility of a randomised controlled trial of a guided online intervention","authors":"Eylem, O., van Straten, A., de Wit, L., Rathod, S., Bhui, K., & Kerkhof, A. J.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Pilot and Feasibility Studies","identifier":"10.1186/s40814-021-00772-9","link":"https://pilotfeasibilitystudies.biomedcentral.com/articles/10.1186/s40814-021-00772-9","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The evidence for the effectiveness of e-mental health interventions among ethnic minorities is still preliminary. This mixed methods study investigates the feasibility of a culturally adapted, guided online intervention with the intention to understand how it works and for whom to inform refinement. It also examines its likely effectiveness in reducing suicidal ideation when compared with the treatment as usual.\n\nMETHODS: Turkish migrants with mild to moderate suicidal thoughts were recruited from the general population using social media and newspaper advertisements. The intervention group obtained direct access to a 6-week guided online intervention while participants in the waiting list condition had to wait for 6 weeks. The intervention is based on an existing online intervention and was culturally adapted. Participants in both conditions completed baseline, post-test, and follow-up questionnaires on suicidal ideation (primary outcome), depression, worrying, hopelessness, suicide attempt and self-harm, acculturation, quality of life, and usability. In addition, participants were interviewed to examine the feasibility and mechanisms of action in more depth. The responses were analysed by inductive thematic analysis.\n\nRESULTS: Eighty-five people signed up via the study website, and we included 18 (10 intervention, 8 waitlist control). While the therapeutic benefits were emphasised (e.g. feeling connected with the intervention), the feasibility was judged to be low. The main reasons given were not having severe suicidal thoughts and not being represented by the culturally adapted intervention. No suicide attempts were recorded during the study. The suicidal ideation, depression, and hopelessness scores were improved in both groups.\n\nCONCLUSION: Although intended to be a definitive trial, the current study became a feasibility study with process evaluation to understand the components and how they operate. The online intervention was not superior to the control condition. Future studies need to attend the implementation issues raised including measures of stigma, acculturation, and careful cultural adaptations alongside more attention to coaching and relational support. They should also consider how to improve engagement alongside selection of those who are motivated to use online interventions and offer alternatives for those who are not.","nl":"ACHTERGROND: Het bewijs voor de effectiviteit van e-health in de ggz onder etnische minderheden is nog voorlopig van aard. Dit onderzoek met gemengde methoden kijkt naar de haalbaarheid van een cultureel aangepaste, geleide online interventie met als doel inzicht te krijgen in hoe het werkt en voor wie, om op basis daarvan tot verfijning te komen. Ook wordt gekeken naar de waarschijnlijke effectiviteit voor het verminderen van suïcidale gedachten, vergeleken met de gebruikelijke behandeling.\n\nMETHODEN: Via sociale media en advertenties in kranten werden Turkse migranten met lichte tot matige suïcidale gedachten geworven uit de algemene bevolking. De interventiegroep kreeg direct toegang tot een 6 weken durende geleide online interventie, terwijl deelnemers in de wachtlijstgroep 6 weken moesten wachten. De interventie is gebaseerd op een bestaande online interventie en is cultureel aangepast. Deelnemers in beide groepen hebben vragenlijsten ingevuld bij aanvang van het onderzoek, na de test en een follow-upvragenlijst. Deze vragenlijsten gingen over suïcidale gedachten (primaire uitkomstmaat), depressie, zorgen maken, hopeloosheid, suïcidepoging en zelfbeschadiging, acculturatie, kwaliteit van leven en bruikbaarheid. Daarnaast werd een vraaggesprek met de deelnemers gevoerd om dieper in te gaan op de haalbaarheid en de werkingsmechanismen. De antwoorden werden geanalyseerd met een inductieve thematische analyse.\n\nRESULTATEN: Van de 58 mensen die zich inschreven via de onderzoekswebsite, werden er 18 opgenomen in het onderzoek (10 in de interventiegroep, 8 in de wachtlijstgroep). Hoewel de therapeutische voordelen werden benadrukt (bijv. gevoel van verbondenheid met de interventie), werd de haalbaarheid beoordeeld als laag. De belangrijkste redenen die hiervoor werden gegeven waren dat de suïcidale gedachten niet ernstig genoeg waren en dat de deelnemers zich niet herkenden in de cultureel aangepaste interventie. Tijdens het onderzoek werden geen suïcidepogingen geregistreerd. De scores voor suïcidale gedachten, depressie en hopeloosheid verbeterden in beide groepen.\n\nCONCLUSIE: Hoewel het huidige onderzoek oorspronkelijk bedoeld was als volledig onderzoek, is dit veranderd in een haalbaarheidsonderzoek met procesevaluatie om inzicht te krijgen in de verschillende componenten en hoe deze werken. De online interventie was niet superieur aan de controlegroep. Toekomstige onderzoeken moeten aandacht schenken aan de gevonden implementatieproblemen, waaronder mate van stigma, acculturatie en zorgvuldige culturele aanpassingen naast meer aandacht voor coaching en relationele ondersteuning. Ook dient gekeken te worden naar hoe de betrokkenheid vergroot kan worden voor hen die gemotiveerd zijn om gebruik te maken van online interventies en moeten alternatieven geboden worden voor hen die dit niet zijn."},"keywords":{"en":["Cultural adaptation; Feasibility; RCT; Suicidal ideation; Turkish migrants; e-mental health"],"nl":["cultuur","aanpassing","RCT","suïcidale ideatie","Turkije","immigranten","e-mental health"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["trial","implementatie","kwalitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Reactie op: ‘Suïcidepreventie: uitdagingen en aanbevelingen’","authors":"Gilissen, R., & Kavelaars, M.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"anders","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/issues/565/articles/12665","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["suïcidepreventie","preventieve maatregelen","interventies"]},"region":["nvt"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":[],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suïcide is een wereldwijd volksgezondheidsprobleem","authors":"Gilissen, R., & Mérelle, S.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"anders","publicationJournal":"Impact","identifier":null,"link":"https://oorlog.arq.org/sites/default/files/domain-50/documents/impact_magazine-2021-03-web-50-163966434020177779.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["maatschappij","volksgezondheid","suïcide"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":[],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Risk of Suicide Attempt in Patients With Recent Diagnosis of Mild Cognitive Impairment or Dementia","authors":"Günak, M. M., Barnes, D. E., Yaffe, K., Li, Y., & Byers, A. L.","affiliations":"Universiteit Leiden","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"JAMA Psychiatry","identifier":"10.1001/jamapsychiatry.2021.0150","link":"https://jamanetwork.com/journals/jamapsychiatry/article-abstract/2777657","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"IMPORTANCE: Little is known about the association between mild cognitive impairment (MCI) and suicide. Most studies have focused on dementia and suicidal behavior, with inconsistent results.\n\nOBJECTIVES: To examine the association between diagnoses of MCI and dementia and suicide attempt and explore potential psychiatric moderators and to assess whether the association differs based on recency of diagnosis.\n\nDESIGN, SETTING, AND PARTICIPANTS: This nationwide cohort study integrated 5 national databases from the Department of Veterans Affairs (VA) and Centers for Medicare & Medicaid Services and included all VA medical centers in the US. US veterans 50 years or older with MCI diagnoses at baseline (October 1, 2011, to September 30, 2013) or earlier (October 1, 2007, to September 30, 2011) were propensity matched 1:3 with (1) patients with dementia diagnoses and (2) patients without either diagnosis based on demographic characteristics and the Charlson Comorbidity Index. Diagnoses of MCI or dementia were defined as recent if there were no diagnosis codes before baseline. Data were analyzed from March 16, 2020, to January 15, 2021.\n\nMAIN OUTCOMES AND MEASURES: Information on suicide attempts through December 31, 2016, provided by the National Suicide Prevention Applications Network (nonfatal) and Mortality Data Repository (fatal).\n\nRESULTS: The study population of 147 595 participants included 21 085 patients with MCI, 63 255 with dementia, and 63 255 in the propensity-matched comparison group. Participants had a mean (SD) age of 74.7 (10.3) years, 143 353 (97.1%) were men, 4242 (2.9%) were women, and 127 065 (86.1%) were non-Hispanic White. A total of 138 patients with MCI (0.7%) and 400 patients with dementia (0.6%) attempted suicide during follow-up, compared with 253 patients without MCI or dementia (0.4%). Exploratory analyses revealed that no psychiatric comorbidity moderated the association between MCI or dementia and suicide attempt. After adjustment for demographic details and medical and psychiatric comorbidities, risk of suicide attempt was consistently highest for patients with a recent MCI or dementia diagnosis, with adjusted hazard ratios (HRs) of 1.73 (95% CI, 1.34-2.22; P < .001) for recent MCI and 1.44 (95% CI, 1.17-1.77; P = .001) for recent dementia. Risk associated with prior diagnosis was not significant (HR for prior MCI, 1.03 [95% CI, 0.78-1.36; P = .84]; HR for prior dementia, 1.14 [95% CI, 0.95-1.36; P = .15]).\n\nCONCLUSIONS AND RELEVANCE: This study found that older adults with recent MCI or dementia diagnoses were at increased risk of attempting suicide. These findings suggest that involvement of supportive services at the time of or soon after diagnoses of MCI or dementia may help mitigate risk of suicide attempts.","nl":"BELANG: Er is weinig bekend over het verband tussen lichte cognitieve stoornissen en suïcide. De meeste onderzoeken hebben zich gericht op dementie en suïcidaal gedrag en de resultaten hiervan kwamen niet met elkaar overeen.\n\nDOELEN: Onderzoeken van het verband tussen diagnoses van lichte cognitieve stoornissen en dementie, verkennen van mogelijke psychiatrische moderatoren en beoordelen of het verband verschilt op basis van hoe recent de diagnose is gesteld.\n\nOPZET, SETTING EN DEELNEMERS: In dit nationale cohortonderzoek zijn 5 nationale databases geïntegreerd van de Department of Veterans Affairs (VA) en Centers for Medicare & Medicaid Services en hieronder vielen alle medische centra voor veteranen in de VS. Amerikaanse veteranen van 50 jaar of ouder met een diagnose van lichte cognitieve stoornissen bij aanvang van het onderzoek (1 oktober 2011 tot 30 september 2013) of eerder (1 oktober 2007 tot 30 september 2011) werden volgens propensity gematcht in een verhouding 1:3 met (1) patiënten met een diagnose dementie en (2) patiënten zonder een van deze twee diagnoses gebaseerd op demografische kenmerken en de Charlson-comorbiditeitsindex. Diagnoses van lichte cognitieve stoornissen of dementie werden gedefinieerd als recent wanneer er geen diagnosecodes waren voorafgaand aan de start van het onderzoek. Gegevens werden geanalyseerd tussen 16 maart 2020 en 15 januari 2021.\n\nBELANGRIJKSTE RESULTATEN EN UITKOMSTMATEN: Informatie over suïcidepogingen tot en met 31 december 2016, afkomstig van het National Suicide Prevention Applications Network (niet-fataal) en de Mortality Data Repository (fataal).\n\nRESULTATEN: De onderzoekspopulatie van 147.595 deelnemers bevatte 21.085 patiënten met lichte cognitieve stoornissen, 63.255 patiënten met dementie en 63.255 deelnemers in de propensity-matched controlegroep. Patiënten hadden een gemiddelde (SD) leeftijd van 74,7 (10,3) jaar, 143.353 (97,1%) waren man, 4242 (2,9%) waren vrouw en 127.065 (86,1%) waren niet-Spaanstalig blank. In totaal deden 138 patiënten met lichte cognitieve stoornissen (0,7%) en 400 patiënten met dementie (0,6%) een suïcidepoging tijdens follow-up, vergeleken met 253 patiënten zonder lichte cognitieve stoornissen of dementie (0,4%). Uit verkennende analyses bleek dat het verband tussen lichte cognitieve stoornissen of dementie en een suïcidepoging niet werd gemodereerd door psychiatrische comorbiditeit. Na correctie voor demografische kenmerken en medische en psychiatrische comorbiditeit, bleef het risico op een suïcidepoging het hoogst voor patiënten met een recente diagnose van lichte cognitieve stoornissen of dementie, met bijgestelde hazard ratio's (HR) van 1,73 (95% BI: 1,34-2,22; p < 0,001) voor recente lichte cognitieve stoornissen en 1,44 (95% BI: 1,17-1,77; p = 0,001) voor recente dementie. Risico dat samenhing met eerdere diagnose was niet significant (HR voor eerdere lichte cognitieve stoornissen: 1,03 [95% BI: 0,78-1,36; p = 0,84]; HR voor eerdere dementie: 1,14 [95% BI: 0,95-1,36; p = 0,15]).\n\nCONCLUSIES EN RELEVANTIE: Uit dit onderzoek bleek dat oudere volwassenen met een recente diagnose van lichte cognitieve stoornissen of dementie een verhoogd risico hadden op het doen van een suïcidepoging. Deze bevindingen wijzen erop dat betrokkenheid van diensten die ondersteuning bieden op het moment van of kort na de diagnose van lichte cognitieve stoornissen of dementie, kunnen helpen bij het verlagen op het risico van suïcidepogingen."},"keywords":{"en":["dementia","suicide attempt","mild cognitive impairment"],"nl":["dementie","suïcidepoging","alzheimer"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","populationcohort"],"age":["old"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio"]}},{"title":"Longitudinal effects of physical and social neighbourhood change on suicide mortality: A full population cohort study among movers and non-movers in the Netherlands","authors":"Hagedoorn P., & Helbich M.","affiliations":"Utrecht university","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Social Science & Medicine","identifier":"10.1016/j.socscimed.2021.114690.","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0277953621010224?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Associations between the residential neighbourhood environment and suicide mortality are well-established; however, most evidence is cross-sectional and not capable of incorporating place-based and residential moving-related neighbourhood changes. We studied how suicide mortality is associated with changes in the physical and social neighbourhood environment for movers and non-movers. Our retrospective analysis was based on longitudinal register data for the entire Dutch population aged 25-64 years enriched with annually time-varying data on the residential neighbourhood environment between 2007 and 2016. A total of 8,741,021 people were followed-up between 2007 and 2016 of which 10,019 committed suicide. Upward and downward neighbourhood change was measured by comparing neighbourhood conditions separately at two time points. Cox proportional hazard models indicated that movers had a significantly lower risk of suicide compared to non-movers. Suicide risk was lower for people experiencing improvements in social fragmentation and deprivation compared to those remaining in poor conditions. Change from rural to urban conditions also resulted in lower suicide risk, while a gain in green space put people at increased risk. For those stable neighbourhood conditions over time, suicide mortality was lower for men and women in urban vs. rural neighbourhoods as well as for women in neighbourhoods with low vs. high social fragmentation. Stable exposure to high levels of green space resulted in higher suicide risk among women. Interactions and stratification by moving type revealed associations between neighbourhood change and suicide were more pronounced in non-movers. Our findings suggest that neighbourhood improvements might contribute to a lower suicide risk, especially for long-term residents in poor neighbourhood conditions.","nl":"Verbanden tussen de wijk waar iemand woont en sterfte door suïcide zijn duidelijk vastgesteld. Het meeste bewijs is echter cross-sectioneel en hierin wordt geen rekening gehouden met plaatsgebonden en wijkgebonden veranderingen in de woonomgeving. De onderzoekers bestudeerden hoe sterfte door suïcide verband houdt met veranderingen in de fysieke en sociale woonomgeving voor mensen die wel en niet verhuizen. Deze retrospectieve analyse is gebaseerd op longitudinale registergegevens voor de gehele Nederlandse bevolking in de leeftijd van 25-64 jaar, verrijkt met jaarlijkse tijdsafhankelijke gegevens over de woonomgeving tussen 2007 en 2016. In totaal werden 8.741.021 mensen gevolgd tussen 2007 en 2016, waarvan er 10.019 suïcide hebben gepleegd. Opwaartse of neerwaartse verandering in de woonwijk werd gemeten door omstandigheden in woonwijken apart te vergelijken op twee verschillende momenten. Uit Cox proportional hazard-modellen bleek dat mensen die verhuisden een significant lager risico liepen op suïcide dan mensen die niet verhuisden. Suïciderisico was lager voor mensen die een verbetering ervoeren in sociale fragmentatie en deprivatie vergeleken met degenen die in slechte omstandigheden bleven. Verhuizing van het platteland naar de stad leidde ook tot een lager suïciderisico, terwijl het verkrijgen van meer groene ruimte leidde tot een hoger risico. Voor die stabiele omstandigheden in woonwijken in het verloop van de tijd, was de sterfte door suïcide lager voor mannen en vrouwen in stadswijken dan op het platteland en was deze ook lager voor vrouwen in woonwijken met een lage sociale fragmentatie vergeleken met wijken met een hoge sociale fragmentatie. Stabiele blootstelling aan veel groene ruimte leidde tot een hoger suïciderisico bij vrouwen. Uit interacties en stratificatie per type verhuizing, bleek dat verbanden tussen verandering van woonomgeving en suïcide duidelijker aanwezig waren bij mensen die niet verhuisden. Deze bevindingen wijzen erop dat verbeteringen in de woonomgeving mogelijk bijdragen aan een lager suïciderisico, in het bijzonder voor mensen die langdurig in een woonwijk met slechte omstandigheden wonen."},"keywords":{"en":["Green space; Longitudinal register data; Neighbourhood deprivation; Neighbourhood effects; Residential mobility; Social fragmentation; Suicide mortality"],"nl":["grote steden","suïcidecijfers","epidemiologie","groene gebieden","wijken","verhuizen"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc"]}},{"title":"Longitudinal exposure assessments of neighbourhood effects in health research: What can be learned from people's residential histories?","authors":"Hagedoorn P., & Helbich M.","affiliations":"Utrecht university","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Health & Place","identifier":"10.1016/j.healthplace.2021.102543.","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1353829221000393?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Health research into neighbourhood effects has generally examined neighbourhoods cross-sectionally, ignoring the fact that neighbourhood exposures might accumulate over people's lives and affect health outcomes later in life. Using longitudinal Dutch register data with complete 15-year residential address histories, we examined whether health effects of neighbourhood socioeconomic characteristics differ between cumulative and current exposures. We illustrated these differences between exposure assessments using suicide mortality among middle-aged adults. All suicides aged 40-64 years between 2012 and 2016 were matched with 10 random controls in a nested case-control design. We measured neighbourhood exposures longitudinally for circular buffers around residential addresses at the current address and through three accumulative measures, each incorporating the residential address history with increasing detail. Covariate-adjusted conditional logistic regressions were used to assess associations between suicide and neighbourhood social fragmentation, population density and unemployment rate. Our results showed that total and male suicide mortality was significantly lower in highly fragmented neighbourhoods when using accumulative exposures, but not when using the current residential address. However, we observed few differences in coefficients between exposures assessments for neighbourhood urbanicity and unemployment rate. None of the neighbourhood characteristics showed evidence that detailed cumulative exposures were a stronger predictor of suicide compared to more crude measures. Our findings provide little evidence that socioeconomic neighbourhood characteristics measured cumulatively along people's residential histories are stronger predictors of suicide mortality than cross-sectional exposures.","nl":"Bij gezondheidsonderzoek naar de invloed van de woonomgeving, wordt over het algemeen cross-sectioneel naar de woonomgevingen gekeken, waarbij het feit wordt genegeerd dat blootstelling aan woonomgevingen zich gedurende het leven van mensen op kan bouwen en dat dit van invloed kan zijn op gezondheidsuitkomsten later in het leven. Met behulp van longitudinale Nederlandse registergegevens met een volledige woonadresgeschiedenis van 15 jaar, hebben de onderzoekers gekeken of er verschillen zijn in gezondheidseffecten van de socio-economische kenmerken van een woonomgeving tussen cumulatieve en huidige blootstelling. Deze verschillen tussen blootstellingsbeoordelingen werden geïllustreerd aan de hand van sterfte door suïcide onder volwassenen van middelbare leeftijd. Met behulp van een geneste case-controlstudie werden alle suïcides van personen tussen de 40 en 64 jaar in de periode van 2012 tot 2016 gekoppeld aan tien willekeurige controlepersonen. De onderzoekers maten de blootstelling aan woonomgeving longitudinaal voor circulaire buffers rond woonadressen en het huidige adres en door drie cumulatieve metingen, die elk een steeds gedetailleerdere woonadresgeschiedenis bevatten. Met voor covarianten gecorrigeerde conditionele logistische regressies werden verbanden beoordeeld tussen suïcide en sociale fragmentatie, bevolkingsdichtheid en percentage werkloosheid van een woonomgeving. Uit de resultaten bleek dat de sterfte aan suïcide zowel in zijn geheel als voor mannen significant lager was in zeer gefragmenteerde woonomgevingen wanneer werd gekeken naar cumulatieve blootstellingen, maar niet wanneer het huidige woonadres werd gebruikt. Er werden echter weinig verschillen in coëfficiënten gevonden tussen blootstellingsbeoordelingen voor urbaniciteit en werkloosheidspercentage van de woonomgeving. Geen van de kenmerken van de woonomgeving onderbouwde dat gedetailleerde cumulatieve blootstellingen een sterkere voorspeller waren van suïcide dan de grover gemeten maten. Uit de bevindingen bleek weinig bewijs dat socio-economische woonomgevingskenmerken die cumulatief gemeten worden met de woongeschiedenis van mensen en sterkere voorspeller zijn van sterfte door suïcide dan cross-sectionele blootstellingen."},"keywords":{"en":["Cumulative exposure; Long-term exposure assessment; Mental health; Neighbourhood effects; Register data."],"nl":["blootstelling","cumulatieve blootstelling","mentale gezondheid","registratiedata"]},"region":[],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc"]}},{"title":"Treatment Refractory Internalizing Behaviour Across Disorders: An Aetiological Model for Severe Emotion Dysregulation in Adolescence","authors":"Herpers, P. C. M., Neumann, J. E. C., & Staal, W. G.","affiliations":"Radboud university (RU), Leiden University","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Child Psychiatry & Human Development","identifier":"10.1007/s10578-020-01036-y","link":"https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs10578-020-01036-y","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Auto-aggressive behaviour, especially treatment refractory suicidality in adolescents with psychiatric disorders, may be challenging to clinicians. In search of therapeutic possibilities, we have integrated current opinions regarding causality and interdependency of suicidality and auto-aggressive behaviour across disorders within the HiTOP framework. We propose a developmental model regarding these unsettling behaviours in youths that may help to guide future directions for research and interventions. We argue that the interdependent development of biologic factors, attachment, moral reasoning and emotion regulation in an overprotective environment may lead to social anxiety and later during development to emotion dysregulation and severe internalizing behaviour disorders. To optimize treatment efficacy for both internalizing and externalizing behaviour, we emphasize the importance transdiagnostic interventions, such as addressing non-compliance, restoration of trust between parents and their child, and limitation of avoidance behaviour. These may be seen as higher order interventions within the HiTOP framework.","nl":"Auto agressief gedrag, in het bijzonder suïcidaliteit die niet op behandeling reageert bij adolescenten met psychische aandoeningen, kan een uitdaging vormen voor behandelaren. Op zoek naar therapeutische mogelijkheden hebben de onderzoekers actuele meningen geïntegreerd over causaliteit en wederzijdse afhankelijkheid van suïcidaliteit en auto-agressief gedrag binnen verschillende aandoeningen in het HiTOP-raamwerk (Hierarchical Taxonomy of Psychopathology). De onderzoekers doen een voorstel voor een ontwikkelingsmodel voor deze verontrustende gedragingen bij jongeren dat mogelijk richting kan geven aan toekomstig onderzoek en toekomstige interventies. Er wordt betoogd dat de onderling afhankelijke ontwikkeling van biologische factoren, hechting, moreel denken en emotieregulatie in een overbeschermende omgeving kan leiden tot sociale angst en later in de ontwikkeling tot emotiedisregulatie en ernstige internaliserende gedragsstoornissen. Voor het optimaliseren van de effectiviteit van de behandeling van zowel internaliserend als externaliserend gedrag, benadrukken de onderzoekers het belang van transdiagnostische interventies, zoals het aanpakken van non-conformiteit, herstel van vertrouwen tussen ouders en hun kind en beperking van vermijdingsgedrag. Binnen het HiTOP-raamwerk kunnen deze interventies worden gezien als interventies van een hogere orde."},"keywords":{"en":["Attachment; Emotion regulation; HiTOP; Social anxiety disorder; p factor"],"nl":["hechting","emotieregulatie","HiTOP","sociale fobie"]},"region":["internationaal"],"type":["fundamenteel","kwantitatief","anders"],"setting":[],"age":[],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Associated factors of suicidal ideation among older persons with dementia living at home in eight European countries","authors":"Holmstrand, C., Rahm Hallberg, I., Saks, K., Leino-Kilpi, H., Renom Guiteras, A., Verbeek, H., ... & Lethin, C.","affiliations":"Maastricht University","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Aging & Mental Health","identifier":"10.1080/13607863.2020.1745143","link":"https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/13607863.2020.1745143","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVES: This study aimed to investigate the occurrence of suicidal ideation and associated factors in older persons with dementia living at home in eight European countries, and its association with quality of life. Furthermore, changes in suicidal ideation over time were investigated.\n\nMETHODS: This cohort study (n = 1,223) was part of the European \"RightTimePlaceCare\" project conducted in 2010-2013. Participating countries were Estonia, Finland, France, Germany, the Netherlands, Spain, Sweden and the United Kingdom. Baseline and follow-up data were analysed using bivariate and multivariate logistic regression.\n\nRESULTS: The occurrence of suicidal ideation in the participating countries varied between 6% and 24%. Factors significantly (p < 0.0018) associated with suicidal ideation using bivariate analysis were: nationality, depressive symptoms, delusions, hallucinations, agitation, anxiety, apathy, disinhibition, irritability, night-time behaviour disturbances, anxiolytics and anti-dementia medication. In the multivariate regression analysis, country of origin, moderate stage of the dementia, depressive and delusional symptoms, and anti-dementia medication were significantly associated with suicidal ideation (p < 0.05). Over time, suicidal ideation decreased from severe to mild or became absent in 54% of the persons with dementia.\n\nCONCLUSION: It is essential that professionals identify older persons with dementia and suicidal ideation and depressive and other psychological symptoms in order to give them appropriate treatment and provide relief for their informal caregivers. We emphasize the importance of identifying suicidal ideation, irrespective of depressive symptoms, and specifically of paying attention to persons with moderate dementia. Living with the informal caregiver seems to be associated with staying stable without suicidal ideation.","nl":"DOELEN: Deze studie onderzoekt suïcidale gedachten en de daarmee verband houdende factoren bij thuiswonende ouderen met dementie in acht Europese landen en de manier waarop deze samenhangen met de kwaliteit van leven. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de veranderingen van suïcidale gedachten in de loop van de tijd.\n\nMETHODEN: Deze cohortstudie (n = 1223) maakte deel uit van het Europese project RightTimePlaceCare dat is uitgevoerd in 2010-2013. De deelnemende landen waren Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Nederland, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. De gegevens aan het begin van het onderzoek en bij de follow-up werden geanalyseerd aan de hand van statistische berekeningen met twee en meerdere variabelen.\n\nRESULTATEN: Het aantal proefpersonen met suïcidale gedachten varieerde in de deelnemende landen van 6 tot 24%. Factoren die een significant verband (p < 0,0018) hadden met suïcidale gedachten volgens de analyse met twee variabelen waren: nationaliteit, symptomen van depressie, waanbeelden, hallucinaties, ongerustheid, angst, apathie, ontremming, prikkelbaarheid, nachtelijke gedragsstoornissen, angstremmende medicatie en medicatie tegen dementie. Bij de analyse met meerdere variabelen hadden land van herkomst, gematigd stadium van dementie, symptomen van depressie en waanbeelden en medicatie tegen dementie een significant verband met suïcidale gedachten (p < 0,05). Bij 54% van de personen met dementie namen de suïcidale gedachten in de loop van de tijd af van ernstig tot mild of verdwenen ze helemaal.\n\nCONCLUSIE: Het is essentieel dat professionals ouderen met dementie en suïcidale gedachten en symptomen van depressie en andere psychische aandoeningen herkennen om hen een passende behandeling te bieden en hun mantelzorgers te ontlasten. De onderzoekers benadrukken dat het belangrijk is suïcidale gedachten te herkennen, ongeacht of er symptomen van depressie zijn, en specifiek aandacht te besteden aan personen met gematigde dementie. Patiënten die samenwonen met hun mantelzorger leken vaker stabiel te blijven zonder suïcidale gedachten."},"keywords":{"en":["Dementia; depression; home care; older people; suicidal ideation"],"nl":["dementie","depressie","ouderen","suïcidale gedachten"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_bio"]}},{"title":"An EEG signature of suicidal behavior in female patients with major depressive disorder? A non-replication","authors":"Krepel, N., Benschop, L., Baeken, C., Sack, A. T., & Arns, M.","affiliations":"Brainclinics, Maastricht University","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Biological Psychology","identifier":"10.1016/j.biopsycho.2021.108058","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0301051121000491?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: A recent study showed hypoactivity in the beta/gamma band in female suicide ideators and suicide attempters diagnosed with depression, relative to a low-risk group. The current study aimed to conceptually replicate these results.\n\nMETHODS: In the iSPOT-D sub-sample (n = 402), suicide ideators and low-risk individuals were identified. Confining analyses to females only, differences between low-risk individuals and suicide ideators were tested for using the electroencephalogram (EEG) frequency bands SMR (Sensori-Motor-Rhythm; 12-15 Hz), beta (14.5-30 Hz), beta I (14.5-20 Hz), beta II (20-25 Hz), beta III (25-30 Hz), gamma I (31-49 Hz) using LORETA-software.\n\nRESULTS: None of the tested frequency bands showed to be significantly different between suicide ideators and low-risk individuals.\n\nCONCLUSIONS: The current study could not conceptually replicate the earlier published results. Several reasons could explain this non-replication, among which possible electromyographic (EMG) contamination in the beta/gamma band in the original study.","nl":"ACHTERGROND: Een recente studie toonde hypoactiviteit in de bèta/gammaband bij vrouwelijke suïcide-ideologen en suïcidepogers met de diagnose depressie ten opzichte van een laagrisicogroep. De huidige studie had als doel deze resultaten conceptueel te repliceren.\n\nMETHODEN: In de iSPOT-D substeekproef (n = 402) werden suïcide-ideators en personen met een laag risico geïdentificeerd. Door de analyses te beperken tot alleen vrouwen, werden verschillen tussen personen met een laag risico en suïcide-ideators getest met behulp van de frequentiebanden van het elektro-encefalogram (EEG) SMR (Sensori-Motor-Ritme; 12-15 Hz), bèta (14,5-30 Hz), bèta I (14,5-20 Hz), bèta II (20-25 Hz), bèta III (25-30 Hz), gamma I (31-49 Hz) met behulp van LORETA-software.\n\nRESULTATEN: Geen van de geteste frequentiebanden bleek significant te verschillen tussen personen met suïcide-ideeën en personen met een laag risico.\n\nCONCLUSIES: De huidige studie kon de eerder gepubliceerde resultaten conceptueel niet repliceren. Verschillende redenen zouden deze niet-replicatie kunnen verklaren, waaronder mogelijke elektromyografische (EMG) vervuiling in de bèta/gammaband in de oorspronkelijke studie.\""},"keywords":{"en":["Electroencephalogram (EEG); Replication; Suicide."],"nl":["elektroencefalogram","eeg","replicatie","suïcide"]},"region":["nationaal"],"type":["fundamenteel","kwantitatief","anders"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio"]}},{"title":"Associations between cannabis use, cannabis use disorder, and mood disorders: longitudinal, genetic, and neurocognitive evidence","authors":"Kuhns, L., Kroon, E., Colyer-Patel, K., & Cousijn, J.","affiliations":"UVA","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychopharmacology","identifier":"10.1007/s00213-021-06001-8.","link":"https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00213-021-06001-8","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"RATIONALE: Cannabis use among people with mood disorders increased in recent years. While comorbidity between cannabis use, cannabis use disorder (CUD), and mood disorders is high, the underlying mechanisms remain unclear.\n\nOBJECTIVES: We aimed to evaluate (1) the epidemiological evidence for an association between cannabis use, CUD, and mood disorders; (2) prospective longitudinal, genetic, and neurocognitive evidence of underlying mechanisms; and (3) prognosis and treatment options for individuals with CUD and mood disorders.\n\nMETHODS: Narrative review of existing literature is identified through PubMed searches, reviews, and meta-analyses. Evidence was reviewed separately for depression, bipolar disorder, and suicide.\n\nRESULTS: Current evidence is limited and mixed but suggestive of a bidirectional relationship between cannabis use, CUD, and the onset of depression. The evidence more consistently points to cannabis use preceding onset of bipolar disorder. Shared neurocognitive mechanisms and underlying genetic and environmental risk factors appear to explain part of the association. However, cannabis use itself may also influence the development of mood disorders, while others may initiate cannabis use to self-medicate symptoms. Comorbid cannabis use and CUD are associated with worse prognosis for depression and bipolar disorder including increased suicidal behaviors. Evidence for targeted treatments is limited.\n\nCONCLUSIONS: The current evidence base is limited by the lack of well-controlled prospective longitudinal studies and clinical studies including comorbid individuals. Future studies in humans examining the causal pathways and potential mechanisms of the association between cannabis use, CUD, and mood disorder comorbidity are crucial for optimizing harm reduction and treatment strategies.","nl":"RATIONALE: Cannabisgebruik onder mensen met een stemmingsstoornis is in de afgelopen jaren toegenomen. Hoewel er een hoge comorbiditeit is tussen cannabisgebruik, stoornis in cannabisgebruik en stemmingsstoornissen, blijven de onderliggende mechanismen onduidelijk.\n\nDOELEN: Het doel van het onderzoek is het evalueren van (1) het epidemiologische bewijs voor een verband tussen cannabisgebruik, stoornis in cannabisgebruik en stemmingsstoornissen; (2) prospectief longitudinaal, genetisch en neurocognitief bewijs voor onderliggende mechanismen; en (3) prognose en behandelingsmogelijkheden voor personen met een stoornis in cannabisgebruik en een stemmingsstoornis.\n\nMETHODEN: Narratieve review van bestaande literatuur die wordt gevonden via zoekopdrachten, reviews en meta-analyses in PubMed. Bewijs werd apart beoordeeld voor depressie, bipolaire stoornis en suïcide.\n\nRESULTATEN: Huidig bewijs is beperkt en gemengd, maar wijst op een bidirectioneel verband tussen cannabisgebruik, stoornis in cannabisgebruik en het ontstaan van depressie. Het bewijs wijst stelselmatiger naar cannabisgebruik dat voorafgaat aan het ontstaan van een bipolaire stoornis. Gedeelde neurocognitieve mechanismen en onderliggende genetische en omgevingsrisicofactoren lijken een verklaring voor een deel van het verband. Maar ook het cannabisgebruik zelf kan invloed hebben op het ontstaan van stemmingsstoornissen, en andere stoornissen kunnen cannabisgebruik uitlokken als zelfmedicatie voor symptomen. Comorbide cannabisgebruik en een stoornis in cannabisgebruik hangen samen met een slechtere prognose voor depressie en bipolaire stoornissen, waaronder verhoogd suïcidaal gedrag. Bewijs voor gerichte behandelingen is beperkt.\n\nCONCLUSIES: Het huidige bewijs wordt beperkt door het gebrek aan prospectieve, longitudinale onderzoeken en klinische onderzoeken waarin personen met een comorbide aandoening zijn opgenomen, die tevens een goede controlegroep hebben. Toekomstig onderzoek bij mensen naar causale processen en mogelijke mechanismen die een rol spelen bij het verband tussen cannabisgebruik, stoornis in cannabisgebruik en comorbide stemmingsstoornissen zijn onontbeerlijk voor het optimaliseren van schadebeperking en behandelstrategieën."},"keywords":{"en":["Bipolar disorder; Cannabis use; Cannabis use disorder; Depression; Mood disorders; Suicide."],"nl":["bipolaire stoornis","cannabis","depressie","stemmingsstoornissen","suïcide"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":[],"age":[],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio"]}},{"title":"Additional Value of Peer Informants in Psychological Autopsy Studies of Youth Suicides","authors":"Looijmans, M., van Bergen, D., Gilissen, R., Popma, A., Balt, E., Creemers, D., van Domburgh, L., Mulder, W., Rasing, S., & Mérelle, S.","affiliations":"113, RUG, Amsterdam UMC, GGZ Oost-Brabant, Radboud Universiteit, NCJ","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Qualitative Health Research","identifier":"10.1177/10497323211022316","link":"https://journals-sagepub-com.vu-nl.idm.oclc.org/doi/full/10.1177/10497323211022316","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In this study we examined the feasibility and added value of including peer informants in a psychological autopsy study of youth suicides. Peer semi-structured interview data from 16 cases were analyzed qualitatively and compared with parent data. Results show that peers added information to parents’ narratives in general and particularly on social relationships, bullying, school experiences, social media, and family relations. Peers also provided additional information on the presence of certain issues (such as social media contagion), as well as on the emotional impact from certain adverse events that seemed to have functioned as precipitating factors. We conclude that including peers in psychological autopsy studies of youth suicides is feasible and of added value, but that more research is desirable. The results initially can be used in the design of psychological autopsies so that the maximum amount of information about each suicide will be learned","nl":"PSYCHOLOGISCHE AUTOPSIE: In Nederland is suïcide onder jongeren van 10 tot 20 jaar doodsoorzaak nummer 1. Een goede manier om onderzoek te doen naar de achtergronden en het ontstaan van suïcidaliteit bij jongeren is de ‘psychologische autopsie studie’. Met deze onderzoeksmethode worden meerdere nabestaanden geïnterviewd over het leven van een overleden jongere. In psychologische autopsie studies worden meestal meerdere nabestaanden geïnterviewd zoals ouders en bijvoorbeeld collega’s, broertjes/zusjes en/of vrienden.  \n\nBETREKKEN VAN JONGEREN: Tot nu toe is nog nooit onderzocht of het betrekken van jongeren daadwerkelijk van toegevoegde waarde is voor de resultaten van psychologische autopsie studies. We weten wel dat het betrekken van minderjarige deelnemers in onderzoek lastig is vanwege de, overigens terechte, strenge regels die daar aan verbonden zijn. Met het huidige onderzoek is bekeken of de verhalen van jonge deelnemers in psychologische autopsie studies daadwerkelijk waardevolle informatie toevoegden aan de verhalen van ouders. De onderzoekers wilden graag weten of er door de interviews met de jongeren meer geleerd kon worden over de levens van de overleden jongeren en daarmee over de achtergronden van suïcide.  \n\nRESULTATEN: In dit onderzoek zijn van 16 overleden jongeren de interviews van ouders en broertjes/zusjes/vrienden systematisch vergeleken. Over de mogelijke oorzaken van de suïcide dachten de ouders en jongeren meestal hetzelfde. Jongeren gaven echter meer details dan ouders als het ging over ervaringen op school, sociale relaties, pesten, gebeurtenissen in de gezinssituatie en gebeurtenissen omtrent sociale media. Ouders wisten vaak wel van een bepaalde gebeurtenis af maar jongeren konden meer details vertellen en hadden soms een ander beeld van de impact die een gebeurtenis had op de overleden jongere. Uit dit onderzoek bleek dat de deelnemende jongeren, naast soms heftig en vermoeiend, het heel fijn vonden om mee te werken aan een onderzoek over het leven van hun overleden vriend/vriendin. \n\nPREVENTIE: De resultaten laten zien dat het waardevol is om jongeren te betrekken in psychologische autopsie studies. Leeftijdsgenoten geven op andere gebieden dan ouders informatie over het leven en het gevoelsleven van jongeren die overlijden door suïcide. We raden andere onderzoekers aan vaker jongeren te betrekken in dit soort onderzoek zodat er meer geleerd kan worden over suïcide. Met meer kennis over de achtergronden en het ontstaan van suïcidaliteit kunnen er preventieve maatregelen worden genomen,  zoals bijvoorbeeld interventies om social media tot een veiligere plek voor jongeren te maken."},"keywords":{"en":["Suicide; adolescents; youth; young adults; mental health and illness; methodology; prevention; illness and disease; qualitative; psychological autopsy; the Netherlands"],"nl":["suïcide; adolescenten; jongeren; jong volwassenen; mentale gezondheid en ziekten; methodologie; preventie; ziekten; kwalitatief; psychologische autopsie; Nederland"]},"region":["internationaal"],"type":["kwalitatief","anders"],"setting":["ggz"],"age":["young"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Psychosociale autopsie: Een reconstructie van elke  zelfdoding in Nederland","authors":"Mérelle, S., Balt, E., Heesen, K., Creemers, D., & Gilissen, R.","affiliations":"113, Amsterdam UMC, GGZ Oost-Brabant","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"anders","publicationJournal":"Impact","identifier":null,"link":"https://psychotraumanet.org/nl/een-reconstructie-van-elke-zelfdoding-nederland-psychosociale-autopsie","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["epidemiologie","Nederland","Onderzoek","preventie","risicofactoren","suicidale ideatie","suïcide"]},"region":["internationaal"],"type":["implementatie","kwantitatief"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_maatschappelijk","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Suïcides onder adolescenten in Nederland: een levensfase vol uitdagingen","authors":"Mérelle, S., van Bergen, D., Popma, A., & Creemers, D.","affiliations":"113, RUG, Radboud Universiteit, GGZ Oost-Brabant, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor orthopedagogiek","identifier":null,"link":"tijdschriftvoororthopedagogiek.nl/artikel/110-2272_Suicides-onder-adolescenten-in-Nederland","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"In 2017, the Netherlands experienced a peak of 81 suicides among adolescents aged under 20. Research was conducted among bereaved persons to improve our understanding of risk factors and to reduce suicidality in the future. The adolescents’ teenage years were affected by traumatic experiences such as bullying, cyber-bullying, sexual abuse and stressful home situations, as well as by drug use and social media. Most adolescents were in care at the time of death, had received multiple diagnoses and had found it difficult to obtain appropriate care. Three subgroups were identified: 1) girls characterised by perfectionism, who developed psychopathologies such as eating disorders and who dropped out of school as a result of clinical admissions; (2) boys with a developmental disorder such as autism who were transferred to special education and who felt rejected; (3) adolescents who did not present clear symptoms and who had never received help. In view of the findings, we call for greater use of network psychiatry. We also identify early detection and treatment of suicidality in education as important factors.","nl":"In 2017 was er in Nederland een piek met 81 suïcides onder adolescenten tot 20 jaar. Om meer inzicht te verkrijgen in risicofactoren en om suïcidaliteit in de toekomst terug te dringen is onderzoek gedaan onder nabestaanden.  In de adolescentie waren traumatische ervaringen zoals (cyber)pesten, seksueel misbruik en gespannen thuissituaties van invloed, maar ook drugsgebruik en sociale media. De meeste adolescenten waren in zorg op moment van overlijden, hadden meerdere diagnosen en hadden moeite om passende zorg te vinden. Drie subgroepen werden zichtbaar: 1) meisjes gekenmerkt door perfectionisme, die psychopathologie ontwikkelden zoals eetstoornissen, en uitvielen op school door klinische opnames; (2) jongens met een ontwikkelingsstoornis zoals autisme die werden overgeplaatst naar het speciaal onderwijs en zich afgewezen voelden; (3) adolescenten zonder duidelijke signalen die nooit hulp hadden ontvangen. Gezien de resultaten pleiten we voor een versterkte inzet van netwerkpsychiatrie. Daarnaast is vroegsignalering en behandeling suïcidaliteit in het onderwijs belangrijk."},"keywords":{"en":[],"nl":["jeugdsuïcide; Psychologische autopsie; Jeugd Gezondheidszorg; Sociale media; LHBT"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Psychologische autopsie bij jeugdsuïcides in Nederland","authors":"Mérelle, S.Y.M., Rasing, S.P.A., van Bergen, D.D., Balt, E.M.N., Looijmans, M., van Domburgh, L., Mulder, C.W., Sijperda, O., Gilissen, R., Creemers, D., & Popma, A.","affiliations":"113, RUG, Radboud Universiteit, GGZ Oost-Brabant, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde","identifier":null,"link":"https://www.ntvg.nl/artikelen/psychologische-autopsie-bij-jeugdsuicides-nederland","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: In 2017, there was a sharp increase in the number of suicides among 10- to 19-year-olds. A psychology autopsy study was conducted among the bereaved to identify contributing factors and inform suicide prevention strategies.\n\nDESIGN: A multi-method psychology autopsy study with qualitative interviews and questionnaires.\n\nMETHOD: Coroners identified youth suicides from 2017 and general practitioners contacted the parents. 95 respondents provided information, involving 35 adolescents, on precipitating factors, adolescence, youth (mental) health care, imitation effects, social media and sexual orientation. Qualitative and quantitative analyses were performed.\n\nRESULTS: Several adverse childhood experiences played a role at an individual level, such as (cyber)bullying, parental divorce, sexual abuse, as well as complex mental disorders, and previous suicide attempts. Most adolescents were enrolled in health care at the time of death, had multiple psychiatric diagnoses and difficulties finding appropriate care. Three subgroups stood out: (1) girls characterized by insecurity and perfectionistic traits, who developed psychopathology and dropped out of school, (2) boys with a developmental disorder, who were transferred to special needs education and felt rejected, (3) adolescents who had never received professional help. Contagion effects of social media use in a clinical setting were also found.\n\nCONCLUSION: Suicidality is a complex, often deteriorative process and has no singular cause. It is important to be aware of warning signs of suicidal thoughts, particularly in adolescents. We recommend practitioners to ensure continuity of care, engage in ‘network psychiatry’, where practitioners do not refer but stay involved, and stress the importance of prevention in education.","nl":"DOEL:  In 2017 was er een piek met 81 suïcides onder adolescenten tot 20 jaar. Psychologische autopsies werden uitgevoerd onder nabestaanden om invloedrijke factoren te identificeren en tot praktische aanbevelingen voor suïcidepreventie te komen. \n\nOPZET: Multi-methodische psychologische autopsie met diepte-interviews en vragenlijsten. \n\nMETHODE: Forensisch artsen achterhaalden jeugdsuïcides uit 2017 en huisartsen namen contact op met de ouders of verzorgers. 95 respondenten, behorende bij 35 overleden adolescenten, werden geïnterviewd en vulden vragenlijsten in over invloedrijke factoren, de laatste periode, adolescentie, jeugdzorg en ggz, imitatie-effecten, sociale media en seksuele oriëntatie. Op de antwoorden werden kwalitatieve thematische en kwantitatieve descriptieve analyses uitgevoerd. \n\nRESULTATEN: Op individueel niveau speelde een complex samenspel van negatieve ervaringen uit de kindertijd een rol, zoals pesten, echtscheiding ouders, seksueel misbruik, maar ook psychische stoornissen en eerdere suïcidepogingen. De meeste adolescenten ontvingen zorg op moment van overlijden, hadden vaak meerdere diagnosen en hadden moeite om passende zorg te vinden. Er vielen 3 subgroepen op: (a) meisjes met een perfectionistische houding die psychopathologie ontwikkelden en uitvielen op school; (b) jongens met een ontwikkelingsstoornis, zoals autisme, die werden overgeplaatst naar speciaal onderwijs en zich afgewezen voelden; en (c) adolescenten zonder duidelijke signalen, die nooit hulp hadden ontvangen. Daarnaast werden besmettingseffecten gevonden van sociale media die adolescenten in klinische settingen gebruikten. \n\nCONCLUSIE: Suïcidaliteit is een complex, vaak langdurig proces en heeft nooit één oorzaak. Het is belangrijk om, zeker bij adolescenten, bij allerlei klachten alert te zijn op suïcidale gedachten. Zorg voor continuïteit in de behandeling, maak gebruik van ‘netwerkpsychiatrie’ waarin hulpverleners niet doorverwijzen maar zelf betrokken blijven, en biedt preventie aan in onderwijs."},"keywords":{"en":[],"nl":["Jeugdsuïcide; Psychologische autopsie; Jeugd Gezondheidszorg; Sociale media; LHBT"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Identifying mismatch and match between clinical needs and mental healthcare use trajectories in people with anxiety and depression: Results of a longitudinal study","authors":"Mudiyanselage, K. W. W., Bastiaansen, J. A., Stewart, R., Wardenaar, K. J., Penninx, B. W., Schoevers, R. A., ... & Jörg, F.","affiliations":"RUG, Amsterdam UMC, LUMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2021.09.054","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032721010132?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Mismatch between need and mental healthcare (MHC) use (under-and overuse) has mainly been studied with cross-sectional designs, not accurately capturing patterns of persistence or change in clinical burden and MHC-use among persons with depressive and/or anxiety disorders.\n\nAIMS: Determining and describing [mis]match of longitudinal trajectories of clinical burden and MHC-use.\n\nMETHODS: Six-year longitudinal burden and MHC-use data came from the Netherlands Study of Depression and Anxiety (n=2981). The sample was split into four subgroups: I) no clinical burden but constant MHC use, II) constant clinical burden but no MHC-use, III) changing clinical burden and MHC-use, and IV) healthy non-users. Within subgroups I)-III), specific clinical burden and MHC trajectories were identified (growth mixture modeling). The resulting classes' associations with predisposing, enabling, and need factors were investigated (regression analysis).\n\nRESULTS: Subgroups I-III revealed different trajectories. I) increasing MHC without burden (4.1%). II) slightly increasing (1.9%), strongly increasing (2.4%), and decreasing (9.5%) burden without MHC. III) increasing (41.4%) or decreasing (19.4%) burden and concurrently increasing MHC use (first underuse, then matched care), thus revealing delayed MHC-use. Only having suicidal ideation (p<.001, Cohen's d= .6-1.5) was a significant determinant of being in latter classes compared to underusers (strongly increasing burden without MHC-use).\n\nLIMITATIONS: More explanatory factors are needed to explain [mis]match.\n\nCONCLUSION: Mismatch occurred as constant underuse or as delayed MHC-use in a high-income country (Netherlands). Additionally, no meaningful class revealed constantly matched care on average. Presence of suicidal ideation could influence the probability of symptomatic individuals receiving matched MHC or not.","nl":"ACHTERGROND: Gebrek aan overkomst tussen behoefte en gebruik (overgebruik en ondergebruik) van geestelijke gezondheidszorg (ggz) is voornamelijk onderzocht met een cross-sectionele opzet, waarbij patronen van voortbestaan of verandering in klinische last en ggz gebruik bij personen met depressieve en/of angststoornissen niet nauwkeurig wordt vastgelegd.\n\nDOELEN: Bepalen en beschrijven van (gebrek aan) overeenkomst van longitudinale trajecten van klinische last en ggz gebruik.\n\nMETHODEN: Gegevens over longitudinale last en ggz gebruik over een periode van 6 jaar, zijn afkomstig van de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (n=2981). De steekproef is in vier subgroepen verdeeld: I) geen klinische last maar voortdurend ggz gebruik, II) aanhoudende klinische last maar geen ggz gebruik, III) veranderende klinische last en ggz gebruik en IV) gezonde niet-gebruikers. Binnen subgroepen I)-III), werden specifieke klinische last en ggz trajecten vastgesteld (gemengde groeimodellering). De hieruit voortvloeiende verbanden tussen de klassen met predisponerende, faciliterende en behoeftefactoren werden onderzocht (regressieanalyse).\n\nRESULTATEN: Subgroepen I-III lieten verschillende trajecten zien. I) toenemend ggz gebruik zonder last (4,1%). II) licht toenemende (1,9%), sterk toenemende (2,4%) en afnemende (9,5%) last zonder ggz gebruik. III) toenemende (41,4%) of afnemende (19,4%) last en gelijktijdig toenemend ggz gebruik (eerst ondergebruik, dan passende zorg), wat een vertraagd ggz gebruik aan het licht brengt. Alleen het hebben van suïcidale gedachten (p < 0,001, Cohens d = 0,6-1,5) was een significante determinant om in de laatstgenoemde klassen te vallen vergeleken met ondergebruikers (sterk toenemende last zonder ggz gebruik).\n\nBEPERKINGEN: Meer verklarende factoren zijn nodig om (gebrek aan) overeenkomst te verklaren.\n\nCONCLUSIE: Gebrek aan overeenkomst kwam voor als voortdurend ondergebruik of als vertraagd ggz gebruik in een land met een hoog inkomen (Nederland). Daarnaast kwam er geen betekenisvolle klasse aan het licht die tot gemiddeld aanhoudend overeenkomende zorg leidde. De aanwezigheid van suïcidale gedachten is mogelijk van invloed op de kans dat mensen met symptomen wel of geen passende ggz krijgen."},"keywords":{"en":["Anxiety; Clinical burden; Depression; Developed countries; Healthcare use; Longitudinal study; Mental health services."],"nl":["angst","klinische last","depressie","gezondheidszorg","ggz","longitudinaal"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Uitzichtloos: preventie en impact van suïcide","authors":"onbekend","affiliations":"ARQ Kenniscentrum, 113","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"anders","publicationJournal":"ARQ Kenniscentrum","identifier":null,"link":"https://oorlog.arq.org/sites/default/files/domain-50/documents/impact_magazine-2021-03-web-50-163966434020177779.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["suïcidepreventie","preventieve maatregelen","interventies"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":[],"age":[],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":[]}},{"title":"Maatschappelijke kosten van zelfdoding","authors":"onbepaald","affiliations":"113, Deloitte","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Niet van toepassing","identifier":null,"link":"https://www2.deloitte.com/content/dam/Deloitte/nl/Documents/about-deloitte/deloitte-nl-rapportage-maatschappelijke-kosten-suicide.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["kosten","suïcide","maatschappelijk beleid"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":[],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Reactie op: ‘Suïcide bij mensen met een lichte verstandelijke beperking’","authors":"Otter, M., & Cohen, D.","affiliations":"onbekend","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"anders","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/issues/562/articles/12497","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["licht verstandelijke beperking","suïcide","psychiatrie"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Ketamine self-medication in a patient with autism spectrum disorder and comorbid treatment-resistant depression/ Ketamine als zelfmedicatie bij patiënt \nmet autismespectrumstoornis en \ntherapieresistente depressie","authors":"Ozgen, M. H., & van den Brink, W.","affiliations":"LUMC, Amsterdam UMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor Psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/issues/570/articles/12833","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["autisme"],"abstract":{"en":"We saw a 60-year-old male veterinarian with a history of autism spectrum disorder, major depressive disorder, and suicidality. He had been treated with more than 15 psychotropic medications, was admitted to inpatient care several times, and attempted suicide once. His current complaints included a decline in social functioning, repetitive behaviour, sensory hypersensitivity, anxiety, low mood, anhedonia, lack of energy, and chronic suicidality. His last medication consisted of risperidone and valproic acid. Despite intensive treatment, he remained impaired by his complaints and could not return to work. After self-medication with ketamine, he reported that his depressive and suicidal complaints disappeared and that his autism-related complaints diminished. This case - together with previous clinical research - suggests that ketamine is likely to be effective against depression and suicidality, that ketamine is potentially effective against autism-related symptoms, and that increasing awareness of the beneficial effects of ketamine can lead to unsupervised, and therefore risky, use of ketamine as a form of self-medication.","nl":"Wij zagen een 60-jarige mannelijke dierenarts met een autismespectrumstoornis (ASS), een depressieve stoornis en suïcidaliteit die met meer dan 15 verschillende psychofarmaca behandeld was, een aantal keren opgenomen was geweest en in het verleden een suïcidepoging had gedaan. Zijn huidige klachten waren beperkingen in het sociaal functioneren, repetitief gedrag, sensorische overgevoeligheid, angst, depressieve stemming, weinig plezier en energie en chronische suïcidaliteit. Zijn laatste medicatie bestond uit risperidon en valproïnezuur. Ondanks intensieve behandeling bleef hij last houden van zijn klachten en was hij niet in staat om te werken. Na zelfmedicatie met ketamine rapporteerde hij dat zijn depressie en de suïcidaliteit verdwenen waren en dat zijn autismesymptomen waren verminderd. Deze casus suggereert - samen met eerder klinisch onderzoek - dat ketamine waarschijnlijk effectief is tegen depressie en suïcidaliteit en mogelijk effectief tegen ASS-symptomen. Toenemende bekendheid van de gunstige effecten van ketamine lijkt te kunnen leiden tot meer onbegeleid en daarmee risicovol \ngebruik van ketamine als zelfmedicatie"},"keywords":{"en":["ketamine","self-medication","autism","depression"],"nl":["ketamine","medicatie","autisme","depressie"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief","anders"],"setting":[],"age":["old"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Family Belongingness Attenuates Entrapment and Buffers Its Association with Suicidal Ideation in a Sample of Dutch Sexual Minority Emerging Adults","authors":"Parra, L. A., van Bergen, D. D., Dumon, E., Kretschmer, T., La Roi, C., Portzky, G., & Frost, D. M.","affiliations":"RUG","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Archives of Sexual Behavior","identifier":"10.1007/s10508-020-01838-0","link":"https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs10508-020-01838-0","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["lgbtq","youngadult"],"abstract":{"en":"Sexual minority emerging adults are more likely to engage in suicidal ideation than their heterosexual counterparts. Experiences of homophobic violence are associated with suicidal ideation. Yet, the specific mechanisms linking homophobic violence to suicidal ideation remain unclear. Entrapment and social belongingness were tested to determine their relevance for understanding the link between homophobic violence and suicidal ideation. A sample of sexual minority Dutch emerging adults (N = 675; ages 18-29, M = 21.93 years, SD = 3.20) were recruited through online platforms and flyers. Homophobic violence was expected to be positively associated with suicidal ideation and entrapment. The association between homophobic violence and suicidal ideation was expected to be indirectly linked through entrapment. We explored whether various sources of social belongingness moderated the path between entrapment and suicidal ideation and whether those sources of social belongingness moderated the indirect effect of homophobic violence on suicidal ideation through entrapment. Results showed that homophobic violence and entrapment were positively associated with suicidal ideation and that family belongingness was negatively associated with suicidal ideation. Homophobic violence and suicidal ideation were not indirectly linked through entrapment. The interaction effect between entrapment and family belongingness was significant, suggesting that, on average, the effect of entrapment on suicidal ideation decreased when family belongingness was high. These results suggest that family belongingness may reduce the association between entrapment and suicidal ideation while adjusting for homophonic violence. Reducing entrapment and improving family belongingness may be useful targets for programs aimed at preventing suicidal ideation among sexual minority emerging adults.","nl":"Jongvolwassenen die tot een seksuele minderheid behoren hebben een grotere kans om suïcidale gedachten te hebben dan hun heteroseksuele leeftijdsgenoten. Ervaringen met homofoob geweld hangen samen met suïcidale gedachten. Maar de specifieke mechanismen van de wijze waarop homofoob geweld verband houdt met suïcidale gedachten blijft onduidelijk. Er werd gekeken naar het gevoel vast te zitten en sociale verbondenheid om te bepalen wat de relevantie hiervan is voor het begrijpen van het verband tussen homofoob geweld en suïcidale gedachten. Via online platforms en flyers werd een steekproef genomen van Nederlandse jongvolwassenen die tot een seksuele minderheid behoren (n = 675; leeftijd 18-29, gem. = 21,93 jaar, SD = 3,20). De verwachting was dat er een positief verband zou bestaan tussen homofoob geweld en suïcidale gedachten en het gevoel vast te zitten. Het verband tussen homofoob geweld en suïcidale gedachten werd verondersteld indirect gekoppeld te zijn aan het gevoel vast te zitten. De onderzoekers verkenden of verschillende bronnen van sociale verbondenheid een moderator vormden voor het pad tussen het gevoel vast te zitten en suïcidale gedachten en of die bronnen van sociale verbondenheid het indirecte effect van homofoob geweld op suïcidale gedachten via het gevoel vast te zitten afzwakten. Uit de resultaten bleek dat homofoob geweld en het gevoel vast te zitten positief verband hielden met suïcidale gedachten en dat familieverbondenheid een negatief verband hield met suïcidale gedachten. Homofoob geweld en suïcidale gedachten waren niet indirect gekoppeld via het gevoel vast te zitten. Het interactie-effect tussen het gevoel vast te zitten en familieverbondenheid was significant, wat erop duidt dat, over het geheel genomen, het effect van het gevoel vast te zitten op suïcidale gedachten afnam wanneer er sprake was van grote familieverbondenheid. Deze resultaten wijzen erop dat familieverbondenheid mogelijk het verband verlaagt tussen het gevoel vast te zitten en suïcidale gedachten wanneer wordt gecorrigeerd voor homofoob geweld. Verminderen van het gevoel vast te zitten en vergroten van familieverbondenheid kunnen bruikbare factoren zijn om zich op te richten in programma's die tot doel hebben suïcidale gedachten te voorkomen bij jongvolwassenen die tot een seksuele minderheid behoren."},"keywords":{"en":["Entrapment; Homophobic violence; Minority stress; Sexual orientation; Social belongingness; Suicidal ideation"],"nl":["homofobie","seksuele oriëntatie","suïcidale ideation","entrapment"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc"]}},{"title":"Suicide trends in the early months of the COVID-19 pandemic: an interrupted time-series analysis of preliminary data from 21 countries","authors":"Pirkis, J., John, A., Shin, S., DelPozo-Banos, M., Arya, V., Analuisa-Aguilar, P., ... & Spittal, M. J.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The Lancet Psychiatry","identifier":"10.1016/S2215-0366(21)00091-2","link":"https://www.thelancet.com/journals/lanpsy/article/PIIS2215-0366(21)00091-2/fulltext","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The COVID-19 pandemic is having profound mental health consequences for many people. Concerns have been expressed that, at their most extreme, these consequences could manifest as increased suicide rates. We aimed to assess the early effect of the COVID-19 pandemic on suicide rates around the world.\n\nMETHODS: We sourced real-time suicide data from countries or areas within countries through a systematic internet search and recourse to our networks and the published literature. Between Sept 1 and Nov 1, 2020, we searched the official websites of these countries' ministries of health, police agencies, and government-run statistics agencies or equivalents, using the translated search terms \"suicide\" and \"cause of death\", before broadening the search in an attempt to identify data through other public sources. Data were included from a given country or area if they came from an official government source and were available at a monthly level from at least Jan 1, 2019, to July 31, 2020. Our internet searches were restricted to countries with more than 3 million residents for pragmatic reasons, but we relaxed this rule for countries identified through the literature and our networks. Areas within countries could also be included with populations of less than 3 million. We used an interrupted time-series analysis to model the trend in monthly suicides before COVID-19 (from at least Jan 1, 2019, to March 31, 2020) in each country or area within a country, comparing the expected number of suicides derived from the model with the observed number of suicides in the early months of the pandemic (from April 1 to July 31, 2020, in the primary analysis).\n\nFINDINGS: We sourced data from 21 countries (16 high-income and five upper-middle-income countries), including whole-country data in ten countries and data for various areas in 11 countries). Rate ratios (RRs) and 95% CIs based on the observed versus expected numbers of suicides showed no evidence of a significant increase in risk of suicide since the pandemic began in any country or area. There was statistical evidence of a decrease in suicide compared with the expected number in 12 countries or areas: New South Wales, Australia (RR 0·81 [95% CI 0·72-0·91]); Alberta, Canada (0·80 [0·68-0·93]); British Columbia, Canada (0·76 [0·66-0·87]); Chile (0·85 [0·78-0·94]); Leipzig, Germany (0·49 [0·32-0·74]); Japan (0·94 [0·91-0·96]); New Zealand (0·79 [0·68-0·91]); South Korea (0·94 [0·92-0·97]); California, USA (0·90 [0·85-0·95]); Illinois (Cook County), USA (0·79 [0·67-0·93]); Texas (four counties), USA (0·82 [0·68-0·98]); and Ecuador (0·74 [0·67-0·82]).\n\nINTERPRETATION: This is the first study to examine suicides occurring in the context of the COVID-19 pandemic in multiple countries. In high-income and upper-middle-income countries, suicide numbers have remained largely unchanged or declined in the early months of the pandemic compared with the expected levels based on the pre-pandemic period. We need to remain vigilant and be poised to respond if the situation changes as the longer-term mental health and economic effects of the pandemic unfold.","nl":"ACHTERGROND: De coronapandemie heeft grote gevolgen voor de mentale gezondheid van veel mensen. De zorg is uitgesproken dat deze gevolgen zich in het ergste geval kunnen manifesteren als een verhoogd aantal suïcides. Het doel van dit onderzoek is om de vroege effecten van de coronapandemie op het aantal suïcides wereldwijd te beoordelen.\n\nMETHODEN: Er zijn realtimegegevens over suïcides verzameld uit landen of regio's binnen landen via een systematische zoektocht op internet en een beroep op binnen de onderzoeksgroep aanwezige netwerken en gepubliceerde literatuur. Tussen 1 september en 1 november 2020 heeft in deze landen een zoektocht plaatsgevonden op de officiële websites van de ministeries van gezondheidszorg, politiediensten en door de overheid geleide bureaus voor statistiek of gelijkwaardige alternatieven hiervan, met gebruik van de vertalingen voor de termen 'suïcide' en 'doodsoorzaak', waarna de zoektocht werd verbreed in een poging om gegevens te verzamelen via andere publieke bronnen. Gegevens van een bepaald land of een bepaalde regio werden opgenomen wanneer de gegevens afkomstig waren van een officiële overheidsbron en ze beschikbaar waren op maandelijks niveau, minimaal van 1 januari 2019 tot en met 31 juli 2020. Om pragmatische redenen is de zoektocht op internet beperkt tot landen met meer dan 3 miljoen inwoners, maar deze regel werd niet strikt gehanteerd voor landen die werden gevonden via de literatuur en binnen het netwerk van de onderzoeksgroep. Regio's binnen een land konden ook worden opgenomen met een populatie van minder dan 3 miljoen. Met behulp van een onderbroken tijdreeksanalyse werd de trend gemodelleerd van maandelijkse suïcides vóór corona (minimaal van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020) in elk land of elke regio binnen een land, en werd een vergelijking gemaakt van het verwachte aantal suïcides dat is afgeleid van het model en het waargenomen aantal suïcides in de eerste maanden van de pandemie (van 1 april tot en met 31 juli 2020, in de primaire analyse).\n\nRESULTATEN: Er zijn gegevens verzameld uit 21 landen (16 landen met een hoog inkomen en 5 met een hoog-middeninkomen), inclusief gegevens van het hele land in 10 landen en gegevens voor verschillende regio's in 11 landen). Uit het rate ratio (RR) en 95% BI gebaseerd op de waargenomen versus de verwachte aantallen suïcide, bleek in geen enkel land en in geen enkele regio een significante toename van het suïciderisico sinds het uitbreken van de pandemie. Er was statistisch bewijs voor een afname in suïcide vergeleken met het verwachte aantal in 12 landen of regio's: New South Wales, Australië (RR 0,81 [95% BI 0,72-0,91]); Alberta, Canada (0,80 [0,68-0,93]); British Columbia, Canada (0,76 [0,66-0,87]); Chili (0,85 [0,78-0,94]); Leipzig, Duitsland (0,49 [0,32-0,74]); Japan (0,94 [0,91-0,96]); Nieuw Zeeland (0,79 [0,68-0,91]); Zuid Korea (0,94 [0,92-0,97]); Californië, VS (0,90 [0,85-0,95]); Illinois (Cook County), VS (0,79 [0,67-0,93]); Texas (vier counties), VS (0,82 [0,68-0,98]); en Ecuador (0,74 [0,67-0,82]).\n\nINTERPRETATIE: Dit is het eerste onderzoek naar suïcides die plaatsvonden in de context van de coronapandemie in meerdere landen. In landen met een hoog en hoog-middeninkomen, bleef het aantal suïcides in de vroege maanden van de pandemie grotendeels onveranderd of nam dit aantal af vergeleken met het verwachte aantal op basis van de periode voorafgaand aan de pandemie. Het is nodig om waakzaam te blijven en klaar te staan om te reageren als de situatie verandert wanneer de langetermijneffecten van de pandemie op het gebied van mentale gezondheid en de economie zich manifesteren."},"keywords":{"en":[],"nl":["covid-19","corona","suïcide","cross-nationaal"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Do Doctors Differentiate Between Suicide and Physician-Assisted Death? A Qualitative Study into the Views of Psychiatrists and General Practitioners","authors":"Pronk, R., Willems, D. L., & van de Vathorst, S.","affiliations":"Amsterdam UMC, Erasmus MC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Culture, Medicine, and Psychiatry","identifier":"10.1007/s11013-020-09686-2","link":"https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs11013-020-09686-2","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Physician-assisted death for patients suffering from psychiatric disorders is allowed in the Netherlands under certain circumstances. One of the central problems that arise with regard to this practice is the question of whether it is possible to distinguish between suicidality and a request for physician-assisted death. We set up this study to gain insight into how psychiatrists and general practitioners distinguish between suicidality and physician-assisted death. The data for this study were collected through qualitative interviews with 20 general practitioners and 17 psychiatrists in the Netherlands. From the interviews, we conclude that physicians distinguish three types of death wishes among patients suffering from psychiatric disorders: 'impulsive suicidality,' 'chronic suicidality,' and 'rational death wishes.' To discern between them they evaluate whether the death wish is seen as part of the psychopathology, whether it is consistent over time, and whether they consider it treatable. Some considered physician-assisted death an alternative to a 'rational suicide,' as this was perceived to be a more humane manner of death for the patient and their relatives. We argue that physician-assisted death can be justified also in some cases in which the death wish is part of the psychopathology, as the patient's suffering can be unbearable and irremediable. Physician-assisted death in these cases may remain the only option left to relieve the suffering.","nl":"Hulp bij suïcide voor patiënten die aan psychische aandoeningen lijden is in Nederland onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Een van de centrale problemen die zich met betrekking tot deze praktijk voordoen, is de vraag of het mogelijk is onderscheid te maken tussen suïcidaliteit en een verzoek om hulp bij suïcide. Dit onderzoek is opgezet om inzicht te krijgen in de manier waarop psychiaters en huisartsen onderscheid maken tussen suïcidaliteit en hulp bij suïcide. De gegevens voor dit onderzoek zijn verzameld door middel van kwalitatieve interviews met 20 huisartsen en 17 psychiaters in Nederland. Op basis van de interviews kan worden geconcludeerd dat artsen drie typen doodswensen onderscheiden bij patiënten die lijden aan psychische aandoeningen: 'impulsieve suïcidaliteit', 'chronische suïcidaliteit' en 'rationele doodswensen'. Om deze van elkaar te onderscheiden, evalueren zij of de doodswens gezien wordt als onderdeel van de psychopathologie, of deze in de loop van de tijd constant blijft en of ze van mening zijn dat deze behandelbaar is. Sommigen zagen hulp bij suïcide als een alternatief voor een 'rationele suïcide', aangezien dit werd gezien als een humanere manier van sterven voor de patiënt en diens naasten. De onderzoekers stellen dat hulp bij suïcide in sommige gevallen ook te rechtvaardigen is wanneer de doodswens deel uitmaakt van de psychopathologie, want het lijden van de patiënt kan ondraaglijk en ongeneeslijk zijn. In zulke gevallen is hulp bij suïcide mogelijk de enige mogelijkheid om het lijden te verhelpen."},"keywords":{"en":["Euthanasia; Netherlands; Physician-assisted death; Psychiatric patients; Psychiatry; Suicide"],"nl":["euthanasia","psychiatrie","suïcide"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Pragmatic Quasi-Experimental Controlled Trial Evaluating the Outcomes of Blended CBT Compared to Face-to-Face CBT and Treatment as Usual for Adolescents with Depressive Disorders","authors":"Rasing, S., Stikkelbroek, Y. A., den Hollander, W., Riper, H., Deković, M., Nauta, M. H., ... & Bodden, D. H.","affiliations":"Universiteit Utrecht, GGZ Oost-Brabant, VU, Radboud Universiteit, RUG","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Environmental Research and Public Health","identifier":"10.3390/ijerph18063102","link":"https://www.mdpi.com/1660-4601/18/6/3102","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"Depression is a major problem in youth mental health. Current treatment is on average effective, but adolescents are hesitant to seek help. Blended treatment could lower the barriers to seeking treatment. Evidence on effectiveness is, however, scarce. The present pragmatic quasi-experimental controlled trial aimed to compare the outcomes of blended cognitive behavioral therapy (CBT) to face-to-face CBT and treatment as usual. A total of 129 adolescents with clinical depression (82.2% female), aged 13-22 (M = 16.60, SD = 2.03) received blended CBT, face-to-face CBT or treatment as usual. Clinical diagnosis, depressive symptoms, and secondary outcomes were assessed at baseline, post-intervention, and six-months follow-up. Participants receiving blended CBT were, compared to participants receiving face-to-face CBT and treatment as usual, evenly likely to be in remission from their depressive disorder at post-intervention and at six-month follow-up. Depressive symptoms decreased significantly over time in all three conditions, and changes were not significantly different between conditions. Other secondary outcomes (suicide risk, internalizing and externalizing symptoms, severity of depression, and global functioning) did not differ between treatment conditions at post-intervention and six-month follow-up. Since there was no evidence for favorable outcomes for face-to-face therapies above blended CBT, blended CBT may also be an effective treatment format in clinical practice.","nl":"Depressie is een belangrijk probleem voor de geestelijke gezondheid van jongeren. De huidige behandeling is gemiddeld effectief, maar adolescenten aarzelen om hulp te zoeken. Blended therapie kan de barrières om behandeling te zoeken verlagen. Er is echter nauwelijks bewijs voor de effectiviteit hiervan. Dit pragmatisch, quasi-experimenteel, gecontroleerd onderzoek heeft als doel een vergelijking te maken tussen de uitkomsten van blended cognitieve gedragstherapie (CGT) vergeleken met face-to-face CGT en gebruikelijke behandeling. In totaal hebben 129 adolescenten met een klinische depressie (82,2% vrouw), in de leeftijd 13-22 jaar (Gem. = 16,60, SD = 2,03) blended CGT, face-to-face CGT of gebruikelijke behandeling gekregen. Klinische diagnose, depressieve symptomen en secundaire uitkomsten werden beoordeeld bij baseline, na de interventie en bij follow up na zes maanden. Deelnemers die blended CGT kregen hadden, vergeleken met deelnemers die face-to-face CGT en de gebruikelijke behandeling kregen, evenveel kans om in remissie te zijn van hun depressieve stoornis bij de metingen na de interventie en bij follow up na zes maanden. Depressieve symptomen namen significant af in de loop van de tijd in alle drie de groepen en veranderingen waren niet significant tussen de groepen. Andere secundaire uitkomsten (suïciderisico, internaliserende en externaliserende symptomen, ernst van depressie en algeheel functioneren) verschilde niet tussen de behandelgroepen bij de metingen na de interventie en bij follow up na zes maanden. Omdat er geen bewijs is gevonden voor gunstigere resultaten met face-to-face therapieën dan met blended CGT, kan blended CGT ook een effectieve behandelvorm zijn in de klinische praktijk."},"keywords":{"en":["CBT; adolescents; blended; depression; treatment."],"nl":["CGT","adolescenten","blended therapie","depressie","behandeling"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","implementatie","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Previous disorders and depression outcomes in individuals with 12-month major depressive disorder in the World Mental Health surveys","authors":"Roest, A. M., De Vries, Y. A., Al-Hamzawi, A., Alonso, J., Ayinde, O. O., Bruffaerts, R., ... & De Jonge, P.","affiliations":"RUG","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Epidemiology and Psychiatric Sciences","identifier":"10.1017/S2045796021000573","link":"https://www.cambridge.org/core/journals/epidemiology-and-psychiatric-sciences/article/previous-disorders-and-depression-outcomes-in-individuals-with-12month-major-depressive-disorder-in-the-world-mental-health-surveys/07AA707569DC194F1F91C84BB0B6A40A","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"AIMS: Major depressive disorder (MDD) is characterised by a recurrent course and high comorbidity rates. A lifespan perspective may therefore provide important information regarding health outcomes. The aim of the present study is to examine mental disorders that preceded 12-month MDD diagnosis and the impact of these disorders on depression outcomes.\n\nMETHOD: Data came from 29 cross-sectional community epidemiological surveys of adults in 27 countries (n = 80 190). The Composite International Diagnostic Interview (CIDI) was used to assess 12-month MDD and lifetime DSM-IV disorders with onset prior to the respondent's age at interview. Disorders were grouped into depressive distress disorders, non-depressive distress disorders, fear disorders and externalising disorders. Depression outcomes included 12-month suicidality, days out of role and impairment in role functioning.\n\nRESULTS: Among respondents with 12-month MDD, 94.9% (s.e. = 0.4) had at least one prior disorder (including previous MDD), and 64.6% (s.e. = 0.9) had at least one prior, non-MDD disorder. Previous non-depressive distress, fear and externalising disorders, but not depressive distress disorders, predicted higher impairment (OR = 1.4-1.6) and suicidality (OR = 1.5-2.5), after adjustment for sociodemographic variables. Further adjustment for MDD characteristics weakened, but did not eliminate, these associations. Associations were largely driven by current comorbidities, but both remitted and current externalising disorders predicted suicidality among respondents with 12-month MDD.\n\nCONCLUSIONS: These results illustrate the importance of careful psychiatric history taking regarding current anxiety disorders and lifetime externalising disorders in individuals with MDD.","nl":"DOELEN: Een ernstige depressieve stoornis (major depressive disorder, MDD) wordt gekenmerkt door een terugkerend beloop en een hoog comorbiditeitspercentage. Een levensloopperspectief kan daarom belangrijke informatie verschaffen over gezondheidsuitkomsten. Het doel van dit onderzoek is het bestuderen van psychische aandoeningen die voorafgegaan zijn aan de diagnose 12 maanden durende MDD en de invloed van deze aandoeningen op de uitkomsten van de depressie.\n\nMETHODEN: Gegevens zijn afkomstig van 29 cross-sectionele maatschappelijke epidemiologische onderzoeken onder volwassenen in 27 landen (n = 80.190). Met behulp van het Composite International Diagnostic Interview (CIDI) werden voorafgaand aan het interview de 12 maanden durende MDD en de DSM IV-aandoeningen die zich in het leven van de respondent hebben voorgedaan voorafgaand aan de leeftijd die de respondent had op het moment van het interview. Aandoeningen werden gegroepeerd in depressieve stoornissen, niet-depressieve stoornissen, angststoornissen en externaliserende stoornissen. Uitkomsten van depressie omvatten suïcidaliteit tot 12 maanden, dagen waarin rol niet vervuld kan worden en beperking in rolfunctioneren.\n\nRESULTATEN: Van de respondenten met een 12 maanden durende MDD, had 94,9% (std. fout = 0,4) ten minste één eerdere aandoening (inclusief eerdere MDD) en 64,6% (std. fout = 0,9) ten minste één eerdere aandoening die geen MDD was. Eerdere niet-depressieve aandoeningen en angst- en externaliserende stoornissen, maar geen depressieve aandoeningen, bleken een voorspeller van meer beperkingen (OR = 1,4-1,6) en suïcidaliteit (OR = 1,5-2,5), na correctie voor sociodemografische variabelen. Een verdere correctie voor kenmerken van MDD verzwakte deze verbanden, maar nam ze niet helemaal weg. Verbanden werden grotendeels gestuurd door huidige comorbiditeiten, maar zowel afgenomen als huidige externaliserende aandoeningen waren een voorspeller van suïcidaliteit onder respondenten met een 12 maanden bestaande MDD.\n\nCONCLUSIES: Deze resultaten onderstrepen het belang van het afnemen van een zorgvuldige psychiatrische anamnese ten aanzien van huidige angststoornissen en tijdens het leven opgetreden externaliserende stoornissen bij mensen met een MDD."},"keywords":{"en":["Comorbidity; impairment; major depressive disorder; suicidal thoughts and behaviours."],"nl":["comorbiditeit","depressie","suïcidaliteit"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych"]}},{"title":"Content-Based Recommender Support System for Counselors in a Suicide Prevention Chat Helpline: Design and Evaluation Study","authors":"Salmi, S., Mérelle, S., Gilissen, R., & Brinkman, W. P.","affiliations":"113, CWI, TU Delft","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Medical Internet Research","identifier":"10.2196/21690","link":"https://www.jmir.org/2021/1/e21690/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The working environment of a suicide prevention helpline requires high emotional and cognitive awareness from chat counselors. A shared opinion among counselors is that as a chat conversation becomes more difficult, it takes more effort and a longer amount of time to compose a response, which, in turn, can lead to writer’s block.\n\nOBJECTIVE: This study evaluates and then designs supportive technology to determine if a support system that provides inspiration can help counselors resolve writer’s block when they encounter difficult situations in chats with help-seekers.\n\nMETHODS: A content-based recommender system with sentence embedding was used to search a chat corpus for similar chat situations. The system showed a counselor the most similar parts of former chat conversations so that the counselor would be able to use approaches previously taken by their colleagues as inspiration. In a within-subject experiment, counselors’ chat replies when confronted with a difficult situation were analyzed to determine if experts could see a noticeable difference in chat replies that were obtained in 3 conditions: (1) with the help of the support system, (2) with written advice from a senior counselor, or (3) when receiving no help. In addition, the system’s utility and usability were measured, and the validity of the algorithm was examined.\n\nRESULTS: A total of 24 counselors used a prototype of the support system; the results showed that, by reading chat replies, experts were able to significantly predict if counselors had received help from the support system or from a senior counselor (P=.004). Counselors scored the information they received from a senior counselor (M=1.46, SD 1.91) as significantly more helpful than the information received from the support system or when no help was given at all (M=–0.21, SD 2.26). Finally, compared with randomly selected former chat conversations, counselors rated the ones identified by the content-based recommendation system as significantly more similar to their current chats (β=.30, P<.001).\n\nCONCLUSIONS: Support given to counselors influenced how they responded in difficult conversations. However, the higher utility scores given for the advice from senior counselors seem to indicate that specific actionable instructions are preferred. We expect that these findings will be beneficial for developing a system that can use similar chat situations to generate advice in a descriptive style, hence helping counselors through writer’s block.","nl":"Om hulpverleners te ondersteunen tijdens moeilijke situaties in de hulplijn, hebben wij een tool ontworpen om tijdens deze moment inspiratie te bieden. Door de moeilijke situatie via machine learning te vergelijken met gespreksfragmenten uit het verleden, kan de hulpverlener gemakkelijk vergelijkbare situaties opzoeken. In een experiment kregen hulpverleners moeilijke chat situaties om op te reageren. Uit de resultaten bleek dat het hulpsysteem invloed had op de antwoorden die hulpvragers gaven. Tevens zagen hulpverleners significant verschil tussen de gespreksfragementen geselecteerd door het machine learning algoritme en willekeurig geselecteerde grespreksfragmenten."},"keywords":{"en":["suicide prevention; content based recommender system; chat corpus; crisis line; sentence embedding; suicide; mental health"],"nl":["suïcidepreventie; op inhoud gebaseerd aanbevelingssysteem; chat corpus; crisislijn; zin inbedden; suïcide; mentale gezondheid"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","implementatie","kwantitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Content-Based Recommender Support System for Counselors in a Suicide Prevention Chat Helpline: Design and Evaluation Study","authors":"Salmi, S., Mérelle, S., Gilissen, R., & Brinkman, W. P.","affiliations":"113, CWI, TU Delft","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Medical Internet Research","identifier":"10.2196/21690","link":"https://www.jmir.org/2021/1/e21690/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The working environment of a suicide prevention helpline requires high emotional and cognitive awareness from chat counselors. A shared opinion among counselors is that as a chat conversation becomes more difficult, it takes more effort and a longer amount of time to compose a response, which, in turn, can lead to writer’s block.\n\nOBJECTIVE: This study evaluates and then designs supportive technology to determine if a support system that provides inspiration can help counselors resolve writer’s block when they encounter difficult situations in chats with help-seekers.\n\nMETHODS: A content-based recommender system with sentence embedding was used to search a chat corpus for similar chat situations. The system showed a counselor the most similar parts of former chat conversations so that the counselor would be able to use approaches previously taken by their colleagues as inspiration. In a within-subject experiment, counselors’ chat replies when confronted with a difficult situation were analyzed to determine if experts could see a noticeable difference in chat replies that were obtained in 3 conditions: (1) with the help of the support system, (2) with written advice from a senior counselor, or (3) when receiving no help. In addition, the system’s utility and usability were measured, and the validity of the algorithm was examined.\n\nRESULTS: A total of 24 counselors used a prototype of the support system; the results showed that, by reading chat replies, experts were able to significantly predict if counselors had received help from the support system or from a senior counselor (P=.004). Counselors scored the information they received from a senior counselor (M=1.46, SD 1.91) as significantly more helpful than the information received from the support system or when no help was given at all (M=–0.21, SD 2.26). Finally, compared with randomly selected former chat conversations, counselors rated the ones identified by the content-based recommendation system as significantly more similar to their current chats (β=.30, P<.001).\n\nCONCLUSIONS: Support given to counselors influenced how they responded in difficult conversations. However, the higher utility scores given for the advice from senior counselors seem to indicate that specific actionable instructions are preferred. We expect that these findings will be beneficial for developing a system that can use similar chat situations to generate advice in a descriptive style, hence helping counselors through writer’s block.","nl":"Om hulpverleners te ondersteunen tijdens moeilijke situaties in de hulplijn, hebben wij een tool ontworpen om tijdens deze moment inspiratie te bieden. Door de moeilijke situatie via machine learning te vergelijken met gespreksfragmenten uit het verleden, kan de hulpverlener gemakkelijk vergelijkbare situaties opzoeken. In een experiment kregen hulpverleners moeilijke chat situaties om op te reageren. Uit de resultaten bleek dat het hulpsysteem invloed had op de antwoorden die hulpvragers gaven. Tevens zagen hulpverleners significant verschil tussen de gespreksfragementen geselecteerd door het machine learning algoritme en willekeurig geselecteerde grespreksfragmenten."},"keywords":{"en":["suicide prevention; content based recommender system; chat corpus; crisis line; sentence embedding; suicide; mental health"],"nl":["suïcidepreventie; op inhoud gebaseerd aanbevelingssysteem; chat corpus; crisislijn; zin inbedden; suïcide; mentale gezondheid"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","implementatie","kwantitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Richtlijn-gebaseerde zorg leidt tot een verbetering in psychische klachten bij patiënten met uiteenlopende psychiatrische stoornissen / Guidelines improve patient outcomes in specialised mental health care: A systematic review and meta-analysis","authors":"Setkowski, K., Boogert, K., Hoogendoorn, A. W., Gilissen, R., & van Balkom, A. J.","affiliations":"113, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Acta Psychiatrica Scandinavica","identifier":"10.1111/acps.13332","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1111/acps.13332","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The uptake of evidence-based guideline recommendations appears to be challenging. In the midst of the discussion on how to overcome these barriers, the question of whether the use of guidelines leads to improved patient outcomes threatens to be overlooked. This study examined the effectiveness of evidence-based guidelines for all psychiatric disorders on patient health outcomes in specialist mental health care. \n\nMETHODS: All types of evidence-based guidelines, such as psychological- and medication-focused guidelines, were eligible for inclusion. Provider performance was measured as a secondary outcome. Time to remission when treated with the guidelines was also examined. Six databases were searched until 10 August 2020. Studies were selected and data was extracted independently according to the PRISMA guidelines. Random effects meta-analyses were used to pool estimates across studies. Risk of bias was assessed according to the Cochrane Effective Practice and Organization of Care Review Group criteria. \n\nRESULTS: The meta-analysis included 18 studies (N=5380). Guidelines showed a positive significant effect size on the severity of psychopathological symptoms at the patient level when compared to treatment-as-usual (TAU) (d=0.29,95%-CI=(0.19,0.40),p<0.001). Removal of a potential outlier gave globally the same results with Cohen’s d=0.26. Time to remission was shorter in the guideline treatment compared with TAU (HR=1.54, 95%-CI=(1.29, 1.84),p=0.001,n=3).  \n\nCONCLUSION: Patients cared for with guideline-adherent treatments improve to a greater degree and more quickly than patients treated with TAU. Knowledge on the mechanisms of change during guideline-adherent treatment needs to be developed further such that we can provide the best possible treatment to patients in routine care.","nl":"Alhoewel richtlijnen ervoor bedoeld zijn om patiënten met uiteenlopende psychiatrische stoornissen de best mogelijke zorg te bieden, blijkt het succesvol implementeren van deze richtlijnen binnen de ggz een ingewikkeld vraagstuk. Tegelijkertijd is er onduidelijkheid in hoeverre deze richtlijnen daadwerkelijk resulteren in een verbetering in psychische klachten bij patiënten binnen de ggz. Daarom beoogde dit onderzoek de vraag te beantwoorden of richtlijn gebaseerde zorg effectief is in het behandelen van psychische klachten bij patiënten met diverse psychiatrische stoornissen. De mate van naleving van de richtlijn bij ggz-professionals werd gemeten als secundaire uitkomstmaat. Daarnaast werd ook bekeken of patiënten die richtlijn gebaseerde zorg ontvingen, sneller in remissie traden vergeleken met patiënten die standaardzorg (controle conditie) kregen. In totaal werden er binnen dit onderzoek 18 wetenschappelijke studies geïncludeerd. Op basis van onze resultaten kunnen we concluderen dat deze patiëntengroep baat kan hebben bij het volgen van richtlijn gebaseerde zorg. Zo lieten patiënten die behandeld werden volgens de richtlijn een significante verbetering zien in hun psychische klachten. Bovendien knapten deze patiënten ook sneller op. Om patiënten binnen de ggz de best mogelijke zorg te kunnen bieden, is het van belang beter in kaart te brengen welke veranderprocessen in werking treden op het moment dat een patiënt een behandeling ontvangt volgens de richtlijn."},"keywords":{"en":["algorithm","evidence-based guideline","implementation","mental health care","meta-analysis"],"nl":["algoritme","evidence-based","implementatie","meta-analyse"]},"region":["internationaal"],"type":["review","meta","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","healthcareworkers"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Predictors of voluntary and compulsory admissions after psychiatric emergency consultation in youth","authors":"So, P., Wierdsma, A. I., Kasius, M. C., Cornelis, J., Lommerse, M., Vermeiren, R. R., & Mulder, C. L.","affiliations":"Youz, Parnassia, Erasmus MC, Arkin, LUMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"European Child & Adolescent Psychiatry","identifier":"10.1007/s00787-020-01558-9","link":"https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00787-020-01558-9","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"As hospital beds are scarce, and emergency admissions to a psychiatric ward are major life-events for children and adolescents, it is essential to have insight into the decision-making process that leads to them. To identify potentially modifiable factors, we, therefore, studied the contextual and clinical characteristics associated with the voluntary and compulsory emergency admission of minors. We used registry data (2008-2017) on 1194 outpatient emergencies involving children aged 6-18 who had been referred to the mobile psychiatric emergency service in two city areas in The Netherlands. Demographic and contextual factors were collected, as well as clinical characteristics including diagnoses, psychiatric history, Global Assessment of Functioning (GAF), and the Severity of Psychiatric Illness (SPI) scale. Logistic regression analyses were used to identify factors that predict voluntary or compulsory admission. Of 1194 consultations, 227 (19.0%) resulted in an admission, with 137 patients (11.5%) being admitted voluntarily and 90 (7.5%) compulsorily. Independently of legal status, the following characteristics were associated with admission: severity of psychiatric symptoms, consultation outside the patient's home, and high levels of family disruption. Relative to voluntary admission, compulsory admission was associated with more severe psychiatric problems, higher suicide risk, and prior emergency compulsory admission. Two potentially modifiable factors were associated with psychiatric emergency admission: the place where patients were seen for consultation, and the presence of family problems. Psychiatric emergency admissions may be reduced if, whenever possible, minors are seen in their homes and if a system-oriented approach is used.","nl":"Omdat ziekenhuisbedden schaars zijn en spoedopnames op een psychiatrische afdeling een ingrijpende gebeurtenis zijn in het leven van kinderen en jongeren, is het cruciaal om inzicht te hebben in het besluitvormingsproces dat hieraan voorafgaat. Om factoren te vinden die mogelijk beïnvloed kunnen worden, is er gekeken naar de contextuele en klinische kenmerken die samenhangen met de vrijwillige en gedwongen spoedopnames van minderjarigen. De onderzoekers maakten gebruik van registergegevens (2008-2017) over 1194 poliklinische spoedconsulten waarbij kinderen tussen de 6 en 18 jaar waren betrokken die waren verwezen naar de mobiele psychiatrische spoeddienst in twee stadsdelen in Nederland. Er werden demografische en contextuele factoren verzameld, evenals klinische kenmerken, waaronder diagnose, psychiatrische voorgeschiedenis, GAF score (Global Assessment of Functioning) en SPI score (Severity of Psychiatric Illness). Met behulp van logistische regressieanalyse werd gezocht naar factoren die vrijwillige of gedwongen opname voorspellen. Van de 1194 consulten, leidden er 227 (19,0%) tot een opname, waarbij 137 patiënten (11,5%) vrijwillig werden opgenomen en 90 (7,5%) gedwongen. Onafhankelijk van wettelijke status, hingen de volgende kenmerken samen met een opname: ernst van psychiatrische symptomen, consult buiten het huis van de patiënt en een hoge mate van verstoring in het gezin. Vergeleken met vrijwillige opname, ging gedwongen opname gepaard met ernstigere psychiatrische problemen, een hoger suïciderisico en eerdere gedwongen spoedopnames. Twee factoren die mogelijk beïnvloed kunnen worden hingen samen met een psychiatrische spoedopname: de plek waar patiënten werden gezien voor het consult en de aanwezigheid van problemen in het gezin. Mogelijk kan het aantal psychiatrische spoedopnames worden verlaagd wanneer het consult zo mogelijk bij de minderjarige thuis plaatsvindt en wanneer een systeemgerichte benadering wordt gebruikt."},"keywords":{"en":["Child psychiatry; Emergency admission; Emergency mental health services; Intensive home treatment; Predictors of hospitalization."],"nl":["kinderpsychiatrie","spoedeisende hulp","ziekenhuis","opname"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["young"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Family group conferences for suicidal adolescents: Promising results from naturalistic case study research","authors":"van Alphen, R. H., Schout, G., Koudstaal, A. J., de Vreugd, M., Abma, T., & Vermeiren, R. R.","affiliations":"LUMC, Amsterdam UMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Death Studies","identifier":"10.1080/07481187.2021.1967514","link":"https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/07481187.2021.1967514","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Can thwarted belongingness and perceived burdensomeness, risk factors for suicidal adolescents, be turned around by family group conferences? In this case study on Nick, a 17-year-old who undertook six suicide attempts, we (including Nick) share insights and learning opportunities on how family group conferences can be used. The thematic analysis suggests that family group conferences might be a promising intervention for suicidal adolescents. For Nick, the conference was a turning point in his life, correcting perceptions of being a burden, pushing back passiveness, and boosting connection with and support from the broad social network","nl":"Kunnen een gebrek aan het gevoel ergens bij te horen en een ervaren gevoel anderen tot last te zijn, risicofactoren voor suïcidale adolescenten, worden veranderd door Eigen Kracht conferenties? In dit casusonderzoek naar Nick, een 17-jarige die zes suïcidepogingen heeft ondernomen, delen de onderzoekers samen met Nick zelf inzichten en leermogelijkheden voor het gebruik van Eigen Kracht conferenties. De thematische analyse suggereert dat Eigen Kracht conferenties een veelbelovende interventie kunnen zijn voor suïcidale adolescenten. Voor Nick was de conferentie een keerpunt in zijn leven, waarbij de perceptie van een last zijn voor anderen werd gecorrigeerd, passiviteit werd verminderd en verbinding met en steun van het brede sociale netwerk werd vergroot."},"keywords":{"en":["case report","thwarted belongingness","perceived burdensomeness","family intervention"],"nl":["case report","thwarted belongingness","perceived burdensomeness","familie"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief","anders"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Cognitive therapy and interpersonal psychotherapy reduce suicidal ideation independent from their effect on depression","authors":"van Bentum, J. S., van Bronswijk, S. C., Sijbrandij, M., Lemmens, L. H., Peeters, F. F., Drukker, M., & Huibers, M. J.","affiliations":"VU, Maastricht University","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Depression & Anxiety","identifier":"10.1002/da.23151.","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/da.23151","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Clinical guidelines suggest that psychological interventions specifically aimed at reducing suicidality may be beneficial. We examined the impact of two depression treatments, cognitive therapy (CT) and interpersonal psychotherapy (IPT) on suicidal ideation (SI) and explored the temporal associations between depression and SI over the course of therapy.\n\nMETHODS: Ninety-one adult (18-65) depressed outpatients from a large randomized controlled trial who were treated with CT (n = 37) and IPT (n = 54) and scored at least ≥1 on the Beck Depression Inventory II (BDI-II) suicide item were included. Linear (two-level) mixed effects models were used to evaluate the impact of depression treatments on SI. Mixed-effects time-lagged models were applied to examine temporal relations between the change in depressive symptoms and the change in SI.\n\nRESULTS: SI decreased significantly during treatment and there were no differential effects between the two intervention groups (B = -0.007, p = .35). Depressive symptoms at the previous session did not predict higher levels of SI at the current session (B = 0.016, p = .16). However, SI measured at the previous session significantly predicted depressive symptoms at the current session (B = 2.06, p < .001).\n\nCONCLUSIONS: Both depression treatments seemed to have a direct association with SI. The temporal association between SI and depression was unidirectional with SI predicting future depressive symptoms during treatment. Our findings suggest that it may be most beneficial to treat SI first.","nl":"ACHTERGROND: Klinische richtlijnen suggereren dat psychologische interventies die specifiek gericht zijn op het verminderen van suïcidaliteit, gunstig kunnen zijn. In deze studie werd de impact van twee depressiebehandelingen onderzocht: cognitieve therapie (CT) en interpersoonlijke psychotherapie (IPT) op suïcidale gedachten en bekeken de onderzoekers de tijdsgebonden verbanden tussen depressie en suïcidale gedachten gedurende de therapie.\n\nMETHODEN: Er werden 91 volwassen (18-65 jaar) poliklinische patiënten met een depressie uit een groot, gerandomiseerd, gecontroleerd onderzoek geïncludeerd, die werden behandeld met CT (n = 37) en IPT (n = 54) en die een score van ten minste ≥ 1 hadden op het Beck Depression Inventory II (BDI-II) suïcide-onderdeel. Er werd gebruik gemaakt van lineaire mixed effects-modellen (twee niveaus) om de invloed te beoordelen van depressiebehandelingen op suïcidale gedachten. Mixed-effects-modellen met tijdvertraging werden toegepast om tijdsgebonden verbanden te onderzoeken tussen de verandering in depressieve symptomen en de verandering in suïcidale gedachten.\n\nRESULTATEN: Suïcidale gedachten namen significant af tijdens de behandeling en er waren geen differentiële effecten tussen de twee interventiegroepen (B = -0,007, p = 0,35). Depressieve symptomen bij de vorige sessie waren geen voorspeller van een toename in suïcidale gedachten bij de huidige sessie (B = 0,016, p = 0,16). Wel voorspelden suïcidale gedachten gemeten bij de vorige sessie in significante mate depressieve symptomen bij de huidige sessie (B = 2,06, p < 0,001).\n\nCONCLUSIES: Beide depressiebehandelingen leken een direct verband te hebben met suïcidale gedachten. Het tijdsgebonden verband tussen suïcidale gedachten en depressie was unidirectioneel, waarbij suïcidale gedachten een voorspeller waren voor toekomstige depressieve symptomen tijdens de behandeling. Deze bevindingen wijzen erop dat het van nut kan zijn om eerst de suïcidale gedachten te behandelen."},"keywords":{"en":["adult; cognitive behavioral therapy; depression; interpersonal psychotherapy; linear models; randomized controlled trial; suicide"],"nl":["cognitieve gedragstherapie","depressie","interpersoonlijke therapie","rct","suïcide"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Attempted suicide and suicide of young Turkish women in Europe and Turkey: A systematic literature review of characteristics and precipitating factors","authors":"Van Bergen, D., Eylem-Van Bergeijk, O., & Montesinos, A. H.","affiliations":"RUG, VU","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"PLoS One","identifier":"10.1371/journal.pone.0253274","link":"https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0253274","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The increased risk of suicidal behaviour among Turkish women living in Europe and Turkey is a serious public health problem. This study compares and synthesises the empirical evidence of demographic, social, psychological and interpersonal characteristics and precipitating factors in the suicides and attempted suicides of Turkish women in Europe and Turkey.\n\nMETHODS: We systematically searched eight databases (PsycINFO, PubMed, Med Line, Web of Science, Smart Cat, Safety Lit, BASE and Ulakbim), using search terms in English, Turkish, German and Dutch, as well as the reference lists of the retrieved papers. We extracted data on countries/regions, population characteristics, sample characteristics, recruitment, method of data collection, type of suicidal behaviour (suicide or attempted suicide) and precipitating factors and characteristics. The results were qualitatively synthesised.\n\nRESULTS: We retrieved nine studies on attempted suicide in Europe (from Germany, Switzerland and the Netherlands), 17 studies on attempted suicide in Turkey and 10 studies on suicide in Turkey (36 in total). Overall, we found similar precipitating factors and characteristics of attempted suicide and suicide in Turkey and Europe, including socio-demographic factors (young age and not being enrolled in the labour market), poverty and, to some extent, mental illness. Moreover, conflicts with family or spouses and violence against women, including so-called honour violence, were particularly common for women living in or originating from traditional areas in Turkey.\n\nCONCLUSION: The framework of intersectionality is relevant to understanding our results, because structural inequalities in gender roles, gender role expectations as well as power imbalances among socio-economic classes collectively impact the suicidal behaviour of Turkish women. Moreover, the importance of violence against women points to the cultural continuity of the patriarchal and oppressive structures of Europe and Turkey. Suicide prevention efforts should address cultural attitudes underlying violence against women and girls through community education programmes, cultural and gender-sensitive care provision and jurisdiction.","nl":"ACHTERGROND: Het verhoogde risico op suïcidaal gedrag onder Turkse vrouwen die in Europa en Turkije wonen is een ernstig probleem voor de volksgezondheid. In dit onderzoek wordt het empirisch bewijs van demografische, sociale, psychologische en interpersoonlijke kenmerken en invloedrijke factoren bij de suïcides en pogingen tot suïcide van Turkse vrouwen in Europa en Turkije vergeleken en samengevoegd.\n\nMETHODEN: Er is een systematische zoekopdracht uitgevoerd in acht databases (PsycINFO, PubMed, Med Line, Web of Science, Smart Cat, Safety Lit, BASE en Ulakbim), met zoektermen in het Engels, Turks, Duits en Nederlands, en in de literatuurlijst van de gevonden artikelen. Er zijn gegevens verzameld over landen/gebieden, bevolkingskenmerken, steekproefkenmerken, werving, methode van gegevensverzameling, soort suïcidaal gedrag (suïcide of suïcidepoging) en invloedrijke factoren en kenmerken. De resultaten werden kwalitatief samengevoegd.\n\nRESULTATEN: De onderzoekers vonden 9 onderzoeken naar suïcidepogingen in Europa (uit Duitsland, Zwitserland en Nederland), 17 onderzoeken naar suïcidepogingen in Turkije en 10 onderzoeken naar suïcide in Turkije (36 in totaal). In het algemeen werden er vergelijkbare invloedrijke factoren en kenmerken gevonden voor suïcidepoging en suïcide in Turkije en Europa, inclusief sociodemografische factoren (jonge leeftijd en niet deelnemen op de arbeidsmarkt), armoede en, tot op zekere hoogte, psychische ziekte. Verder kwamen conflicten met familie of echtgenoten en geweld tegen vrouwen, inclusief eerwraak, in het bijzonder vaak voor bij vrouwen die in traditionele gebieden van Turkije wonen of daaruit afkomstig zijn.\n\nCONCLUSIE: Dit raamwerk van intersectionaliteit is relevant voor het duiden van de gevonden resultaten, omdat structurele ongelijkheid in genderrollen, genderrolverwachtingen en ongelijke machtsverhoudingen in alle sociaaleconomische klassen bij elkaar invloed hebben op het suïcidegedrag van Turkse vrouwen. Verder wijst het belang van geweld tegen vrouwen op de culturele continuïteit van de patriarchale en onderdrukkende structuren in Europa en Turkije. Inspanningen voor suïcidepreventie moeten ook gericht zijn op culturele opvattingen die ten grondslag liggen aan geweld tegen vrouwen en meisje via voorlichtingsprogramma's in de gemeenschap, culturele en gendersensitieve zorg en jurisdictie."},"keywords":{"en":["turkey","women","suicidal behavior","emigration"],"nl":["migratie","suïcidaal gedrag","turkije"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":[],"age":[],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc"]}},{"title":"The impact of a suicide prevention awareness campaign on stigma, taboo and attitudes towards professional help-seeking","authors":"Van der Burgt, M. C. A., Beekman, A. T. F., Hoogendoorn, A. W., Berkelmans, G., Franx, G., & Gilissen, R.","affiliations":"113, GGZ inGeest, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2020.11.024","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/33234278/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: In 2017, the European Alliance against Depression (EAAD) was introduced in The Netherlands through the creation of six Suicide Prevention Action Networks (SUPRANET Community). The intervention was launched with a national suicide prevention awareness campaign. This campaign aims to encourage the general public to talk about suicide. This study aimed to gain insight into the effectiveness of the campaign in achieving attitudinal change in the general public, as stigmas related to mental health disorders and -services are an important reason for insufficient help-seeking.\n\nMETHODS: A repeated cross-section design, using general population surveys (N = 6,773) to measure key variables over time. The survey includes questions on socio-demographic variables, campaign visibility, brand awareness of the Dutch helpline, perceived taboo on suicide, attitudes towards depression and help-seeking.\n\nRESULTS: The public awareness campaign was predominantly visible among the younger generation. Respondents who indicated having seen the public awareness campaign showed more openness towards seeking professional help and were considerably more likely to be familiar with the Dutch helpline than those who reported not having seen the campaign. Campaign awareness also seemed to relate to a higher perceived taboo on suicide and a lower estimation of the value of professional help.\n\nLIMITATIONS: Due to the nature of the intervention, we used a quasi-experimental design. Self-report can lead to desirability bias, especially when measuring attitudes and stigmas.\n\nCONCLUSIONS: Our results strengthen the idea that awareness campaigns can make a contribution to informing the general public about mental health services and improving help-seeking behaviour.","nl":"113 suïcidepreventie heeft in 2017 een nationale publiekscampagne uitgerold. De campagne De vraag van je leven was zowel gericht aan het algemene publiek als aan huisartsen en andere professionals. Het doel van de campagne was het doorbreken van het taboe op praten over suïcide, het herkennen van signalen van suïcidale gedachten, het geven van concrete tips en handvatten over hoe je hiermee kan omgaan en erop wijzen dat je terecht kunt voor hulp bij hulpverleners in de buurt of anoniem bij 113. Het was voor het eerst dat er in Nederland een landelijke suïcidepreventie campagne werd gevoerd. Om inzicht te krijgen in de effecten van de campagne zijn er op 4 momenten vragenlijsten afgenomen onder het algemene publiek: Voor de start van de campagne, vlak erna, een jaar later en twee jaar later. De resultaten laten zien dat de campagne vooral zichtbaar was onder jongeren onder de 25 jaar. De mensen die aangaven dat ze de campagne hadden gezien, toonden zich meer open voor het zoeken naar hulp bij psychische problemen. Ook waren ze aanzienlijk meer bekend met 113 suïcidepreventie dan de mensen die de campagne niet hadden gezien. Het onderzoek laat zien dat de campagne de houding van mensen ten aanzien van het zoeken van professionele hulp heeft verbeterd en dat is een belangrijke stap om het negatieve stigma rondom psychische problemen te doorbreken."},"keywords":{"en":["SUPRANET; Suicide prevention; attitudinal change; help-seeking behaviour; multi-level intervention; public awareness campaign"],"nl":["SUPRANET; suïcidepreventie; attitudeverandering; hulpzoekend gedrag; interventie op meerdere niveaus; bewustmakingscampagne"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"The effect of local Suicide Prevention Action Networks (SUPRANET) on stigma, taboo and attitudes towards professional help-seeking: an exposure-response analysis","authors":"van der Burgt, M. C., Beekman, A. T., Hoogendoorn, A. W., Berkelmans, G., Franx, G., & Gilissen, R.","affiliations":"113, Amsterdam UMC, GGZ inGeest, CWI","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology","identifier":"10.1007/s00127-021-02078-w","link":"https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00127-021-02078-w","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"PURPOSE: In 2017, the European Alliance against Depression (EAAD) programme was introduced in the Netherlands through the creation of six local Suicide Prevention Action Networks (SUPRANET Community). This programme consists of interventions on four levels: (1) a public awareness campaign, (2) training local gatekeepers, (3) targeting high-risk persons in the community and (4) training of primary care professionals. This study aims to gain insight into the effectiveness of the SUPRANET programme on attitudinal changes in the general public by studying the exposure-response relationship.\n\nMETHODS: A repeated cross-sectional design, using general population surveys to measure key variables over time. The surveys were conducted in the six intervention regions (N = 2586) and in the Netherlands as a whole as a control region (N = 4187) and include questions on socio-demographic variables, brand awareness of the Dutch helpline, perceived taboo on suicide, attitudes towards depression and help-seeking. To examine the exposure-response relationship, regions were differentiated into 3 groups: low, medium and high exposure of the SUPRANET programme.\n\nRESULTS: The results revealed that respondents in the intervention regions considered professional help to be more valuable and were more likely to be familiar with the Dutch helpline than respondents in the control region. In the exposure-response analyses, the grading of effects was too small to reach statistical significance.\n\nCONCLUSIONS: Our study provides the first evidence for the effectiveness of the SUPRANET Community programme on creating attitudinal change in the general public.","nl":"ACHTERGROND: In 2017 werd de Europese alliantie tegen depressie (European Alliance against Depression, EAAD) in Nederland geïntroduceerd via het opzetten van de SUPRANET Community (Suïcidepreventie Actienetwerken), bestaande uit 6 netwerken. De interventie werd geïntroduceerd tijdens de nationale bewustwordingscampagne voor suïcidepreventie. Het doel van deze campagne is om het algemene publiek aan te moedigen om over suïcide te praten. Dit onderzoek is erop gericht inzicht te krijgen in de mate waarin de campagne erin is geslaagd een houdingsverandering te bereiken onder het algemene publiek, omdat stigma's in verband met psychische aandoeningen en hulpverlening een belangrijke reden zijn om onvoldoende hulp te zoeken.\n\nMETHODEN: Een herhaalde cross-sectionele opzet, waarbij vragenlijsten onder het algemene publiek (n = 6.773) worden gebruikt om belangrijke variabelen te meten in het verloop van de tijd. De vragenlijsten bevatten vragen over sociodemografische variabelen, zichtbaarheid van de campagne, merkbekendheid van de Nederlandse hulplijn, ervaren taboe ten aanzien van suïcide, houding ten opzichte van depressie en hulp zoeken.\n\nRESULTATEN: De publieke bewustwordingscampagne was voornamelijk zichtbaar onder de jongere generatie. Respondenten die aangaven de publieke bewustwordingscampagne te hebben gezien, toonden meer openheid ten aanzien van het zoeken van professionele hulp en bleken aanzienlijk meer bekend te zijn met de Nederlandse hulplijn dan degenen die aangaven dat ze de campagne niet gezien hadden. Bewustheid van de campagne leek ook verband te houden met een hoger ervaren taboe ten aanzien van suïcide en een lagere inschatting van de waarde van professionele hulp.\n\nBEPERKINGEN: Wegens de aard van de interventie, is een quasi-experimentele opzet gebruikt. Zelfrapportage kan leiden tot het geven van gewenste antwoorden, in het bijzonder wanneer houdingen en stigma's worden gemeten.\n\nCONCLUSIES: De resultaten versterken het idee dat bewustwordingscampagnes kunnen bijdragen aan het informeren van het algemene publiek over aanbieders geestelijke gezondheidszorg en het bevorderen van hulpzoekend gedrag."},"keywords":{"en":["Attitudinal change; Help-seeking behaviour; Multilevel intervention; SUPRANET; Suicide prevention."],"nl":["attitudes","stigma","hulp zoeken","suïcide","SUPRANET"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":[],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Incidence of completed suicide and suicide attempts in a global prospective study of Huntington's disease","authors":"van Duijn, E., Fernandes, A. R., Abreu, D., Ware, J. J., Neacy, E., & Sampaio, C.","affiliations":"LUMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BJ Psych Open","identifier":"10.1192/bjo.2021.969","link":"https://www.cambridge.org/core/journals/bjpsych-open/article/incidence-of-completed-suicide-and-suicide-attempts-in-a-global-prospective-study-of-huntingtons-disease/40392EBF4B6FBEC97B52470FAF568A82","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Risk of death from suicide in Huntington's disease is notably elevated relative to that in the general population, although the incidence within HD populations has not been precisely defined. Robust incidence estimates of suicidal behavior can serve as references for HD therapeutic research and post-marketing surveillance to help evaluate the suicidality risk of novel therapeutics.\n\nAIMS: To estimate the incidence rate of completed suicide and suicide attempt in the global, prospective HD cohort study Enroll-HD that records these events per protocol.\n\nMETHOD: A total of 20 912 participants were available for analysis (HD gene-expansion carriers (HDGECs) n = 15 924; non-HDGECs n = 4988) representing a collective observation period of 53 390 participant-years. Each observed event was subject to clinical review and evaluation. We generated incidence rates (events per 100 000 person-years) for suicides and suicide attempts using all available data, as well as by year of study and geographical region. Proportionate mortality statistics for suicide and respective 95% confidence intervals were also generated.\n\nRESULTS: The overall incidence rate of suicide in HDGECs was 72 per 100 000 person-years, and 8 per 100 000 person-years in non-HDGECs. Proportionate mortality attributable to suicide in HDGECs was 4.6%. For suicide attempts, the global overall incidence rate observed in HDGECs was 306-375 per 100 000 person-years, and 23-38 per 100 000 person-years in non-HDGECs.\n\nCONCLUSIONS: The incidence estimates calculated here can be used as a reference to help evaluate drug safety and may also be useful in assessing progress in clinical care for HDGECs once therapeutic interventions become widely available.","nl":"ACHTERGROND: Het risico op overlijden door suïcide is bij mensen met de ziekte van Huntington duidelijk verhoogd vergeleken met het risico in de algemene bevolking, hoewel niet precies omschreven is hoe vaak dit voorkomt bij mensen met de ziekte van Huntington. Solide incidentieschattingen van suïcidaal gedrag kunnen dienst doen als referentie voor therapeutisch onderzoek naar de ziekte van Huntington en post-marketingtoezicht als hulp voor het beoordelen van het suïciderisico van nieuwe therapieën.\n\nDOELEN: Het schatten van het percentage geslaagde suïcides en suïcidepogingen in het globale, prospectieve cohortonderzoek naar de ziekte van Huntington, Enroll-HD, dat deze voorvallen volgens protocol vastlegt.\n\nMETHODE: In totaal waren 20.912 deelnemers beschikbaar voor analyse (deelnemers met de genexpansie voor de ziekte van Huntington (HDGEC) n = 15.924; deelnemers zonder HDGEC n = 4988) die een gezamenlijke observatieperiode vertegenwoordigen van 53.390 patiëntjaren. Elk waargenomen voorval werd klinisch beoordeeld en geëvalueerd. De onderzoekers genereerden voorvalpercentages (voorvallen per 100.000 persoonsjaren) voor suïcides en suïcidepogingen met gebruik van alle gegevens, evenals per onderzoeksjaar en per geografische gebied. Ook werd er proportionele sterftestatistiek voor suïcide gegenereerd met de bijbehorende 95% betrouwbaarheidsintervallen.\n\nRESULTATEN: Het algehele voorvalpercentage van suïcide bij patiënten met HDGEC was 72 per 100.000 persoonsjaren en 8 per 100.000 persoonsjaren bij deelnemers zonder HDGEC. Proportionele sterfte die is toe te schrijven aan suïcide bij mensen met HDGEC was 4,6%. Het algehele voorvalpercentage van suïcidepogingen bij patiënten met HDGEC was 306-375 per 100.000 persoonsjaren en 23-38 per 100.000 persoonsjaren bij deelnemers zonder HDGEC.\n\nCONCLUSIES: De hier berekende incidentieschattingen kunnen worden gebruikt als referentie om het beoordelen van geneesmiddelveiligheid te faciliteren en zijn mogelijk ook nuttig voor het beoordelen van vooruitgang in klinische zorg voor mensen met HDGEC wanneer therapeutische interventies breed beschikbaar komen."},"keywords":{"en":["Huntington's disease; Suicide; clinical neurology; epidemiology; self-harm."],"nl":["Huntington","suïcide","klinische neurologie","epidemiologie","zelfbeschadiging"]},"region":["internationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Imaging suicidal thoughts and behavior: the promise of computational models","authors":"van Harmelen, A. L., Schmaal, L., & Blumberg, H. P.","affiliations":"Universiteit Leiden","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Neuropsychopharmacology","identifier":"10.1038/s41386-020-00841-2","link":"https://www.nature.com/articles/s41386-020-00841-2","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["computational models","suicidal thoughts","neuroimaging"],"nl":["neuroimaging","modellen","suïcidale ideatie"]},"region":["nvt"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":[],"age":[],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Railway Suicide in The Netherlands Lower Than Expected","authors":"Van Houwelingen, C. A., Di Bucchianico, A., Beersma, D. G., & Kerkhof, A. J.","affiliations":"GGZe, Eindhoven university, RUG, VU","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000792.","link":"https://econtent.hogrefe.com/doi/full/10.1027/0227-5910/a000792?rfr_dat=cr_pub++0pubmed&url_ver=Z39.88-2003&rfr_id=ori%3Arid%3Acrossref.org","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Increasing rail transportation requires appropriate railway suicide preventive measures. \n\nAIMS: The investigation of trends in railway suicide during 2008-2018, a period in which preventive measures were taken by Dutch railway infrastructure manager ProRail. \n\nMETHODS: Generalized linear regression models for railway suicide were developed for the period 1970-2007 with general suicide rate, railway traffic intensity, and a combination of these variables as regressors. Subsequently, the best-fitting model was used to investigate trends in railway suicide after 2007 by comparing in retrospect observed values with the expected outcomes of the regression model. \n\nRESULTS: An adequate regression model for railway suicide was obtained using both general suicide rate and railway traffic intensity as regressors. Based on this model, while national suicide mortality and railway traffic increased, a distinct relative decline in railway suicides was found from 2012 onward. \n\nCONCLUSIONS: This decline of railway suicides in the Netherlands may indicate that preventive measures taken by ProRail were effective and prevented around 85 railway suicides annually, a reduction of 30%.","nl":"ACHTERGROND: Intensivering van vervoer per spoor vereist passende maatregelen om suïcides op het spoor te voorkomen. \n\nDOELEN: Het onderzoeken van trends in suïcides op het spoor tussen 2008 en 2018, een periode waarin preventieve maatregelen werden genomen door de Nederlandse spoorwegbeheerder ProRail. \n\nMETHODEN: Voor de periode 1970-2007 zijn lineaire regressiemodellen voor suïcides op het spoor ontwikkeld, met algeheel suïcidepercentage, intensiteit van het spoorverkeer en een combinatie van deze variabelen als regressors. Vervolgens werd met het best-fittingmodel gekeken naar trends in suïcides op het spoor na 2007 door het vergelijken van retrospectief gevonden waarden met de verwachte uitkomsten van het regressiemodel. \n\nRESULTATEN: Er is een adequaat regressiemodel voor suïcides op het spoor verkregen met gebruik van zowel algehele suïcidepercentages als intensiteit van het spoorverkeer als regressors. Gebaseerd op dit model is gevonden dat er, ondanks een toename in het nationale sterftecijfer door suïcide en in de intensiteit van het spoorverkeer, een duidelijke relatieve afname was in het aantal suïcides op het spoor in de periode vanaf 2012. \n\nCONCLUSIES: Deze afname van suïcides op het spoor in Nederland kan erop wijzen dat preventieve maatregelen die zijn genomen door ProRail effectief waren en jaarlijks ongeveer 85 suïcides op het spoor hebben voorkomen, een afname van 30%."},"keywords":{"en":["The Netherlands; prevention; railroads; statistics; suicide"],"nl":["Nederland","preventie","spoorsuïcide","trein","statistiek"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","kwantitatief","anders"],"setting":["ggz"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Suïcidepreventie bij jongeren/Prevention of young people's suicide: strengthen resilience and focus on mental health problems","authors":"van 't Land, C. K. J., & Beket, E. S.","affiliations":"Amsterdam UMC","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"anders","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde","identifier":null,"link":"https://www.ntvg.nl/artikelen/suicidepreventie-bij-jongeren#","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"It is highly tragic when a young person commits suicide. Van Vuuren et al. show trends among self-reported suicidal thoughts and suicidal attempts among over 25.000 Amsterdam children, aged 13 and 14, of different educational levels and ethnic backgrounds, between 2010 and 2015. They advise policy makers to base their choice of suicide prevention measures on the information about trends. In this commentary, we state that policy makers should refrain from doing so, because of the unclear relation between highly prevalent self-reported suicidal thoughts and attempts and extremely rare actual suicide, because of negligence of cultural aspects of suicide in handling the evidence and because trends based on data from 2010-2015 are useless when devising policies in the midst of the covid-19 crisis. We advise policy makers to focus on strengthening young people's resilience and on the prevention of mental health problems instead.","nl":"Het is uiterst tragisch wanneer een jongere suïcide pleegt. Van Vuuren et al. toonden trends aan in zelfgerapporteerde suïcidale gedachten en suïcidepogingen onder meer dan 25.000 Amsterdamse kinderen van 13 en 14 jaar, van verschillende opleidingsniveaus en etnische achtergronden tussen 2010 en 2015. Zij geven advies aan beleidsmakers, zodat deze hun keuze voor maatregelen voor suïcidepreventie kunnen baseren op de informatie over trends. In dit commentaar raden de onderzoekers beleidsmakers af om dit te doen, wegens het onduidelijke verband tussen veel voorkomende zelfgerapporteerde suïcidale gedachten en pogingen en zeer zelden voorkomende daadwerkelijke suïcides, wegens het buiten beschouwing laten van culturele aspecten van suïcide bij het behandelen van de gegevens en omdat trends gebaseerd op gegevens in de periode tussen 2010 en 2015 nutteloos zijn voor het opstellen van beleid tijdens de coronacrisis. De onderzoekers adviseren beleidsmakers om zich in plaats daarvan te richten op het versterken van de veerkracht van jonge mensen en op het voorkomen van psychische problemen."},"keywords":{"en":[],"nl":["jongeren","mentale veerkracht","preventie","psychische klachten"]},"region":["nvt"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["young"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Comparing machine learning to a rule-based approach for predicting suicidal behavior among adolescents: Results from a longitudinal population-based survey","authors":"van Vuuren, C. L., van Mens, K., de Beurs, D., Lokkerbol, J., van der Wal, M. F., Cuijpers, P., & Chinapaw, M. J. M.","affiliations":"Amsterdam UMC, Trimbos, VU","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2021.09.018","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032721009770?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: Suicidal thoughts and suicide attempts are one of the most prominent public health concerns in adolescents and therefore early detection is important to initiate preventive interventions and closer monitoring.\n\nMETHOD: We examined whether the Machine Learning models Random Forest and Lasso Regression better predict future suicidal behavior than a simple decision rule that classifies every adolescent with history of suicide ideation at baseline as at risk (current practice). We used data from a general population of students in second and fourth year of secondary education in Amsterdam, the Netherlands.\n\nRESULTS: Both the Random Forest and the Lasso Regression resulted in slightly better prediction. The AUC of the Random Forest (0.79) and Lasso regression (0.76) were both higher than the AUC of the decision rule (0.64). The Random Forest achieved slightly (but non-significantly) higher sensitivity than the decision rule (0.37 versus 0.34), with the same specificity (0.94). With Lasso Regression the sensitivity increased significantly (0.52), but at the expense of the specificity (0.85).\n\nLIMITATIONS: The loss of cases after merging the data, the use of self-reported data, confidential data collection and the use of only four questions to measure suicidal behavior.\n\nCONCLUSIONS: This is the first study applying Machine Learning techniques to predict future suicidal behavior on survey data collected in a general population of adolescents. Our study showed that integrating machine learning techniques in screening practice will result in a small improvement in the ability to predict suicide. The models need to be further optimized to improve accuracy.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidale gedachten en suïcidepogingen behoren tot de meest prominente zorgen op het gebied van de volksgezondheid onder jongeren en vroegtijdige opsporing is daarom belangrijk om preventieve interventies in te zetten en nauwgezetter te monitoren.\n\nMETHODE: Er is onderzocht of de machinelearningmodellen Random Forest en Lasso Regression een betere voorspeller zijn van toekomstig suïcidaal gedrag dan een eenvoudige beslissingsregel waarmee elke adolescent met suïcidale gedachten in de voorgeschiedenis bij baseline wordt geclassificeerd als risico lopend (huidige praktijk). Er zijn gegevens gebruikt van een algemene populatie leerlingen in het tweede en vierde jaar van de middelbare school in Amsterdam.\n\nRESULTATEN: Random Forest en Lasso Regression gaven beide een iets betere voorspelling. De AUC van Random Forest (0,79) en Lasso Regression (0,76) waren beide hoger dan de AUC van de beslissingsregel (0,64). De sensitiviteit die met Random Forest werd behaald lag iets (maar niet significant) hoger dan die van de beslissingsregel (0,37 versus 0,34), met dezelfde specificiteit (0,94). Met Lasso Regression nam de sensitiviteit significant toe (0,52), maar dit ging ten koste van de specificiteit (0,85).\n\nBEPERKINGEN: Het verlies van casussen na het samenvoegen van gegevens, het gebruik van zelfgerapporteerde gegevens, verzameling van vertrouwelijke gegevens en het gebruik van slechts vier vragen om suïcidaal gedrag te meten.\n\nCONCLUSIES: Dit is het eerste onderzoek waarin machinelearningtechnieken worden toegepast op enquêtegegevens die zijn verzameld bij een algemene populatie van adolescenten om toekomstig suïcidaal gedrag te voorspellen. Uit dit onderzoek bleek dat het integreren van machinelearningtechnieken in de screeningspraktijk zal leiden tot een kleine verbetering in de mogelijkheid om suïcide te voorspellen. De modellen moeten verder worden geoptimaliseerd om de nauwkeurigheid te verbeteren."},"keywords":{"en":["Algorithm; Machine Learning; Public health; Screening; Suicide attempt; Suicide ideation"],"nl":["algoritme","machine learning","publieke gezondheid","screening","suïcidale ideatie","suïcidepoging"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":[],"age":["young"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"The relation between psychological distress and medication adherence in lung transplant candidates and recipients: A cross-sectional study","authors":"Wessels‐Bakker, M. J., van de Graaf, E. A., Kwakkel‐van Erp, J. M., Heijerman, H. G., Cahn, W., & Schappin, R.","affiliations":"UMCU","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Clinical Nursing","identifier":"10.1111/jocn.15931","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/jocn.15931","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"AIMS AND OBJECTIVES: To explore the prevalence of psychological distress such as anxiety, depression and post-traumatic stress disorder and its associations with medication adherence in lung transplant patients.\n\nBACKGROUND: Psychological distress after lung transplantation may impact clinical outcomes by associated behaviours such as non-adherence to medication. Evidence about the relation between psychological distress and medication adherence in lung transplant patients is limited and not well explained.\n\nDESIGN AND METHODS: We conducted a single-centre study with a cross-sectional design in 73 lung transplant candidates and 116 recipients. Questionnaires were the Brief Symptom Inventory, Impact of Event Scale and Basel Assessment of Adherence to Immunosuppressive Medications Scale. The STROBE checklist was monitored.\n\nRESULTS: In candidates, 39.7% reported (sub)clinical symptoms of depression, in recipients this was 21.6%. We observed suicidal ideation in recipients (8.6%), and candidates (5.5%). The prevalence of (sub)clinical symptoms of anxiety was 38.3% in candidates and 33.7% in recipients. After lung transplantation, 12% of the recipients reported clinical symptoms of PTSD related to the transplantation. Symptoms of anxiety and medication adherence were significantly and positively related in transplant recipients. We found no association between depressive or post-traumatic stress symptoms, and medication adherence.\n\nCONCLUSIONS: In lung transplant patients, we found a high prevalence of symptoms of depression and anxiety. Recipients had high levels of post-traumatic stress symptoms related to the transplantation. The prevalence of suicidal ideation was unexpectedly high in recipients. After lung transplantation, higher levels of anxiety were related to better medication adherence. We propose that LTX recipients are very anxious to develop dyspnoea and therefore take their medication more conscientiously.\n\nRELEVANCE AND CLINICAL PRACTICE: The clinical nurse specialist can play a key role in identifying and addressing psychological and behavioural problems. More prospective research on the role of anxiety and dyspnoea in lung transplant recipients is recommended.","nl":"DOELEN: Het verkennen van de prevalentie van psychologische problemen zoals angst, depressie en posttraumatische stressstoornis en het verband met medicatietrouw bij longtransplantatiepatiënten.\n\nACHTERGROND: Psychologische problemen na een longtransplantatie kunnen gevolgen hebben voor de klinische uitkomsten door hiermee gepaard gaand gedrag als medicatie-ontrouw. Bewijs voor het verband tussen psychologische problemen en medicatietrouw bij longtransplantatiepatiënten is beperkt en niet goed verklaard.\n\nOPZET EN METHODEN: Er is een onderzoek met een cross-sectionele opzet uitgevoerd in één centrum bij 73 kandidaten voor en 116 ontvangers van een longtransplantatie. Gebruikte vragenlijsten waren de Brief Symptom Inventory, Impact of Event Scale en Basel Assessment of Adherence to Immunosuppressive Medications Scale. De STROBE-checklist werd gevolgd.\n\nRESULTATEN: Bij de kandidaten rapporteerde 39,7% (sub)klinische symptomen van depressie, bij de ontvangers was dit 21,6%. Suïcidale gedachten kwamen voor bij ontvangers (8,6%) en kandidaten (5,5%). De prevalentie van (sub)klinische symptomen van angst was 38,3% bij kandidaten en 33,7% bij ontvangers. Na een longtransplantatie rapporteerde 12% van de ontvangers klinische symptomen van PTSS in verband met de transplantatie. Symptomen van angst hielden significant en positief verband met medicatietrouw bij ontvangers van een transplantaat. Er werd geen verband gevonden tussen symptomen van depressie of posttraumatische stressstoornis en medicatietrouw.\n\nCONCLUSIES: Bij longtransplantatiepatiënten kwamen symptomen van depressie en angst vaak voor. Ontvangers hadden in hoge mate last van symptomen van een posttraumatische stressstoornis in verband met de transplantatie. De prevalentie van suïcidale gedachten was onverwacht hoog bij ontvangers. Na een longtransplantatie hield een hogere mate van angst verband met een betere medicatietrouw. De onderzoekers stellen dat ontvangers van een longtransplantaat zeer angstig zijn voor het ontwikkelen van dyspneu en hun medicatie daarom nauwgezetter innemen.\n\nRELEVANTIE VOOR DE KLINISCHE PRAKTIJK: De klinisch verpleegkundig specialist kan een sleutelrol spelen bij het vaststellen en aanpakken van psychologische en gedragsproblemen. Meer prospectief onderzoek naar de rol van angst en dyspneu bij ontvangers van een longtransplantaat wordt aanbevolen."},"keywords":{"en":["anxiety; depression; lung transplantation; medication adherence; post-traumatic stress disorder; suicidal ideation"],"nl":["angst","depressie","longbehandeling","medicatie","post-traumatische stressstoornis","suïcidale ideatie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Prevalence, course, and determinants of suicide ideation and attempts in patients with a depressive and/or anxiety disorder: A review of NESDA findings","authors":"Wiebenga, J. X., Dickhoff, J., Mérelle, S. Y., Eikelenboom, M., Heering, H. D., Gilissen, R., ... & Penninx, B. W.","affiliations":"Amsterdam UMC, RUG, 113, VU, GGZ inGeest","affiliation113":true,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2021.01.053.","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032721000707?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Depressive and anxiety disorders are often associated with suicide ideation (SI) and attempt (SA). However, analyses of prevalence, course, and more specific risk mechanisms are needed to improve knowledge and detection of high risk individuals with depressive and anxiety disorders. Previous studies often lacked statistical power, assessment of detailed determinants and follow-up measurements.\n\nMETHODS: The Netherlands Study of Depression and Anxiety (NESDA), a large cohort study, overcomes some earlier limitations. Scale for Suicide Ideation and Compositive Interview Diagnostic Instrument data were analyzed to report on prevalence of SI and SA. Additionally, important sociodemographic, clinical, psychological, environmental, and neurobiological determinants and course of SI and SA identified in depressive and/or anxiety disorder respondents in 16 NESDA articles were summarized.\n\nRESULTS: Within respondents with 12-month diagnosis (n=1,783), SI and 12-month SA prevalence ranged from 17.1-20.1% and 0.8-3.0% respectively across 5 waves during 9-year follow-up and SI was highly recurrent. Both SI and SA were especially associated with comorbid depression and anxiety, higher clinical severity, sleep dysfunctions, higher aggression and hopelessness, and childhood trauma. In the (neuro)biological domain, SI was linked with immune dysregulation and SA with abnormal brain activity during emotion processing and genetic risk.\n\nLIMITATIONS: Most articles were cross-sectional in nature, preventing causal inferences and no conclusions could be drawn about the overall magnitude of results.\n\nCONCLUSION: SI and SA are multifactorial phenomena and especially prevalent amongst comorbid depressive and anxiety respondents. Considering many overlapping SI and SA determinants, more neurobiological determinants and use of innovative methodological techniques are desirable.","nl":"ACHTERGROND: Depressieve en angststoornissen houden vaak verband met suïcidale gedachten en een suïcidepoging. Toch zijn analyses van de prevalentie, het beloop en specifiekere risicomechanismen nodig om kennis te vergroten en vast te kunnen stellen welke personen met een depressieve en angststoornis een hoog risico lopen. In eerdere onderzoeken ontbrak het vaak aan voldoende statistisch onderscheidend vermogen, beoordeling van gedetailleerde determinanten en vervolgmetingen.\n\nMETHODEN: De Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA), een groot cohortonderzoek, elimineert enkele eerdere beperkingen. Gegevens van het Scale for Suicide Ideation and Compositive Interview Diagnostic Instrument werden geanalyseerd om te rapporteren over de prevalentie van suïcidale gedachten en suïcidepogingen. Verder werd een samenvatting gemaakt van belangrijke sociodemografische, klinisch, psychologische, omgevings- en neurobiologische determinanten en het beloop van suïcidale gedachten en suïcidepogingen die werden gevonden bij respondenten met een depressieve en/of angststoornis in 16 NESDA-artikelen.\n\nRESULTATEN: Binnen respondenten met een 12 maanden bestaande diagnose (n=1,783), varieerden de suïcidale gedachten en suïcidepogingen in de afgelopen 12 maanden tussen respectievelijk 17,1-20,1% en 0,8-3,0% verdeeld over 5 golven tijdens 9 jaar durende follow-up en keerden suïcidale gedachten zeer vaak terug. In het bijzonder hingen zowel suïcidale gedachten als suïcidepogingen samen met comorbide depressie en angst, hogere klinische ernst, slaapstoornissen, hogere agressie en hopeloosheid en trauma in de kindertijd. In het (neuro)biologische domein hingen suïcidale gedachten samen met immuundisregulatie en suïcidepogingen met afwijkende hersenactiviteit tijdens emotieverwerking en genetisch risico.\n\nBEPERKINGEN: De meeste artikelen waren cross-sectioneel van aard, waardoor causale inferenties niet mogelijk waren en er geen conclusies konden worden getrokken over de algehele omvang van de resultaten.\n\nCONCLUSIE: Suïcidale gedachten en suïcidepogingen zijn multifactoriële fenomenen en komen in het bijzonder vaak voor onder respondenten met comorbide depressiviteit en angst. Rekening houdend met veel overlappende determinanten van suïcidale gedachten en suïcidepogingen, zijn meer neurobiologische determinanten en het gebruik van innovatieve methodologische technieken wenselijk."},"keywords":{"en":["Anxiety disorder; Depressive disorder; Prevalence; Risk factors; Suicide attempt; Suicide ideation."],"nl":["angststoornis","depressie","suïcidale gedachten","suïcidepoging","risicofactoren","prevalentie"]},"region":["nationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["ggz","populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","etiologie_bio"]}},{"title":"Suicide ideation versus suicide attempt: Examining overlapping and differential determinants in a large cohort of patients with depression and/or anxiety","authors":"Wiebenga, J. X., Eikelenboom, M., Heering, H. D., van Oppen, P., & Penninx, B. W.","affiliations":"Amsterdam UMC, GGZ inGeest","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Australian & New Zealand Journal of Psychiatry","identifier":"10.1177/0004867420951256","link":"https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/0004867420951256?url_ver=Z39.88-2003&rfr_id=ori:rid:crossref.org&rfr_dat=cr_pub%20%200pubmed","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief"],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Individuals with a depressive and/or anxiety disorder are known to have an elevated risk of suicide. However, these diagnoses alone are insufficient at differentiating patients with suicide ideation that attempt suicide from those that do not. Few studies examined such differences in an ideation-to-action framework. Using this framework, extensive multivariate testing was performed to examine differences between suicidal patients with and without a suicide attempt.\n\nMETHOD: Data were from 1576 respondents with a depressive and/or anxiety disorder, participating in the Netherlands Study of Depression and Anxiety. Logistic regression analyses were used to analyze associations between sociodemographic, clinical, personality, and psychosocial risk factors and suicide ideation and attempt.\n\nRESULTS: Patients with suicide ideation could be uniquely distinguished from non-suicidal patients by more years of education, presence of a depressive disorder (vs anxiety disorder) and higher introversion. Patients with suicide ideation and a past suicide attempt could be uniquely distinguished from non-suicidal patients by a younger age of onset, a lifetime alcohol use disorder, more external locus of control and lower levels of social support. Within the group of patients with suicide ideation, patients with a suicide attempt were more likely to have childhood trauma and lower education, and be of non-Western descent than patients with suicide ideation and no past attempt.\n\nCONCLUSION: This study found that although various clinical, personality and psychosocial characteristics distinguish patients with suicide ideation from non-suicidal patients, many of these often-cited factors do not distinguish patients with a suicide attempt from those who only think about suicide. However, childhood trauma, lower education and non-Western descent could aid in detecting suicide attempt risk among patients with suicide ideation.","nl":"ACHTERGROND: Personen met een depressie en/of angststoornis hebben vaak een verhoogd risico op suïcide. Deze diagnoses zijn op zichzelf echter onvoldoende om onderscheid te maken tussen patiënten met suïcidale gedachten die een poging tot suïcide zullen doen en patiënten die dat niet doen. Slechts weinig studies besteden aandacht aan het verschil tussen gedachten en handelingen. Met het oog hierop werden uitgebreide tests met meerdere variabelen uitgevoerd om de verschillen te onderzoeken tussen suïcidale patiënten die een suïcidepoging doen en degenen die dat niet doen.  \n\nONDERZOEK: Voor dit onderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van 1576 deelnemers met een depressie en/of angststoornis die hadden meegedaan aan de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst. Met behulp van logistische analyses werden de verbanden tussen sociaal-demografische, klinische, persoonlijkheidsgebonden en psychosociale risicofactoren voor suïcidale gedachten en suïcidepogingen geanalyseerd. \n\nRESULTATEN: Patiënten met suïcidale gedachten konden worden onderscheiden van niet-suïcidale patiënten op basis van meer opleidingsjaren, de aanwezigheid van een depressie (in tegenstelling tot angststoornis) en sterkere introversie. Patiënten met suïcidale gedachten die in het verleden een suïcidepoging hadden gedaan, waren te onderscheiden van niet-suïcidale patiënten op basis van een jongere leeftijd bij het begin van de klachten, problematisch alcoholgebruik gedurende het leven, de neiging om de oorzaak van dingen die hem of haar overkomen buiten zichzelf te zoeken en minder sociale steun. Binnen de groep patiënten met suïcidale gedachten hadden de patiënten die een suïcidepoging hadden gedaan vaker een jeugdtrauma en een lager opleidingsniveau en waren ze vaker van niet-westerse komaf dan patiënten met suïcidale gedachten die nooit een suïcidepoging hadden gedaan. \n\nCONCLUSIE: Uit deze studie bleek dat er diverse klinische, persoonlijkheidsgebonden en psychosociale kenmerken zijn die patiënten met suïcidale gedachten onderscheiden van niet-suïcidale patiënten, maar dat veel van deze vaak genoemde factoren niet geschikt zijn om onderscheid te maken tussen patiënten die een suïcidepoging doen en patiënten die daar alleen maar aan denken. Een jeugdtrauma, een lagere opleiding en een niet-westerse afkomst kunnen echter signalen zijn om het risico van een suïcidepoging te detecteren bij patiënten met suïcidale gedachten."},"keywords":{"en":["Suicide ideation; anxiety disorder; depressive disorder; risk factors; suicide attempt"],"nl":["suïcidale gedachten","angststoornis","depressie","suïcidepogingen","risicofactoren"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz","patient_nonggz","populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc"]}},{"title":"Sulpiride intoxication: Case report of a rare intoxication","authors":"Zonneveld, S., Gawi, A., Wilms, E. B., van Vliet, P., & Westerman, E. M.","affiliations":"Haaglanden Medisch Centrum","affiliation113":false,"year":2021,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Basic & Clinical Pharmacology & Toxicology","identifier":"10.1111/bcpt.13526","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/bcpt.13526","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Intoxications with sulpiride, an antipsychotic, are rare, and only limited literature is available. We describe a successful treatment of a sulpiride intoxication. A 67-year-old female, with a history of intentional suicide attempt, was admitted to the emergency department (ED) because of a suspected out-of-hospital cardiac arrest. At presentation, she was haemodynamically unstable, with a Glasgow Coma Scale of 3 and slight prolongation of QTc time. History taken from her husband raised suspicion of a suicide attempt with medication. Consultation of the on-call pharmacist and performance of a toxicology screening accelerated the diagnosis of a sulpiride intoxication. The patient was intubated because of respiratory insufficiency, admitted to the Intensive Care Unit (ICU) and treated with activated charcoal, laxatives and sodium bicarbonate. The following day, she was extubated with stable haemodynamics and a normalized ECG. Treatment of sulpiride intoxications is mainly symptomatic and consists of supportive care. An important note is the avoidance of antiarrhythmic drugs, except for lidocaine, epinephrine and dopamine, as they might worsen arrhythmia and hypotension.","nl":"Intoxicaties met sulpiride, een antipsychoticum, komen zelden voor en er is slechts beperkte literatuur beschikbaar. Er wordt een succesvolle behandeling beschreven van intoxicatie met sulpiride. Een 67-jarige vrouw met een voorgeschiedenis van bewuste suïcidepoging werd opgenomen op de spoedeisende hulp (SEH) met een vermoedelijke hartstilstand buiten het ziekenhuis. Bij presentatie was ze hemodynamisch instabiel, met een Glasgow-comascore van 3 en enige QTc-verlening. Bij anamnese die werd afgenomen via de partner ontstond al snel het vermoeden van een suïcidepoging met behulp van medicatie. Overleg met de dienstdoende apotheker en het uitvoeren van een toxicologische screening leidde al snel tot de diagnose intoxicatie met sulpiride. De patiënt werd geïntubeerd wegens ademhalingsinsufficiëntie, opgenomen op de intensivecareafdeling (IC) en behandeld met geactiveerde kool, laxeermiddelen en natriumbicarbonaat. De volgende dag werd ze van de beademing afgehaald, was de hemodynamiek stabiel en het ecg genormaliseerd. De behandeling van intoxicatie met sulpiride is voornamelijk symptomatisch en bestaat uit ondersteunende zorg. Een belangrijk aandachtspunt is het vermijden van antiaritmica, uitgezonderd lidocaïne, epinefrine en dopamine, omdat deze middelen de aritmie en hypotensie kunnen verergeren."},"keywords":{"en":["case report; intoxication; sulpiride; toxicology; toxicology screening."],"nl":["vergiftiging","sulpiride","toxicologie","screening"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["old"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Self‑reported Suicidality in Male and Female Adults with Autism\nSpectrum Disorders: Rumination and Self‑esteem","authors":"Arwert, T. G., & Sizoo, B. B.","affiliations":"Dimence","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Autism and Developmental Disorders","identifier":"https://doi.org/10.1007/s10803-020-04372-z","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/31965442/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["autisme"],"abstract":{"en":"Rumination and low self-esteem are associated with suicidality, and with autism spectrum disorders (ASD). However, rumination and self-esteem in relation to suicidality in adults with ASD have not been examined. This cross-sectional study (n = 75; 46 males and 29 females) investigates the relation of rumination and self-esteem to the absence/presence of suicidal ideation (SUIC+/-), history of attempted suicide (HAS), and severity of suicidality. Multivariate analysis of variance showed that self-esteem was significantly associated with SUIC+/-, whereas rumination was significantly associated with HAS. Multiple regression analysis showed that rumination and self-esteem were independently associated with severity of suicidality, but these lose their significant contribution, when statistically controlling for depression. The prevalence of suicidal ideation was 66.6%; gender was not a significant factor.","nl":"ACHTERGROND: Piekeren en een laag zelfbeeld worden in verband gebracht met suïcidaliteit en met autismespectrumstoornissen. Er was echter nog geen onderzoek gedaan naar piekeren en zelfbeeld in relatie tot suïcidaliteit bij volwassenen met autismespectrumstoornissen.  \n\nONDERZOEK: In deze studie onder 46 mannen en 29 vrouwen is het verband onderzocht tussen piekeren en zelfbeeld en het al dan niet hebben van suïcidale gedachten, pogingen tot suïcide in het verleden en de ernst van de suïcidaliteit. \n\nCONCLUSIE: Het onderzoek wees uit dat er een significant verband was tussen zelfbeeld en het al dan niet hebben van suïcidale gedachten, en ook tussen piekeren en pogingen tot suïcide in het verleden. Uit statistische analyse bleek ook dat piekeren en zelfbeeld onafhankelijk van elkaar verband hielden met de ernst van de suïcidaliteit, maar deze verbanden zijn niet meer significant na statistische correctie voor depressie. Suïcidale gedachten kwamen voor bij twee derde van de proefpersonen. Geslacht was daarbij geen significante factor."},"keywords":{"en":["Autism spectrum disorder; Gender; Rumination; Self-esteem; Self-report; Suicidality"],"nl":["Autismespectrumstoornis; Geslacht; Ruminatie; Zelfvertrouwen; Zelfrapportage; Suïcidaliteit"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Demographic risk factors for suicide among youths in the Netherlands","authors":"Berkelmans, G. A., Van der Mei, R. D., Bhulai, S., Merelle, S., & Gilissen, R.","affiliations":"113, VU, Centrum Wiskunde en Informatica","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Environmental Research and Public Health","identifier":"dx.doi.org/10.3390/ijerph17041182","link":"https://ir.cwi.nl/pub/29512","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"In 2000 to 2016 the highest number of suicides among Dutch youths under 20 in any given year was 58 in 2013. In 2017 this number increased to 81 youth suicides. To get more insight in what\ntypes of youths died by suicide, particularly in recent years (2013–2017) we looked at micro-data of Statistics Netherlands and counted suicides among youths till 23, split out along gender, age, regions, immigration background and place in household and compared this to the general population of youths in the Netherlands. We also compared the demographics of young suicide victims to those of suicide victims among the population as a whole. We found higher suicide rates among male youths, older youths, those of Dutch descent and youths living alone. These differences were generally smaller than in the population as a whole. There were also substantial geographical differences between provinces and healthcare regions. The method of suicide is different in youth compared to the population as a whole: relatively more youth suicides by jumping or lying in front of a moving object and relatively less youth suicides by autointoxication or drowning, whereas the most frequent method of suicide among both groups is hanging or suffocation.","nl":"Om meer inzicht te krijgen in wat voor soort jongeren overleden door suïcide in de afgelopen jaren (2013-2017) hebben we naar de microdata van het Centraal Bureau voor de\nStatistiek gekeken. We hebben het aantal suïcides onder jongeren tot 23 jaar (grens van Jeugdwet) uitgesplitst naar geslacht, leeftijd, herkomst, regio, en plaats in het huishouden (wonend bij ouders, alleen, met partner, etc). We hebben dit vergeleken met de gehele bevolking die overleden door suïcide en we vonden dat het over het algemeen om dezelfde groepen ging die een verhoogd suïciderisico hadden: mannen, mensen van Nederlandse herkomst en mensen die alleen wonen. Wel zagen we dat de verschillen groter waren onder de gehele bevolking dan onder jongeren. Ook bekeken we of het aantal suïcides op bepaalde dagen van de week hoger is dan op andere dagen. We zagen dat suïcides onder jongeren vrij evenredig over de week verdeeld waren, terwijl onder de gehele bevolking een significant hoger aantal suïcides is op maandag en lager op zaterdag."},"keywords":{"en":["suicide; demographics; risk factor; youth"],"nl":["suïcide","demografische gegevens","risicofactoren","jeugd"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Psychosocial risk factors for suicidality in children and adolescents","authors":"Carballo, J. J., Llorente, C., Kehrmann, L., Flamarique, I., Zuddas, A., Purper-Ouakil, D., Hoekstra, P. J., Coghill, D, Schulze, U. M. E., Dittmann, R. W., Buitelaar, J. K., Castro-Fornieles, J., Lievesley, K., Paramala Santosh, Arango, C., & STOP Consortium","affiliations":"RUG, Radboud","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Eur Child Adolesc Psychiatry","identifier":"10.1007/s00787-018-01270-9","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/30684089/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Suicidality in childhood and adolescence is of increasing concern. The aim of this paper was to review the published literature identifying key psychosocial risk factors for suicidality in the paediatric population. A systematic two-step search was carried out following the PRISMA statement guidelines, using the terms ‘suicidality, suicide, and self-harm’ combined with terms ‘infant, child, adolescent’ according to the US National Library of Medicine and the National Institutes of Health classification of ages. Forty-four studies were included in the qualitative synthesis. The review identified three main factors that appear to increase the risk of suicidality: psychological factors (depression, anxiety, previous suicide attempt, drug and alcohol use, and other comorbid psychiatric disorders); stressful life events (family problems and peer conflicts); and personality traits (such as neuroticism and impulsivity). The evidence highlights the complexity of suicidality and points towards an interaction of factors contributing to suicidal behaviour. More information is needed to understand the complex relationship between risk factors for suicidality. Prospective studies with adequate sample sizes are needed to investigate these multiple variables of risk concurrently and over time.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidaliteit onder kinderen en jongeren is een toenemende zorg. Dit artikel is bedoeld als overzicht van de gepubliceerde literatuur waarin belangrijke psychosociale risicofactoren voor suïcidaliteit bij kinderen en jongeren in kaart worden gebracht.  \n\nONDERZOEK: Op basis van 44 studies is een literatuuronderzoek in twee stappen uitgevoerd, waarbij gebruik is gemaakt van de termen ‘suïcidaliteit’, ‘suïcide’ en ‘zelfbeschadiging’ in combinatie met de termen ‘baby’, ‘kind’ en ‘puber’ volgens de leeftijdsindeling die Amerikaanse medische instanties hanteren.  \n\nCONCLUSIE: Uit het literatuuronderzoek kwamen drie hoofdfactoren naar voren die het risico op suïcidaliteit vergroten: psychologische factoren (depressie, angst, eerdere poging tot suïcide, drugs- en alcoholgebruik en andere comorbide psychische aandoeningen), stressvolle levensgebeurtenissen (familieproblemen en conflicten met leeftijdsgenoten) en persoonlijke eigenschappen (zoals neuroticisme en impulsiviteit). Uit het materiaal blijkt dat suïcidaliteit complex is en dat verschillende factoren samen bijdragen tot suïcidaal gedrag. Er is meer informatie nodig om de complexe relatie tussen risicofactoren voor suïcidaliteit te begrijpen."},"keywords":{"en":["Children","Adolescents","Youth","Suicidality","Risk","Resilience","Psychosocial","Web-based","Questionnaire"],"nl":["Kinderen","adolescenten","jongeren","suïcidaliteit","risico","veerkracht","psychosociaal","webgebaseerd","vragenlijst"]},"region":["internationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["young"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicidality in clinic-referred transgender adolescents","authors":"De Graaf, N. M., Steensma, T. D., Carmichael, P., VanderLaan, D. P. , Aitken, M., Cohen-Kettenis, P. T., De Vries, A. L. C., Kreukels, B. P. C., Wasserman, L., Wood, H., & Zucker, K. J.","affiliations":"VUmc","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Eur Child Adolesc Psychiatry","identifier":"10.1007/s00787-020-01663-9","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/33165650/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["lgbtq"],"abstract":{"en":"Gender and sexually diverse adolescents have been reported to be at an elevated risk for suicidal thoughts and behaviors. For transgender adolescents, there has been variation in source of ascertainment and how suicidality was measured, including the time-frame (e.g., past 6 months, lifetime). In studies of clinic-referred samples of transgender adolescents, none utilized any type of comparison or control group. The present study examined suicidality in transgender adolescents (M age, 15.99 years) seen at specialty clinics in Toronto, Canada, Amsterdam, the Netherlands, and London, UK (total N = 2771). Suicidality was measured using two items from the Child Behavior Checklist (CBCL) and the Youth Self-Report (YSR). The CBCL/YSR referred and non-referred standardization samples from both the U.S. and the Netherlands were used for comparative purposes. Multiple linear regression analyses showed that there was significant between-clinic variation in suicidality on both the CBCL and the YSR; in addition, suicidality was consistently higher among birth-assigned females and strongly associated with degree of general behavioral and emotional problems. Compared to the U.S. and Dutch CBCL/YSR standardization samples, the relative risk of suicidality was somewhat higher than referred adolescents but substantially higher than non-referred adolescents. The results were discussed in relation to both gender identity specific and more general risk factors for suicidality.","nl":"ACHTERGROND: Gender- en seksueel diverse jongeren zouden een verhoogd risico hebben op suïcidale gedachten en gedragingen. Voor transgenderjongeren variëren de bronnen op basis waarvan dit wordt vastgesteld en de manieren waarop suïcidaliteit wordt gemeten, waaronder de tijdspanne (bijvoorbeeld het afgelopen halfjaar, gedurende het leven). In geen van de studies onder klinisch doorverwezen transgenderjongeren werd gebruikgemaakt van enige vorm van vergelijkings- of controlegroep.  \n\nONDERZOEK: Deze studie onderzocht suïcidaliteit bij transgenderjongeren in gespecialiseerde klinieken in Canada, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. De suïcidaliteit werd gemeten aan de hand van een checklist voor ouders (CBCL) en een door de jongeren zelf in te vullen vragenlijst (YSR). De doorverwezen en niet-doorverwezen standaardisatiegroepen van deze twee instrumenten uit de VS en Nederland werden gebruikt ter vergelijking.  \n\nCONCLUSIE: Meerdere statistische analyses lieten zien dat er tussen de klinieken een significante variatie was als het ging om suïcidaliteit. Daarnaast was de suïcidaliteit overal hoger onder personen die biologisch vrouwelijk zijn geboren en is er een sterk verband met de mate van algemene gedragsproblemen en emotionele problemen. Het relatieve risico op suïcidaliteit was iets hoger dan bij de doorverwezen standaardisatiegroep, maar aanzienlijk hoger dan bij de niet-doorverwezen standaardisatiegroep. De resultaten werden besproken in relatie tot algemene risicofactoren voor suïcidaliteit en risicofactoren die specifiek samenhangen met genderidentiteit."},"keywords":{"en":["Adolescents; Child Behavior Checklist; Gender dysphoria; Suicidality; Transgender; Youth Self-Report"],"nl":["Adolescenten; Checklist voor het gedrag van kinderen; Genderdysforie; Suïcidaliteit; Transgender; Zelfrapportage voor jongeren"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["young"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Associations of plasma androgens with suicidality among men and women:\nA 9-year longitudinal cohort study","authors":"De Wit, A. E., De Boer, M. K., Bosker, F. J., Van der Does, A. J. W., Gooren, L. J. G., Nolen, W. A., Penninx, B. W. J. J., Schoevers, R. A., & Giltay, E. J.","affiliations":"RUG, Universiteit Leiden, Amsterdam UMC, Vumc, LUmc","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.jad.2020.03.032","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032719328411?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Testosterone has been implicated in suicidality in cross-sectional studies. Stress that coincides with a suicide attempt may alter androgen levels, so prospective studies are needed to exclude reverse causation. We aimed to examine the associations of plasma androgens with concurrent and future suicidality, and if present, whether these associations were mediated by a behavioral trait like reactive aggression.\n\nMETHODS: Baseline plasma levels of total testosterone, 5α−dihydrotestosterone, and androstenedione were determined with liquid chromatography–tandem mass spectrometry, and dehydroepiandrosterone-sulphate with a radioimmunoassay. Suicidality was assessed using the Suicidal Ideation Scale at baseline and after 2-, 4-, 6-, and 9-year follow-up. Men and women were analyzed separately, and potential confounders were considered. \n\nRESULTS: Participants (N = 2861; 66.3% women) had a mean age of 42.0 years (range 18–65) and almost half (46.9%) fulfilled criteria for a major depressive or anxiety disorder. At baseline 13.2% of men and 11.2% of women reported current suicidal ideation. In participants who were non-suicidal at baseline, slightly more men than women reported suicidal ideation during follow-up (14.7% vs. 12.5%), whereas the reverse pattern was observed for suicide attempts (3.6% vs. 4.2%). None of the associations between androgens and current and future suicidality were significant.\n\nLIMITATIONS: Androgens were determined once, which may have been insufficient to predict suicidality over longer periods.\n\nDISCUSSION: The lack of associations between plasma levels of androgens determined by ‘gold-standard’ laboratory methods with suicidality do not support previous cross-sectional and smaller studies in adult men and\nwomen with values within the physiological range.","nl":"ACHTERGROND: In eerdere onderzoeken is testosteron in verband gebracht met suïcidaliteit. De stress die ontstaat bij een suïcidepoging kan de androgeenniveaus beïnvloeden, dus er zijn onderzoeken over langere tijd nodig om een verwarring van oorzaak en gevolg uit te sluiten. Het doel van deze studie was het onderzoeken van de verbanden tussen plasma-androgenen en huidige en toekomstige suïcidaliteit en, als die verbanden er zijn, nagaan of deze worden beïnvloed door gedragskenmerken, zoals reactieve agressie.  \n\nONDERZOEK: Aan het begin van het onderzoek werden met vloeistofchromatografie-massaspectometrie de plasmaspiegels van het totale testosteron en die van 5α−dihydrotestosteron en androsteendion bepaald en met radio-immuunanalyse die van dehydro-epiandrosteronsulfaat. De suïcidaliteit werd aan het begin van het onderzoek en na twee, vier, zes en negen jaar beoordeeld aan de hand van de vragenlijst van Beck over suïcidale gedachten. Mannen en vrouwen werden afzonderlijk geanalyseerd en er werd rekening gehouden met potentiële vertekenende factoren. \n\nRESULTATEN: De deelnemers hadden een gemiddelde leeftijd van 42 jaar en bijna de helft van hen voldeed aan de criteria voor een depressie of angststoornis. Aan het begin zei 13,2% van de mannen en 11,2% van de vrouwen suïcidale gedachten te hebben. Van de deelnemers die aan het begin van het onderzoek niet suïcidaal waren, meldden iets meer mannen dan vrouwen tijdens de follow-up suïcidale gedachten. Voor pogingen tot suïcide was dat patroon andersom. Geen van de verbanden tussen androgenen en huidige en toekomstige suïcidaliteit waren significant.  \n\nKANTTEKENING: de androgenen werden eenmalig gemeten, wat mogelijk niet voldoende was om suïcidaliteit over langere perioden te voorspellen. \n\nCONCLUSIE: Er werden geen significante verbanden gevonden tussen de vastgestelde plasmaspiegels van androgenen en suïcidaliteit. Dat komt niet overeen met eerdere onderzoeken."},"keywords":{"en":["Androgens","Men","Women","Suicidality","Liquid chromatography","Cohort"],"nl":["Androgenen","Mannen","Vrouwen","Suïcidaliteit","Vloeistofchromatografie","Cohort"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort","populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicidal ideation and suicide attempts: associations with sleep duration, insomnia, and inflammation","authors":"Dolsen, M. R., Prather, A. A., Lamers, F., & Penninx, B. W. J. H.","affiliations":"VUmc","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychological medicine","identifier":"10.1017/S0033291720000860","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32321599/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Sleep disturbance has been consistently identified as an independent contributor to suicide risk. Inflammation has emerged as a potential mechanism linked to both sleep disturbance and suicide risk. This study tested associations between sleep duration, insomnia, and inflammation on suicidal ideation (SI) and history of a suicide attempt (SA).\n\nMETHODS: Participants included 2329 adults with current or remitted depression and/or anxiety enrolled in the Netherlands Study of Depression and Anxiety. Sleep duration, insomnia, past week SI, and SA were assessed with self-report measures. Plasma levels of C-reactive protein, interleukin-6, and tumor necrosis factor-α were obtained.\n\nRESULTS: Short sleep duration (⩽6 h) compared to normal sleep duration (7-9 h) was associated with reporting a prior SA, adjusting for covariates [adjusted odds ratio (AOR) 1.68, 95% CI 1.13-2.51]. A higher likelihood of SI during the past week was observed for participants with long sleep duration (⩾10 h) compared to normal sleep duration (AOR 2.22, 95% CI 1.02-4.82), more insomnia symptoms (AOR 1.44, 95% CI 1.14-1.83), and higher IL-6 (AOR 1.31, 95% CI 1.02-1.68). Mediation analyses indicated that the association between long sleep duration and SI was partially explained by IL-6 (AOR 1.02, 95% CI 1.00-1.05).\n\nCONCLUSIONS: These findings from a large sample of adults with depression and/or anxiety provide evidence that both short and long sleep duration, insomnia symptoms, and IL-6 are associated with the indicators of suicide risk. Furthermore, the association between long sleep duration and SI may operate through IL-6.","nl":"ACHTERGROND: Een verstoord slaappatroon wordt steevast aangewezen als een onafhankelijke risicofactor voor suïcide. Ontsteking wordt steeds meer in verband gebracht met zowel een verstoord slaappatroon als het risico op suïcide. In deze studie is onderzoek gedaan naar mogelijke verbanden tussen slaapduur, slapeloosheid en ontsteking enerzijds en suïcidale gedachten en een suïcidepoging in het verleden anderzijds. \n\nONDERZOEK: Het onderzoek werd uitgevoerd onder 2329 volwassenen die een depressie en/of angststoornis hadden of hadden gehad en die hadden meegedaan aan de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA). Slaapduur, slapeloosheid, suïcidale gedachten in de afgelopen week en suïcidepogingen in het verleden werden beoordeeld aan de hand van zelfrapportage. Ook werden de plasmaspiegels van C-reactief proteïne, interleukine-6 en tumornecrosefactor α bepaald. \n\nRESULTATEN: Een korte slaapduur (minder dan zes uur) in vergelijking met een normale slaapduur (zeven tot negen uur) werd in verband gebracht met een suïcidepoging in het verleden. Er werd een grotere kans op suïcidale gedachten in de afgelopen week waargenomen bij deelnemers die lang sliepen (meer dan tien uur), meer symptomen van slapeloosheid vertoonden en een hogere plasmaspiegel van interleukine-6 hadden. Analyses van vertekenende factoren wezen uit dat het verband tussen lang slapen en suïcidale gedachten deels werd verklaard door interleukine-6. \n\nCONCLUSIE: Deze bevindingen uit een grote groep volwassenen met een depressie en/of angststoornis bewijzen dat zowel korte als lange slaapduur, slapeloosheidssymptomen en interleukine-6 verband houden met de indicatoren voor suïciderisico. Daarnaast is duidelijk geworden dat het verband tussen lang slapen en suïcidale gedachten mogelijk ontstaat door interleukine-6."},"keywords":{"en":["Anxiety; depression; inflammation; insomnia; sleep; suicide."],"nl":["angst; depressie; ontsteking; slapeloosheid; slaap; suïcide."]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suïcidepreventie binnen huisartsenpraktijken:\nhet belang van training, ketenzorg, en de POH-GGZ","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113, NIVEL","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/Supranet/factsheet_113-aanbevelingen-huisartsen.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":[],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Engaging primary care professionals in suicide prevention: A qualitative study","authors":"Elzinga, E., De Kruif, A. J. T. C. M., De Beurs, D. P., Beekman, A. T. F., Franx, G., & Gilissen, R.","affiliations":"113, VU, Trimbos, GGZ inGeest, VUmc","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"PLOS One","identifier":"10.1371/journal.pone.0242540","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/33253178/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In health systems with strongly developed primary care, such as in the Netherlands, effectively engaging primary care professionals (PCPs) in suicide prevention is a key strategy. As part of the national Suicide Prevention Action Network (SUPRANET), a program was offered to PCPs in six regions in the Netherlands in 2017-2018 to more effectively engage them in suicide prevention. This implementation study aimed to evaluate to what extent SUPRANET was helpful in supporting PCPs to apply suicide prevention practices. From March to May 2018, 21 semi-structured interviews have been carried out with PCPs and other non-clinical professionals from SUPRANET regions in the Netherlands. Verbatim transcripts were analysed using the grounded theory approach. Data was structured using the Consolidated Framework for Implementation Research, which enabled identifying facilitating and challenging factors for PCPs to carry out suicide prevention practices. An important challenge included difficulties in assessing suicide risk (intervention characteristics) due to PCPs' self-perceived incompetence, burdensomeness of suicide and limited time and heavy workload of PCPs. Another important limitation was collaboration with mental health care (outer setting), whereas mental health nurses (inner setting) and SUPRANET (implementation process) were facilitating factors for applying suicide prevention practices. With regard to SUPRANET, especially the training was positively evaluated by PCPs. PCPs expressed a strong need for improving collaboration with specialized mental health care, which was not provided by SUPRANET. Educating PCPs on suicide prevention seems beneficial, but is not sufficient to improve care for suicidal patients. Effective suicide prevention also requires improved liaison between mental health services and primary care, and should therefore be the focus of future suicide prevention strategies aimed at primary care.","nl":"Het betrekken en ondersteunen van professionals uit de huisartsenpraktijk is een belangrijk onderdeel van suïcidepreventie. Daarom wordt er onder leiding van 113 suïcidepreventie ingezet op huisartsen en praktijkondersteuners (POH’s) GGZ als onderdeel van het nationale Suïcide Preventie Actie NETwerk (SUPRANET Community). In een kwalitatieve evaluatiestudie hebben de onderzoekers bepaald in hoeverre SUPRANET Community effectief is in het betrekken en ondersteunen van deze eerstelijnsprofessionals bij suïcidepreventie. Een belangrijke uitdaging bleek het inschatten van het suïciderisico van patiënten. Eerstelijnsprofessionals ervaarden zichzelf niet altijd als even competent, vonden het onderwerp lastig en ook hun zware werklast en weinig beschikbare tijd waren belemmerende factoren hierin. Daarnaast was de samenwerking met de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) een remmende factor in effectieve suïcidepreventie, terwijl de rol en aanwezigheid van POH’s GGZ in de huisartsenpraktijk juist werd ervaren als een ondersteuning. De suïcidepreventie training werd positief beoordeeld; deelnemers gaven aan dat ze hierdoor vaker en beter in staat waren om naar suïcidale gedachten te vragen. SUPRANET Community heeft tot nu toe weinig kunnen voorzien in het verbeteren van de samenwerking met andere zorgverleners, ondanks de grote behoefte daaraan. Andere onderdelen van SUPRANET Community in de huisartsenpraktijk, zoals de e-learning of het naslagmateriaal, werden wisselend gebruikt, maar door sommigen wel als helpend ervaren. Het trainen van eerstelijnsprofessionals in suïcidepreventie lijkt dus effectief, maar om de zorg voor patiënten met suïcidaliteit daadwerkelijk te verbeteren moet ook de samenwerking tussen eerste en tweedelijns gezondheidszorg worden aangepakt."},"keywords":{"en":["andere: suicide prevention","primary care","qualitative","national incentive","SUPRANET","non-clinical professionals"],"nl":["andere: suïcidepreventie","eerstelijnszorg","kwalitatief","nationale stimulans","SUPRANET","niet-klinische professionals"]},"region":["nationaal"],"type":["implementatie","kwalitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Ziende blind na een suïcidepoging met kruisboog","authors":"Feenstra, F. A., Aggenbach, L., Rijtema, G., Buunk, A. M., & Stirler, V. M. A.","affiliations":"UMCG","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift Voor Geneeskunde","identifier":null,"link":"https://www-ntvg-nl./artikelen/ziende-blind-na-een-suicidepoging-met-kruisboog","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Bálint's syndrome is characterized by the triad of ocular apraxia, dorsal simultanagnosia and optic ataxia. It most commonly occurs following bilateral parieto-occipital brain injury, for which several aetiologies have been described. \n\nCASE DESCRIPTION: We present a case of a 39-year-old male with penetrating brain injury following a suicide attempt with a crossbow. A CT scan of the head revealed the intracranial position of the arrow, piercing the parietal and occipital cortex from the left-parietal direction with the tip on the right parietal bone. After surgical removal of the arrow, visuospatial symptoms persisted that were consistent with Bálint's syndrome. The characteristic symptoms, patho-anatomy and treatment of this syndrome are discussed in this article. \n\nCONCLUSION: The patient in this case had visual impairment following a suicide attempt with a crossbow. On the basis of neurological and neuropsychological assessments, the triad of ocular apraxia, dorsal simultanagnosia and optic ataxia was observed, characteristic of Bálint's syndrome.","nl":"ACHTERGROND: Het syndroom van Bálint is een complex ziektebeeld, gekenmerkt door de trias van oculaire apraxie, dorsale simultaanagnosie en optische ataxie. Het komt meestal voor bij bilateraal pariëto-occipitaal hersenletsel, waarvan meerdere ontstaansmechanismen zijn beschreven.\n\nCASUS: We presenteren de casus van een 39-jarige man met penetrerend schedelhersenletsel na een suïcidepoging met een kruisboog. Een CT-scan liet zien dat de pijl, die van links pariëtaal in het hoofd stak, de overgang van de pariëtale en occipitale cortex had doorboord. Na het operatief verwijderen van de kruisboogpijl resteerden visueel-ruimtelijke klachten die pasten bij het syndroom van Bálint. In dit artikel bespreken we de kenmerkende symptomen, de pathoanatomie en behandeling van dit syndroom.\n\nCONCLUSIE: De patiënt in deze casus is ‘ziende blind’ geraakt na een suïcidepoging met een kruisboog. Op basis van neurologisch en neuropsychologisch onderzoek werd de trias van oculaire apraxie, dorsale simultaanagnosie en optische ataxie vastgesteld, kenmerkend voor het syndroom van Bálint."},"keywords":{"en":["andere: case study","suicide attempt","Balint syndrom","crossbow","visual impairment"],"nl":["andere: casestudy","suïcidepoging","Balint-syndroom","kruisboog","slechtziendheid"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicide ideation as a symptom of adolescent depression. a network analysis","authors":"Gijzen, M. W. M., Rasing, S. P. A., Creemers, D. H. M., Smit, F., Engels, R. C. M. E., & De Beurs, D.","affiliations":"Trimbos, EUR, GGZ Oost Brabant, UU, Radboud, EMGO, VUmc","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.jad.2020.09.029","link":"https://research.vumc.nl/en/publications/suicide-ideation-as-a-symptom-of-adolescent-depression-a-network-","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: According to the network perspective, psychopathology is the result of interactions between symptoms. A previous study used network analysis to identify central symptoms of adolescent depression. The aim of the current study was replicate and extend this study by including suicide ideation as a symptom of depression and evaluating which depression symptoms are contributing factors to suicide ideation in adolescents.\n\nMETHOD: A large community sample (N = 5,888) of adolescents aged 11–16 years completed the Children's Depression Inventory (CDI-2). Network analysis was used to identify the network structure of the CDI-2 and which symptoms were directly related to suicide ideation in the network. Additionally, the network structure of adolescents who did and did not experience suicide ideation were compared.\n\nRESULTS: Results pertaining the depression network were highly similar to the study we aimed to replicate. The most central symptoms in the depression network were loneliness, sadness, self-hatred, fatigue, self-deprecation and crying. Loneliness explained most variance of suicide ideation. Adolescents who experience suicide ideation had a similar network structure as those who do not. Adolescents with suicide ideation scored higher on all depression symptoms.\n\nLIMITATIONS: The use of cross-sectional data indicates that only undirected networks and results based on between-subject data could be estimated.\n\nCONCLUSIONS: Loneliness was a central factor for depression networks and also the most contributing factor of suicide ideation. Preventative efforts should consider taking experiences of loneliness into account as these are especially prevalent in adolescents. Suicide ideation seems more representative of depression symptom severity in adolescents.","nl":"ACHTERGROND: Volgens het netwerkperspectief zijn psychische stoornissen het gevolg van wisselwerkingen tussen symptomen. Bij een eerdere studie werd netwerkanalyse gebruikt om centrale symptomen van jeugddepressie vast te stellen. Het doel van dit onderzoek was het bevestigen en uitbreiden van die eerdere studie door suïcidale gedachten op te nemen als symptoom van depressie en te onderzoeken welke symptomen van depressie bijdragen aan suïcidale gedachten bij jongeren. \n\nONDERZOEK: Een groot aantal willekeurig gekozen jongeren in de leeftijd van 11 tot 16 jaar vulde de Screeningsvragenlijst voor depressie bij kinderen en jongeren (CDI-2) in. Vervolgens werd vastgesteld welke symptomen rechtstreeks verband hielden met suïcidale gedachten. Daarnaast werden de netwerkstructuren van jongeren met en zonder suïcidale gedachten vergeleken. \n\nRESULTATEN: De resultaten met betrekking tot het depressienetwerk kwamen sterk overeen met de studie die de onderzoekers wilden bevestigen. De meest voorkomende symptomen in het depressienetwerk waren eenzaamheid, verdriet, zelfhaat, vermoeidheid, zelfverachting en huilen. Eenzaamheid vormde een verklaring voor de meeste variatie in suïcidale gedachten. Jongeren met suïcidale gedachten hadden dezelfde netwerkstructuur als degenen die daar geen last van hadden. Jongeren met suïcidale gedachten scoorden hoger op alle depressiesymptomen. \n\nKANTTEKENING: door de opzet van het onderzoek (vergelijking van de proefpersonen met een controlegroep) konden alleen ongerichte netwerken en resultaten op basis van gegevens tussen de onderwerpen worden geschat. \n\nCONCLUSIE: Eenzaamheid was een centrale factor voor depressienetwerken en ook de factor die het meest bijdroeg aan suïcidale gedachten. Het zou goed zijn als bij preventie-inspanningen rekening werd gehouden met gevoelens van eenzaamheid, want vooral bij jongeren komen die veel voor. Suïcidale gedachten lijken meer representatief te zijn voor de ernst van depressiesymptomen bij jongeren."},"keywords":{"en":["Adolescent","Suicide ideation","Depression","Network analysis"],"nl":["Adolescent","suïcidale gedachten","Depressie","Netwerkanalyse"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Factsheet Suicide Facts and figures","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2025,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/infomateriaal_2025/Factsheet-alleen-samen-voorkomen-wij-suicide%20-%20versie-3-digitaal_v4.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide","facts","figures"],"nl":["suicide feiten en cijfers"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Pediatric Intentional Self-poisoning Evaluated in the Emergency Department: An International Study","authors":"Gonzalez-Urdiales, P., Kuppermann, N., Dalziel, S. R., Prego, J., Benito, J., & Mintegi, S.","affiliations":"Research in European Paediatric Emergency Medicine (REPEM), Rotterdam, The Netherlands","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Pediatr Emerg Care","identifier":"10.1097/PEC.0000000000002141","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32541402/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicide is a growing public health problem during late childhood and adolescence. The leading method of suicide attempts in this age group is intentional self-poisoning. A first self-poisoning episode is a strong predictor of subsequent suicide and premature death. The objective of this study was to analyze the presentation and management of children younger than 18 years with intentional self-poisonings admitted to an emergency department (ED) in a global research network of pediatric EDs.\n\nMETHODS: We performed a secondary analysis of a large, international, multicenter, cross-sectional prospective registry of childhood poisoning presentations to 105 EDs in the Pediatric Emergency Research Networks (PERN) network. Data collection started at each ED between January and September 2013 and continued for 1 year.\n\nRESULTS: During the study period, we included 1688 poisoning exposures. Of these, 233 (13.8%) were intentional self-poisonings, with significant variation between regions. Female/male ratio was 4.7/1 and most occurred at home. The most common toxicants were therapeutic drugs, mainly psychotropics and analgesics. Ninety patients (38.6%) gave a history of a previous episode of intentional self-poisoning. Sixty-three children (27.0%) were not assessed by a psychiatric service nor transferred to a psychiatric inpatient facility. No patient died. There was significant variation in the involved toxicants and interventions among EDs in different global regions.\n\nCONCLUSIONS: Most intentional self-poisoning presentations to pediatric EDs globally are related to intentional ingestions of therapeutic drugs at home by females. Best practices have to be translated into care to guarantee the best outcomes of these patients.","nl":"ACHTERGROND: suïcide is een toenemend volksgezondheidsprobleem bij oudere kinderen en jongeren. De meest voorkomende methode van suïcidepogingen in deze leeftijdsgroep is opzettelijke zelfvergiftiging. Een eerste episode van zelfvergiftiging is een sterke voorspellende factor voor suïcide en vroegtijdig overlijden. Deze studie was bedoeld om te analyseren hoe kinderen jonger dan 18 jaar die op de spoedeisende hulp binnenkomen na opzettelijke zelfvergiftiging worden behandeld in een wereldwijd onderzoeksnetwerk van afdelingen voor pediatrische spoedeisende hulp. \n\nONDERZOEK: Er werd een secundaire analyse uitgevoerd van een groot, internationaal, representatief register van gevallen van vergiftiging bij kinderen op 105 afdelingen voor spoedeisende hulp die zijn aangesloten bij een wereldwijd onderzoeksnetwerk. Bij alle afdelingen voor spoedeisende hulp werd tussen januari en september 2013 begonnen met het verzamelen van gegevens en dit duurde een jaar. Gedurende de onderzoeksperiode werden er 1688 blootstellingen aan vergiftiging gemeld. Daarvan waren er 233 (13,8%) opzettelijke zelfvergiftigingen, waarbij significante verschillen tussen de regio’s voorkwamen. De verhouding tussen meisjes en jongens was 4,7:1 en in de meeste gevallen vond de vergiftiging thuis plaats. De meest gebruikte vergiffen waren medicijnen, hoofdzakelijk psychofarmaca en pijnstillers. Negentig patiënten (38,6%) hadden zichzelf al eens eerder opzettelijk vergiftigd. 63 kinderen (27%) werden niet onderzocht door een psychiatrische dienst en niet doorverwezen naar een psychiatrische kliniek. Geen van de patiënten overleed. Er waren aanzienlijke verschillen tussen de wereldwijde regio’s als het gaat om de gebruikte middelen en de interventies. \n\nCONCLUSIE: In de meeste gevallen van opzettelijke zelfvergiftiging waarmee afdelingen spoedeisende hulp voor kinderen te maken krijgen is er sprake van opzettelijke inname van medicijnen door meisjes en dit gebeurt veelal thuis. De best practices moeten worden omgezet in zorg om deze patiënten optimaal te kunnen helpen."},"keywords":{"en":["andere: self-poisoning","suicide attempt","children","adolescents","multi-center"],"nl":["andere: zelfvergiftiging","suïcidepoging","kinderen","adolescenten","multi-center"]},"region":["internationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["young"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"​Is suicide mortality associated with neighbourhood social fragmentation and deprivation? A Dutch register-based case-control study using individualised neighbourhoods","authors":"Hagedoorn, P., Groenewegen, P. P., Roberts, H., & Helbich, M.","affiliations":"UU, Trimbos","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Epidemiology and community health","identifier":"10.1136/jech-2019-212699","link":"https://jech.bmj.com/content/74/2/197","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Neighbourhood social fragmentation and socioeconomic deprivation seem to be associated with suicide mortality. However, results are inconclusive, which might be because dynamics in the social context are not well-represented by administratively bounded neighbourhoods at baseline. We used individualised neighbourhoods to examine associations between suicide mortality, social fragmentation, and deprivation for the total population as well as by sex and age group.\n\nMETHODS: Using a nested case-control design, all suicides aged 18–64 years between 2007 and 2016 were selected from longitudinal Dutch register data and matched with 10 random controls. Indices for social fragmentation and deprivation were calculated annually for 300, 600 and 1000 metre circular buffers around each subject’s residential address.\n\nRESULTS: Suicide mortality was significantly higher in neighbourhoods with high deprivation and social fragmentation. Accounting for individual characteristics largely attenuated these associations. Suicide mortality remained significantly higher for women living in highly fragmented neighbourhoods in the fully adjusted model. Age-stratified analyses indicate associations with neighbourhood fragmentation among women in older age groups (40–64 years) only. Among men, suicide risk was lower in fragmented neighbourhoods for those aged 18–39 years and for short-term residents. In deprived neighbourhoods, suicide risk was lower for men aged 40–64 years and long-term residents. Associations between neighbourhood characteristics and suicide mortality were comparable across buffer sizes.\n\nCONCLUSION: Our findings suggest that next to individual characteristics, the social and economic context within which people live may both enhance and buffer the risk of suicide.","nl":"ACHTERGROND: Sociale fragmentatie en sociaal-economische achterstelling in de buurt lijken verband te houden met sterfte door suïcide. De resultaten zijn echter niet eenduidig, mogelijk doordat de grenzen van administratieve en maatschappelijke wijken niet altijd samenvallen. In dit onderzoek is gekeken naar geïndividualiseerde wijken om verbanden te onderzoeken tussen sterfte door suïcide, sociale fragmentatie en achterstelling voor de totale bevolking en per geslacht en leeftijdsgroep. \n\nONDERZOEK: Met behulp van een geneste case-controlstudie (een onderzoek waarbij elk geval met meerdere gezonde controlepersonen wordt vergeleken) werden alle suïcides van personen tussen de 18 en 64 jaar in de periode van 2007 tot 2016 uit Nederlandse registergegevens geselecteerd en gekoppeld aan tien willekeurige controlepersonen. Voor elk jaar werden indexen voor sociale fragmentatie en achterstelling berekend voor een cirkelvormig gebied van 300, 600 en 1000 meter rondom het woonadres van elk van de onderzochte personen. \n\nRESULTATEN: De sterfte door suïcide was significant hoger in wijken met veel achterstelling en sociale fragmentatie. Als rekening werd gehouden met individuele kenmerken, werden deze verbanden duidelijk zwakker. In het volledig gecorrigeerde model bleef de sterfte door suïcide significant hoger onder vrouwen die in zeer gefragmenteerde wijken wonen. Als de gegevens per leeftijdsgroep worden bestudeerd, blijkt het verband met fragmentatie in de wijk alleen te bestaan bij vrouwen in de oudere leeftijdsgroepen (40-64 jaar). Onder mannen was het suïciderisico lager in gefragmenteerde wijken bij de leeftijdsgroep van 18-39 jaar en tijdelijke bewoners. In achterstandswijken was het suïciderisico lager voor mannen van 40-64 jaar en mensen die er lange tijd wonen. De verbanden tussen wijkkenmerken en sterfte door suïcide waren vergelijkbaar voor de verschillende gebiedsgrootten. \n\nCONCLUSIE: Uit de bevindingen blijkt dat naast individuele kenmerken de sociale en economische context waarin mensen leven zowel een positieve als een negatieve invloed zou kunnen hebben op het suïciderisico."},"keywords":{"en":["andere: Neighbourhood social fragmentation","socioeconomic deprivation","suicide mortality"],"nl":["andere: Sociale fragmentatie in de buurt","sociaaleconomische deprivatie","suïcidesterfte"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort","alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Cross-Sectional Research Into People Passing Away Through Self-Ingesting Self-Collected Lethal Medication After Receiving Demedicalized Assistance in Suicide","authors":"Hagens, M. H., Pasman, R. W., & Onwuteaka-Philipsen, B. D.","affiliations":"VUmc, Amsterdam GGD","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"OMEGA - Journal of Death and Dying","identifier":"https://doi.org/10.1177/0030222820926771","link":"https://journals.sagepub.com/doi/full/10.1177/0030222820926771","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"This study describes the characteristics of—and the counseling received by—counselees who passed away through self-ingesting self-collected lethal medication after receiving demedicalised assistance in suicide. We analyzed registration forms filled in by counselors working with Foundation De Einder about 273 counselees who passed away from 2011 to 2015. The majority of these counselees had a serious disease and physical or psychiatric suffering. Half of them had requested physician assistance in dying. This shows that patients with a denied request for physician assistance in dying can persist in their wish to end life. This also shows that not all people with an underlying medical disease request for physician assistance in dying. Physicians and psychiatrist are often uninvolved in these self-chosen deaths while they could have a valuable role in the process concerning assessing competency, diagnosing diseases, and offering (or referring for) treatment.","nl":"ONDERZOEK: Deze studie beschrijft de kenmerken van – en het advies dat is ontvangen door – hulpvragers die zijn overleden door het zelf innemen van zelf opgehaalde dodelijke medicatie nadat ze niet-medische hulp bij suïcide hebben ontvangen. Hiervoor zijn de registratieformulieren geanalyseerd die consulenten van de stichting De Einder hebben ingevuld over 273 hulpvragers die zijn overleden tussen 2011 en 2015.  \n\nCONCLUSIE: Bij de meerderheid van deze hulpvragers was sprake van een ernstige ziekte en lichamelijk of psychisch lijden. De helft van hen had een euthanasieverzoek ingediend. Dit laat zien dat patiënten van wie het euthanasieverzoek is afgewezen toch kunnen vasthouden aan hun wens hun leven te beëindigen. Het laat ook zien dat niet alle mensen met een onderliggende ziekte een euthanasieverzoek indienen. Artsen en psychiaters worden vaak niet betrokken bij een dergelijke zelfverkozen dood, terwijl ze een waardevolle rol hadden kunnen spelen in het proces als het gaat om competentiebeoordeling, diagnose van ziekten en het aanbieden van of doorverwijzen voor behandeling."},"keywords":{"en":["counseling","suicide","right to die","assisted dying/suicide","euthanasia"],"nl":["counseling","suïcide","recht om te sterven","hulp bij sterven / zelfdoding","euthanasie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Greenery exposure and suicide mortality later in life: A longitudinal register-based case-control study","authors":"Helbich, M., O'Connor, R. C., Nieuwenhuijsen, M., & Hagedoorn, P.","affiliations":"UU","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Environ Int","identifier":"10.1016/j.envint.2020.105982","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32712421/#affiliation-1","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Exposure to residential greenery accumulates over people's lifetimes, and possibly has a protective association with suicide later in life.\n\nOBJECTIVES: To examine the associations between suicide mortality and long-term residential greenery exposure in male and female adults.\n\nMETHODS: Our population-based nested case-control study used longitudinally georeferenced Dutch register data. Suicide cases aged 18-64 years between 2007 and 2016 were matched by gender, age, and date of suicide to 10 random controls. We measured long-term greenery exposure along people's 10-year residential address histories through longitudinal normalized difference vegetation indices (NDVI) from Landsat satellite imagery between 1997 and 2016. We assigned accumulated greenery exposures, weighted by people's exposure duration, within 300, 600, and 1,000 m concentric buffers around home addresses. To assess associations between suicide and greenery, we estimated gender-specific conditional logistic regressions without and with adjustment for individual-level and area-level confounders. Stratified models were fitted for areas with a high/low level of urbanicity and movers/non-movers.\n\nRESULTS: Our study population consisted of 9,757 suicide cases and 95,641 controls. In our models adjusted for age, gender, and date of suicide, the odds ratios decreased significantly with higher quartiles of accumulated NDVI scores. NDVI associations were attenuated and did not remain significant after adjustment for socioeconomics, urbanicity, air pollution, social fragmentation, etc. for either males or females. For females, but not males, our model with 300 m buffers for areas with a low level of urbanicity showed a significant suicide risk reduction with increasing levels of NDVI. Individual risk factors (e.g., lack of labor market participation) outweighed the contribution of greenery.\n\nCONCLUSION: We found limited evidence that long-term greenery exposure over people's lifetimes contributes to resilience against suicide mortality. Ensuring exposure to greenery may contribute to suicide prevention for specific population groups, but the effectiveness of such exposure should not be overstated.","nl":null},"keywords":{"en":["Exposure; Greenery; Life course; Longitudinal register data; Mental health; Residential mobility; Suicide mortality."],"nl":["Blootstelling; Groen; Levensloop; Longitudinale registergegevens; geestelijke gezondheid; Residentiële mobiliteit; Sterfte door zelfdoding."]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Parents of suicidal young persons and transitional psychiatry: therapeutic and ethical challenges","authors":"Herpers, P. C. M., Neumann, J. E. C., & Staal, W. G.","affiliations":"Karakter","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://psychotraumanet.org/nl/su%C3%AFcidaliteit-bij-adolescenten-met-therapieresistente-internaliserende-problematiek","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["angst","depresssief"],"abstract":{"en":"Suicidality in adolescence is increasingly becoming a societal problem, especially because there remains a small group of patients in which treatment effectiveness is small. Existing formal guidelines often are of limited value in this group that often shows complex comorbidity.<br/> AIM: To contribute to the diagnostic and aetiological perspective in order to better understand therapy refractory internalising behaviour.<br/> METHOD: Integration of several scientific theoretical concepts into a holistic model.<br/> RESULTS: Evidence shows that suicidality should be considered within a broader scope of therapy refractory internalising behaviour. Important underpinnings comprise a partially overprotective parenting style, disturbed attachment processes and social anxiety. Internalising and externalising behaviour problems are viewed as expressions of avoidance behaviour. Furthermore, we discuss important implications for treatment.<br/> CONCLUSION: Applying an aetiological model for therapy refractory internalising behaviour may help to increase efficacy of treatment. Thus, transdiagnostic treatment can be offered, being less dependent on specific dsm-classifications. Focus of treatment is on restoration of basic trust between the youngster and his parents, and on ending avoidance behaviour that is based on social anxiety.","nl":"Suïcidaliteit onder jongeren wordt steeds meer een maatschappelijk probleem, in het bijzonder omdat er een kleine groep patiënten overblijft waarbij de effectiviteit van de behandeling klein is. Bestaande richtlijnen zijn vaak beperkt bruikbaar voor deze groep die vaak een complexe comorbiditeit laat zien. DOEL:  Bijdragen aan het diagnostische en etiologische perspectief om meer inzicht te krijgen in internaliserend gedrag dat niet reageert op therapie. METHODE: Integratie van verschillende wetenschappelijke theoretische concepten in een holistisch model. RESULTATEN: Uit de gegevens blijkt dat suïcidaliteit beschouwd moet worden in een breder kader van internaliserend gedrag dat niet reageert op therapie. Belangrijke onderliggende factoren zijn een gedeeltelijk overbeschermende opvoedstijl, verstoord hechtingsproces en sociale angst. Internaliserende en externaliserende gedragsproblemen worden gezien als uitingen van vermijdingsgedrag. Verder worden belangrijke implicaties voor de behandeling besproken. CONCLUSIE: het toepassen van een etiologisch model voor internaliserend gedrag dat niet op behandeling reageert kan helpen om de werkzaamheid van de behandeling te vergroten. Dan kan transdiagnostische behandeling worden aangeboden, met minder afhankelijkheid van specifieke DSM-classificaties. Het zwaartepunt van de behandeling ligt op het herstellen van het basisvertrouwen tussen de jongere en diens ouders en op het beëindigen van het vermijdingsgedrag dat is gebaseerd op sociale angst."},"keywords":{"en":["externalising behaviour","internalising behaviour","social anxiety","suicidality","therapy refractoriness"],"nl":["externaliserende problematiek","internaliserende problematiek","sociale angst","suïcidaliteit","therapieresistentie"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["young"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The Association Between Suicide-Related Media Coverage and Suicide: A Cross-Sectional Observational Study","authors":"Hofstra, E., Bakker, M., Diepstraten, C. A. M., Elfeddali, I., Lucas, M. S., Van Nieuwenhuizen, C., & Van der Feltz-Cornelis, C. M.","affiliations":"GGz Breburg, Tranzo, Universiteit Tilburg","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Arch Suicide Res","identifier":"10.1080/13811118.2020.1851833","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/33275539/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: To examine the association between the publication and content of suicide-related media reports and actual suicide in Noord Brabant, a province of the Netherlands. \n\nMETHOD: Between April 2017 and March 2018, a retrospective cross-sectional observational study was conducted on suicide-related media reports and incident data regarding suicides. Linear regression, Mann-Whitney U and negative binomial regression analyses were conducted. \n\nRESULTS: In Noord-Brabant, a total of 352 people died from suicide during the observation period and 440 reports were identified by using the search terms \"suicide\", \"self-killing\", and \"self-murder\". No associations between media reports and actual suicides were found for any of the analyses performed. \n\nCONCLUSIONS: No indications were found for an association between media coverage of suicide and increases or decreases in actual suicides in Noord-Brabant. The descriptive statistics of this study reveal that the regional and national Dutch media are doing well with respect to not including elements in their reports that could encourage copycat behavior, such as simplifying, romanticizing or dramatizing. They could improve on including protective content, for example, providing supportive background information. A recommendation for further research is to evaluate causal relationships between media and actual suicide. A stepped wedge trial might be needed, as this provides an ethical research design to investigate this issue in a controlled setting. Also, in such a study, other variables influencing the decision to attempt suicide should be taken into account as much as possible.","nl":"ACHTERGROND: Dit onderzoek is uitgevoerd om het verband tussen de publicatie en inhoud van mediaberichten met betrekking tot suïcide en daadwerkelijke suïcides te onderzoeken in de provincie Noord-Brabant. \n\nONDERZOEK: In Noord-Brabant overleden in de periode tussen april 2017 en maart 2018 in totaal 352 mensen als gevolg van suïcide. Hierover werden 440 mediaberichten gevonden met behulp van de zoektermen “suïcide”, “suïcide” en “suïcide”. Deze berichtgeving over suïcide en incidentgegevens met betrekking tot suïcide werd verzameld en geanalyseerd met verschillende statistische methoden. Uit geen van de analyses bleek een verband tussen mediaberichten en daadwerkelijke suïcides.  \n\nCONCLUSIES: Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een verband tussen mediaberichtgeving over suïcides en een toename of afname van het aantal daadwerkelijke suïcides in Noord-Brabant. Uit analyse van de beschrijvingen blijkt dat de regionale en landelijke media in Nederland het goed doen wat betreft het niet vermelden van elementen die kopieergedrag zouden kunnen aanmoedigen, zoals simplificatie, romantisering of dramatisering. Er is nog ruimte voor verbetering als het gaat om beschermende inhoud, bijvoorbeeld het verstrekken van ondersteunende achtergrondinformatie.  \n\nLIMITATIES: Verder onderzoek naar causale verbanden tussen mediaberichtgeving en daadwerkelijke suïcide wordt aanbevolen. Mogelijk is hiervoor een getrapte onderzoeksopzet nodig waarmee een ethisch onderzoek kan worden uitgevoerd in een gecontroleerde setting. Bij een dergelijk onderzoek moet ook zoveel mogelijk rekening worden gehouden met andere variabelen die van invloed zijn op het besluit om een poging tot suïcide te doen."},"keywords":{"en":["Guidelines\nNetherlands\nmedia\nprevention\nsuicide"],"nl":["Richtlijnen\nNederland\nmedia\npreventie\nzelfdoding"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Associated factors of suicidal ideation among older persons with dementia living at home in eight European countries","authors":"Holmstrand, C., Rahm Hallberg, I., Saks, K., Leino-Kilpi, H., Renom Guiteras, A., Verbeek, H., Zabalegui, A., Sutcliffe, C., & Lethin, C.","affiliations":"CAPHRI Maastricht","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Aging & Mental Health","identifier":"10.1080/13607863.2020.1745143","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32223443/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"OBJECTIVES: This study aimed to investigate the occurrence of suicidal ideation and associated factors in older persons with dementia living at home in eight European countries, and its association with quality of life. Furthermore, changes in suicidal ideation over time were investigated.\n\nMETHODS: This cohort study (n = 1,223) was part of the European \"RightTimePlaceCare\" project conducted in 2010-2013. Participating countries were Estonia, Finland, France, Germany, the Netherlands, Spain, Sweden and the United Kingdom. Baseline and follow-up data were analysed using bivariate and multivariate logistic regression.\n\nRESULTS: The occurrence of suicidal ideation in the participating countries varied between 6% and 24%. Factors significantly (p < 0.0018) associated with suicidal ideation using bivariate analysis were: nationality, depressive symptoms, delusions, hallucinations, agitation, anxiety, apathy, disinhibition, irritability, night-time behaviour disturbances, anxiolytics and anti-dementia medication. In the multivariate regression analysis, country of origin, moderate stage of the dementia, depressive and delusional symptoms, and anti-dementia medication were significantly associated with suicidal ideation (p < 0.05). Over time, suicidal ideation decreased from severe to mild or became absent in 54% of the persons with dementia.\n\nCONCLUSIONS: It is essential that professionals identify older persons with dementia and suicidal ideation and depressive and other psychological symptoms in order to give them appropriate treatment and provide relief for their informal caregivers. We emphasize the importance of identifying suicidal ideation, irrespective of depressive symptoms, and specifically of paying attention to persons with moderate dementia. Living with the informal caregiver seems to be associated with staying stable without suicidal ideation.","nl":"ACHTERGROND: Er is onderzoek gedaan naar suïcidale gedachten en de daarmee verband houdende factoren bij thuiswonende ouderen met dementie in acht Europese landen en de manier waarop deze samenhangen met de kwaliteit van leven. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de veranderingen van suïcidale gedachten in de loop van de tijd \n\nONDERZOEK: Deze cohortstudie maakte deel uit van het Europese project RightTimePlaceCare dat is uitgevoerd in 2010-2013. De deelnemende landen waren Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Nederland, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. De gegevens aan het begin van het onderzoek en bij de follow-up werden geanalyseerd aan de hand van statistische berekeningen met twee en meerdere variabelen.\n\nRESULTATEN: Het aantal proefpersonen met suïcidale gedachten varieerde in de deelnemende landen van 6 tot 24%. Factoren die volgens de analyse met twee variabelen een significant verband hadden met suïcidale gedachten waren: nationaliteit, symptomen van depressie, waanbeelden, hallucinaties, ongerustheid, angst, apathie, ontremming, prikkelbaarheid, nachtelijke gedragsstoornissen, angstremmende medicatie en medicatie tegen dementie. Bij de analyse met meerdere variabelen werden land van herkomst, gematigd stadium van dementie, symptomen van depressie en waanbeelden en medicatie tegen dementie gevonden als factoren die significant verband houden met suïcidale gedachten. Bij 54% van de personen met dementie namen de suïcidale gedachten in de loop van de tijd af van ernstig tot mild of verdwenen ze helemaal. \n\nCONCLUSIE: Het is essentieel dat professionals ouderen met dementie en suïcidale gedachten en symptomen van depressie en andere psychische aandoeningen herkennen om hen een passende behandeling te bieden en hun mantelzorgers te ontlasten. De onderzoekers benadrukken dat het belangrijk is suïcidale gedachten te herkennen, ongeacht of er symptomen van depressie zijn, en specifiek aandacht te besteden aan personen met gematigde dementie. Patiënten die samenwonen met hun mantelzorger leken vaker stabiel te blijven zonder suïcidale gedachten."},"keywords":{"en":["Dementia","depression","home care","older people","suicidal ideation"],"nl":["Dementie","depressie","thuiszorg","ouderen","suïcidale gedachten"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Temperament and character as risk factor for suicide ideation and\nattempts in adults with autism spectrum disorders","authors":"Hooijer, A. A. T., & Sizoo, B. B.","affiliations":"Dimence, Isala ziekenhuis Zwolle","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Society for Autism Research","identifier":"DOI: 10.1002/aur.2221","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1002/aur.2221","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["autisme"],"abstract":{"en":"Persons with autism spectrum disorders (ASDs) are suggested to have an increased risk for suicide ideation and suicide attempts, but this topic is largely understudied. Research indicates that temperament and character traits are associated with suicidal behavior in persons without ASD, with higher scores for novelty seeking (NS), harm avoidance (HA), and self-transcedence (ST), and lower scores for self-directedness (SD) and cooperativeness (CO). Usually persons with ASD have temperament and character profiles with high HA, and low NS, reward dependence (RD), SD, and CO. The aim is to investigate whether there is a relationship between temperament and character traits and suicide ideation and attempts in adults with ASD. Seventy-four adults with ASD participated by completing self-report measures on suicide thoughts and behavior, depression, and temperament. Independent sample t-tests were conducted to compare scores between attempters versus nonattempters and between ideators versus nonideators. Regression analysis was performed to explore the predictive value of temperament and character. T-tests showed lower NS and SD, and higher HA for ideators versus nonideators, but not for attempters versus nonattempters. Regression models showed no significant relation between suicide ideation and NS, SD, HA after the latter were controlled for the significant influence of depression. Temperament and character can probably not be used for predicting suicide ideation and attempts, based on results from the current sample. Clinicians must take note of the high prevalence and risk of depression among persons with ASD, which may be under-reported.","nl":"ACHTERGROND: Mensen met een autismespectrumstoornis zouden een verhoogde kans op suïcidale gedachten en suïcidepogingen hebben. Het doel van deze studie was het in kaart brengen van  de risicofactoren voor suïcidale gedachten en suïcidepogingen bij volwassenen met een autismespectrumstoornis, omdat hier nog maar heel weinig onderzoek naar is gedaan. Bij mensen zonder autismespectrumstoornis is aangetoond dat hun temperament en karakter risicofactoren zijn: zij scoren hoger op prikkelzoekend gedrag (novelty seeking), het vermijden van leed (harm avoidance) en zelftranscedentie (self-transcedence) en scoren lager op zelfsturing (self-directedness) en behulpzaamheid (cooperativeness). Het temperament- en karakterprofiel van mensen met een autismespectrumstoornis wordt vaak gekenmerkt door een grote neiging tot het vermijden van leed, terwijl ze laag scoren op prikkelzoekend gedrag, gevoeligheid voor beloning en waardering (reward dependance), zelftranscedentie en behulpzaamheid. \n\nONDERZOEK: Volwassenen met een autismespectrumstoornis vulden zelfrapportages in over suïcidale gedachten en gedrag, depressie en temperament. De gemiddelde scores van mensen die wel en geen suïcidepoging hadden gedaan (‘suïcidepogers’ en ‘niet-pogers’) werden met elkaar vergeleken, evenals de scores van mensen met en zonder suïcidale gedachten. Daarna werd geanalyseerd of temperament en karakter risicofactoren waren, dus een voorspellende waarde hadden, maar er is geen verband aangetoond. De tests lieten een lagere score zien voor prikkelzoekend gedrag en zelfsturing, en een hogere vermijding van leed voor de groep mét versus zónder suïcidale gedachten, maar dat gold niet voor de groep ‘suïcidepogers’ versus ‘niet-pogers’. Uit de statistische modellen kwam geen significante relatie tussen suïcidale gedachten en prikkelzoekend gedrag, zelfsturing en vermijding van leed naar voren (rekening houdend met de significante invloed van depressie op deze kenmerken). \n\nCONCLUSIE: Op basis van deze steekproef kan worden geconstateerd dat temperament en karakter waarschijnlijk niet bruikbaar zijn voor het voorspellen van suïcidale gedachten en suïcidepogingen. Wel is duidelijk geworden dat depressie een sterke voorspellende factor kan zijn voor suïcidale gedachten. Artsen moeten zich ervan bewust zijn dat depressie veel voorkomt bij mensen met een autismespectrumstoornis of dat de kans daarop groot is. Daar wordt niet altijd melding van gemaakt, want volwassenen met autisme vertellen niet altijd dat ze depressief zijn, omdat ze het lastig vinden hun emoties en gedachten te uiten."},"keywords":{"en":["suicidal ideation and attempts; autism spectrum disorders; risk factor; temperament and character traits"],"nl":["suïcidale ideeën en pogingen; autismespectrumstoornissen; risicofactor; temperament en karaktereigenschappen"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Comprehensive database and individual patient data meta-analysis of randomised controlled trials on psychotherapies reducing suicidal thoughts and behaviour: study protocol","authors":"Hu, M. X., Palantza, C., Setkowski, K., Gilissen, R., Karyotaki, E., Cuijpers, P., Riper, H., De Beurs, D., Nuij, C., Christensen, H., Calear, A., Werner-Seidler, A., Hoogendoorn, A., Van Balkom, A., Eikelenboom, M., Smit, J., & Van Ballegooijen, W.","affiliations":"113, VU, GGZ inGeest","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ Open","identifier":"10.1136/bmjopen-2020-037566","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/33277275/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: Psychotherapy may reduce suicidal thoughts and behaviour, but its effectiveness is not well examined. Furthermore, conventional meta-analyses are unable to test possible effects of moderators affecting this relationship. This protocol outlines the building of a comprehensive database of the literature in this research field. In addition, we will conduct an individual patient data meta-analysis (IPD-MA) to establish the effectiveness of psychotherapy in reducing suicidality, and to examine which factors moderate the efficacy of these interventions.\n\nMETHODS AND ANALYSIS: To build a comprehensive database, randomised controlled trials examining the effect of any psychotherapy targeting any psychiatric disorder on suicidal thoughts or behaviour will be identified by running a systematic search in PubMed, Embase, PsycINFO, Web of Science, Scopus and The Cochrane Central Register of Controlled Trials from data inception to 12 August 2019. For the IPD-MA, we will focus on adult outpatients with suicidal ideation or behaviour. In addition, as a comparison group we will focus on a control group (waiting-list, care as usual or placebo). A 1-stage IPD-MA will be used to determine the effectiveness of psychotherapy on suicidal ideation, suicide attempts and/or suicide deaths, and to investigate potential patient-related and intervention-related moderators. Subgroup and sensitivity analyses will be conducted to test the robustness of the findings. Additionally, a conventional MA will be conducted to determine the differences between studies that provided IPD and those that did not. IPD-MA may determine the effectiveness of psychotherapy in reducing suicidality and provide insights into the moderating factors influencing the efficacy of psychotherapy. Answering these questions will inform mental healthcare practitioners about optimal treatments for different groups of individuals with suicidal ideation and/or behaviour and consequently help to reduce suicide risk.\n\nETHICS AND DISSEMINATION: An ethical approval is not required for this study. The results will be published in a peer-review journal.","nl":"Psychotherapie lijkt te helpen in het verminderen van suïcidale gedachten en gedrag. Maar zijn alle therapieën even effectief voor verschillende individuen die kampen met suïcidaliteit? Dit protocol artikel beschrijft een studieopzet om erachter te komen welke typen psychotherapieën (bijv. cognitieve gedragstherapie of dialectische gedragstherapie) of therapiekenmerken (bijv. de duur of het aantal sessies) beter werken voor welke patiënten (bijv. mannen of vrouwen, verschillende leeftijdsgroepen, verschillende psychiatrische diagnoses). Om dit te onderzoeken zullen we een database maken met alle relevante studies in dit veld. Van studies uit deze database zullen we de ruwe data van de deelnemers opvragen om zo de grootste en meest complete verzameling van data in dit onderzoeksveld te creëren. Deze dataset zal vervolgens gebruikt worden om een zogenaamde individuele patiënt data meta-analyse (IPD-MA) uit te voeren, resulterend in de beste, meest recente, en éénduidige wetenschappelijke evidentie over welke behandeling optimaal is voor welke patiënt. De resultaten van dit onderzoek zullen behandelaren in de geestelijke gezondheidszorg helpen om de best-passende patiëntgerichte zorg te leveren aan mensen met suïcidale gedachten en gedrag."},"keywords":{"en":["Suicide prevention; individual patient data; meta-analysis; protocol; psychotherapy; randomized controlled trial"],"nl":["suïcidepreventie; individuele patiëntgegevens; meta-analyse; protocol; psychotherapie; gerandomiseerde gecontroleerde studie"]},"region":["internationaal"],"type":["meta","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"The effect of dialectical behaviour therapy in autism spectrum patients with suicidality and/ or self-destructive behaviour (DIASS): study protocol for a multicentre randomised controlled trial","authors":"Huntjens, A., Van den Bosch, L. M. C. W., Sizoo, B., Kerkhof, A., Huibers, M. J. H., & Van der Gaag, M.","affiliations":"VU, Parnassia, Dialexis, Synthis, Dimence, Amsterdam GGD","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"10.1186/s12888-020-02531-1","link":"https://bmcpsychiatry.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12888-020-02531-1","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["autisme"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Many persons with autism spectrum disorder (ASD) are treated in long-term specialised care. In this population, suicidal behaviour troubles patients, families, and specialists in the field because it is difficult to treat. At present, there is no documented effective therapy for suicidal behaviour in ASD (Autism Research 7:507-521, 2014; Crisis 35:301-309, 2014). Dialectical Behaviour Therapy (DBT) is an efficacious treatment programme for chronically suicidal and/or self-harm behaviour in patients with Borderline Personality Disorder (J Psychiatry 166:1365-1374, 2014; Linehan MM. Cognitive behavioural therapy of borderline personality disorder. 1993). This study will evaluate the efficacy of DBT in persons with ASD and suicidal/ self- destructive behaviour in a multicentre randomised controlled clinical trial.\n\nMETHOD: One hundred twenty-eight persons with autism and suicidal and/or self-harming behaviour will be recruited from specialised mental healthcare services and randomised into two conditions: 1) the DBT condition in which the participants have weekly individual cognitive behavioural therapy sessions and a 2.5 h skills training group session twice per week during 6 months, and 2) the treatment as usual condition which consists of weekly individual therapy sessions of 30–45 min with a psychotherapist or social worker. Assessments will take place at baseline, at post-treatment (6 months), and after a follow-up period of 12 months. The mediators will also be assessed at 3 months. The primary outcome is the level of suicidal ideation and behaviour. The secondary outcomes are anxiety and social performance, depression, core symptoms of ASD, quality of life, and cost-utility. Emotion regulation and therapeutic alliance are hypothesised to mediate the effects on the primary outcome.\n\nDISCUSSION: The results from this study will provide an evaluation of the efficacy of DBT treatment in persons with ASD on suicidal and self-harming behaviour. The study is conducted in routine mental health services which enhances the generalisability of the study results to clinical practice.","nl":"ACHTERGROND: Veel personen met een autismespectrumstoornis ontvangen langdurige specialistische zorg. In deze groep is suïcidaal gedrag een bron van zorg voor patiënten, familieleden en specialisten doordat het moeilijk te behandelen is. Er is op dit moment geen gedocumenteerde effectieve behandeling voor suïcidaal gedrag bij autismespectrumstoornis. Dialectische gedragstherapie (een combinatie van individuele coaching en groepssessies voor het aanleren van vaardigheden) is een effectief behandelingsprogramma voor chronisch suïcidaal en/of zelfbeschadigend gedrag bij patiënten met borderline persoonlijkheidsstoornis. Deze studie onderzoekt de effectiviteit van dialectische gedragstherapie voor personen met een autismespectrumstoornis en suïcidaal en/of zelfdestructief gedrag in een onder meerdere zorginstellingen. \n\nONDERZOEK: Er worden 128 personen met autisme en suïcidaal en/of zelfbeschadigend gedrag geselecteerd via gespecialiseerde instellingen voor geestelijke gezondheidszorg. Deze personen worden verdeeld in twee groepen. De deelnemers in de eerste groep krijgen gedurende een half jaar wekelijks individuele cognitieve gedragstherapie en twee keer per week een 2,5 uur durende groepssessie waarin vaardigheden worden aangeleerd. De deelnemers uit de tweede groep krijgen de gebruikelijke behandeling, die bestaat uit wekelijkse individuele therapiesessies van 30-45 minuten met een psychotherapeut of maatschappelijk werker. De deelnemers worden aan het begin van het onderzoek, na afloop van de behandeling (na zes maanden) en na een periode van twaalf maanden geëvalueerd. De mediators worden ook na drie maanden geëvalueerd. Er wordt allereerst gekeken naar suïcidale gedachten en gedragingen. Daarnaast zal ook worden gekeken naar angst en sociaal functioneren, depressie, kernsymptomen van autismespectrumstoornis, levenskwaliteit en de kosten in verhouding tot het nut van de behandeling. Er wordt aangenomen dat regulering van de gevoelens van patiënten en de relatie tussen patiënt en therapeut (therapeutisch verbond) het effect op suïcidale gedachten en gedragingen bevorderen. De resultaten van deze studie vormen een evaluatie van de effectiviteit van dialectische gedragstherapie voor suïcidaal en zelfbeschadigend gedrag bij personen met een autismespectrumstoornis. De studie wordt uitgevoerd bij bestaande instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, waardoor de resultaten van het onderzoek toepasbaar zijn in de klinische praktijk."},"keywords":{"en":["Autism","Suicidality","Self-destructive behaviour","Dialectical behaviour therapy"],"nl":["Autisme","suïcidaliteit","zelfdestructief gedrag","dialectische gedragstherapie"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"E-Learning to Improve Suicide Prevention Practice Skills Among Undergraduate Psychology Students: Randomized Controlled Trial","authors":"Kullberg, M. J., Mouthaan, J., Schoorl, M., De Beurs, D., Kenter, R. M. F., & Kerkhof, A. J.","affiliations":"VU, Universiteit Leiden, Trimbos","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"JMIR Ment Health","identifier":"10.2196/14623","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC7003118/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Despite increasing evidence of the effectiveness of digital learning solutions in higher vocational education, including the training of allied health professionals, the impact of Web-based training on the development of practical skills in psychiatry and psychology, in general, and in suicide prevention, specifically, remains largely understudied.\n\nOBJECTIVE: This study aimed to determine the effectiveness of an electronic learning (e-learning) module on the adherence to suicide prevention guidelines, knowledge of practical skills, and provider’s confidence to have a conversation about suicidal behavior with undergraduate psychology students.\n\nMETHODS: The e-learning module, comprising video recordings of therapist-patient interactions, was designed with the aim of transferring knowledge about suicide prevention guideline recommendations. The program’s effects on guideline adherence, self-evaluated knowledge, and provider’s confidence were assessed using online questionnaires before the program (baseline and at 1 month [T1] and 3 months after baseline). The eligible third- and fourth-year undergraduate psychology students were randomly allocated to the e-learning (n=211) or to a waitlist control condition (n=187), with access to the intervention after T1.\n\nRESULTS: Overall, the students evaluated e-learning in a fairly positive manner. The intention-to-treat analysis showed that the students in the intervention condition (n=211) reported higher levels of self-evaluated knowledge, provider’s confidence, and guideline adherence than those in the waitlist control condition (n=187) after receiving the e-learning module (all P values<.001). When comparing the scores at the 1- and 3-month follow-up, after both groups had received access to the e-learning module, the completers-only analysis showed that the levels of knowledge, guideline adherence, and confidence remained constant (all P values>.05) within the intervention group, whereas a significant improvement was observed in the waitlist control group (all P values<.05).\n\nCONCLUSIONS: An e-learning intervention on suicide prevention could be an effective first step toward improved knowledge of clinical skills. The learning outcomes of a stand-alone module were found to be similar to those of a training that combined e-learning with a face-to-face training, with the advantages of flexibility and low costs.","nl":"ACHTERGROND: Ondanks toenemend bewijs voor de effectiviteit van digitale leeroplossingen in het hoger beroepsonderwijs, waaronder paramedische opleidingen, is er nog weinig onderzoek gedaan naar het effect van onlinetraining op de ontwikkeling van praktische vaardigheden in de psychiatrie en psychologie in het algemeen en suïcidepreventie in het bijzonder. \n\nONDERZOEK: Deze studie was bedoeld om de effectiviteit te bepalen van een elektronische lesmodule (e-learning) voor de naleving van richtlijnen voor suïcidepreventie, de kennis van praktische vaardigheden en het zelfvertrouwen van psychologiestudenten als het gaat om het voeren van gesprekken over suïcidaal gedrag. De e-learningmodule, die bestond uit video-opnamen van interacties tussen therapeuten en patiënten, was ontworpen om kennis over te brengen met betrekking tot de aanbevolen richtlijnen voor suïcidepreventie. De derde- en vierdejaarsstudenten die voor het programma in aanmerking kwamen, werden willekeurig verdeeld over een groep die de e-learningmodule mocht volgen en een controlegroep die op de wachtlijst werd gezet en na een maand toegang kreeg tot de interventie. Na één maand en na drie maanden werden de effecten van het programma beoordeeld aan de hand van onlinevragenlijsten waarin de studenten invulden hoe zij de richtlijnen naleefden en hoeveel kennis en zelfvertrouwen ze hadden opgedaan. \n\nRESULTATEN: De studenten stonden in het algemeen vrij positief tegenover e-learning. Uit de analyse bleek dat de studenten die de module hadden gevolgd hun eigen kennis hoger inschatten, meer zelfvertrouwen hadden en zich beter aan de richtlijnen zeiden te houden dan de studenten op de wachtlijst. Bij vergelijking van de scores na respectievelijk één en drie maanden, nadat beide groepen toegang hadden gekregen tot de e-learningmodule, bleek dat het kennisniveau, het zelfvertrouwen en de naleving bij de interventiegroep gelijk waren gebleven en bij de wachtlijstcontrolegroep significant waren verbeterd. \n\nCONCLUSIE: Een e-learninginterventie over suïcidepreventie kan een effectieve eerste stap zijn naar betere kennis van klinische vaardigheden. Een op zichzelf staande module bleek vergelijkbare leerresultaten op te leveren als een training waarin e-learning werd gecombineerd met persoonlijke lessen, met het voordeel van flexibiliteit en lage kosten."},"keywords":{"en":["e-learning; suicide prevention; digital learning; skills training; randomized controlled trial; undergraduate students"],"nl":["e-learning; suïcidepreventie; digitaal leren; vaardigheidstraining; gerandomiseerde gecontroleerde studie; ongediplomeerde studenten"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Risk of depression, suicide and psychosis with hydroxychloroquine treatment for rheumatoid arthritis: a multinational network cohort study","authors":"Lane, J. C. E., Weaver, J., Kostka, K., Duarte-Salles, T., Abrahao, M. T. F., Alghoul, H., ..., & Prieto-Alhambra, D.","affiliations":"EUR","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Oxford Rheumatology","identifier":"10.1093/rheumatology/keaa771","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/33367863/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVES: Concern has been raised in the rheumatology community regarding recent regulatory warnings that HCQ used in the coronavirus disease 2019 pandemic could cause acute psychiatric events. We aimed to study whether there is risk of incident depression, suicidal ideation or psychosis associated with HCQ as used for RA.\n\nMETHODS: We performed a new-user cohort study using claims and electronic medical records from 10 sources and 3 countries (Germany, UK and USA). RA patients ≥18 years of age and initiating HCQ were compared with those initiating SSZ (active comparator) and followed up in the short (30 days) and long term (on treatment). Study outcomes included depression, suicide/suicidal ideation and hospitalization for psychosis. Propensity score stratification and calibration using negative control outcomes were used to address confounding. Cox models were fitted to estimate database-specific calibrated hazard ratios (HRs), with estimates pooled where I2 <40%.\n\nRESULTS: A total of 918 144 and 290 383 users of HCQ and SSZ, respectively, were included. No consistent risk of psychiatric events was observed with short-term HCQ (compared with SSZ) use, with meta-analytic HRs of 0.96 (95% CI 0.79, 1.16) for depression, 0.94 (95% CI 0.49, 1.77) for suicide/suicidal ideation and 1.03 (95% CI 0.66, 1.60) for psychosis. No consistent long-term risk was seen, with meta-analytic HRs of 0.94 (95% CI 0.71, 1.26) for depression, 0.77 (95% CI 0.56, 1.07) for suicide/suicidal ideation and 0.99 (95% CI 0.72, 1.35) for psychosis.\n\nCONCLUSION: HCQ as used to treat RA does not appear to increase the risk of depression, suicide/suicidal ideation or psychosis compared with SSZ. No effects were seen in the short or long term. Use at a higher dose or for different indications needs further investigation.","nl":"ACHTERGROND: In de reumatologiegemeenschap is bezorgdheid ontstaan na recente veiligheidswaarschuwingen dat hydroxychloroquine (HCQ) bij gebruik tijdens de COVID-19-pandemie zou kunnen leiden tot acute psychische klachten. In deze studie is onderzocht of de toepassing van HCQ voor reumatoïde artritis een risico op depressie, suïcidale gedachten of psychose met zich mee kan brengen. \n\nONDERZOEK: Er werd een cohortstudie onder nieuwe gebruikers uitgevoerd aan de hand van claims en elektronische medische dossiers van tien bronnen uit drie landen (Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten). Patiënten van 18 jaar en ouder met reumatoïde artritis die begonnen met het gebruik van HCQ werden vergeleken met patiënten die begonnen met het gebruik van SSZ (vergelijkingsmiddel). Er vond een follow-up plaats na 30 dagen en na langere tijd (tijdens de behandeling). Hierbij werd gekeken naar depressie, suïcide/suïcidale gedachten en ziekenhuisopname voor psychose. Om vertekening te voorkomen is gebruikgemaakt van verdeling (stratificatie) van de propensity scores (de kans op behandeling) en ijking aan de hand van negatieve controleresultaten. In totaal werden 918.144 gebruikers van HCQ en 290.383 gebruikers van SSZ bestudeerd. Op de korte termijn werd er bij gebruik van HCQ (in vergelijking met SSZ) geen consistent risico op psychische klachten gezien. Er werd ook geen consistent risico op de lange termijn waargenomen. \n\nCONCLUSIE: HCQ als middel ter behandeling van reumatoïde artritis lijkt geen verhoogd risico op depressie, suïcide/suïcidale gedachten of psychose op te leveren in vergelijking met SSZ. Op de korte en lange termijn werden geen effecten waargenomen. Er is meer onderzoek nodig naar hogere doseringen of toepassing voor andere indicaties."},"keywords":{"en":["HCQ","safety","epidemiology","RA","psychosis","depression\nTopic: rheumatoid arthritishydroxychloroquine","depressive disorders","psychiatry","psychotic disorders","rheumatology","suicide","feeling suicidal","stratification","covid-19"],"nl":["HCQ","veiligheid","epidemiologie","RA","psychose","depressie\nOnderwerp: reumatoïde artritis","hydroxychloroquinedepressieve stoornissen","psychiatrie","psychotische stoornissen","reumatologie","zelfdoding","suïcidaal gevoel","stratificatie","covid-19"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Anomie or imitation? The Werther effect of celebrity suicides on suicide rates in 34 OECD countries, 1960–2014","authors":"Lutter, M., Roex, K. L. A., & Tisch, D.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Social Science & Medicine","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.socscimed.2019.112755","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/31884238/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Anomie and imitation have been prominent mechanisms explaining the Werther effect, i.e., the effect of celebrity suicides on a general population's suicide rate. This study presents a new approach to empirically disentangle both mechanisms. Imitation theory suggests that celebrities act as role models, and that the Werther effect is triggered by the status of the celebrity in question. Anomie theory, on the other hand, suggests that the Werther effect is triggered by the unexpectedness of the event. To this end, we empirically compare the effects of celebrity suicides with the effects of celebrities who died unexpectedly from causes other than suicide (accidents, illnesses, alcohol abuse). Based on language and page-link data from 3855 Wikipedia pages of the 495 celebrities who died from suicide between 1960 and 2014, we measure the status a celebrity has in a particular country and calculate the potential country-specific imitation effect of their suicide. In the same manner, we measure the status of celebrities who died unexpectedly from accidents, illnesses, or alcohol abuse to reflect anomie-related effects. We use these measures in an ecological study based on a time-series cross-sectional dataset for 34 OECD countries to assess their effects on a country's overall annual suicide rate. Fixed-effects analyses reveal that the country-specific status of celebrity suicides is associated with significant increases in overall suicide rates, while anomie-related, unexpected celebrity deaths are not associated with the overall suicide rates. The findings remain robust across a number of alternative specifications, such as controlling for further anomic factors at the macro level (divorce or unemployment rate, for instance). We conclude that the results support the imitation mechanism as an essential social explanation for the Werther effect.","nl":"ACHTERGROND: Anomie en imitatie zijn prominente mechanismen voor het verklaren van het Werther-effect, d.w.z. het effect van suïcide door bekende personen op het aantal suïcides onder de algemene bevolking.  \n\nONDERZOEK: Deze studie presenteert een nieuwe aanpak om deze beide mechanismen empirisch te ontrafelen. De theorie van imitatie suggereert dat bekende personen als rolmodel dienen en dat het Werther-effect wordt veroorzaakt door de status van de betreffende bekende persoon. De theorie van anomie daarentegen suggereert dat het Werther-effect wordt veroorzaakt door de onverwachtheid van de gebeurtenis. Om dit te onderzoeken, zijn de effecten van suïcides door bekende personen vergeleken met de effecten van het onverwacht overlijden van bekende personen door andere oorzaken dan suïcide (ongevallen, ziekten, alcoholmisbruik).  \n\nRESULTATEN: Op basis van gegevens over taal en paginakoppelingen van 3855 Wikipedia-pagina’s van de 495 bekende personen die tussen 1960 en 2014 als gevolg van suïcide zijn overleden, is de status van een bekende persoon in een bepaald land gemeten en het potentiële landspecifieke imitatie-effect van diens suïcide berekend. Op dezelfde manier is de status gemeten van bekende personen die onverwacht zijn overleden door ongevallen, ziekten of alcoholmisbruik, om de effecten met betrekking tot anomie in kaart te brengen.  Deze metingen zijn vervolgens vergeleken met de gegevens van 34 OESO-landen om de effecten op de totale jaarlijkse suïcidescijfers van die landen te beoordelen.  \n\nCONCLUSIE: Analyses laten zien dat de landspecifieke status van een bekende persoon die zijn leven beëindigt verband houdt met een significante stijging van het totale aantal suïcides, terwijl andere onverwachte sterfgevallen van bekende personen geen effect hebben op de totale suïcidescijfers. De bevindingen blijven overeind als er rekening wordt gehouden met andere gegevens, bijvoorbeeld na correctie voor andere anomische factoren op macroniveau (zoals het aantal scheidingen of het werkloosheidspercentage). Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat het imitatiemechanisme een belangrijke maatschappelijke verklaring is voor het Werther-effect."},"keywords":{"en":["Anomie; Celebrity suicides; Imitation; OECD; Status; Suicide; Werther effect; Wikipedia."],"nl":["Anomie; suïcides door beroemdheden; Imitatie; OESO; Toestand; suïcide; Werther effect; Wikipedia."]},"region":["internationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"A multi-method psychological autopsy study on youth suicides in the Netherlands in 2017: Feasibility, main outcomes, and recommendations","authors":"Mérelle, S., Van Bergen, D., Looijmans, M., Balt, E., Rasing, S., Van Domburgh, L., Nauta, M., Sijperda, O., Mulder, W., Gilissen, R., Franx, G., Creemers, D., & Popma, A.","affiliations":"113, RUG, Radboud, NCJ, Amsterdam UMC, GGD Noord- en Oost-Gelderland, GGZ Oost Brabant, Pluryn","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"PLOS One","identifier":"10.1371/journal.pone.0238031","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32853213/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["nabestaanden","autisme","youngadult"],"abstract":{"en":"OBJECTIVES: In the Netherlands, there was a sharp increase in the number of suicides among 10- to 19-year-olds in 2017. A multi-method psychological autopsy study (PA) was conducted to assess feasibility, identify related factors, and study the interplay of these factors to inform suicide prevention strategies.\n\nMETHODS: Coroners identified youth suicides in 2017 in their records and then general practitioners (GPs) contacted the parents of these youths. Over a period of 7 months, 66 qualitative interviews were held with the parents, peers, and teachers, providing information on precipitating factors and five topics involving 35 cases (17 boys and 18 girls, mean age 17 years). Furthermore, 43 parents and care professionals filled in questionnaires to examine risk and care-related factors. Qualitative and quantitative analyses were performed.\n\nRESULTS: Although registration problems faced by coroners and resistance to contacting bereaved families by GPs hampered the recruitment, most parents highly appreciated being interviewed. Several adverse childhood experiences played a role at an individual level, such as (cyber) bullying, parental divorce, sexual abuse, as well as complex mental disorders, and previous suicide attempts. Two specific patterns stood out: (1) girls characterized by insecurity and a perfectionist attitude, who developed psychopathology and dropped out of school, and (2) boys with a developmental disorder, such as autism, who were transferred to special needs education and therefore felt rejected. In addition, adolescents with complex problems had difficulty finding appropriate formal care. Regarding potential new trends, contagion effects of social media use in a clinical setting and internet use for searching lethal methods were found.\n\nCONCLUSION: This first national PA study showed that, as expected, a variety of mostly complex clusters of problems played a role in youth suicides. An infrastructure is needed to continuously monitor, evaluate, and support families after each youth suicide and thereby improve prevention strategies.","nl":"DOEL:  In Nederland was er in 2017 een sterke toename van het aantal suïcides onder 10- tot 19-jarigen. Een multi-methodologische psychologische autopsiestudie (PA) werd uitgevoerd om de haalbaarheid te beoordelen, gerelateerde factoren te identificeren en het samenspel van deze factoren te bestuderen om suïcidepreventiestrategieën te informeren.\n\nMETHODE: Lijkschouwers identificeerden suïcides onder jongeren in 2017 in hun dossiers en vervolgens namen huisartsen contact op met de ouders van deze jongeren. Over een periode van 7 maanden werden 66 kwalitatieve interviews gehouden met de ouders, leeftijdsgenoten en leerkrachten, die informatie opleverden over de factoren die tot suïcide leidden en over vijf onderwerpen waarbij 35 casussen betrokken waren (17 jongens en 18 meisjes, gemiddelde leeftijd 17 jaar). Daarnaast vulden 43 ouders en zorgprofessionals vragenlijsten in om risico- en zorggerelateerde factoren te onderzoeken. Er werden kwalitatieve en kwantitatieve analyses uitgevoerd.\n\nRESULTATEN: Hoewel registratieproblemen bij lijkschouwers en weerstand bij huisartsen om contact op te nemen met nabestaanden de werving belemmerden, stelden de meeste ouders het zeer op prijs om geïnterviewd te worden. Verschillende negatieve jeugdervaringen speelden een rol op individueel niveau, zoals (cyber)pesten, scheiding van de ouders, seksueel misbruik, maar ook complexe psychische stoornissen en eerdere suïcidepogingen. Twee specifieke patronen vielen op: (1) meisjes gekenmerkt door onzekerheid en een perfectionistische houding, die psychopathologie ontwikkelden en van school gingen, en (2) jongens met een ontwikkelingsstoornis, zoals autisme, die werden overgeplaatst naar het speciaal onderwijs en zich daardoor afgewezen voelden. Daarnaast hadden adolescenten met complexe problemen moeite om passende formele zorg te vinden. Wat betreft mogelijke nieuwe trends werden besmettingseffecten van social media gebruik in een klinische setting en internetgebruik voor het zoeken naar dodelijke methoden gevonden.\n\nCONCLUSIE: Deze eerste nationale PA-studie liet zien dat, zoals verwacht, een verscheidenheid aan meestal complexe clusters van problemen een rol speelden bij suïcides onder jongeren. Er is een infrastructuur nodig om families na elke suïcide doorlopend te monitoren, evalueren en ondersteunen en zo preventiestrategieën te verbeteren.\""},"keywords":{"en":["andere: youth","suicide","psychological autopsy","interview"],"nl":["andere: jeugd","zelfdoding","psychologische autopsie","interview"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["patientcohort","healthcareworkers"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Do Doctors Differentiate Between Suicide and Physician-Assisted Death? A Qualitative Study into the Views of Psychiatrists and General Practitioners","authors":"Pronk, R., Willems, D. L., & Van de Vathorst, S.","affiliations":"Amsterdam UMC, EUR","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Culture, medicine and psychiatry","identifier":"10.1007/s11013-020-09686-2","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32833142/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Physician-assisted death for patients suffering from psychiatric disorders is allowed in the Netherlands under certain circumstances. One of the central problems that arise with regard to this practice is the question of whether it is possible to distinguish between suicidality and a request for physician-assisted death. We set up this study to gain insight into how psychiatrists and general practitioners distinguish between suicidality and physician-assisted death. The data for this study were collected through qualitative interviews with 20 general practitioners and 17 psychiatrists in the Netherlands. From the interviews, we conclude that physicians distinguish three types of death wishes among patients suffering from psychiatric disorders: ‘impulsive suicidality,’ ‘chronic suicidality,’ and ‘rational death wishes.’ To discern between them they evaluate whether the death wish is seen as part of the psychopathology, whether it is consistent over time, and whether they consider it treatable. Some considered physician-assisted death an alternative to a ‘rational suicide,’ as this was perceived to be a more humane manner of death for the patient and their relatives. We argue that physician-assisted death can be justified also in some cases in which the death wish is part of the psychopathology, as the patient’s suffering can be unbearable and irremediable. Physician-assisted death in these cases may remain the only option left to relieve the suffering.","nl":"ACHTERGROND: Euthanasie voor patiënten met psychische aandoeningen is in Nederland onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Een van de centrale problemen die zich hierbij voordoen, is de vraag of er onderscheid kan worden gemaakt tussen suïcidaliteit en een verzoek om euthanasie. Dit onderzoek is opgezet om inzicht te krijgen in de manier waarop psychiaters en huisartsen onderscheid maken tussen suïcidaliteit en euthanasie.  \n\nONDERZOEK: De gegevens voor dit onderzoek zijn verzameld door middel van kwalitatieve interviews met 20 huisartsen en 17 psychiaters in Nederland.  \n\nCONCLUSIE: Op basis van de interviews kan worden geconcludeerd dat artsen drie typen doodswensen onderscheiden bij patiënten die lijden aan psychische aandoeningen: ‘impulsieve suïcidaliteit’, ‘chronische suïcidaliteit’ en ‘rationele doodswensen’. Om deze van elkaar te onderscheiden, beoordelen zij of de doodswens gezien wordt als onderdeel van de psychopathologie, of deze in de loop van de tijd constant blijft en of ze van mening zijn dat deze behandelbaar is. Sommigen zagen euthanasie als een alternatief voor een ‘rationele suïcide’, aangezien dit werd gezien als een humanere manier van sterven voor de patiënt en diens naasten. De onderzoekers stellen dat euthanasie in sommige gevallen ook te rechtvaardigen is wanneer de doodswens deel uitmaakt van de psychopathologie, want het lijden van de patiënt kan ondraaglijk en ongeneeslijk zijn. In zulke gevallen kan euthanasie de enige mogelijkheid zijn om een einde aan het lijden te maken."},"keywords":{"en":["Euthanasia; Netherlands; Physician-assisted death; Psychiatric patients; Psychiatry; Suicide"],"nl":["Euthanasie; Nederland; Arts bijgestaan dood; Psychiatrische patiënten; Psychiatrie; zelfdoding"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Evidence for Underregistration of Suicide","authors":"Riedinger, M. A., & De Winter, R. F. P.","affiliations":"Rivierduinen, VU, LUmc, Parnassia","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Case Reports in Psychiatry","identifier":"10.1155/2020/8873893","link":"https://research.vu.nl/en/publications/evidence-for-underregistration-of-suicide","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In this case report, we will present two cases in which the Dutch municipal coroner registered a natural death, but treating psychiatrists doubted the validity of this decision on the grounds of clinical data and investigation. For both cases, we present evidence that deaths likely resulted from suicide, raising serious doubts about the accuracy of the registered cause of death. According to the WHO bulletin on suicide prevention, the national registration of suicide is unsatisfactory in many countries. The Netherlands is listed by the WHO as having one of the most accurate registration procedures. Nevertheless, there are indications that national registration, even in the Dutch system, is not infallible. In this case report, we present several ways in which the registration process is liable to error and evidence for underregistration of suicide rates.","nl":"In dit casusverslag worden twee gevallen gepresenteerd waarin de Nederlandse schouwarts een natuurlijke dood registreerde, maar de behandelende psychiaters aan dit oordeel twijfelden op basis van klinische gegevens en onderzoek. Voor beide gevallen wordt bewijs gepresenteerd waaruit blijkt dat de sterfgevallen waarschijnlijk het gevolg zijn van suïcide, wat ernstige twijfels oproept over de juistheid van de geregistreerde doodsoorzaak. Volgens het Bulletin van de Wereldgezondheidsorganisatie over suïcidepreventie is de landelijke registratie van suïcides in veel landen ontoereikend. Nederland heeft volgens de Wereldgezondheidsorganisatie een van de meest nauwkeurige registratieprocedures. Toch zijn er aanwijzingen dat de landelijke registratie zelfs in het Nederlandse systeem niet zonder fouten is. In dit casusverslag worden verschillende factoren besproken die tot fouten in het registratieproces kunnen leiden en wordt bewijs aangevoerd voor onderregistratie van het aantal suïcides."},"keywords":{"en":["andere: suicide","registration","validity"],"nl":["andere: zelfdoding","registratie","validiteit"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Parents of suicidal young persons and transitional psychiatry: therapeutic and ethical challenges","authors":"Sabbe, M., Hendrickx, G., Vanlinthout, E., & Tremmery, S.","affiliations":"geen","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":"ISSN: 0303-7339","link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/assets/articles/62-2020-4-artikel-sabbe.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["nabestaanden","youngadult"],"abstract":{"en":"Young people aged 15-25 with mental health problems often experience discontinuity of care during the transition from child to adult mental health services. Furthermore, suicide is one of the most common causes of death in this age category. Although it is known that parents are important in the care process of suicidal youth, parental participation faces various challenges.<br/> AIM: To investigate the ethical, therapeutic and practical aspects regarding parents of a suicidal young person during the mental health care transition.<br/> METHOD: A literature search in the most important literature databases.<br/> RESULTS: We found no studies that specifically examined the role of parents of suicidal youth during the transition. However, there is enough scientific evidence suggesting that including parents during treatment of suicidal young persons has a positive effect on outcome and quality of life. Regarding transition, parents are also important. Nevertheless, several bottlenecks impede their involvement.<br/> CONCLUSION: Parental participation during transitional care is hampered by ethical, therapeutic and practical issues. Taking these into account, parents should be involved as much as possible in the care for their child. Furthermore, sufficient attention must be paid to the concerns and needs of the parents themselves.","nl":"ACHTERGROND: Voor jongeren tussen 15 en 25 jaar met psychische kwetsbaarheden, die de transitie van kinderpsychiatrie naar volwassenenpsychiatrie maken, is er vaak discontinuïteit van zorg. Juist in deze leeftijdsgroep is suïcide één van de voornaamste doodsoorzaken. Hoewel men weet dat ouders belangrijk zijn in het zorgproces bij suïcidale jongeren, stuit de ouderparticipatie tijdens de transitie op verschillende uitdagingen. \n\nDOEL:  Het duiden van de ethische,therapeutische en praktische aspecten wat betreft ouders van een suïcidale jongere tijdens de transitie.\n\nMETHODE: Een literatuurstudie in de belangrijkste literatuurdatabanken.\n\nRESULTATEN: We vonden geen studies die specifiek focussen op ouderparticipatie bij suïcidale jongeren in de transitiezorg. De wetenschappelijke evidentie om de ouders van suïcidale jongeren te betrekken bij de behandeling is groot, zowel naar uitkomst als naar levenskwaliteit. In de transitiezorg is de betrokkenheid van ouders eveneens belangrijk, maar verschillende barrières zijn aanwezig die deze participatie bemoeilijken.\n\nCONCLUSIE: Ouderparticipatie tijdens de transitiezorg wordt door ethische,therapeutische en praktische kwesties bemoeilijkt. Hiermee rekening houdend moeten ouders in de zorg voor hun kind zo veel mogelijk betrokken worden.Verder dient er ook voldoende aandacht te zijn voor de zorgen en noden van de ouders zelf"},"keywords":{"en":["young people","parents","suicide","transition care"],"nl":["jongeren","ouders","zelfdoding","transitiezorg"]},"region":["internationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["young","adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Factsheet Gespreksonderwerpen in de hulplijn van 113 Zelfmoordpreventie voor en tijdens COVID-19","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113, CWI, VU","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/2020%20middelen/Factsheet%20gespreksonderwerpen%20hulplijn%20voor%20en%20tijdens%20COVID-19.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nvt"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief","anders"],"setting":[],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Praktijkvariatie op het gebied van suïcidepreventie in de Nederlandse ggz","authors":"Setkowski, K., Gilissen, R., Franx, G., Mokkenstorm, J. K., Van den Ouwelant, A., & Van Balkom, A. J. L. M.","affiliations":"113, VUmc, GGZ inGeest, Mentrum, Amsterdam GGD","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":"ISSN: 0303-7339","link":"https://research.vumc.nl/en/publications/practice-variation-in-the-field-of-suicide-prevention-in-dutch-me","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"Previous studies found that the implementation of service guideline recommendations can significantly reduce the number of suicides in mental healthcare. Important barriers to suicide prevention guideline implementation are a lack of professionals' knowledge and competence towards the suicide prevention guideline.<br/> AIM: To assess professionals' knowledge of, competence in, and adherence to the suicide prevention guideline in twelve Dutch specialist mental healthcare institutions.<br/> METHOD: In this study, professionals working at crisis teams and outpatient care teams from each of the 12 participating mental healthcare institutions in the network of supranet Care were invited to fill in a questionnaire examining professionals' knowledge of, competence in, and adherence to the suicide prevention guideline (N = 400). Results were analyzed with multilevel regression analysis and adjusted for confounding.<br/> RESULTS: Although professionals scored high on knowledge, competence, and adherence towards the guideline, they did not know to what extent the guideline was implemented within their own team. Outpatient care teams scored significantly lower on professionals' knowledge and reported lower levels of competence. Furthermore, we found significantly higher scores on adherence to the guideline for professionals in crisis teams compared to outpatient care teams. Healthcare professionals also reported practice variation within and across Dutch mental healthcare institutions. CONCLUSIONS Practice variation within and across teams and mental healthcare institutions is undesirable. To reduce this variation, professionals and mental healthcare institutions should share best-practices and learn from each other how the quality of care for suicidal patients can be optimized.","nl":"ACHTERGROND: Uit buitenlands onderzoek blijkt dat de mate waarin richtlijnen voor suïcidepreventie worden nageleefd in ggz-instellingen samenhangt met het aantal suïcides. Veelvoorkomende oorzaken van het niet naleven van de richtlijn zijn onvoldoende kennis van en gebrek aan vertrouwen in de richtlijnaanbevelingen.\n\nDOEL:  Onderzoek bij professionals in 12 grote ggz-instellingen in Nederland naar de mate van kennis, competentie en naleving betreffende de richtlijn suïcidaal gedrag.\n\nMETHODE: In 12 ggz-instellingen die deelnemen aan het netwerk supranet ggz werden professionals (n = 400) uit één crisisteam en één ambulant team uitgenodigd om een vragenlijst in te vullen over de kennis, competentie en naleving betreffende de richtlijn suïcidaal gedrag. Verschillen tussen teams en tussen instellingen werden getoetst met een multilevel lineaire regressieanalyse, gecorrigeerd voor verstorende variabelen.\n\nRESULTATEN: Professionals gaven aan relatief veel kennis over en competentie in de toepassing van de richtlijn te hebben. Men bleek echter vaak niet op de hoogte over het gebruik van de richtlijn binnen het eigen team. Vergeleken met professionals werkzaam in crisisteams, gaven professionals in ambulante teams aan significant minder kennis van de richtlijnaanbevelingen te hebben, beoordeelden zij hun vaardigheden als minder goed en leefden zij de richtlijn minder goed na. Tussen ggz-instellingen was sprake van gerapporteerde praktijkvariatie in het naleven van de richtlijn.\n\nCONCLUSIE: Tussen teams en tussen instellingen is sprake van ongewenste praktijkvariatie. Professionals en instellingen kunnen van elkaar leren hoe de zorg voor patiënten met suïcidaliteit kan worden geoptimaliseerd. Zo kan de zorg meer conform richtlijnen zijn zodat patiënten mogelijk minder vaak overlijden door suïcide."},"keywords":{"en":["guideline","mental healthcare","quality of care","suicide"],"nl":["geestelijke gezondheidszorg","kwaliteit van zorg","richtlijn","zelfdoding"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Prioritizing suicide prevention guideline\nrecommendations in specialist mental\nhealthcare: a Delphi study","authors":"Setkowski, K., Van Balkom, A. J. L. M., Dongelmans, D. A., & Gilissen, R.","affiliations":"113, GGZ inGeest, Amsterdam UMC, NICE","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.1186/s12888-020-2465-0","link":"https://www.supranetggz.nl/wp-content/uploads/2020/02/Setkowski-et-al.-2020.pdf","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The Delphi technique is a proven and reliable method to create common definitions and to achieve convergence of opinion. This study aimed to prioritize suicide prevention guideline recommendations and to develop a set of quality indicators (QIs) for suicide prevention in specialist mental healthcare.\n\nMETHODS: This study selected 12 key recommendations from the guideline to modify them into QIs. After feedback from two face-to-face workgroup sessions, 11 recommendations were rephrased and selected to serve as QIs. Next, a Delphi study with the 11 QIs was performed to achieve convergence of opinion among a panel of 90 participants (23 suicide experts, 23 members of patients’ advisory boards or experts with experiences in suicidal behavior and 44 mental healthcare professionals). The participants scored the 11 QIs on two selection criteria: relevance (it affects the number of suicides in the institution) and action orientation (institutions or professionals themselves can influence it) using a 5-point Likert scale. Also, data analysts working in mental healthcare institutions (MHIs) rated each QI on feasibility (is it feasible to monitor and extract from existing systems). Consensus was defined as 70% agreement with priority scores of four or five.\n\nRESULTS: Out of the 11 recommendations, participants prioritized five recommendations as relevant and actionoriented in optimizing the quality of care for suicide prevention: 1) screening for suicidal thoughts and behavior, 2) safety plan, 3) early follow-up on discharge, 4) continuity of care and 5) involving family or significant others. Only one of the 11 recommendations early follow-up on discharge reached consensus on all three selection criteria (relevance, action orientation, and feasibility).\n\nCONCLUSIONS: The prioritization of relevant and action-oriented suicide prevention guideline recommendations is an important step towards the improvement of quality of care in specialist mental healthcare.","nl":"ACHTERGROND: Tijdig contact na ontslag uit kliniek meest relevant bij suïcidepreventie. Experts zeggen: tijdig contact na ontslag uit de kliniek is het meest relevant, actiegericht en haalbaar om suïcide te verminderen in de ggz. Welke aanbevelingen uit de richtlijn suïcidepreventie vinden ggz-professionals, onderzoekers, ervaringsdeskundigen en leden uit de familie-/ cliëntenraad het meest relevant voor suïcidepreventie in de ggz? Wat zijn de belangrijkste ‘knoppen’ om aan te draaien in de verwachting dat ze leiden tot minder suïcides onder cliënten in zorg bij de ggz? En welke indicatoren worden als haalbaar gezien om te registreren binnen de instellingen?\n\nRESULTATEN: Deze vragen zijn onderzocht in een Delphi studie als onderdeel van het SUPRANET GGZ onderzoek (Setkowski e.a., 2018). In deze studie zijn de richtlijnaanbevelingen beoordeeld door 23 suïcide-onderzoekers, 44 ggz-professionals en 23 ervaringsdeskundigen en leden uit de familie-/ cliëntenraad. Het resultaat: vijf indicatoren werden door de experts als meest relevant en actiegericht beoordeeld: screenen op suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag, aanwezigheid van een veiligheidsplan, tijdig contact na ontslag uit kliniek, warme overdracht en betrekken van naasten.\nHiervan werd één indicator ook haalbaar bevonden om uit registratiesystemen te halen van instellingen: tijdig contact na ontslag uit kliniek*. Van belang is waar haalbaar al de vijf indicatoren te implementeren binnen ggz-instellingen om zo de kwaliteit van zorg voor cliënten met suïcidaliteit te optimaliseren.\n\nAANBEVELINGEN VOOR SUPRANET GGZ: De indicatoren waar binnen SUPRANET GGZ en de dataverzameling tot nu toe de focus op ligt, komen grotendeels overeen met deze studie. Nu blijkt dat ‘tijdig contact na ontslag uit de kliniek’ als meest relevant en haalbaar wordt bevonden, zullen de werkgroepen kwaliteit en registratie van SUPRANET GGZ beslissen hoe deze indicator wordt meegenomen in het traject van dataverzameling om deze te monitoren. En hoe SUPRANET GGZ de instellingen kan ondersteunen om de kwaliteit van zorg op dit aspect te verbeteren."},"keywords":{"en":["Suicide prevention","Implementation","Guideline recommendations","Mental healthcare","Delphi study","Quality indicator"],"nl":["zelfdodingpreventie","Implementatie","Richtlijnaanbevelingen","Geestelijke gezondheidszorg","Delphi-studie","Kwaliteitsindicator"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["any"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Suïcidaliteit bij mensen met autisme zonder verstandelijke beperking.","authors":"Spek, A. A.","affiliations":"Autisme Expertisecentrum","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift Voor Geneeskunde","identifier":"ISSN: 0028-2162","link":"https://www.ntvg.nl/artikelen/suicidaliteit-bij-mensen-met-autisme-zonder-verstandelijke-beperking","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["autisme"],"abstract":{"en":"People with autism spectrum disorders (ASD) relatively often experience suicidality. This seems partly related to comorbid disorders such as depression, ADHD and addiction. In addition, people with ASD are relatively vulnerable due to limitations in social communication, for example for bullying behavior of others. This, too, plays a role in suicidality, as well as having a strong tendency to ruminate and difficulty regulating emotions. Particularly in women with ASD, we see increased suicidality; possibly because they have more comorbid disorders, but also because of their tendency to camouflage and compensate. Social support and a sense of belonging do not protect people with ASD against suicidality. Practical help does seemtobe a protective factor. In clinical practice, health professionals should be aware of possible suicidality in people with ASD. Treatment of comorbidity and emotion regulation problems, as well as the practical guidance and the use of good anti-bullying programs can play an important role in this.","nl":"Bij mensen met een autismespectrumstoornissen (ASS) is vaak sprake van suïcidaliteit. Deze verhoogde kwetsbaarheid is gerelateerd aan autisme-specifieke factoren, zoals pestervaringen, rumineren en een verstoorde emotieregulatie, maar ook aan comorbiditeit, zoals depressie, ADHD en verslaving. Suïcidaliteit komt vaker voor bij vrouwen met een ASS, mogelijk doordat zij meer neigen tot camouflage- en compensatiegedrag. Bij mensen met een ASS beschermen sociale steun en het gevoel van acceptatie niet tegen suïcidale ideaties; praktische hulp, zoals het overnemen van huishoudelijke taken in geval van ziekte, is wel een beschermende factor. Hulpverleners moeten voldoende oog hebben voor suïcidaliteit bij mensen met een ASS. De behandeling moet gericht zijn op de lijdensdruk, zingeving, comorbiditeit, emotieregulatie, rumineren, praktische begeleiding, levensloopbegeleiding en pesten."},"keywords":{"en":["andere: autism","suicidality","cognitive impairment","comorbidity"],"nl":["andere: autisme","suïcidaliteit","cognitieve stoornissen","comorbiditeit"]},"region":["internationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["ggz"],"age":["any"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The rise of suicides using a deadly dose of barbiturates in Amsterdam and Rotterdam, the Netherlands, between 2006 and 2017","authors":"Van den Hondel, K. E., Punt, P., Dorn, T., Ceelen, M., & Reijnders, U.","affiliations":"Amsterdam GGD, Erasmus mc","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"J Forensic Leg Med","identifier":"10.1016/j.jflm.2020.101916","link":"https://www.researchgate.net/publication/338749039_The_rise_of_suicides_using_a_deadly_dose_of_barbiturates_in_Amsterdam_and_Rotterdam_the_Netherlands_between_2006_and_2017","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: The three ‘advised’ suicide methods are helium asphyxiation, voluntarily stop eating and drinking and the use of a deadly dose of medication such as barbiturates. The aim of this study was to analyse the number of suicides resulting from barbiturate overdose and examine the influence of publications and internet on this suicide method in the two larger cities of the Netherlands.\n\nMETHODS: Data of suicides by medication and drugs overdose were extracted from the electronic registration systems of the forensic physicians of the district of Amsterdam and Rotterdam over the period 1 January 2006–31 December 2017. We analysed whether or not the number of suicides using barbiturate overdose has significantly risen since 2013. This was the year ‘right-to-die-organisations’ informed individuals about this method and a book was published describing this as a humane death. In addition, a regression analysis was used to examine which factors predict a suicide resulting from barbiturate overdose.\n\nRESULTS: A total of 553 overdose suicides were identified and 91 suicides resulting from barbiturate overdose were included for further evaluation. During 2013–2017 there were significantly (p < 0.00) more suicides resulting from barbiturate overdose compared to 2007–2012. Individuals using barbiturate overdose to die by suicide were significantly (p < 0.00) older than those using other medication and drugs (65 years compared to 55 years respectively). 48% of these cases were male. In barbiturate suicides, information sources (books or information on the internet, p < 0.01) and the presence of family during suicide (p < 0.00) occurred significantly more often than in suicides resulting from other medication and/or drugs overdose. The odds for barbiturate suicides were 4.8 higher (CI 2.6–9.2) after 2013 compared to before 2013 after correction for age, sex, city and postmortem toxicology results.\n\nDISCUSSION\": Our data showed a rise in suicides resulting from barbiturate overdose whereas the total number of inhabitants and suicides resulting from medication overdose has remained more or less constant. Easy access of information or medication through the internet and ‘right-to-die-organisations’ may have directly impacted the rise in suicides resulting from an overdose of barbiturates. To our knowledge this is the first study analysing the rise of barbiturate suicides and the influence of media in published literature.","nl":"ACHTERGROND: De drie ‘geadviseerde’ methoden voor suïcide zijn verstikking met helium, vrijwillig stoppen met eten en drinken en het gebruik van een dodelijk dosis medicijnen zoals barbituraten. Deze studie had als doel het aantal suïcides door een overdosis barbituraten te analyseren en te onderzoeken in hoeverre deze manier van suïcide in de twee grootste steden van Nederland wordt beïnvloed door publicaties op internet. \n\nONDERZOEK: De gegevens over suïcide met een overdosis medicijnen of drugs waren afkomstig uit de elektronische registratiesystemen van de forensisch artsen van de districten Amsterdam en Rotterdam in de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2017. Deze werden geanalyseerd om na te gaan of het aantal suïcides door middel van een overdosis barbituraten sinds 2013 significant was gestegen. Dat was het jaar waarin organisaties die zich inzetten voor het recht op levensbeëindiging over deze methode begonnen te informeren en er een boek verscheen waarin deze methode als een humane dood werd beschreven. Daarnaast werd onderzocht welke factoren een suïcide met behulp van een overdosis barbituraten kunnen voorspellen. \n\nRESULTATEN: Er werden in totaal 553 suïcides door overdosis gevonden en daarvan werden 91 suïcides waarbij gebruik was gemaakt van een overdosis barbituraten verder onderzocht. In de periode 2013-2017 vonden er significant meer suïcides door middel van een overdosis barbituraten plaats dan in de periode 2007-2012. Personen die hun leven beëindigden met een overdosis barbituraten waren significant ouder dan degenen die dit deden met andere medicijnen of drugs (respectievelijk 65 en 55 jaar). 48% van hen waren mannen. Bij suïcide met barbituraten werd significant vaker melding gemaakt van informatiebronnen (boeken of informatie op internet) en de aanwezigheid van familie bij de suïcide dan bij suïcide door middel van een overdosis van andere medicijnen en/of drugs. Het aandeel suïcides met barbituraten was na 2013 hoger dan daarvoor, ook na correctie voor leeftijd, geslacht, stad en uitslagen van toxicologische tests na overlijden. \n\nCONCLUSIE: Uit de gegevens blijkt dat het aantal suïcides met een overdosis barbituraten is toegenomen, terwijl het totale aantal inwoners en het aantal suïcides met een overdosis medicijnen min of meer constant zijn gebleven. Eenvoudige toegang tot informatie of medicijnen via internet en organisaties die zich inzetten voor het recht op levensbeëindiging kan rechtstreeks van invloed zijn geweest op de toename van het aantal suïcides door middel van een overdosis barbituraten. Voor zover bekend is dit de eerste gepubliceerde studie naar de toename van suïcides met barbituraten en de invloed van media."},"keywords":{"en":["Forensic physician","Forensic medicine","Suicide","Barbiturates","Death","External examination","Right-to-die-organisation"],"nl":["Forensisch arts","Forensische geneeskunde","zelfdoding","Barbituraten","Dood","Uitwendig onderzoek","Recht op sterven"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicide by helium inhalation in the Netherlands between 2012 and 2019","authors":"Van den Hondel, K. E., Punt, P., Dorn, T., Ceelen, M., Aarts, F., Van der Zande, D., …,  & Reijnders, U. J. L.","affiliations":"Amsterdam GGD, Erasmus mc, Nijmegen GGD, Den Haag GGD, Zwolle GGD, Bussum GGD, Groningen GGD, Tilburg GGD, Den Bosch GGD, Leiden GGD, Utrecht GGD, Gelderland Midden GGD, Maastricht GGD, Hollands Noorden GGD","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Forensic Science International","identifier":"10.1016/j.forsciint.2020.110566","link":"https://www.researchgate.net/publication/345808102_Suicide_by_helium_inhalation_in_the_Netherlands_between_2012_and_2019","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: In 2012 and 2013 a movie and a book about a ‘dignified end of life’ were published in the Netherlands. These items described suicide using an ‘exit bag’ to establish asphyxiation using helium (the helium method). ‘Right-to-die-organisations’ inform the elderly about this method. The purpose of this study is to investigate whether the use of suicidal asphyxiation by means of the helium method substituted other, related, methods following its publication in the Netherlands.\n\nMATERIAL AND METHODS: We analysed suicides in the Netherlands over the period from 1 July 2012 to 30 June 2019. We compared the number of deaths caused by the helium method with other, related, cases. Secondly, we related these deaths to the total number of inhabitants and suicides recorded by Statistics Netherlands.\n\nRESULTS: The study showed a stable trend in the use of the helium method in the period 2012–2019 and this was the same for the other, related methods. Individuals using the helium method were significantly younger than those using other, related, methods. At the scene of death, information about suicide and suicide notes were found more often at ‘helium method’ cases than with the ‘other, related, methods’ cases. Family was significantly more often present during a helium method suicide than during suicide by other, related, methods.\n\nDISCUSSION: The number of suicides by the helium method and other, related, cases is stable in the Netherlands over the past years. Therefore, we conclude that there is no substitution effect within this category of suicides. Whilst ‘right-to-die-organisations’ strive to inform the old and sick of the helium method, it is noteworthy that the individuals using the helium method are significantly younger than the individuals who choose other, related, methods.","nl":"ACHTERGROND: In 2012 en 2013 werden in Nederland een boek en een film uitgebracht over een ‘waardig levenseinde’. Hierin werd suïcide met behulp van een zogenoemde ‘exit bag’ beschreven, een zak voor verstikking met helium (de heliummethode). Organisaties die pleiten voor het recht op levensbeëindiging informeren ouderen over deze methode. Deze studie is bedoeld om te onderzoeken of het gebruik van de heliummethode voor suïcide door verstikking andere vergelijkbare methoden heeft vervangen na de publicatie in Nederland. \n\nONDERZOEK: De suïcides in Nederland in de periode van 1 juli 2012 tot 30 juni 2019 werden geanalyseerd. Het aantal sterfgevallen waarbij gebruik was gemaakt van de heliummethode werd vergeleken met andere, vergelijkbare gevallen. Vervolgens werden deze sterfgevallen afgezet tegen het totale aantal inwoners en suïcides zoals die zijn geregistreerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. \n\nRESULTATEN: De studie wees uit dat er een stabiele trend was in het gebruik van de heliummethode in de periode 2012-2019 en datzelfde gold voor andere, vergelijkbare methoden. Personen die gebruikmaakten van de heliummethode waren aanzienlijk jonger dan degenen die andere, vergelijkbare methoden gebruikten. Bij gevallen waarin gebruik was gemaakt van de heliummethode werden vaker dan bij andere methoden afscheidsbrieven en informatie over suïcide gevonden. Er was significant vaker familie aanwezig bij suïcide met de heliummethode dan bij andere, vergelijkbare methoden. \n\nCONCLUSIE: Het aantal suïcides met behulp van de heliummethode en andere, vergelijkbare methoden is stabiel in Nederland in de afgelopen jaren. Er kan daarom worden geconcludeerd dat er geen vervangingseffect is geweest binnen deze categorie suïcides. Hoewel organisaties die zich inzetten voor het recht op levensbeëindiging ernaar streven oude en zieke mensen te informeren over de heliummethode, is het opmerkelijk dat de personen die de heliummethode gebruiken significant jonger zijn dan degenen die andere methoden gebruiken."},"keywords":{"en":["Asphyxial suicide","Plastic bag","Documentation about suicide","‘exit bag’","Forensic physician","Right-To-Die-Organisations"],"nl":["Verstikkende zelfdoding","Plastic zak","Documentatie over zelfdoding","‘exit bag’","Forensisch arts","Right-To-Die-Organisaties"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Factsheet Suicidaliteit onder jongeren","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/informatiemateriaal_2024/factsheets/20240905_Factsheet_suicidaliteit_jongeren.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide","youth"],"nl":["zelfdoding","jongeren","cijfers"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["young"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Factsheet Suicidaliteit onder mannen van middelbare leeftijd","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/informatiemateriaal_2024/factsheets/20240822_Factsheet_middelbare_mannen.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["middelbareman"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide","men","middle-age"],"nl":["zelfdoding","mannen","middelbare leeftijd","cijfers"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Factsheet Suicidaliteit en autisme","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113, Nederlandse Vereniging voor Autisme","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/2020%20middelen/Factsheet%20autisme.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["autisme"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide","autism"],"nl":["zelfdoding","autisme","cijfers"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Factsheet Suicidaliteit onder agrariërs","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113, LTO Nederland, TABOER","affiliation113":true,"year":2025,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/infomateriaal_2025/20250318_factsheet_agrariers.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["middelbareman"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide","farmers","agriculture"],"nl":["zelfdoding","agrariers","boeren","cijfers"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Applying machine learning on health record data from general practitioners to predict suicidality","authors":"Van Mens, K., Elzinga, E., Nielen, M., Lokkerbol, J., Poortvliet, R., Donker, G., Heins, M., Korevaar, J., Dückers, M., Aussems, C., Helbich, M., Tiemens, B., Gilissen, R., Beekman, A., & De Beurs, D.","affiliations":"113, Trimbos, Altrecht, VU, Nivel, UU, Radboud, Amsterdam UMC, GGZ inGeest","affiliation113":true,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Internet Interventions","identifier":"10.1016/j.invent.2020.100337","link":"https://www.researchgate.net/publication/343910120_Applying_machine_learning_on_health_record_data_from_general_practitioners_to_predict_suicidality","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidal behaviour is difficult to detect in the general practice. Machine learning (ML) algorithms using routinely collected data might support General Practitioners (GPs) in the detection of suicidal behaviour. In this paper, we applied machine learning techniques to support GPs recognizing suicidal behaviour in primary care patients using routinely collected general practice data.\n\nMETHODS: This case-control study used data from a national representative primary care database including over 1.5 million patients (Nivel Primary Care Database). Patients with a suicide (attempt) in 2017 were selected as cases (N = 574) and an at risk control group (N = 207,308) was selected from patients with psychological vulnerability but without a suicide attempt in 2017. RandomForest was trained on a small subsample of the data (training set), and evaluated on unseen data (test set).\n\nRESULTS: Almost two-third (65%) of the cases visited their GP within the last 30 days before the suicide (attempt). RandomForest showed a positive predictive value (PPV) of 0.05 (0.04–0.06), with a sensitivity of 0.39 (0.32–0.47) and area under the curve (AUC) of 0.85 (0.81–0.88). Almost all controls were accurately labeled as controls (specificity = 0.98 (0.97–0.98)). Among a sample of 650 at-risk primary care patients, the algorithm would label 20 patients as high-risk. Of those, one would be an actual case and additionally, one case would be missed.\n\nCONCLUSION: In this study, we applied machine learning to predict suicidal behaviour using general practice data. Our results showed that these techniques can be used as a complementary step in the identification and stratification of patients at risk of suicidal behaviour. The results are encouraging and provide a first step to use automated screening directly in clinical practice. Additional data from different social domains, such as employment and education, might improve accuracy.","nl":"ACHTERGROND: Voor jongeren tussen 15 en 25 jaar met psychische kwetsbaarheden, die de transitie van kinderpsychiatrie naar volwassenenpsychiatrie maken, is er vaak discontinuïteit van zorg. Juist in deze leeftijdsgroep is suïcide één van de voornaamste doodsoorzaken. Hoewel men weet dat ouders belangrijk zijn in het zorgproces bij suïcidale jongeren, stuit de ouderparticipatie tijdens de transitie op verschillende uitdagingen.\n\nDOEL:  Het duiden van de ethische,therapeutische en praktische aspecten wat betreft ouders van een suïcidale jongere tijdens de transitie.\n\nMETHODE: Een literatuurstudie in de belangrijkste literatuurdatabanken.\n\nRESULTATEN: We vonden geen studies die specifiek focussen op ouderparticipatie bij suïcidale jongeren in de transitiezorg. De wetenschappelijke evidentie om de ouders van suïcidale jongeren te betrekken bij de behandeling is groot, zowel naar uitkomst als naar levenskwaliteit. In de transitiezorg is de betrokkenheid van ouders eveneens belangrijk, maar verschillende barrières zijn aanwezig die deze participatie bemoeilijken.\n\nCONCLUSIE: Ouderparticipatie tijdens de transitiezorg wordt door ethische,therapeutische en praktische kwesties bemoeilijkt. Hiermee rekening houdend moeten ouders in de zorg voor hun kind zo veel mogelijk betrokken worden. Verder dient er ook voldoende aandacht te zijn voor de zorgen en noden van de ouders zelf."},"keywords":{"en":["Suicide","General practice","Electronic health records","Machine learning"],"nl":["zelfdoding","eerste zorg","Elektronische medische dossiers","Machine learning"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Sociodemographic Differences in Time Trends of Suicidal Thoughts and Suicide Attempts Among Adolescents Living in Amsterdam, The Netherlands","authors":"Van Vuuren, C. L., Van der Wal, M. F., Cuijpers, P., & Chinapaw, M. J. M.","affiliations":"Amsterdam GGD, VU, EMGO","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000735","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/33241744/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidal thoughts and suicide attempts among adolescents are major public health problems. More insight into secular changes in suicidal thoughts and suicide attempts among adolescents from various sociodemographic groups is crucial for adequate and targeted policy-making and prevention. We therefore examined 5-year time trends in suicidal thoughts and suicide attempts among adolescents and potential differences in time trends between sociodemographic groups. \n\nMETHODS: Logistic regression analyses were based on annually repeated cross-sectional data including 26,273 multi-ethnic students (13-14 years old) in the second year of various levels of secondary education in Amsterdam, The Netherlands. \n\nRESULTS: Overall, the prevalence of adolescents in Amsterdam with suicidal thoughts decreased from 17.6% during 2010-2011 to 13.2% during 2014-2015. The prevalence of adolescents reporting suicide attempts decreased from 2.9% to 1.9% over the observed 5-year period. We found differences in these time trends between subgroups based on ethnicity and educational level. Limitations: The use of confidential and self-reported data could have biased the results. \n\nCONCLUSION: In order for prevention policy to be effective it is important to pay attention to changes in risk groups for suicidal thoughts and suicide attempts over time.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidale gedachten en suïcidepogingen onder jongeren zijn een groot volksgezondheidsprobleem. Meer inzicht in de veranderingen op het gebied van suïcidale gedachten en suïcidepogingen onder jongeren uit verschillende sociaal-demografische groepen is cruciaal voor adequate en gerichte beleidsvorming en preventie. Daarom is onderzoek gedaan naar vijfjarige tijdtrends van suïcidale gedachten en suïcidepogingen onder jongeren en de potentiële verschillen in tijdtrends tussen sociaal-demografische groepen.   \n\nONDERZOEK: Voor de analyses werden jaarlijks gegevens verzameld over 26.273 leerlingen van 13-14 jaar met verschillende etnische achtergronden in het tweede leerjaar van middelbare scholen van verschillende niveaus in Amsterdam.  \n\nRESULTATEN: In het algemeen nam het percentage jongeren met suïcidale gedachten in Amsterdam af van 17,6% in 2010-2011 tot 13,2% in 2014-2015. Het percentage jongeren dat suïcidepogingen meldde nam gedurende de onderzoeksperiode af van 2,9 tot 1,9%. In deze tijdtrends werden wel verschillen gevonden tussen subgroepen op basis van etniciteit en opleidingsniveau.  \n\nKANTTEKENING: het gebruik van vertrouwelijke en zelf opgegeven gegevens kan de resultaten hebben vertekend.  \n\nCONCLUSIE: Voor een effectief preventiebeleid is het belangrijk om aandacht te besteden aan de veranderingen in de loop van de tijd in risicogroepen voor suïcidale gedachten en suïcidepogingen."},"keywords":{"en":["adolescence; sociodemographic factors; suicidal thoughts; suicide attempt; time trends"],"nl":["adolescentie; sociodemografische factoren; zelfdodinggedachten; zelfdodingpoging; tijdstrends"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Are Suicidal Thoughts and Behaviors a Temporary Phenomenon in Early Adolescence?","authors":"Van Vuuren, C. L., Van der Wal, M. F., Cuijpers, P., & Chinapaw, M. J. M.","affiliations":"Amsterdam GGD, VU, EMGO","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000680","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32228038/#:~:text=Background%3A%20The%20incidence%20of%20first,they%20continue%20to%20have%20STBs.","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The incidence of first suicidal thoughts and behaviors (STBs) peaks during early adolescence. After experiencing their first STBs, adolescents differ greatly in the extent to which they continue to have STBs. \n\nAIM: We determined the course of STBs in Dutch students at two ages: 13-14 years (t1) and 15-16 years (t2). \n\nMETHODS: Longitudinal data on STBs and sociodemographic factors were collected by self-report (n = 8,499). Associations between having STBs at t1 and t2 were determined with multinomial logistic regression analysis. \n\nRESULTS: Students who reported suicidal thoughts at baseline (n = 1,077; 13%) reported suicidal thoughts (OR = 6.60; 95% CI [5.52, 7.88]) and suicidal attempts (OR = 6.97; 95% CI [4.20, 11.54]) at t2 more often than students with no STBs at t1. Students who reported a suicidal attempt at baseline (n = 144; 2%) also reported suicidal thoughts and suicidal attempts more often at t2 (OR = 5.98; 95% CI [3.89, 9.21]; OR = 30.00; 95% CI [15.84, 56.82], respectively). Limitations: The use of confidential self-reported data and the loss of cases after merging could have biased the results. \n\nCONCLUSION: For a subgroup of adolescents, STBs persisted and worsened over the 2 years. This demonstrates the importance of accurate identification of those at increased risk of suicide, in combination with personalized care.","nl":"ACHTERGROND: In de vroege puberteit is er een piek te zien in het optreden van de eerste suïcidale gedachten en gedragingen. Na hun eerste ervaring met suïcidale gedachten en gedragingen verschillen jongeren sterk in de mate waarin ze deze blijven hebben. Voor dit onderzoek werd het verloop van suïcidale gedachten en gedragingen in kaart gebracht bij Nederlandse scholieren in twee leeftijdsgroepen: 13-14 jaar en 15-16 jaar.  \n\nONDERZOEK: Door middel van zelfrapportage werden gegevens verzameld over suïcidale gedachten en gedragingen in de loop van de tijd en over sociaal-demografische factoren. Vervolgens werd geanalyseerd of er een verband was tussen het vertonen van suïcidale gedachten en gedragingen op het eerste en tweede onderzoeksmoment.  \n\nRESULTATEN: Scholieren die aan het begin van het onderzoek suïcidale gedachten zeiden te hebben, meldden op het tweede onderzoeksmoment vaker suïcidale gedachten en suïcidepogingen dan leerlingen die op het eerste onderzoeksmoment geen suïcidale gedachten hadden. Scholieren die aan het begin van het onderzoek een suïcidepoging meldden, meldden ook vaker suïcidale gedachten en suïcidepogingen op het tweede onderzoeksmoment.  \n\nKANTTEKENING: mogelijk zijn de resultaten vertekend doordat er gebruik werd gemaakt van vertrouwelijke en zelf opgegeven informatie en doordat er na samenvoeging proefpersonen buiten beeld zijn geraakt.  \n\nCONCLUSIE: Voor een subgroep van jongeren bleven suïcidale gedachten en gedragingen bestaan en werden ze in de loop van de twee jaar erger. Dit onderstreept het belang van het zorgvuldig herkennen van leerlingen die een verhoogd risico op suïcide hebben, in combinatie met zorg op maat."},"keywords":{"en":["adolescents\nlongitudinal\nsuicidal thoughts and behaviors\nsuicide"],"nl":["adolescenten\nlongitudinaal\nsuïcidale gedachten en gedrag\nzelfdoding"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The perspectives of adults with suicidal ideation and behaviour\nregarding their interactions with nurses in mental health and\nemergency services: A systematic review","authors":"Vandewalle, J., Van Bos, L., Goossens, P., Beeckman, D., Van Hecke, A., Deproost, E., & Verhaeghe, S.","affiliations":"Dimence","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Nursing Studies","identifier":"10.1016/j.ijnurstu.2020.103692","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32682109/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: In contemporary healthcare, both community and inpatient mental health and emergency services are important help-seeking avenues for persons with suicidal ideation and behaviour. Regarding nursing practice in these services, there is a strong focus on assessing and managing suicide risk. Within this clinical context, the perspectives of persons with suicidal ideation and behaviour are often overlooked. \n\nOBJECTIVE: To synthesise the literature examining the perceptions and experiences of persons with suicidal ideation and behaviour regarding their interactions with nurses. \n\nDESIGN: Review of qualitative and quantitative studies within a data-based convergent synthesis design. \n\nDATA SOURCES: A systematic search of electronic databases (until January 2020) in PubMed, Web of Science, Embase, and PsycARTICLES. Additional articles were identified through hand searching reference lists. \n\nREVIEW METHODS: The methodological quality was assessed using the Critical Appraisal Skills Programme for qualitative studies and the QualSyst tool for quantitative studies. Thematic analysis was used to identify the key themes and subthemes. \n\nRESULTS: In total, 26 studies were selected for analysis. Most studies were qualitative and focused on inpatient mental health services. The studies reflected a spectrum of positive and negative perceptions and experiences of persons with suicidal ideation and behaviour regarding their interactions with nurses. Three key themes were identified: being cared for and acknowledged as a unique individual, giving voice to myself in an atmosphere of connectedness, and encountering a nurturing space to address my suicidality. \n\nCONCLUSIONS: This systematic review provides insights that can be used to encourage nurses to contribute to suicide prevention and treatment as part of an approach in which they care for, connect, and collaborate with persons experiencing suicidal ideation and behaviour as unique individuals.","nl":"ACHTERGROND: In de huidige gezondheidszorg zijn zowel ambulante als klinische geestelijke gezondheidszorg en noodhulpdiensten belangrijke routes voor mensen die hulp zoeken bij suïcidale gedachten en gedragingen. Als het gaat om de verpleging binnen deze diensten, ligt er een sterke nadruk op het beoordelen en beheersen van het risico op suïcide. Binnen deze klinische context wordt vaak voorbijgegaan aan het perspectief van mensen met suïcidale gedachten en gedragingen. \n\nONDERZOEK: Dit onderzoek was bedoeld om een overzicht te geven van de literatuur die zich bezighoudt met het perspectief en de ervaringen van personen met suïcidale gedachten en gedragingen in hun contact met verpleegkundigen. Hiervoor zijn de gegevens uit kwalitatieve en kwantitatieve studies samengevoegd. Het onderzoek bestond uit een systematische doorzoeking van medische databases. Daarnaast werden er extra artikelen gevonden door handmatig referentielijsten te doorzoeken. Vervolgens werd aan de hand van verschillende beoordelingsprogramma’s de methodologische kwaliteit van de studies vastgesteld en werd een thematische analyse gebruikt om de hoofd- en subthema’s te bepalen.  \n\nRESULTATEN: In totaal werden er 26 studies geselecteerd voor analyse. De meeste daarvan waren kwalitatieve studies die zich richtten op klinische geestelijke gezondheidszorg. In de studies werd een scala aan positieve en negatieve perspectieven en ervaringen van personen met suïcidale gedachten en gedragingen besproken met betrekking tot hun contact met verpleegkundigen. Er werden drie hoofdthema’s gevonden: verzorgd en erkend worden als een uniek individu, zichzelf een stem geven in een sfeer van verbondenheid en een koesterende ruimte vinden om de suïcidaliteit aan te pakken. \n\nCONCLUSIE: Dit systematische overzicht levert inzichten op die kunnen worden gebruikt om verpleegkundigen aan te moedigen een bijdrage te leveren aan suïcidepreventie en behandeling, als onderdeel van een benadering waarin zij personen die te maken hebben met suïcidale gedachten en gedragingen als unieke individuen verzorgen en met hen de verbinding zoeken en samenwerken ."},"keywords":{"en":["Emergency hospital services\nMental health services\nNursing\nNurse patient relations\nPatients\nSuicidal ideation\nSuicide\nSystematic review"],"nl":["Ziekenhuisdiensten voor noodgevallen\nGeestelijke gezondheidszorg\nVerpleging\nVerpleegkundige patiëntenrelaties\nPatiënten\nSuïcidale gedachten\nzelfdoding\nSystematische review"]},"region":["internationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suicide ideation versus suicide attempt: Examining overlapping and differential determinants in a large cohort of patients with depression and/or anxiety","authors":"Wiebenga, J. X., Eikelenboom, M., Heering, H. D., Van Oppen, P., & Penninx, B. W.","affiliations":"VUmc, GGZ inGeest","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Aust N Z J Psychiatry","identifier":"10.1177/0004867420951256","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32847373/","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief"],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Individuals with a depressive and/or anxiety disorder are known to have an elevated risk of suicide. However, these diagnoses alone are insufficient at differentiating patients with suicide ideation that attempt suicide from those that do not. Few studies examined such differences in an ideation-to-action framework. Using this framework, extensive multivariate testing was performed to examine differences between suicidal patients with and without a suicide attempt.\n\nMETHOD: Data were from 1576 respondents with a depressive and/or anxiety disorder, participating in the Netherlands Study of Depression and Anxiety. Logistic regression analyses were used to analyze associations between sociodemographic, clinical, personality, and psychosocial risk factors and suicide ideation and attempt.\n\nRESULTS: Patients with suicide ideation could be uniquely distinguished from non-suicidal patients by more years of education, presence of a depressive disorder (vs anxiety disorder) and higher introversion. Patients with suicide ideation and a past suicide attempt could be uniquely distinguished from non-suicidal patients by a younger age of onset, a lifetime alcohol use disorder, more external locus of control and lower levels of social support. Within the group of patients with suicide ideation, patients with a suicide attempt were more likely to have childhood trauma and lower education, and be of non-Western descent than patients with suicide ideation and no past attempt.\n\nCONCLUSION: This study found that although various clinical, personality and psychosocial characteristics distinguish patients with suicide ideation from non-suicidal patients, many of these often-cited factors do not distinguish patients with a suicide attempt from those who only think about suicide. However, childhood trauma, lower education and non-Western descent could aid in detecting suicide attempt risk among patients with suicide ideation.","nl":"ACHTERGROND: Personen met een depressie en/of angststoornis hebben vaak een verhoogd risico op suïcide. Deze diagnoses zijn op zichzelf echter onvoldoende om onderscheid te maken tussen patiënten met suïcidale gedachten die een poging tot suïcide zullen doen en patiënten die dat niet doen. Slechts weinig studies besteden aandacht aan het verschil tussen gedachten en handelingen. Met het oog hierop werden uitgebreide tests met meerdere variabelen uitgevoerd om de verschillen te onderzoeken tussen suïcidale patiënten die een suïcidepoging doen en degenen die dat niet doen. \n\nONDERZOEK: Voor dit onderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van 1576 deelnemers met een depressie en/of angststoornis die hadden meegedaan aan de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst. Met behulp van logistische analyses werden de verbanden tussen sociaal-demografische, klinische, persoonlijkheidsgebonden en psychosociale risicofactoren voor suïcidale gedachten en suïcidepogingen geanalyseerd. \n\nRESULTATEN: Patiënten met suïcidale gedachten konden worden onderscheiden van niet-suïcidale patiënten op basis van meer opleidingsjaren, de aanwezigheid van een depressie (in tegenstelling tot angststoornis) en sterkere introversie. Patiënten met suïcidale gedachten die in het verleden een suïcidepoging hadden gedaan, waren te onderscheiden van niet-suïcidale patiënten op basis van een jongere leeftijd bij het begin van de klachten, problematisch alcoholgebruik gedurende het leven, de neiging om de oorzaak van dingen die hem of haar overkomen buiten zichzelf te zoeken en minder sociale steun. Binnen de groep patiënten met suïcidale gedachten hadden de patiënten die een suïcidepoging hadden gedaan vaker een jeugdtrauma en een lager opleidingsniveau en waren ze vaker van niet-westerse komaf dan patiënten met suïcidale gedachten die nooit een suïcidepoging hadden gedaan. \n\nCONCLUSIE: Uit deze studie bleek dat er diverse klinische, persoonlijkheidsgebonden en psychosociale kenmerken zijn die patiënten met suïcidale gedachten onderscheiden van niet-suïcidale patiënten, maar dat veel van deze vaak genoemde factoren niet geschikt zijn om onderscheid te maken tussen patiënten die een suïcidepoging doen en patiënten die daar alleen maar aan denken. Een jeugdtrauma, een lagere opleiding en een niet-westerse afkomst kunnen echter signalen zijn om het risico van een suïcidepoging te detecteren bij patiënten met suïcidale gedachten."},"keywords":{"en":["Suicide ideation","suicide attempt","depressive disorder","anxiety disorder","risk factors"],"nl":["zelfdodinggedachten","zelfdodingpoging","depressieve stoornis","angststoornis","risicofactoren"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Trends in suicide death risk in transgender people: results from the Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria study (1972-2017)","authors":"Wiepjes, C. M., Den Heijer, M., Bremmer, M. A., Nota, N. M., De Blok, C. J. M., Coumou, B. J. G., & Steensma, T. D.","affiliations":"Amsterdam UMC, VU","affiliation113":false,"year":2020,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Acta psychiatrica Scandinavica","identifier":"10.1111/acps.13164","link":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32072611/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: This study explored the overall suicide death rate, the incidence over time, and the stage in transition where suicide deaths were observed in transgender people.\n\nMETHODS: A chart study, including all 8263 referrals to our clinic since 1972. Information on death occurrence, time, and cause of death was obtained from multiple sources.\n\nRESULTS: Out of 5107 trans women (median age at first visit 28 years, median follow-up time 10 years) and 3156 trans men (median age at first visit 20 years, median follow-up time 5 years), 41 trans women and 8 trans men died by suicide. In trans women, suicide deaths decreased over time, while it did not change in trans men. Of all suicide deaths, 14 people were no longer in treatment, 35 were in treatment in the previous two years. The mean number of suicides in the years 2013-2017 was higher in the trans population compared with the Dutch population.\n\nCONCLUSIONS: We observed no increase in suicide death risk over time and even a decrease in suicide death risk in trans women. However, the suicide risk in transgender people is higher than in the general population and seems to occur during every stage of transitioning. It is important to have specific attention for suicide risk in the counseling of this population and in providing suicide prevention programs.","nl":"ACHTERGROND: Deze studie onderzocht het aantal suïcides in het algemeen, de incidentie in de tijd en de fase van transitie waarin suïcides voorkwamen bij transgenders. \n\nONDERZOEK: Er werd een dossieronderzoek uitgevoerd onder alle 8263 personen die sinds 1972 waren doorverwezen naar de kliniek. De informatie over overlijden, het moment van overlijden en de doodsoorzaak was afkomstig uit diverse bronnen. \n\nRESULTATEN: 41 van de 5107 transvrouwen en 8 van de 3156 transmannen overleden als gevolg van suïcide. Bij de transvrouwen nam het aantal suïcides in de loop van de tijd af; bij de transmannen bleef het gelijk. Van alle sterfgevallen door suïcide waren 14 personen niet meer in behandeling. De andere 35 personen hadden in de voorgaande twee jaar behandeling ontvangen. Het gemiddelde aantal suïcides binnen de transpopulatie was in de jaren 2013-2017 hoger dan in de Nederlandse bevolking als geheel. \n\nCONCLUSIE: Er werd geen stijging van het risico op overlijden door suïcide gezien in de loop van de tijd. Bij transvrouwen nam het risico op suïcide zelfs af. Het suïciderisico is onder transgendermensen echter wel hoger dan binnen de algemene bevolking en dat lijkt voor elke fase van de transitie te gelden. Het is belangrijk om specifiek aandacht te besteden aan het risico op suïcide bij de begeleiding van deze mensen en bij het opzetten van programma’s voor suïcidepreventie."},"keywords":{"en":["gender dysphoria; suicide; transgender"],"nl":["genderdysforie; zelfdoding; transgender"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Electroencephalogram resting state frequency power characteristics of suicidal behavior in female patients with major depressive disorder","authors":"Benschop, L., Baeken, C., Vanderhasselt, M., Van de Steen, F., Van Heeringen, K., & Arns, M.","affiliations":"TU Eindhoven, Onderzoeksinstituut Brainclinics, UU, NeuroCare Group","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Clinical Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.4088/JCP.18m12661","link":"https://www.psychiatrist.com/JCP/article/Pages/2019/v80/18m12661.aspx","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Difficulties in predicting suicidal behavior hamper effective suicide prevention. Therefore, there is a great need for reliable biomarkers, and neuroimaging may help to identify such markers.\n\nMETHODS: Electroencephalography (EEG) was used to investigate resting state spatial-frequency power characteristics of female patients with major depressive disorder (MDD); 19 were recent suicide attempters (within the previous 30 days), 36 were suicide ideators, and 23 were nonsuicidal. Patients were enrolled at neuroCare Clinic Nijmegen (Nijmegen, the Netherlands) between May 2007 and November 2016, and the primary diagnosis of nonpsychotic MDD was confirmed using the Mini-International Neuropsychiatric Interview, DSM-IV criteria, and a score of ≥ 14 on the 21-item Beck Depression Inventory. Nonparametric, cluster-based permutation tests were applied to detect robust power differences between the study groups on the EEG broadband signal (2–100 Hz). Furthermore, a nonadaptive distributed source imaging method (eLORETA) was utilized to examine if these suicide-based frequency characteristics are localized in brain areas previously reported in the neuroimaging literature.\n\nRESULTS: When compared to nonsuicidal depressed patients, attempters and ideators displayed both decreased beta and low gamma activity in the frontal regions. Moreover, ideators had increased alpha activity over the posterior regions and increased high beta, low gamma activity over the left occipital region when compared to psychiatric controls. Attempters had reduced beta and low gamma activity over the right temporal region when compared to ideators. In addition, eLORETA localized attempter and ideator reduced frontal activity within the orbito-, medial-, middle-, superior-, and inferior-frontal areas and the anterior cingulate cortex. In attempters, reduced right temporal activity was localized within the right inferior-, middle-, and superior-temporal cortices and the fusiform gyrus.\n\nCONCLUSIONS: Frequency power characteristics of attempters and ideators are consistent with findings from the neuroimaging literature concerning suicide, implying EEG resting state assessment could become a potential biomarker to predict suicide risk.","nl":"ACHTERGROND: Het feit dat suïcidaal gedrag moeilijk kan worden voorspeld staat effectieve suïcidepreventie in de weg. Er is daarom een grote behoefte aan betrouwbare biomarkers en gebruik van neuroimaging (technieken om hersengebieden in beeld te brengen) kan helpen dergelijke markers te vinden.  \n\nONDERZOEK: Er is gebruikgemaakt van elektro-encefalografie (EEG) om de hersengolven van vrouwelijke patiënten met een depressie te onderzoeken. Het onderzoek had betrekking op 19 proefpersonen die onlangs (in de voorgaande 30 dagen) een suïcidepoging hadden gedaan, 36 proefpersonen die suïcidale gedachten hadden en 23 proefpersonen die niet suïcidaal waren. De onderzoekers analyseerden de EEG-resultaten om te zien of er duidelijke verschillen waren tussen de studiegroepen. Daarnaast werd er gebruikgemaakt van eLORETA, een methode om op basis van EEG-onderzoek de neurale activiteit te bepalen, om te onderzoeken of de frequentiekenmerken die verband houden met suïcidaliteit zich bevinden in de hersengebieden die eerder in dat verband zijn genoemd in de literatuur over neuroimaging. In vergelijking met niet-suïcidale patiënten met een depressie vertoonden zowel mensen die een suïcidepoging hadden gedaan als mensen met suïcidale gedachten toegenomen bèta- en lage gamma-activiteit in de frontale hersengebieden. Daarnaast hadden mensen met suïcidale gedachten een toegenomen alfa-activiteit in de achterste gebieden en toegenomen hoge bèta-, lage gamma-activiteit in de linker occipitale kwab in vergelijking met psychiatrische controlegroepen. Patiënten die een suïcidepoging hadden gedaan, hadden een lagere bèta- en lage gamma-activiteit in de rechter temporale kwab in vergelijking met patiënten met suïcidale gedachten. Daarnaast wees het eLORETA-onderzoek uit dat de patiënten die een suïcidepoging hadden gedaan en de patiënten met suïcidale gedachten verminderde frontale activiteit hadden in specifieke delen van de hersenen. Bij degenen die een suïcidepoging hadden gedaan werd verminderde activiteit in verschillende delen van de rechter temporale kwab gemeten.  \n\nCONCLUSIE: De hersengolven van patiënten die een suïcidepoging hebben gedaan en degenen die suïcidale gedachten hebben komen overeen met de bevindingen in de literatuur over neuroimaging met betrekking tot suïcide, wat betekent dat EEG-metingen in rust een potentiële biomarker zou kunnen worden om een risico op suïcide te voorspellen."},"keywords":{"en":["neuroimaging","EEG","resting state","biomarkers","MDD","suicide"],"nl":["neuroimaging","elektro-encefalogram","rusttoestand","biomarkers","depressieve stoornis","zelfdoding"]},"region":["nationaal"],"type":["fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Diagnosis of autism spectrum disorder in women with suicidality and characteristics of borderline personality disorder","authors":"Bringmann, S. A., & Maidman, P. E.","affiliations":"GGZCentraal","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30793273","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["autisme"],"abstract":{"en":"In reaction to two patients diagnosed with borderline personality disorder (bpd) who were admitted for suicidality and whose treatment was stagnating, we hypothesised that these women had an autism spectrum disorder (asd) as an underlying cause for both the persistent suicidality and the characteristics of bpd.<br/> AIM: To investigate 1. whether bpd characteristics and asd can co-occur, 2. what the phenotype of asd in women is, and 3. how suicidality presents itself in women with asd.<br/> METHOD: A search was made in the English, German and Dutch literature up to October 2017.<br/> RESULTS: In approximately 10% of the women diagnosed with bpd there is asd and vice versa. The phenotype of women with asd can be missed and suicide attempts are frequent in asd.<br/> CONCLUSION: In case of atypical presentation and persistent suicidality in women with bpd characteristics, it is relevant to include asd in the differential diagnosis so that treatment can be adjusted accordingly.","nl":"ACHTERGROND: Naar aanleiding van de stagnerende behandeling bij twee vrouwen die met de diagnose borderline-persoonlijkheidsstoornis (bps) en suïcidaliteit opgenomen waren, werd de hypothese geopperd dat bij hen een autismespectrumstoornis (ass) de onderliggende oorzaak was voor zowel de persisterende suïcidaliteit als de kenmerken van bps.\n\nDOEL:  De aandacht vestigen op het feit dat bps-kenmerken en ass samen kunnen voorkomen en dat de uitingen van suïcidaliteit bij vrouwen met ass en comorbide bps verschillen van die bij vrouwen met bps. METHODE: We doorzochten de Engelse, Duitse en Nederlandse literatuur tot oktober 2017, met een zoekactie in de Embase, Psycinfo en Ovid-database.\n\nRESULTATEN: Van de meer dan 2000 gevonden artikelen waren er 49 direct van toepassing op ons onderwerp.Hiervan gebruikten we, uitgaande van de recentste informatie bij onderzoeken van gelijke strekking,16 artikelen. Bij circa 10% van de vrouwen bij wie de diagnose bps werd gesteld, was sprake van assen omgekeerd. Het fenotype van ass bij vrouwen kan onopgemerkt blijven, terwijl suïcidepogingen frequent voorkomen bij ass.\n\nCONCLUSIE: Het is relevant om bij atypische presentatie en aanhoudende suïcidaliteit bij vrouwen met bps-kenmerken ass in de differentiaaldiagnose te hebben zodat het beleid hierop aangepast kan worden."},"keywords":{"en":["autism spectrum disorder","borderline spectrum disorder","suicidality"],"nl":["autisme spectrum stoornis","borderline persoonlijkheidsstoornis","suïcidaliteit"]},"region":["internationaal"],"type":["review","epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The longitudinal association between lifetime mental disorders and first onset or recurrent suicide ideation","authors":"De Beurs, D. P., Ten Have, M., Cuijpers, P., & De Graaf, R.","affiliations":"Nivel, VU, Trimbos","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"10.1186/s12888-019-2328-8","link":"https://bmcpsychiatry.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12888-019-2328-8","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Although the cross-sectional association between mental disorders and suicide ideation is well studied, less is known about the prospective association. In this paper, we estimated among those without 12- month suicide ideation at baseline, the association between a wide variety of common mental disorders at baseline and suicide ideation within the 6-year follow-up period, after controlling for history of other mental disorders and demographic variables.\n\nMETHODS: Data were used from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2 (NEMESIS-2), a prospective representative adult cohort study with baseline (n = 6646) with a 6-year follow-up period. Lifetime mental disorders were assessed at baseline with the Composite International Diagnostic Interview 3.0. Within the longitudinal design, participants with first time or recurrent suicide ideation were defined follows: having no suicide ideation in the 12 months before the baseline assessment, and reporting to have had seriously thought about suicide between baseline and the 6-year follow-up period. Multiple logistical regression was used to estimate the longitudinal association between suicide ideation and a specific mental disorder while controlling for comorbidity and baseline variables. To account for the prevalence of a disorder in the population, for each disorder, the population attributable risk proportion (PARP) was calculated.\n\nRESULTS: 2.9% (n = 132) of the participants that did not report suicide ideation in the past 12 months at baseline reported suicide ideation at follow-up. Of these 132 cases, 81 (61%) experienced suicide ideation for the first time in their lives and could be viewed as first onset cases. 51 (39%) reported recurrent suicide ideation. After controlling for comorbidity, the only two disorders that were significantly related to suicide ideation at follow-up were lifetime major depressive disorder (MDD) and generalized anxiety disorder (GAD). PARP for MDD was 47.8 and 16.6% for GAD.\n\nCONCLUSIONS: After controlling for all other mental disorders, a lifetime history of MDD and GAD were related to suicide ideation at follow-up. For clinical practice, this indicates that patients with a history of MDD or GAD stay vulnerable for suicide ideation, even though they did not report suicide ideation in the past year.","nl":"ACHTERGROND: Hoewel er uitgebreid onderzoek is gedaan naar de relatie tussen psychische aandoeningen en suïcidale gedachten, is er nog niet veel bekend over hoe deze relatie zich over een langere periode ontwikkelt. \n\nONDERZOEK: Voor dit onderzoek is een groep mensen onderzocht die in het jaar vóór het onderzoek geen suïcidale gedachten hadden gehad. Er werd gekeken of er een relatie was tussen een groot aantal veelvoorkomende psychische aandoeningen en het optreden van suïcidale gedachten, gedurende een periode van zes jaar na aanvang van het onderzoek. De resultaten zijn gecorrigeerd voor eerder aanwezige psychische aandoeningen en demografische variabelen. Er is gebruikgemaakt van gegevens uit de NEMESIS-2-studie (Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2), afkomstig van 6646 volwassenen gedurende een periode van zes jaar. Eerst werd gekeken of mensen eerder in hun leven een of meer psychische aandoeningen hadden gehad. Daarna werd onderzocht in hoeverre de deelnemers ooit in hun leven serieus aan suïcide hadden gedacht en ooit een suïcidepoging hadden gedaan (maar niet in de twaalf maanden voorafgaand aan het onderzoek). Ten slotte werd gekeken of deze deelnemers tijdens de zes jaar na het eerste interview voor het eerst of weer opnieuw suïcidale gedachten hadden. Op basis van deze gegevens werd een schatting gemaakt van de relatie tussen suïcidale gedachten en een specifieke psychische aandoening over een langere periode (gecorrigeerd voor comorbiditeit en verschillende omstandigheden bij de start van het onderzoek). Voor elke aandoening werd het risico-aandeel berekend, om aan te geven hoe vaak een aandoening voorkomt in de bevolking. 2,9% van de deelnemers (die in de twaalf maanden voorafgaand aan het eerste interview geen suïcidale gedachten hadden gemeld), gaf tijdens de follow-up-periode aan wel suïcidale gedachten te hebben gehad. Van deze groep had 61% voor de eerste keer in hun leven last van suïcidale gedachten. 39% gaf aan opnieuw suïcidale gedachten te hebben. Uiteindelijk bleken depressie en gegeneraliseerde angststoornis de enige twee psychische aandoeningen te zijn die significant samenhingen met suïcidale gedachten. Het risico-aandeel was 47,8% voor depressie en 16,6% voor gegeneraliseerde angststoornis. \n\nCONCLUSIE: Tijdens de follow-up, dus in de zes jaar na het eerste interview, bleek er een verband te zijn tussen depressie en gegeneraliseerde angststoornis en suïcidale gedachten. Voor de klinische praktijk betekent dit dat patiënten die ooit een depressie of gegeneraliseerde angststoornis hebben gehad, gevoelig kunnen blijven voor suïcidale gedachten, zelfs als ze een jaar lang geen suïcidale gedachten hebben gemeld."},"keywords":{"en":["suicidal behavior","comorbidity","epidemiology"],"nl":["suïcidaal gedrag","comorbiditeit","epidemiologie"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Bevindelijk gereformeerd: risicofactor voor suïcide? Een retrospectief cohortonderzoek naar de incidentie van suïcides in een christelijke ggz-instelling","authors":"De Lely, A. A., Schaap-Jonker, H., & Braam, A. W.","affiliations":"Eleos, VU, Universiteit voor Humanistiek,","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/issues/547/articles/12088","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: In scientific literature, active commitment to a religious community is considered to be a protective factor against suicidal behavior. However, it is assumed that this protective effect does not apply to ‘reformed pietists’ or strict Calvinists, an orthodox-protestant group in the Netherlands.\n\nAIM: To explore whether the incidence of suicide is higher among reformed pietists than among other Christian patients of Eleos, a Dutch christian institute for mental health care.\n\nMETHOD: A retrospective cohort study was conducted over the period 2000-2017. All evaluating reports, which were written after a suicide, were analyzed.\n\nRESULTS In the period 2000-2017 28 evident suicides were committed. The number of suicides among reformed pietistic patients was about 10 times lower than among other Christian patients.\n\nCONCLUSION: The assumption that reformed pietists run a relatively high risk for suicide does not have adequate grounds. In case of risk assessment,reformed pietistic affiliation might be considered to be more a protecting than a risk-increasing factor for suicide.","nl":"ACHTERGROND: Actieve betrokkenheid bij een religieuze gemeenschap wordt in de literatuur doorgaans gezien als een beschermende factor tegen suïcidaal gedrag.Verondersteld wordt dat dit beschermend effect echter niet geldt voor‘bevindelijk gereformeerden’, een orthodox-protestantse groepering in Nederland.\n\nDOEL:  Nagaan of suïcide onder bevindelijk gereformeerde patiënten vaker voorkomt dan onder andere christelijke patiënten van Eleos.\n\nMETHODE: Retrospectief cohortonderzoek bij Eleos over de periode 2000-2017, waarbij alle evaluerende verslagen die zijn geschreven na een suïcide werden geanalyseerd.\n\nRESULTATEN: In de onderzochte periode vonden 28 evidente suïcides plaats bij Eleos. Het aantal suïcides onder bevindelijk gereformeerde patiënten was ongeveer 10 keer lager dan onder de andere christelijke patiënten.\n\nCONCLUSIE: De veronderstelling dat bevindelijk gereformeerden een relatief hoog suïciderisico lopen is onvoldoende gefundeerd. Een bevindelijk gereformeerde affiliatie kan bij risicotaxatie mogelijk eerder als een beschermende dan als een risicoverhogende factor voor suïcide worden gezien."},"keywords":{"en":["protecting factors","reformed pietists","religion","suicide"],"nl":["beschermende factoren","bevindelijk gereformeerden","religie","zelfdoding"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Does prolonged grief or suicide bereavement cause public stigma? A vignette-based experiment","authors":"Eisma, M. C., Te Riele, B., Overgaauw, M., & Doering, B. K.","affiliations":"RUG","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychiatry Research","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.psychres.2018.12.122","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30832199","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Prolonged grief disorder (PGD), characterized by severe, persistent and disabling grief, is newly included in the International Classification of Diseases 11 (ICD-11). Receiving a PGD diagnosis could lead to stigmatizing public reactions (i.e. public stigma), yet research on this topic is limited. Additionally, while there is evidence that experiencing suicide bereavement causes public stigma, no studies to date have investigated the interaction between PGD and cause of death on public stigma. To fill these knowledge gaps, this experimental study tested if a PGD diagnosis (vs. no diagnosis) and experiencing suicide bereavement (vs. homicide and natural loss) cause public stigma. Three hundred and seventeen adults from the general population were randomly assigned to read one of 6 different vignettes of a person with and without PGD who had lost a spouse through a suicide, homicide or a stroke. After reading a vignette, negative attributions, emotional reactions, and desire for social distance were assessed. Notably, only persons with PGD were attributed relatively more negative characteristics, and elicited more anger, anxiety and pro-social emotions, and a larger preferred social distance in participants. This study supports the claim that PGD causes public stigma, but nuances claims that suicide bereavement induces public stigma.","nl":"ACHTERGROND: Aanhoudende rouwstoornis (prolonged grief disorder, PGD), gekenmerkt door ernstige, blijvende en slopende rouw, is recentelijk toegevoegd aan de elfde versie van de Internationale classificatie van ziekten (ICD-11). Een diagnose van PGD zou kunnen leiden tot stigmatiserende reacties uit de maatschappij, maar daar is nog weinig onderzoek naar gedaan. Er zijn ook aanwijzingen dat een rouwproces als gevolg van suïcide een maatschappelijk stigma oplevert, maar er was tot nu toe nog geen onderzoek gedaan naar de wisselwerking tussen PGD en doodsoorzaak met betrekking tot een maatschappelijk stigma.  \n\nONDERZOEK: Om de hiaten in de kennis op te vullen is in dit experimentele onderzoek getest of een PGD-diagnose (in vergelijking met geen diagnose) en het ervaren van rouw na suïcide (in vergelijking met moord en natuurlijke doodsoorzaken) een maatschappelijk stigma oplevert. Tijdens het onderzoek kregen 317 proefpersonen uit de algemene bevolking een willekeurig vignet (korte beschrijving) over iemand met of zonder PGD die een partner was verloren aan suïcide, moord of een beroerte. Na het lezen van het vignet werden de negatieve associaties, emotionele reacties en de gewenste sociale afstand beoordeeld. Opvallend was dat alleen aan mensen met PGD relatief meer negatieve kenmerken werden toegekend, dat deze mensen meer boosheid, angst en prosociale gevoelens opriepen en dat de deelnemers de voorkeur gaven aan een grotere sociale afstand tot deze mensen.  \n\nCONCLUSIE: Dit onderzoek ondersteunt de aanname dat PGD een maatschappelijk stigma veroorzaakt, maar nuanceert beweringen dat dit ook geldt voor rouw na een suïcide."},"keywords":{"en":["complicated grief","murder","persistent complex bereavement disorder","social avoidance","social support","suicide survivors","traumatic grief","public stigma"],"nl":["gecompliceerde rouw","moord","aanhoudende complexe rouwstoornis","vermijding van sociale situaties","traumatische rouw","sociale steun","zelfdoding overlevenden","publieke stigma"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief","anders"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Discussing suicidality with depressed patients: an observational study in Dutch sentinel general practices","authors":"Elzinga, E., Gilissen, R., Donker, G. A., Beekman, A. T. F, & De Beurs, D. P.","affiliations":"113, NIVEL, GGZ InGeest, VU, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ Open","identifier":"10.1136/bmjopen-2018-027624","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31023763","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"OBJECTIVES: This paper aims to describe the degree to which general practitioners (GPs) explore suicidal behaviour among depressed patients in the Netherlands.\n\nDESIGN: An observational study of consultations between GPs and depressed patients.\n\nSETTING: 39 sentinel GP practices within the Netherlands in 2017.\nParticipants Patients with a registration of depression.\nPrimary and secondary outcome measures Primary outcome measure is suicide exploration by the GP. Secondary outcome measures at patient level, assessed by surveying GPs, include prevalence and severity of suicidal thoughts. Secondary outcome measures at GP level include follow-up actions of GP and reasons not to explore suicidality.\n\nRESULTS: A total of 1034 questionnaires were included in the analyses. GPs assessed and explored suicidality in 44% of patients with depression (66% in patients with a new episode of depression). GPs explored suicidal feelings more often in patients with a new episode of depression (OR 4.027, p<0.001, 95% CI 2.924 to 5.588), male patients (OR 1.709, p<0.001, 95% CI 1.256 to 2.330) or younger patients (OR 1.017, p<0.001, 95% CI 1.009 to 1.026). Multilevel analysis showed that 22% of the variation in suicide exploration is due to differences in GP practice. Thirty-eight per cent of the patients who were asked by their GP, reported (severe) suicidal ideation. Most GPs (68%) did not explore suicidal feelings because they thought the patient would not be suicidal.\n\nCONCLUSION: GPs explored suicidal thoughts in less than half of all depressed patients and in two-thirds of patients with a new episode of depression. Suicide prevention training is recommended to enhance suicide exploration.","nl":"ACHTERGROND: Dit artikel beschrijft in hoeverre Nederlandse huisartsen onderzoek doen naar suïcidaal gedrag bij patiënten met een depressie. Om dit na te gaan is in 2017 een studie uitgevoerd naar consultgesprekken tussen huisartsen en patiënten met een depressie in 39 huisartsenpraktijken in Nederland.  \n\nONDERZOEK: Bij alle patiënten die aan het onderzoek deelnamen was een depressie vastgesteld. Het onderzoek was er in de eerste plaats op gericht om te achterhalen in hoeverre huisartsen onderzoek doen naar suïcide. Daarnaast werd gekeken naar de aanwezigheid en ernst van suïcidale gedachten, beoordeeld door de huisarts. Ook werd onderzocht welke vervolgmaatregelen de huisartsen namen en wat de redenen waren om niet te onderzoeken of de patiënt suïcidaal was. In totaal zijn er 1034 vragenlijsten geanalyseerd. De huisartsen beoordeelden en onderzochten suïcidaliteit bij 44% van de patiënten met een depressie (66% als het ging om patiënten met een nieuwe depressieve episode). De huisartsen deden vaker onderzoek naar suïcidale gevoelens bij patiënten met een nieuwe episode van depressie, bij mannelijke patiënten en bij jongere patiënten. Of er wel of geen onderzoek werd gedaan naar mogelijke suïcidaliteit was in 22% van de gevallen afhankelijk van de werkwijze van de huisarts. Van de patiënten aan wie de huisarts vroeg of ze suïcidale gedachten hadden, zei 38% deze inderdaad te hebben. De meeste huisartsen (68%) gaven als reden voor het niet onderzoeken van suïcidale gevoelens op dat ze dachten dat de betreffende patiënt niet suïcidaal was.  \n\nCONCLUSIE: Huisartsen onderzochten suïcidale gedachten bij minder dan de helft van alle patiënten met een depressie en bij twee derde van de patiënten met een nieuwe depressieve episode. Nascholing op het gebied van suïcidepreventie is aan te bevelen om het onderzoek naar suïcidaliteit te verbeteren."},"keywords":{"en":["suicide exploration","suicide prevention","suicide ideation","general practice","general practitioners","primary care"],"nl":["zelfdoding exploratie","zelfdoding preventie","suïcidale ideatie","huisartsenpraktijken","huisartsen","eerste zorg"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult","old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Acculturation and suicidal ideation among Turkish migrants in the Netherlands","authors":"Eylem, O., Dalḡar, İ., Ünlüİnce, B., Tok, F., Van Straten, A., De Wit, L., Kerkhof, A. J. F. M., & Bhui, K.","affiliations":"VU, GGD, Arkin","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychiatry Research","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.psychres.2019.02.078","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30878859","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"More suicidal ideation and higher rates of attempted suicide are found in Turkish people when compared with the general population in Europe. Acculturation processes and related distress may explain an elevated risk of suicide. The current study investigates the association between acculturation and suicidal ideation among Turkish migrants in the Netherlands. The mediating effect of hopelessness and moderating effect of secure attachment are also examined. A total of 185 Turkish migrants living in the Netherlands were recruited through social media and through liaison with community groups. They completed an online survey including validated measures of suicidal ideation, hopelessness, acculturation and attachment style. Mediation and moderation analyses were tested using bootstrapping. Higher participation was associated with less hopelessness and less suicidal ideation. Greater maintenance of one's ethnic culture was associated with higher hopelessness and higher suicidal ideation. Greater participation was associated with less suicidal ideation particularly amongst those with less secure attachment styles. Turkish migrants who participate in the host culture may have a lower risk of developing suicidal thinking. Participation may protect against suicidal thinking, particularly among those with less secure attachment styles.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidale gedachten en suïcidepogingen komen vaker voor bij Turkse mensen in vergelijking met de algemene bevolking van Europa. Culturele aanpassingsprocessen en de stress die daarmee gepaard gaat kunnen een verklaring zijn voor het hogere risico op suïcide.  \n\nONDERZOEK: Deze studie onderzoekt het verband tussen acculturatie en suïcidale gedachten bij Turkse migranten in Nederland. De invloed van wanhoop en het verzachtende effect van een sterke binding zijn ook onderzocht. In totaal werden 185 Turkse migranten in Nederland geworven via sociale media en door samenwerking met gemeenschapsgroepen. Zij vulden een onlinevragenlijst in waarmee hun suïcidale gedachten, wanhoop, acculturatie en binding werden gemeten. Ook werden de factoren die hierop van invloed kunnen zijn geanalyseerd. Een hogere participatie werd in verband gebracht met minder wanhoop en minder suïcidale gedachten. Een sterkere instandhouding van de eigen etnische cultuur werd in verband gebracht met meer wanhoop en meer suïcidale gedachten. Een hogere participatie leidde vooral bij mensen met een minder sterke binding tot minder suïcidale gedachten.  \n\nCONCLUSIE: Turkse migranten die deelnemen aan de gastcultuur hebben mogelijk een kleinere kans op suïcidale gedachten. Participatie kan bescherming bieden tegen suïcidale gedachten, vooral bij mensen met een minder sterke binding."},"keywords":{"en":["hopelessness","maintenance","migration","participation","secure attachment","Turkish"],"nl":["hopeloosheid","onderhoud","migratie","participatie","veilige hechting","Turks"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suïcide onder jongeren in 2017: voortgangsrapportage september 2019","authors":"Franx, G., Mérelle, S. Y. M., & Popma, A.","affiliations":"113, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2019,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"niet van toepassing","identifier":null,"link":"https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/09/30/sucide-onder-jongeren-in-2017-voortgangsrapportage-september-2019","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide","youth","relatives"],"nl":["zelfdoding","jongeren","nabestaanden"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suïcide per werksector","authors":"Gilissen, R., & Berkelmans, G.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2019,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/informatie/suicide-werksector-renske-gilissen-guus-berkelmans-2019","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["andere: zelfdoding","werksectoren","CBS microdata"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Dynamic Urban Environmental Exposures on Depression and Suicide (NEEDS) in the Netherlands: a protocol for a cross-sectional smartphone tracking study and a longitudinal\npopulation register study","authors":"Helbich, M.","affiliations":"UU","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ Open","identifier":"doi:10.1136/bmjopen-2019-030075","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31401609","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: Environmental exposures are intertwined with mental health outcomes. People are exposed to the environments in which they currently live, and to a multitude of environments along their daily movements and through their residential relocations. However, most research assumes that people are immobile, disregarding that such dynamic exposures also serve as stressors or buffers potentially associated with depression and suicide risk. The aim of the Dynamic Urban Environmental Exposures on Depression and Suicide (NEEDS) study is to examine how dynamic environmental exposures along people's daily movements and over their residential histories affect depression and suicide mortality in the Netherlands.\n\nMETHODS AND ANALYSIS: The research design comprises two studies emphasising the temporality of exposures. First, a cross-sectional study is assessing how daily exposures correlate with depression. A nationally representative survey was administered to participants recruited through stratified random sampling of the population aged 18-65 years. Survey data were enriched with smartphone-based data (eg, Global Positioning System tracking, Bluetooth sensing, social media usage, communication patterns) and environmental exposures (eg, green and blue spaces, noise, air pollution). Second, a longitudinal population register study is addressing the extent to which past environmental exposures over people's residential history affect suicide risk later in life. Statistical and machine learning-based models are being developed to quantify environment-health relations.\n\nETHICS AND DISSEMINATION: Ethical approval (FETC17-060) was granted by the Ethics Review Board of Utrecht University, The Netherlands. Project-related findings will be disseminated at conferences and in peer-reviewed journal papers. Other project outcomes will be made available through the project's web page, http://www.needs.sites.uu.nl.","nl":"ACHTERGROND: De omgeving waarin mensen wonen, werken en recreëren hangt samen met hun geestelijke gezondheid. Mensen worden niet alleen blootgesteld aan de omgeving waarin zij op een bepaald moment wonen, maar ook aan allerlei andere omgevingen waar zij gedurende de dag komen of andere plekken waar ze nog gaan wonen of gewoond hebben. De meeste onderzoeken gaan er echter van uit dat mensen niet mobiel zijn en zich op één bepaalde plek bevinden. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het feit dat blootstelling aan verschillende omgevingen een bron van stress kan zijn en mogelijk in verband kan worden gebracht met depressie en kans op suïcide. Maar de omgeving kan ook een positieve, beschermende factor zijn. Het doel van de NEEDS-studie is te onderzoeken in hoeverre dynamische omgevingsblootstelling, dus blootstelling aan verschillende omgevingen, tijdens de verplaatsingen van mensen in de loop van de dag en gedurende hun hele leven, van invloed is op depressie en sterfte door suïcide in Nederland. \n\nONDERZOEK: Het onderzoek bestaat uit twee studies waarin de nadruk wordt gelegd op de tijdelijkheid van blootstellingen. Eerst wordt in een studie onder verschillende groepen onderzocht in hoeverre dagelijkse blootstelling aan een bepaalde omgeving samenhangt met depressie. Deelnemers uit willekeurig gekozen groepen uit de bevolking (18-65 jaar) uit heel Nederland vullen een vragenlijst in. De onderzoeksgegevens worden aangevuld met data van smartphones (zoals gps-tracking, Bluetooth sensing, activiteiten op sociale media, communicatiepatronen) en omgevingsblootstelling (zoals groene en blauwe ruimte (natuur en water), geluid, luchtvervuiling). De tweede studie beslaat een langere periode en is gebaseerd op gegevens uit het bevolkingsregister. Er wordt gekeken in hoeverre blootstelling aan een bepaalde omgeving in het verleden (afgeleid van waar mensen hebben gewoond) van invloed is op de kans op suïcide later in het leven. Er worden verschillende modellen ontwikkeld om de relatie tussen omgeving en gezondheid te meten. Dit onderzoeksprotocol (FETC17-060) is goedgekeurd door de Ethische Commissie van de Universiteit Utrecht. De resultaten van het project worden gedeeld tijdens conferenties en gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Andere resultaten worden gepubliceerd op de website van het project (www.needs.sites.uu.nl)"},"keywords":{"en":["depression; dynamic exposures; environment; geographic information system; life course of place; mental health; register; smartphone sensing; suicide mortality"],"nl":["depressie; dynamische belichtingen; milieu; geografisch informatiesysteem; levensloop van plaats; mentale gezondheid; registreren; smartphone-detectie; zelfdoding sterfte"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","obs_long","kwantitatief"],"setting":[],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"A regional systems intervention for suicide prevention in the Netherlands (SUPREMOCOL): study protocol with a stepped wedge trial design","authors":"Hofstra, E., Elfeddali, I., Metz, M., Bakker M., De Jong, J. J., Van Nieuwenhuizen, C., & Van der Feltz-Cornelis, C. M.","affiliations":"GGZ Breburg, Tranzo, UT, GGZ Eindhoven","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.1186/s12888-019-2342-x","link":"https://bmcpsychiatry.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12888-019-2342-x","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: In the Netherlands, suicide rates showed a sharp incline and this pertains particularly to the province of Noord-Brabant, one of the southern provinces in the Netherlands. This calls for a regional suicide prevention effort.\n\nMETHODS/DESIGN: Study protocol. A regional suicide prevention systems intervention is implemented and evaluated by a stepped wedge trial design in five specialist mental health institutions and their adherent chain partners. Our system intervention is called SUPREMOCOL, which stands for Suicide Prevention by Monitoring and Collaborative Care, and focuses on four pillars: 1) recognition of people at risk for suicide by the development and implementation of a monitoring system with decision aid, 2) swift access to specialist care of people at risk, 3) positioning nurse care managers for collaborative care case management, and 4) 12 months telephone follow up. Eligible patients are persons attempting suicide or expressing suicidal ideation. Primary outcome is number of completed suicides, as reported by Statistics Netherlands and regional Public Health Institutes. Secondary outcome\nis number of attempted suicides, as reported by the regional ambulance transport and police. Suicidal ideation of persons registered in the monitoring system will, be assessed by the PHQ-9 and SIDAS questionnaires at baseline and 3, 6, 9 and 12 months after registration, and used as exploratory process measure. The impact of the intervention will be evaluated by means of the RE-AIM dimensions reach, efficacy, adoption, implementation, and\nmaintenance. Intervention integrity will be assessed and taken into account in the analysis.\n\nDISCUSSION: The present manuscript presents the design and development of the SUPREMOCOL study. The ultimate goal is to lower the completed suicides rate by 20%, compared to the control period and compared to other provinces in the Netherlands. Moreover, our goal is to provide specialist mental health institutions and chain partners with a sustainable and adoptable intervention for suicide prevention. Trial registration: Netherlands Trial Register under registration number NL6935 (5 April 2018). This is the first\nversion of the study protocol (September 2019).","nl":"ACHTERGROND: In Nederland is het aantal suïcides snel toegenomen, vooral in Noord-Brabant. Daarom is er behoefte aan een regionale aanpak van suïcidepreventie.  \n\nONDERZOEK: Door middel van een getrapte onderzoeksopzet wordt een regionale interventie geïntroduceerd en geëvalueerd in vijf gespecialiseerde ggz-instellingen en een aantal organisaties waarmee ze samenwerken. Deze interventie heet SUPREMOCOL, Suicide Prevention by Monitoring and Collaborative Care (suïcidepreventie door monitoring en gezamenlijke zorg), en richt zich op vier pijlers: 1) het herkennen van mensen met suïciderisico via de ontwikkeling en invoering van een monitoringsysteem met keuzehulp, 2) snelle toegang tot specialistische zorg voor mensen uit deze risicogroep, 3) het vrijmaken van managers in de verpleegkundige zorg om de gezamenlijke zorg aan te sturen en 4) telefonische nazorg na een jaar. Patiënten die hiervoor in aanmerking komen zijn mensen die een suïcidepoging hebben gedaan of suïcidale gedachten hebben. Op basis van gegevens van het CBS en regionale zorginstellingen wordt allereerst gekeken naar het aantal suïcides. Daarnaast wordt het aantal suïcidepogingen onderzocht, zoals gemeld door regionale ambulancevoorzieningen en de politie. De suïcidale gedachten van geregistreerde deelnemers worden beoordeeld via twee vragenlijsten die aan het begin van het onderzoek en na drie, zes, negen en twaalf maanden worden ingevuld. Het effect van de interventie wordt beoordeeld aan de hand van de RE-AIM-checklist, die gericht is op vijf dimensies: het bereik, ofwel de representativiteit van de steekproef (reach), het effect van de interventie (efficacy), het gebruik van de interventie door de betrokken doelgroep/instellingen (adoption), de mate waarin de interventie wordt toegepast zoals bedoeld (implementation) en de mate van verankering van de interventie (maintenance). In de analyse wordt de integriteit van de interventie beoordeeld en meegewogen. \n\nDISCUSSIE: In dit onderzoeksprotocol staan de opzet en ontwikkeling van de SUPREMOCOL-studie beschreven. Het hoofddoel van de studie is om het aantal suïcides in Noord-Brabant met 20% terug te dringen vergeleken met de controleperiode en vergeleken met andere Nederlandse provincies. Daarnaast heeft de studie als doel om gespecialiseerde ggz-instellingen en aanverwante organisaties een duurzame en haalbare interventie te bieden voor suïcidepreventie."},"keywords":{"en":["SUPREMOCOL","suicide prevention","systems intervention","stepped wedge trial design","study protocol","collaborative care","monitoring","decision aid"],"nl":["SUPREMOCOL","zelfdodingpreventie","systeeminterventie","stepped wedge trial","studieprotocol","collaboratieve zorg","monitoring","beslissingshulp"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Effectiveness of suicide prevention interventions: s systematic review and meta-analysis","authors":"Hofstra, E., Van Nieuwenhuizen, C., Bakker, M., Özgül, D., Elfeddali, I., De Jong, S. J., & Van der Feltz-Cornelis, C. M.","affiliations":"GGZ Breburg, Tranzo, UT","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"General Hospital Psychiatry","identifier":"10.1016/j.genhosppsych.2019.04.011","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31078311","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: This study provides an estimate of the effect size of suicide prevention interventions and evaluates the possible synergistic effects of multilevel interventions.\n\nMETHOD: A systematic review and meta-analysis were conducted of controlled studies evaluating suicide prevention interventions versus control published between 2011 and 2017 in PubMed, PsycINFO, and Cochrane databases. Data extraction and risk of bias assessment according to ROBINS criteria were performed by independent assessors. Cohen's delta was calculated by a random meta-analysis on completed and attempted suicides as outcomes. Meta-regression explored a possible synergistic effect in multilevel interventions. PROSPERO ID number: CRD42018094373.\n\nRESULTS: The search yielded 16 controlled studies with a total of 252,932 participants. The meta-analysis was performed in 15 studies with 29,071 participants. A significant effect was found for suicide prevention interventions on completed suicides (d = -0.535, 95% CI -0.898; -0.171, p = .004) and on suicide attempts (d = -0.449, 95% CI -0.618; -0.280, p < .001). Regarding the synergistic effect of multilevel interventions, meta-regression showed a significantly higher effect related to the number of levels of the intervention (p = .032).\n\nCONCLUSIONS: Suicide prevention interventions are effective in preventing completed and attempted suicides and should be widely implemented. Further research should focus on multilevel interventions due to their greater effects and synergistic potential. Further research is also needed into risk appraisal for completed versus attempted suicide, as the preferred intervention strategy differs with regard to both outcomes.","nl":"ACHTERGROND: Deze studie schat hoe effectief interventies ter voorkoming van suïcide zijn en evalueert de mogelijke synergetische effecten van interventies op meerdere niveaus. \n\nONDERZOEK: Er werden een systematisch overzicht gegeven en een meta-analyse uitgevoerd van gecontroleerde studies waarin interventies ter voorkoming van suïcide werden vergeleken met situaties waarin geen interventies plaatsvonden. Met behulp van statistische berekeningen is gezocht naar een mogelijk synergetisch effect van interventies op meerdere niveaus. De zoektocht leverde 16 gecontroleerde studies op met in totaal 252.932 deelnemers. De meta-analyse werd uitgevoerd op 15 studies met 29.071 deelnemers. Hieruit bleek dat interventies ter voorkoming van suïcide een significant effect hebben op zowel daadwerkelijke suïcides als suïcidepogingen. Wat het synergetische effect van interventies op meerdere niveaus betreft wees statistisch onderzoek uit dat interventies een significant groter effect hebben naarmate ze op meer niveaus plaatsvinden. \n\nCONCLUSIE: Interventies ter voorkoming van suïcide zijn effectief voor het voorkomen van daadwerkelijke suïcides en suïcidepogingen en zouden breed moeten worden toegepast. Er moet verder onderzoek worden gedaan naar interventies op meerdere niveaus, gezien het grotere en mogelijk synergetische effect daarvan. Er is ook meer onderzoek nodig naar de beoordeling van het risico op suïcide en poging tot suïcide, aangezien voor elk van beide risico’s een andere interventiestrategie het effectiefst blijkt."},"keywords":{"en":["controlled studies","effectiveness","intervention","meta-analysis","suicide prevention","synergism","systematic review"],"nl":["gecontroleerde studies","effectiviteit","interventie","meta-analyse","zelfdodingpreventie","synergisme","systematische review"]},"region":["internationaal"],"type":["review","meta","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Peer specialists in suicide prevention: Possibilities and pitfalls.","authors":"Huisman, A., & Van Bergen, D. D","affiliations":"RUG","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychological Services","identifier":"http://dx.doi.org/10.1037/ser0000255","link":"https://doi.apa.org/doiLanding?doi=10.1037%2Fser0000255","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["ervaringsdeskundigen"],"abstract":{"en":"The emergence of peer specialists with histories of suicidality in mental health care services is a recent but scarcely researched societal phenomenon. The current study aimed to explore how peer specialists who have experienced suicidality (either attempted suicide or suicidal ideation) use their experiences to contribute to suicide prevention in mental health care services. Qualitative interviews with 20 peer specialists who have personally dealt with suicidality in their past were conducted. Interviewees perceived their work to have unique value in terms of their approach to making contact with suicidal care consumers on an emotional level, which was perceived to lead to less reluctance on the part of suicidal care consumers to talk about suicidality, as well as affect feelings of being acknowledged and heard. However, the lack of professional distance was perceived to carry several risks, including burdening clients with the peer specialists’ own suicidal experiences, perceived reluctance of coworkers to let peer specialists work with suicidal clients, and the burden of working with suicidal clients for the peer specialists. Specific conditions that were perceived to be needed in order to work with suicidal clients consisted of personal distance to own process of recovery and suicidality, establishing boundaries with the team or colleagues for the peer specialists’ work concerning suicide risk assessment, safety, privacy, and sharing responsibility. Further discussion between mental health care clinicians and peer specialists regarding the role of the peer specialist in suicide prevention is needed to further clarify and optimize their role.","nl":"ACHTERGROND: De opkomst van ervaringsdeskundigen met een voorgeschiedenis van suïcidaliteit in de geestelijke gezondheidszorg is een recent, maar nog nauwelijks onderzocht maatschappelijk verschijnsel. In deze studie is onderzocht hoe ervaringsdeskundigen die suïcidaliteit hebben meegemaakt (dat wil zeggen, een suïcidepoging hebben gedaan of suïcidale gedachten hebben gehad) hun ervaringen gebruiken om een bijdrage te leveren aan suïcidepreventie in de geestelijke gezondheidszorg.  \n\nONDERZOEK: Er zijn interviews uitgevoerd met 20 ervaringsdeskundigen die in het verleden persoonlijk te maken hebben gehad met suïcidaliteit.  \n\nCONCLUSIE: De geïnterviewden waren van mening dat hun werk een unieke waarde heeft omdat zij op een emotioneel niveau contact kunnen maken met suïcidale zorgontvangers, waardoor die gemakkelijker kunnen praten over suïcidaliteit en het gevoel hebben dat ze erkend en gehoord worden. Ze hadden echter ook het gevoel dat het gebrek aan professionele afstand bepaalde risico’s met zich meebrengt. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat ervaringsdeskundigen de cliënten belasten met hun eigen suïcidale ervaringen. Collega’s vinden soms dat ervaringsdeskundigen niet met suïcidale cliënten zouden moeten werken. Het werken met suïcidale cliënten is bovendien zwaar voor ervaringsdeskundigen. De ervaringsdeskundigen noemden enkele specifieke voorwaarden om met suïcidale cliënten te kunnen werken. Zo moeten ze voldoende afstand kunnen nemen van hun eigen herstelproces en suïcidaliteit en moeten er grenzen worden afgesproken met het team of de collega’s met betrekking tot de beoordeling van het suïciderisico, de veiligheid, de privacy en het delen van de verantwoordelijkheid. Er is meer discussie nodig tussen behandelaars in de geestelijke gezondheidszorg en ervaringsdeskundigen om de rol van de ervaringsdeskundige bij suïcidepreventie duidelijker af te bakenen en te optimaliseren."},"keywords":{"en":["peer specialists","suicide prevention","mental health care"],"nl":["ervaringsdeskundigen","zelfdodingpreventie","GGZ zorg"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["adult","old"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Risk factors for suicidal thoughts in informal caregivers: results from the population-based Netherlands mental health survey and incidence Study-2 (NEMESIS-2)","authors":"Joling, K. J., Ten Have, M., De Graaf, R., & O'Dwyer, S. T.","affiliations":"Geen","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"10.1186/s12888-019-2317-y","link":"https://bmcpsychiatry.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12888-019-2317-y","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Previous research suggests that family caregivers contemplate suicide at a higher rate than the general population. Much of this research has been disease specific and in relatively small samples. This study aimed to compare suicidal thoughts between non-caregivers and informal caregivers of people with a variety of conditions, in a large representative sample, and to identify significant risk factors.\n\nMETHODS: The general population study NEMESIS-2 (N at baseline = 6646) included 1582 adult caregivers at the second wave (2010–2012) who also participated at the third wave (2013–2015). Suicidal thoughts were assessed over 4 years, with the Suicidality Module of the Composite International Diagnostic Interview 3.0. The presence of suicidal thoughts was estimated and risk factors for suicidal thoughts were assessed with logistic regression analyses adjusted for age and gender.\n\nRESULTS: Thirty-six informal caregivers (2.9%) reported suicidal thoughts during the 4 year study period. The difference between caregivers and non-caregivers (3.0%) was not significant. Among caregivers, significant risk factors for suicidal thoughts included being unemployed, living without a partner, having lower levels of social support, having a chronic physical disorder, a mood disorder or an anxiety disorder, and having impaired social, physical and emotional functioning. These risk factors were also found in non-caregivers. No caregiving-related characteristics were associated with suicidal thoughts.\n\nCONCLUSION: There was no elevated rate of suicidal thoughts in caregivers and risk factors for suicidal thoughts in caregivers were consistent with risk factors in non-caregivers. No association between caregiving characteristics and suicidal thoughts was found. Caregivers with limited resources and in poorer health might still benefit from prevention and intervention efforts.","nl":"ACHTERGROND: Uit eerder onderzoek is naar voren gekomen dat mantelzorgers uit de naaste familie vaker suïcide overwegen dan andere mensen. Dit onderzoek beperkte zich tot nu toe vaak tot bepaalde ziekten en relatief kleine steekproeven. Dit nieuwe onderzoek was erop gericht om suïcidale gedachten bij niet-mantelzorgers en mantelzorgers van mensen met verschillende aandoeningen met elkaar te vergelijken en in kaart te brengen welke risicofactoren daarbij een rol spelen. \n\nONDERZOEK: Voor deze NEMESIS-2-studie werd een grote representatieve steekproef van 6646 personen uit de algemene bevolking onderzocht, onder wie 1582 volwassen mantelzorgers. Gedurende een periode van vier jaar werden hun suïcidale gedachten gemeten, aan de hand van de CIDI-interviewmethode (Suicidality Module of the Composite International Diagnostic Interview 3.0.) Er werd een schatting gemaakt van de aanwezigheid van suïcidale gedachten, en daarnaast werden de risicofactoren voor suïcidale gedachten achterhaald. In totaal gaf 2,9% van de mantelzorgers aan gedurende de onderzochte periode van vier jaar suïcidale gedachten te hebben gehad. Het verschil tussen mantelzorgers en niet-mantelzorgers (3,0%) was niet significant. Voor mantelzorgers werden de volgende risicofactoren gevonden: werkloosheid, geen partner, minder sociale ondersteuning, een chronische fysieke aandoening, stemmings- of angststoornis en beperkt sociaal, fysiek en emotioneel functioneren. Deze risicofactoren golden echter ook voor niet-mantelzorgers, wat betekent dat er dus geen verband was tussen de kenmerken van mantelzorg en suïcidale gedachten. \n\nCONCLUSIE: Er bleek geen verhoogde kans op suïcidale gedachten bij mantelzorgers, en de risicofactoren voor suïcidale gedachten waren vergelijkbaar met die voor niet-mantelzorgers. Ook werd er geen relatie aangetoond tussen kenmerken van mantelzorg en suïcidale gedachten. Mantelzorgers met beperkte middelen en met een slechtere gezondheid zouden echter wel baat kunnen hebben bij preventiemaatregelen en interventies."},"keywords":{"en":["informal caregivers","suicidal ideation","suicidal thoughts","risk factors","population study"],"nl":["mantelzorgers","zelfdodinggedachten","risicofactoren","bevolkingsonderzoek"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Longitudinal course of suicidal ideation and predictors of its persistence: a NESDA study","authors":"Kivelä, L., Krause-Utz, A., Mouthaan, J., Schoorl, M., De Kleine R., Elzinga, B., Eikelenboom, M., Penninx, B. W. J. H., Van der Does, W., & Antypa, N.","affiliations":"LU, Amsterdam UMC, VU","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.jad.2019.07.042","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31302526","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["borderline","angst","depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Prior research indicates that the factors that trigger suicidal ideation may differ from those that maintain it, but studies into the maintenance of suicidal ideation remain scarce. Our aim was to assess the longitudinal course of suicidal ideation, and to identify predictors of persistent suicidal ideation. \n\nMETHODS: We used data from the Netherlands Study of Depression and Anxiety (NESDA). We performed a linear mixed-effects growth model analysis (n = 230 with current suicidal ideation at baseline) to assess the course of suicidal ideation over time (baseline through 2-, 4-, 6- and 9-year follow-up). We used logistic regression analysis (n = 195) to test whether factors previously associated with the incidence of suicidal ideation in the literature (insomnia, hopelessness, loneliness, borderline personality traits, childhood trauma, negative life events) also predict persistence of suicidal ideation (i.e., reporting ideation at two consecutive assessment points, 6- and 9-years). We controlled for socio-demographics, clinical diagnosis and severity, medication use, and suicide attempt history. \n\nRESULTS: Suicidal ideation decreased over time, and this decrease became slower with increasing time, with the majority of symptom reductions occurring in the first two years of follow-up. More severe insomnia and hopelessness were associated with increased odds of persistent suicidal ideation, and hopelessness was a significant mediator of the relationship between insomnia and persistent suicidal ideation. \n\nLIMITATIONS: Findings may not generalize to those with more severe suicidal ideation due to dropout of those with the worst clinical profile. \n\nCONCLUSIONS: Targeting insomnia and hopelessness in treatment may be particularly important to prevent the persistence of suicidal ideation.","nl":"ACHTERGROND: Uit eerder onderzoek blijkt dat de factoren die suïcidale gedachten veroorzaken mogelijk anders zijn dan de factoren die deze gedachten in stand houden, maar er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar het voortduren van suïcidale gedachten. Het doel van dit onderzoek was het evalueren van het longitudinale verloop van suïcidale gedachten en het vinden van voorspellende factoren voor aanhoudende suïcidale gedachten.  \n\nONDERZOEK: De gegevens zijn afkomstig van de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA). 230 proefpersonen die bij aanvang van het onderzoek suïcidale gedachten hadden werden gevolgd om het verloop van de suïcidale gedachten in de loop van de tijd te beoordelen (aan het begin en na twee, vier, zes en negen jaar). Aan de hand van een statistische analyse werd getest of factoren die in de bestaande literatuur in verband worden gebracht met suïcidale gedachten (slapeloosheid, wanhoop, eenzaamheid, borderline persoonlijkheidsstoornis, jeugdtrauma, negatieve gebeurtenissen in het leven) ook het aanhouden van suïcidale gedachten kunnen voorspellen. Er zijn correcties toegepast voor sociaal-demografische factoren, klinische diagnose en ernst van de klachten, medicijngebruik en suïcidepogingen in het verleden. De suïcidale gedachten namen in de loop van de tijd af en deze afname ging langzamer naarmate de tijd verstreek. De symptomen verminderden vooral in de eerste twee jaar van de onderzoeksperiode. Mensen die last hadden van ernstige slapeloosheid en wanhoop hadden een grotere kans op aanhoudende suïcidale gedachten en het verband tussen slapeloosheid en aanhoudende suïcidale gedachten was significant groter als er daarnaast sprake was van wanhoop.  \n\nKANTTEKENING: de conclusies kunnen vertekend zijn doordat een deel van de proefpersonen met het ernstigste klinische profiel het onderzoek niet heeft afgemaakt.  \n\nCONCLUSIE: Het aanpakken van slapeloosheid en wanhoop tijdens de behandeling kan belangrijk zijn om het aanhouden van suïcidale gedachten te voorkomen."},"keywords":{"en":["NESDA","suicide ideation","hopelessness","insomnia","longitudinal"],"nl":["NESDA","suïcidale ideatie","hopeloosheid","slapeloosheid","longitudinaal"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Hiv, antiretrovirale therapie en suïcidaliteit; een multidisciplinaire gevalsbeschrijving en bijbehorend neuroimmunologisch model","authors":"Koolen, F., Schippers, J. A., Oude Lashof, A. M. L., & Leue, C.","affiliations":"UOPZ Maastricht, MUMC+ Maastricht","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/issues/535/articles/11861","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"The relationship between hiv, major depressive disorder and suicidal ideation is well established. For example, hiv-positive patients are seven times more likely to develop depression, and suicidal behaviour is also more prevalent. Antiretroviral therapy is known to further enhance these risks. We saw a 53-year-old patient with a depressive episode and suicidal ideation, possibly related to the use of dolutegravir/abacavir/lamivudine. We provide an overview of the literature and we present a neuro-immunological hypothesis for this psychiatric adverse event, which may occur even after months of treatment.","nl":"De relatie van hiv-infectie met depressie en suïcidaliteit is evident. Patiënten met hiv-infectie hebben een 7 maal zo grote kans op het ontstaan van een depressie en zij hebben een sterk verhoogd risico op suïcide. Tevens zijn er al langer aanwijzingen dat antiretrovirale middelen dit risico versterken.Wij zagen een 53-jarige patiënt die zich meldde met een depressieve episode en suïcidaliteit, mogelijk geluxeerd door het gebruik van het combinatiepreparaat dolutegravir/abacavir/lamivudine.Wij geven een overzicht van de literatuur en presenteren een neuro-immunologische hypothese voor deze psychiatrische bijwerking die mogelijk pas na maanden van behandeling kan ontstaan."},"keywords":{"en":["antiretroviral therapy","depression","hiv","suicide"],"nl":["antiretrovirale middelen","depressie","hiv","zelfdoding"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["review","kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Nicotine intoxication by e-cigarette liquids: a study of case reports and pathophysiology","authors":"Maessen, G. C., Wijnhoven, A. M., Neijzen, R. L., Paulus, M. C., Van Heel, D. A. M., Bomers, B. H. A., Boersma, L. E., Konya, B., & Van der Heyden, M. A. G.","affiliations":"Utrecht UMC","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Clinical Toxicology","identifier":"10.1080/15563650.2019.1636994","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31286797","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Electronic cigarettes (e-cigarettes), the smokeless alternative to conventional tobacco cigarettes, have become increasingly popular. E-cigarettes vaporise e-liquid, a solution of highly concentrated nicotine, propylene glycol (PG) and vegetable glycerine (VG). With the popularity of e-cigarettes, e-liquid refills have become easily accessible and several cases of intoxication due to the ingestion of e-liquid have been reported. We provide an overview of these cases, their pathophysiology and patients' characteristics. \n\nMETHODS: We carried out a retrospective evaluation of the scientific literature reporting on cases of liquid nicotine intoxication, using the following inclusion criteria: (1) the article is or contains a case report, (2) describes an intoxication with e-liquid, (3) the substance contains nicotine, and (4) intake is oral, intravenous or subcutaneous. \n\nRESULTS: We found 26 case reports describing a total of 31 patients who suffered from e-liquid intoxication. All intoxications up to the age of six were reported as unintentional, whereas nearly all cases from ages 13 to 53 were due to suicide attempts. The three most prevalent symptoms of e-liquid intoxication were tachycardia, altered mental status and vomiting. Eleven cases resulted in the death of the patient. In the survivors, the highest plasma concentration of nicotine was 800 µg L-1, while the lowest concentration in the non-survivors was 1600 µg L-1. \n\nCONCLUSIONS: There is a mismatch between the generally accepted lethal oral nicotine dose of 60 mg, resulting in approximately 180 µg L-1 plasma concentration, and the 4.4- to 8.9-fold higher lethal plasma concentrations we found in cases of e-liquid intoxication. In these severe intoxications, plasma cotinine concentration does not act as a more reliable indicator of nicotine intoxication than nicotine itself. The ages of the patients display a bimodal distribution. In patients above the age of 10, intoxication results mainly from suicide attempts rather than accidental ingestion. The role of PG and VG in e-liquid intoxications is remarkably unclear. However, the similarity across nicotine and PG toxicity symptoms leads us to believe a cumulative effect cannot be excluded.","nl":"ACHTERGROND: Elektronische sigaretten (e-sigaretten), het rookvrije alternatief voor conventionele sigaretten met tabak, worden steeds populairder. In e-sigaretten wordt e-liquid verdampt, een oplossing van sterk geconcentreerde nicotine, propyleenglycol (PG) en plantaardige glycerine. Door de populariteit van e-sigaretten zijn e-liquid-navullingen makkelijk verkrijgbaar en er zijn meerdere gevallen bekend van vergiftiging door inname van e-liquid.  \n\nONDERZOEK: De auteurs hebben de bestaande wetenschappelijke literatuur doorzocht naar gevallen van vergiftiging door nicotinehoudende vloeistof op basis van de volgende selectiecriteria: (1) het artikel beschrijft een praktijkgeval; (2) het beschrijft een vergiftiging met e-liquid; (3) de stof bevatte nicotine; en (4) de stof werd doorgeslikt of geïnjecteerd. Er werden 26 verslagen gevonden over in totaal 31 patiënten met een e-liquid-vergiftiging. Van alle vergiftigingen van personen jonger dan zes jaar werd aangenomen dat het ongelukken waren, maar bijna alle gevallen waar de patiënt tussen de 13 en 53 jaar was waren suïcidepogingen. De drie meest voorkomende symptomen van e-liquid-vergiftiging waren tachycarie (zeer snelle hartslag), veranderde mentale status en overgeven. In elf gevallen overleefde de patiënt de vergiftiging niet. Men gaat er in het algemeen vanuit dat een orale dosis nicotine van 60 mg dodelijk is, maar de dodelijke doses die werden gemeten bij vergiftigingen met e-liquid waren veel hoger.  \n\nCONCLUSIE: Bij patiënten ouder dan tien jaar was de vergiftiging meestal het gevolg van een suïcidepoging, niet van onopzettelijke inname. Er is nog weinig duidelijkheid over de rol van PG en plantaardige glycerine bij e-liquid-vergiftigingen. Omdat de symptomen van nicotine- en PG- vergiftiging vergelijkbaar zijn, kan een stapeleffect echter niet worden uitgesloten."},"keywords":{"en":["case report","e-cigarettes","e-liquid","intoxication","liquid nicotine","propylene glycol","vegetable glycerine","suicide attempt","lethal dose"],"nl":["casus rapport","e-sigaretten","e-vloeibaar","intoxicatie","vloeibare nicotine","propyleenglycol","plantaardige glycerine","zelfdoding poging","dodelijke dosis"]},"region":["internationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suïcide onder 10- tot 20-jarigen in 2017: Een verdiepend onderzoek","authors":"Mérelle, S., Van Bergen, D., Balt, E., Looijmans, M., Rasing, S., Van Domburgh, L., Nauta, M., …, & Popma, A.","affiliations":"113, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2019,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":null,"link":"113_Suicide onder 10- tot 20-jarigen in 2017 - Een verdiepend onderzoek.indd","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":[]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["ggz","patient_nonggz","patientcohort"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Exploring the association between monoclonal antibodies and depression and suicidal ideation and behavior: a VigiBase study","authors":"Minnema, L. A., Giezen, T. J., Souverein, P. C., Egberts, T. C. G., Leufkens, H. G. M., & Gardarsdottir, H.","affiliations":"Utrecht Institute for Pharmaceutical Sciences, Utrecht UMC, CBG-MEB, SAHZ","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Drug Safety","identifier":"10.1007/s40264-018-00789-9","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30617497","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: Several monoclonal antibodies (mAbs) have been linked to neuropsychiatric adverse effects in patients, including depression and suicidal ideation and behavior.\n\nOBJECTIVE: The aim of this study was to quantify and characterize spontaneously reported adverse drug reactions (ADRs) of depression and suicidal ideation and behavior related to mAb users, and to explore a possible association with their mechanism of action.\n\nMETHODS: We included mAb ADRs that were reported in VigiBase, and identified those related to depression and suicidal ideation and behavior. Reporting odds ratios (RORs) were estimated for each mAb (bevacizumab as the reference) and according to their influence on the immune system (not directly targeting [reference], stimulating, or suppressing). Those suppressing the immune system were further divided into their intended indication (auto-immune diseases, cancer).\n\nRESULTS: Overall, 2,924,319 ADRs for 44 mAbs were included; 9455 ADRs were related to depression and 1770 were related to suicidal ideation and behavior. The association was strongest for natalizumab and belimumab, both for depression (ROR 5.7, 95% confidence interval [CI] 5.0–6.4; and ROR 5.1, 95% CI 4.2–6.2) and suicidal ideation and behavior (ROR 12.0, 95% CI 7.9–18.3; and ROR 20.2, 95% CI 12.4–33.0). Those suppressing the immune system showed higher ROR, i.e. 1.9 (95% CI 1.8–2.0) for depression and 3.6 (95% CI 3.0–4.4) for suicidal ideation and behavior. This finding was only seen for mAbs used for treating autoimmune diseases.\n\nCONCLUSION: Depression and suicidal ideation and behavior are seen in patients using mAbs, particularly mAbs used for treating autoimmune diseases that suppress the immune system. For interpretation of these data, the indications for use and other characteristics require further consideration.","nl":"ACHTERGROND: Verschillende monoklonale antilichamen (gemodificeerde eiwitten die van invloed zijn op het afweersysteem) zijn in verband gebracht met ongunstige neuropsychiatrische effecten, waaronder depressie en suïcidale gedachten en gedragingen.  \n\nONDERZOEK: Deze studie was bedoeld om depressie en suïcidale gedachten en gedragingen als bijwerkingen van geneesmiddelen met monoklonale antilichamen in kaart te brengen en te onderzoeken hoe deze bijwerkingen in verband kunnen worden gebracht met de werking van de geneesmiddelen. Het onderzoek richtte zich op de bijwerkingen van monoklonale antilichamen die waren gemeld in VigiBase, een wereldwijde database van de Wereldgezondheidsorganisatie, en in het bijzonder de bijwerkingen die betrekking hadden op depressie en suïcidale gedachten en gedragingen. Voor elk monoklonaal antilichaam is geschat hoe waarschijnlijk dergelijke bijwerkingen waren op basis van hun invloed op het immuunsysteem (niet rechtstreeks werkzaam, stimulerend of onderdrukkend). De middelen die het immuunsysteem onderdrukken werden verder onderverdeeld op basis van de aandoeningen waarvoor ze worden voorgeschreven (auto-immuunziekten, kanker). In totaal werden 2.924.319 bijwerkingen van 44 monoklonale antilichamen bestudeerd; 9455 bijwerkingen hadden betrekking op depressie en 1770 op suïcidale gedachten en gedragingen. Het verband was het sterkst voor natalizumab en belimumab, zowel voor depressie als voor suïcidale gedachten en gedragingen. De middelen die het immuunsysteem onderdrukken hadden een grotere kans op bijwerkingen. Dit resultaat werd alleen gevonden voor monoklonale antilichamen die worden gebruikt voor de behandeling van auto-immuunziekten.  \n\nCONCLUSIE: Depressie en suïcidale gedachten en gedragingen komen voor bij patiënten die monoklonale antilichamen gebruiken, vooral de varianten die het immuunsysteem onderdrukken en worden gebruikt voor de behandeling van auto-immuunziekten. Voor de interpretatie van deze gegevens moeten de gebruiksindicaties en andere kenmerken nader worden onderzocht.  \n\nDe onlineversie van dit artikel (10.1007/s40264-018-00789-9) bevat aanvullend materiaal dat beschikbaar is voor geautoriseerde gebruikers."},"keywords":{"en":["monoclonal antibodies","adverse drug reactions","depression","suicide","suicidal behaviour","immune system"],"nl":["monoklonale antilichamen","bijwerkingen","depressie","zelfdoding","suïcidaal gedrag","immuunsysteem"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"On the road to zero suicides: implementation studies","authors":"Mokkenstorm, J. K.","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2019,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":"978-94-6361-224-1","link":"https://www.vu.nl/en/news-agenda/agenda/2019/jan-mrt/08maart_jk-mokkenstorm.aspx","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide","implementation","zero suicide","online","hotlines","specialised mental health care"],"nl":["zelfdoding","implementatie","zero suicide","online","hotlines","gespecialiseerde GGZ zorg"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["any"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Exploration of benefits and potential harmful effects of an online forum for visitors to the suicide prevention platform in the Netherlands","authors":"Mokkenstorm, J. K., Mérelle, S. Y. M., Smit, J. H., Beekman, A. T. F., Kerkhof, A. J. F. M., Huisman, A., & Gilissen, R.","affiliations":"113, Amsterdam UMC, VU, GGD, inGeest, RUG","affiliation113":true,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"https://doi.org/10.1027/0227-5910/a000627","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31657643","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Online forums that enable peer-to-peer interaction are widespread and readily available. \n\nAIM: This study aimed to identify the reach, benefits, and potential harmful effects for visitors to an online forum embedded in a suicide prevention platform in The Netherlands. \n\nMETHOD: The study collected web-based questionnaires from online forum users and moderated posts. Descriptive quantitative and qualitative analyses were performed. \n\nRESULTS: The online forum had 330 members in 2017, of whom 130 were active users (posting at least one message). Respondents (n = 106) experienced from a high severity of suicidal ideation (78%). A minority (12%) visited the forum to find suicide methods and 3% to find a suicide partner. Among respondents who had visited the forum more than once (n = 49), 53% reported no changes in feelings directly after forum use, 35% felt better and 12% felt worse. Peer support and anonymity were the most mentioned benefits, whereas no personal contacts and few reactions to postings were perceived as limitations. Suicide threats and the search for methods were the main reasons for moderating posts. Limitations: Usage habits and user experiences were available from a relatively small group that visited the forum more than once. \n\nCONCLUSION: In its current form, the forum has a low reach with few benefits and a potential for harm for its users. With a questionable benefit-to-risk ratio, the added value of the online forum appears to be small.","nl":"ACHTERGROND: Er zijn veel online forums beschikbaar waar lotgenoten contact met elkaar kunnen hebben. Het doel van deze studie is het in kaart brengen van het bereik, de voordelen en de mogelijke schadelijke effecten van een online forum dat deel uitmaakt van een Nederlands platform voor suïcidepreventie.  \n\nONDERZOEK: De onderzoekers verzamelden en analyseerden online vragenlijsten van gebruikers van een online forum en gemodereerde berichten.Het online forum telde in 2017 330 leden, onder wie 130 actieve gebruikers (die minimaal één bericht hadden geplaatst). Een groot deel (78%) van de 106 respondenten had suïcidale gedachten. Een minderheid (12%) bezocht het forum om methoden voor suïcide te vinden en 3% deed dit om een partner voor suïcide te vinden. Van de 49 respondenten die het forum meer dan één keer hadden bezocht zei 53% zich niet meteen anders te voelen na het gebruik van het forum, terwijl 35% zich beter voelde en 12% slechter. De meest genoemde voordelen waren onderlinge steun en anonimiteit en als beperkingen noemden de gebruikers het gebrek aan persoonlijk contact en het geringe aantal reacties op berichten. Dreigingen met suïcide en het zoeken naar methoden waren de belangrijkste redenen waarom berichten werden gemodereerd.  \n\nKANTTEKENING: gebruiksgewoonten en -ervaringen waren alleen beschikbaar voor de relatief kleine groep die het forum meer dan één keer bezocht.  \n\nCONCLUSIE: In de huidige vorm heeft het forum een klein bereik met weinig voordelen en een potentieel schadelijk effect op de gebruikers. Gezien de twijfelachtige verhouding tussen voordelen en risico's lijkt de toegevoegde waarde van het online forum klein."},"keywords":{"en":["online forum; peer support; suicide prevention"],"nl":["online forum","ondersteuning door peers","zelfdodingpreventie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","implementatie","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["any"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"GWAS of suicide attempt in psychiatric disorders and association with major depression polygenic risk scores","authors":"Mullins, N., Bigdeli, T. B., Børglum, A. D., Coleman, J. R. I., Demontis, D., Mehta, D., …, & Lewis, C. M.","affiliations":"Utrecht UMC","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The American Journal of Psychiatry","identifier":"10.1176/appi.ajp.2019.18080957","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31164008","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: More than 90% of people who attempt suicide have a psychiatric diagnosis; however, twin and family studies suggest that the genetic etiology of suicide attempt is partially distinct from that of the psychiatric disorders themselves. The authors present the largest genome-wide association study (GWAS) on suicide attempt, using cohorts of individuals with major depressive disorder, bipolar disorder, and schizophrenia from the Psychiatric Genomics Consortium.\n\nMETHODS: The samples comprised 1,622 suicide attempters and 8,786 nonattempters with major depressive disorder; 3,264 attempters and 5,500 nonattempters with bipolar disorder; and 1,683 attempters and 2,946 nonattempters with schizophrenia. A GWAS on suicide attempt was performed by comparing attempters to nonattempters with each disorder, followed by a meta-analysis across disorders. Polygenic risk scoring was used to investigate the genetic relationship between suicide attempt and the psychiatric disorders.\n\nRESULTS: Three genome-wide significant loci for suicide attempt were found: one associated with suicide attempt in major depressive disorder, one associated with suicide attempt in bipolar disorder, and one in the meta-analysis of suicide attempt in mood disorders. These associations were not replicated in independent mood disorder cohorts from the UK Biobank and iPSYCH. No significant associations were found in the meta-analysis of all three disorders. Polygenic risk scores for major depression were significantly associated with suicide attempt in major depressive disorder (R2=0.25%), bipolar disorder (R2=0.24%), and schizophrenia (R2=0.40%).\n\nCONCLUSIONS: This study provides new information on genetic associations and demonstrates that genetic liability for major depression increases risk for suicide attempt across psychiatric disorders. Further collaborative efforts to increase sample size may help to robustly identify genetic associations and provide biological insights into the etiology of suicide attempt.","nl":"ACHTERGROND: Meer dan 90% van de mensen die een suïcidepoging doen heeft een psychiatrische diagnose. Onderzoek onder tweelingen en gezinnen wijst echter uit dat de genetische oorzaak van suïcidepogingen deels anders is dan die van de psychische aandoeningen zelf. De auteurs presenteren de grootste genoombrede associatiestudie op het gebied van suïcidepogingen, waarbij gebruik is gemaakt van groepen proefpersonen met een depressie, een bipolaire stoornis en schizofrenie. Een genoombrede associatiestudie is een studie die test of genetische varianten samenhangen met een bepaalde eigenschap. \n\nONDERZOEK: Het onderzoek vond plaats onder drie groepen mensen met een psychiatrische diagnose (depressie, bipolaire stoornis en schizofrenie), van wie een deel ooit een suïcidepoging had gedaan. Er werd een genoombrede associatiestudie uitgevoerd om voor elke aandoening de personen die wel en geen suïcidepoging hadden gedaan met elkaar te vergelijken, gevolgd door een meta-analyse voor alle aandoeningen samen. Aan de hand van een polygene risicoscore (dat wil zeggen het gecombineerde risico van veel verschillende genen) werd het genetische verband tussen suïcidepogingen en de betreffende psychische aandoeningen onderzocht. Er zijn drie genoombrede significante loci (d.w.z. vaste posities waar een gen of een andere reeks nucleotiden zich op een chromosoom bevindt) voor suïcidepogingen gevonden: een die verband houdt met suïcidepogingen bij depressie, een die verband houdt met suïcidepogingen bij bipolaire stoornis en een die verband houdt met suïcidepogingen bij stemmingsstoornissen in het algemeen. Deze verbanden werden niet bevestigd in afzonderlijke groepen personen met stemmingsstoornissen in twee grote databases. Bij de meta-analyse van alle drie de aandoeningen samen zijn geen significante verbanden gevonden. De polygene risicoscores voor depressie vertoonden een significant verband met suïcidepogingen bij depressie, bipolaire stoornis en schizofrenie. \n\nCONCLUSIE: Deze studie levert nieuwe informatie over genetische verbanden en laat zien dat een genetische aanleg voor depressie het risico op suïcidepogingen bij alle psychische aandoeningen vergroot. Verder onderzoek onder meer deelnemers kan helpen genetische verbanden overtuigender aan te tonen en de biologische oorzaak van suïcidepogingen te achterhalen."},"keywords":{"en":["genome-wide association study","mood disorders","polygenic risk scoring","psychiatric genomics consortium","schizophrenia","suicide","major depressive disorder"],"nl":["genoombrede associatiestudie","stemmingsstoornissen","polygenetische risicoscore","Psychiatric Genomics Consortium","schizofrenie","zelfdoding","depressieve stoornis"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Development and psychometric properties of the “Suicidality: Treatment Occurring in Paediatrics (STOP) Risk and Resilience Factors Scales” in adolescents","authors":"Rodríguez‐Quiroga, A., Flamarique, I., Castro‐Fornieles, J., Lievesley, K., Buitelaar, J. K., Coghill, D., …, & Santosh, P.","affiliations":"Radboud mc, RUG, Groningen mc","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"European Child & Adolescent Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.1007/s00787-019-01328-2","link":"https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00787-019-01328-2","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Suicidality in the child and adolescent population is a major public health concern. There is, however, a lack of developmentally sensitive valid and reliable instruments that can capture data on risk, and clinical and psychosocial mediators of suicidality in young people. In this study, we aimed to develop and assess the validity of instruments evaluating the psychosocial risk and protective factors for suicidal behaviours in the adolescent population. In Phase 1, based on a systematic literature review of suicidality, focus groups, and expert panel advice, the risk factors and protective factors (resilience factors) were identified and the adolescent, parent, and clinician versions of the STOP-Suicidality Risk Factors Scale (STOP-SRiFS) and the Resilience Factors Scale (STOP-SReFS) were developed. Phase 2 involved instrument validation and comprised of two samples (Sample 1 and 2). Sample 1 consisted of 87 adolescents, their parents/carers, and clinicians from the various participating centres, and Sample 2 consisted of three sub-samples: adolescents (n = 259) who completed STOP-SRiFS and/or the STOP-SReFS scales, parents (n = 213) who completed one or both of the scales, and the clinicians who completed the scales (n = 254). The STOP-SRiFS demonstrated a good construct validity—the Cronbach Alpha for the adolescent (α = 0.864), parent (α = 0.842), and clinician (α = 0.722) versions of the scale. Test–retest reliability, inter-rater reliability, and content validity were good for all three versions of the STOP-SRiFS. The sub-scales generated using Exploratory Factor Analysis (EFA) were the (1) anxiety and depression risk, (2) substance misuse risk, (3) interpersonal risk, (4) chronic risk, and (5) risk due to life events. For the STOP-SRiFS, statistically significant correlations were found between the Columbia-Suicide Severity Rating Scale (C-SSRS) total score and the adolescent, parent, and clinical versions of the STOP-SRiFS sub-scale scores. The STOP-SRiFS showed good psychometric properties. This study demonstrated a good construct validity for the STOP-SReFS—the Cronbach Alpha for the three versions were good (adolescent: α = 0.775; parent: α = 0.808; α = clinician: 0.808). EFA for the adolescent version of the STOP-SReFS, which consists of 9 resilience factors domains, generated two factors (1) interpersonal resilience and (2) cognitive resilience. The STOP-SReFS Cognitive Resilience sub-scale for the adolescent was negatively correlated (r = − 0.275) with the C-SSRS total score, showing that there was lower suicidality in those with greater Cognitive Resilience. The STOP-SReFS Interpersonal resilience sub-scale correlations were all negative, but none of them were significantly different to the C-SSRS total scores for either the adolescent, parent, or clinician versions of the scales. This is not surprising, because the items in this sub-scale capture a much larger time-scale, compared to the C-SSRS rating period. The STOP-SReFS showed good psychometric properties. The STOP-SRiFS and STOP-SReFS are instruments that can be used in future studies about suicidality in children and adolescents.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidaliteit onder kinderen en jongeren is een groot probleem voor de volksgezondheid. Er is echter een gebrek aan geschikte en betrouwbare instrumenten voor deze doelgroep. Er is behoefte aan specifieke vragenlijsten die meer inzicht geven in de risico’s en de klinische en psychosociale factoren die een rol spelen bij suïcidaliteit onder jongeren. Het doel van deze studie was dan ook om nieuwe vragenlijsten te ontwikkelen en te testen, gericht op het achterhalen van risicofactoren en beschermende factoren. \n\nONDERZOEK: Het onderzoek bestond uit twee fases. In de eerste fase werden de risicofactoren en beschermende factoren (veerkrachtfactoren) in kaart gebracht op basis van systematisch literatuuronderzoek over suïcidaliteit en advies van focusgroepen en deskundigen. Vervolgens werden er van twee zogenoemde STOP-vragenlijsten, over risicofactoren en veerkrachtfactoren, drie verschillende versies ontwikkeld: één voor jongeren, één voor ouders en één voor artsen. In de tweede fase werden deze vragenlijsten getest aan de hand van twee steekproeven uit deze drie groepen. Voor de eerste vragenlijst werden er vijf risicofactoren onderscheiden: (1) het risico van angst en depressie, (2) risico van gebruik van verdovende middelen, (3) interpersoonlijke risico’s, (4) chronisch risico en (5) risico’s als gevolg van ingrijpende gebeurtenissen. Voor de tweede vragenlijst kwamen er twee veerkrachtfactoren naar boven: (1) interpersoonlijke veerkracht en (2) cognitieve veerkracht. Uit de resultaten bleek dat jongeren met een grotere cognitieve veerkracht minder vaak suïcidaal waren. Alle versies van de twee vragenlijsten werden betrouwbaar en geschikt bevonden. \n\nCONCLUSIE: Beide vragenlijsten (over risicofactoren en veerkrachtfactoren) zijn geschikte instrumenten om in te zetten bij toekomstig onderzoek naar suïcidaliteit bij kinderen en jongeren."},"keywords":{"en":["children · adolescents · suicidality · risk · resilience · psychosocial · questionnaire development and validation"],"nl":["kinderen","adolescenten","suïcidaliteit","risico","veerkracht","psychosociaal","vragenlijstontwikkeling en validatie"]},"region":["internationaal"],"type":["review","obs","obs_long","kwantitatief","anders"],"setting":["ggz","patient_nonggz"],"age":["young"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Suicide risk management in research on internet-based interventions for depression: a synthesis of the current state and recommendations for future research","authors":"Sander, L., Gerhardinger, K., Bailey, E., Robinson, J., Lin, J., Cuijpers, P., & Mühlmann, C.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.jad.2019.11.045","link":"https://research.vu.nl/en/publications/suicide-risk-management-in-research-on-internet-based-interventio","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The number of studies examining internet-based interventions (IBIs) for depression is increasing. Although many individuals with depression experience suicidal ideation, there is only insufficient information available on how to manage and support individuals at risk of suicide in IBI trials. Here, we examined the current practice regarding the management of individuals experiencing suicidal thoughts or behaviors in studies of IBIs for depression. \n\nMETHODS: Information pertaining to the management of suicidality was extracted from 24 studies. Additionally, researchers in the field completed a questionnaire (n = 13) before being interviewed (n = 11) about their procedures and considerations regarding the management of suicidality. \n\nRESULTS: In most trials (N = 17; 71%), individuals at risk of suicide were excluded based on varying criteria. N = 7 studies used structured interviews and N = 5 studies used single items of self-report questionnaires for assessing suicidality. The nature and degree of support provided to individuals at risk of suicide varied and only one intervention comprised suicide-specific content. \n\nLIMITATIONS: Most experts referred to research on interventions with some level of human support (e.g. written feedback) which might limit the representativeness of the results of the interviews for unguided interventions. CONCLUSIONS: Suicidality is often treated more as an exclusion criterion rather than a treatable condition in research on IBIs for depression. This paper provides an overview of the current practice and gives recommendations for the design of future trials.","nl":"ACHTERGROND: Het aantal onderzoeken naar interventies via internet voor depressie neemt toe. Hoewel veel mensen met een depressie suïcidale gedachten ervaren, is er onvoldoende informatie beschikbaar over hoe personen met een risico op suïcide moeten worden begeleid en ondersteund in interventies via internet. In dit onderzoek is gekeken naar de huidige werkwijze voor het begeleiden van personen met suïcidale gedachten of gedragingen zoals die wordt beschreven in studies naar interventies via internet voor depressie.  \n\nONDERZOEK: Uit 24 onderzoeken is informatie gehaald over begeleiding van suïcidale personen. Daarnaast hebben onderzoekers op dat gebied een vragenlijst ingevuld en zijn ze daarna geïnterviewd over hun procedures en overwegingen met betrekking tot de begeleiding van suïcidale personen. In de meeste studies (71%) werden personen met een risico op suïcide uitgesloten op basis van verschillende criteria. Zeven studies gebruikten gestructureerde interviews en vijf studies gebruikten zelf ingevulde vragenlijsten voor het beoordelen van suïcidaliteit. De aard en mate van ondersteuning die de personen met een risico op suïcide kregen varieerde, en slechts één interventie besteedde specifiek aandacht aan suïcide.  \n\nKANTTEKENING: de meeste deskundigen verwezen naar interventies met enige mate van menselijke ondersteuning (bijv. schriftelijke feedback), wat betekent dat de resultaten van de interviews mogelijk niet erg representatief zijn voor interventies zonder begeleiding.  \n\nCONCLUSIE: In onderzoeken naar interventies via internet voor depressie wordt suïcidaliteit vaak eerder als een uitsluitingscriterium gezien dan als een behandelbare aandoening. Dit artikel geeft een overzicht van de huidige praktijk en doet aanbevelingen voor het ontwerp van toekomstige studies."},"keywords":{"en":["internet interventions","E-Health","depression","suicidal ideation","review"],"nl":["internetinterventies","E-health","depressie","suïcidale ideatie","review"]},"region":["internationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Treating repetitive suicidal intrusions using eye movements: study protocol for a multicenter randomized clinical trial","authors":"Van Bentum, J. S., Sijbrandij, M., Kerkhof, A. J. F. M., Huisman, A., Arntz, A. R., Holmes, E. A., Franx, G., Mokkenstorm, J., & Huibers, M. J. H.","affiliations":"VU, UvA, 113, VUmc, GGZ InGeest","affiliation113":true,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"10.1186/s12888-019-2129-0","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31072317","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicide is a major public health problem, and it remains unclear which processes link suicidal ideation and plans to the act of suicide. Growing evidence shows that the majority of suicidal patients diagnosed with major depression or bipolar disorder report repetitive suicide-related images and thoughts (suicidal intrusions). Various studies showed that vividness of negative as well as positive intrusive images may be reduced by dual task (e.g. eye movements) interventions taxing the working memory. We propose that a dual task intervention may also reduce frequency and intensity of suicidal imagery and may be crucial in preventing the transition from suicidal ideation and planning to actual suicidal behaviour. This study aims a) to evaluate the effectiveness of an Eye Movement Dual Task (EMDT) add-on intervention targeting suicidal imagery in depressed patients, b) to explore the role of potential moderators and mediators in explaining the effect of EMDT, and c) to evaluate the cost-effectiveness of EMDT.\n\nMETHODS: We will conduct a multi-center randomized clinical trial (RCT) evaluating the effects of EMDT in combination with usual care (n = 45) compared to usual care alone (n = 45). Participants will fill in multiple online batteries of self-report questionnaires as well as complete a semi-structured interview (Intrusion Interview), and online computer tasks. The primary outcome is the frequency and intrusiveness of suicidal imagery. Furthermore, the vividness, emotionality, and content of the suicidal intrusions are evaluated; secondary outcomes include: suicidal behaviour and suicidal ideation, severity of depression, psychological symptoms, rumination, and hopelessness. Finally, potential moderators and mediators are assessed.\n\nDISCUSSION: If proven effective, EMDT can be added to regular treatment to reduce the frequency and vividness of suicidal imagery.","nl":"ACHTERGROND: suïcide is een ernstig probleem voor de volksgezondheid en het is nog niet duidelijk welke processen suïcidale gedachten en plannen koppelen aan daadwerkelijke suïcide. Er komt steeds meer bewijs dat de meerderheid van de suïcidale patiënten die gediagnosticeerd zijn met een depressie of bipolaire stoornis regelmatig beelden en gedachten met betrekking tot suïcide heeft (suïcidale intrusies genoemd). Verschillende studies hebben aangetoond dat de levendigheid van negatieve en positieve intrusieve beelden verminderd kan worden door interventies met duale taken zoals EMDT (Eye Movement Dual Task, een taak gebaseerd op oogbewegingen) die het werkgeheugen belasten. De auteurs stellen dat een interventie met duale taken ook de frequentie en intensiteit van suïcidale beelden kan verminderen en op die manier een cruciale rol kan spelen om te voorkomen dat suïcidale gedachten en plannen zich ontwikkelen tot daadwerkelijk suïcidaal gedrag.  \n\nONDERZOEK: Deze studie is bedoeld om a) de effectiviteit van een interventie met EMDT voor het behandelen van suïcidale beelden bij patiënten met een depressie te evalueren; b) te onderzoeken welke factoren het effect van EMDT zouden kunnen verklaren; en c) de kosteneffectiviteit van EMDT te evalueren. Er wordt een gerandomiseerde klinische studie uitgevoerd om de effecten van EMDT in combinatie met gebruikelijke zorg te vergelijken met die van uitsluitend gebruikelijke zorg. De deelnemers vullen meerdere vragenlijsten in, leggen een semigestructureerd interview af en voeren computertaken uit. Met dit onderzoek wordt in de eerste plaats de frequentie en indringendheid van de suïcidale beelden in kaart gebracht. Daarnaast worden de levendigheid, emotionaliteit en inhoud van de suïcidale intrusies geëvalueerd. Verder hopen de onderzoekers ook meer inzicht te krijgen in suïcidaal gedrag en suïcidale gedachten, ernst van de depressie, psychologische symptomen, piekeren en wanhoop. Tot slot worden de mogelijke factoren die van invloed zijn beoordeeld. Als de behandeling met EMDT effectief blijkt te zijn, kan deze worden toegevoegd aan de reguliere behandeling om de frequentie en levendigheid van de suïcidale beelden te verminderen."},"keywords":{"en":["dual tasks","EMDT","mental imagery","multicenter randomized controlled trial","suicidal intrusions","suicide"],"nl":["dubbele taak","EMDT","mentale beelden","multicenter gerandomiseerde gecontroleerde trial","suïcidale intrusies","zelfdoding"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Suïcides en suïcidepogingen van jongeren in Amsterdam: Wat weten we van de achtergrond en aanleiding?","authors":"Van Bergen, D., & Bijker. L.","affiliations":"RUG, VU","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Pedagogiek","identifier":"10.5117/PED2019.2.003.VANB","link":"https://www.rug.nl/research/portal/en/publications/suicides-en-suicidepogingen-van-jongeren-in-amsterdam(27e1f0a3-4d07-43d8-ad7d-0dbb3ffef3da).html","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":["borderline","youngadult"],"abstract":{"en":"At the end of 2016, suicide among adolescents has been on the rise among Dutch youth. This finding highlights the importance of collecting relevant information concerning adolescent suicide. In this study, we will take a first step in collecting knowledge prior to this rise regarding the background, characteristics and precipitating factors of suicidality in Dutch youth in Amsterdam in the period between 1996 and 2010. Two types of files were collected; for suicides in Amsterdam, coroners’ files were collected (1996-2010). For suicide attempts, we collected medical files from the emergency room of a hospital in Amsterdam (2003-2006). Regarding suicides of young people, we mainly see young men between the ages of 18-23 who mainly died through hanging, jumping from height or in front of a train. Few other factors were recorded in the coroners’ files. Regarding suicide attempts, five themes were visible: 1) demographic and social factors; older adolescents and girls were strongly overrepresented, and a third of all attempters had a non-Dutch origin; 2) Stressful life events, particularly sexual abuse and parental divorce; 3) psychological issues and psychiatric disorders, especially depression and borderline personality; 4) trigger factors consisting of conflicts and disputes with parents or a partner and lastly, 5) previous self-harm or attempts were frequently noted. This study provides a very first indication of relevant factors that could assist in future research about the recent rise in Dutch adolescent suicide and guide prevention efforts. To generate more specific epidemiological knowledge, and in order to formulate prevention strategies more optimal data-gathering systems are needed that systematically take a wide range of known risk factors into account.","nl":"ACHTERGROND: Eind 2016 nam het aantal suïcides onder Nederlandse jongeren toe. Daarom is het belangrijk dat er relevante informatie wordt verzameld over suïcide onder jongeren. Dit onderzoek vormt een eerste stap in het verzamelen van informatie over de achtergrond, kenmerken en versterkende factoren van suïcidaliteit onder de Nederlandse jeugd in Amsterdam in de periode tussen 1996 en 2010, dus voor de huidige toename.  \n\nONDERZOEK: Er werden twee typen dossiers verzameld: autopsierapporten over suïcides en medische dossiers van de spoedeisende hulp van een Amsterdams ziekenhuis over pogingen tot suïcide. \n\nCONCLUSIE: Als het gaat om suïcide onder jonge mensen, zien we voornamelijk jonge mannen in de leeftijd van 18 tot 23 jaar, die in de meeste gevallen om het leven komen door ophanging of door van grote hoogte of voor een trein te springen. In de autopsiedossiers waren weinig andere factoren opgenomen. Uit de dossiers over suïcidepogingen kwamen vijf thema’s naar voren: 1) demografische en sociale factoren: oudere adolescenten en meisjes waren sterk oververtegenwoordigd en een derde van alle jongeren die een suïcidepoging deden had een niet-Nederlandse achtergrond; 2) stressvolle levensgebeurtenissen, in het bijzonder seksueel misbruik en gescheiden ouders; 3) psychologische problemen en psychische aandoeningen, in het bijzonder depressie en borderline persoonlijkheidsstoornis; 4) triggerfactoren die te maken hadden met conflicten en ruzies met ouders of een partner; 5) eerdere zelfbeschadiging of pogingen tot suïcide. Deze studie geeft een eerste indicatie van relevante factoren, die kan helpen bij toekomstig onderzoek naar de recente toename van het aantal suïcides onder Nederlandse jongeren en als richtlijn kan dienen voor preventie. Om meer specifieke epidemiologische kennis te verzamelen en preventiestrategieën te formuleren zijn betere systemen voor gegevensverzameling nodig die systematisch rekening houden met een breed scala aan bekende risicofactoren."},"keywords":{"en":["Dutch youth; Suicide; coroner’s files; hospital admissions; suicide attempt"],"nl":["Nederlandse jeugd; zelfdoding; bestanden van lijkschouwer; ziekenhuisopnames; zelfdodingpoging"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicide after inhaling a pyrethrins containing insecticide spray","authors":"Van den Bersselaar, L. R., Van der Hoeven, J.G., & De Jong, B.","affiliations":"Radboud mc, Gelre Ziekenhuizen\nApeldoorn","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ","identifier":"10.1136/bcr-2018-\n227936","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30996064","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Pesticide self-poisoning is rare in developed countries. We report a suicide case after inhalation of a pyrethrins containing insecticide spray. The patient presented at the emergency department with respiratory failure. Despite mechanical ventilation, he developed severe pulmonary inflammation with a systemic inflammatory response syndrome and died 5 days later. Studies reporting on acute pyrethrins or pyrethroids insecticide poisoning in both occupational and non-occupational cases usually describe mild and self-limiting respiratory symptoms as the predominant symptom. Severe or fatal cases of pyrethrins or pyrethroids poisoning are very rare. Patients with asthma or allergies are apparently more at risk for severe symptoms. In these cases, early and aggressive treatment with bronchodilatators, steroids, antihistamines and epinephrine should be considered.","nl":"Zelfvergiftiging met pesticiden komt weinig voor in ontwikkelde landen. De auteurs beschrijven een geval van suïcide door inhalatie van een insectenspray die pyrethrinen bevat. De patiënt werd op de spoedeisende hulp binnengebracht met ademhalingsproblemen. Ondanks mechanische beademing ontwikkelde hij een ernstige longontsteking met een systemisch ontstekingsreactiesyndroom en overleed hij vijf dagen later. In studies naar acute insecticidevergiftiging met pyrethrinen of pyrethroïden bij beroepsmatig en niet-beroepsmatig gebruik worden als voornaamste symptomen meestal milde en spontaan genezende ademhalingsklachten gemeld. Ernstige of dodelijke gevallen van vergiftiging met pyrethrinen of pyrethroïden zijn zeer zeldzaam. Patiënten met astma of allergieën lijken meer kans te hebben op ernstige symptomen. In deze gevallen kan worden gedacht aan een snelle en agressieve behandeling met bronchodilatatoren, steroïden, antihistaminen en adrenaline."},"keywords":{"en":["adult intensive care","poisoning","respiratory medicine","suicide attempt","systemic inflammatory response"],"nl":["volwassenen intensieve zorg","vergiftiging","ademhalingsmedicijnen","zelfdodingpoging","systemische ontstekingsreactie"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Do Dutch news reports about suicide refer to suicide prevention strategies?","authors":"Van Leeuwen, L., & Bommelé, J.","affiliations":"Trimbos","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000619","link":"https://econtent.hogrefe.com/doi/full/10.1027/0227-5910/a000619","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Previous research and media guidelines suggest two potential protective characteristics of news reports about suicide: (1) individuals who adopt coping strategies other than suicidal behavior are described and (2) information about resources for support is provided. \n\nAIMS: Our aim was to investigate the extent to which Dutch news reports contain these two potential protective characteristics. \n\nMETHOD: A random selection of Dutch news reports (N = 296) published in the previous 6 months was coded on the presence of each of the two potential protective characteristics. RESULTS: Of the 296 news reports, 50 news reports (16.9%) mentioned available resources for support. Only one news report (0.3%) described an individual who adopted coping strategies other than suicidal behavior in adverse circumstances, namely, entering a mental health care institution. \n\nLIMITATIONS: One of the limitations is that, owing to the selection of news reports, conclusions pertain only to news reports published by Dutch media sources with the most readership in that period. \n\nCONCLUSION: The results of this study suggest that current knowledge about protective characteristics of news reports on suicide needs to be better implemented in the Netherlands.","nl":"ACHTERGROND: Eerder onderzoek en mediarichtlijnen wijzen op twee potentieel beschermende kenmerken van nieuwsberichten over suïcide: (1) er worden personen beschreven die andere strategieën hanteren om met hun situatie om te gaan dan suïcidaal gedrag en (2) er wordt informatie verstrekt over kanalen om hulp te vinden. Het doel van dit onderzoek was nagaan in hoeverre Nederlandse nieuwsberichten deze twee potentieel beschermende elementen bevatten.  \n\nONDERZOEK: Een willekeurige selectie Nederlandse nieuwsberichten die in het voorgaande halfjaar waren gepubliceerd (296 in totaal) werd gescand op de aanwezigheid van elk van de twee potentieel beschermende kenmerken. Van de 296 nieuwsberichten maakten er 50 melding van beschikbare kanalen om hulp te vinden. Slechts één nieuwsbericht beschreef iemand die een andere strategie dan suïcidaal gedrag had gekozen om met een nare situatie om te gaan, namelijk opname in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.  \n\nKANTTEKENING: als gevolg van de selectiemethode hebben de conclusies alleen betrekking op nieuwsberichten die zijn gepubliceerd door de Nederlandse media die in de betreffende periode de meeste lezers hadden.  \n\nCONCLUSIE: De resultaten van deze studie geven aan dat de huidige kennis over beschermende kenmerken van nieuwsberichten over suïcide in Nederland beter toegepast zou moeten worden."},"keywords":{"en":["suicide prevention","responsible communication","news reports","media analysis"],"nl":["zelfdodingpreventie","verantwoordelijke communicatie","nieuws","rapporten","media analyse"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Responsibly communicating delays after suicides on railways: the impact of delay announcements on suicide-related associations and emotions, and announcement appreciation","authors":"Van Leeuwen, L., Bommele, J., & Hoogcarspel, B.","affiliations":"Trimbos, ProRail","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"https://doi.org/10.1027/0227-5910/a000634","link":"https://econtent.hogrefe.com/doi/abs/10.1027/0227-5910/a000634","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: By communicating collision with a person as a reason for post-suicide railway delays, railway companies may involuntarily communicate to the public that colliding with a train is a suicide method. \n\nAIMS: To compare the impact of the collision with a person delay announcement with an announcement about emergency services and one about collision with an animal (control announcement), we measured suicide-related emotions, associations with suicide, and announcement appreciation. \n\nMETHOD: A randomized controlled online experiment (N = 664) was conducted. \n\nRESULTS: After exposure to the collision with a person announcement, participants were 9.1 times more likely to indicate suicide as the most probable reason for the delay than after the emergency services announcement. The emotional impact of both announcements was low. Still, participants reported more anger toward the victim after exposure to the collision with a person announcement than after exposure to the emergency services announcement. Announcement appreciation was significantly higher after exposure to collision with a person. \n\nLIMITATIONS: This online experiment may have reflected real-life situations concerning train delays to only a limited extent. \n\nCONCLUSION: From the perspective of suicide prevention, the emergency services announcement is a more appropriate delay announcement than the collision with a person announcement.","nl":"ACHTERGROND: Als spoorwegmaatschappijen na een suïcide melden dat er vertraging is door een aanrijding met een persoon, kunnen ze onbewust het idee opwekken dat aanrijding door een trein een manier is om suïcide te plegen. Om de impact van een vertragingsbericht over een aanrijding met een persoon te vergelijken met een bericht over de inzet van hulpdiensten en een bericht over een aanrijding met een dier (controlebericht) werden de emoties met betrekking tot suïcide, de associaties met suïcide en de waardering van de mededeling gemeten.  \n\nONDERZOEK: Het onderzoek vond plaats in de vorm van een gerandomiseerd gecontroleerd experiment via internet. Na het ontvangen van een bericht over een aanrijding met een persoon gaven de deelnemers 9,1 keer vaker suïcide aan als de meest waarschijnlijke reden voor de vertraging dan na een bericht over de inzet van hulpdiensten. De emotionele impact van beide berichten was laag. Toch meldden de deelnemers meer boosheid tegenover het slachtoffer na het ontvangen van het bericht over een aanrijding met een persoon dan na het ontvangen van het bericht over de inzet van hulpdiensten. De waardering voor het bericht over een aanrijding met een persoon was significant hoger.  \n\nKANTTEKENING: dit online experiment kwam mogelijk slechts beperkt overeen met werkelijke situaties rondom treinvertragingen. \n\nCONCLUSIE: Vanuit het perspectief van suïcidepreventie is het bericht over de inzet van hulpdiensten een meer gepaste vertragingsmededeling dan het bericht over de aanrijding met een persoon."},"keywords":{"en":["suicide prevention","responsible communication","suicides on railways","implicit association test"],"nl":["zelfdodingpreventie","verantwoordelijke communicatie","zelfdoding op sporen","impliciete associatietest"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suicide risk, personality disorder and hospital admission after assessment by psychiatric emergency services","authors":"Van Veen, M., Wierdsma, A. I., Van Boeijen, C., Dekker, J., Zoeteman, J., Koekkoek, B., & Mulder, C. L.","affiliations":"Altrecht, HAN Nijmegen, Erasmus UMC, GGNet Appeldoorn, VU, Arkin, ProPersona, Parnassia","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC psychiatry","identifier":"10.1186/s12888-019-2145-0","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31122268","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The main objectives of the mobile Psychiatric Emergency Services (PES) in the Netherlands are to assess the presence of a mental disorder, to estimate risk to self or others, and to initiate continuity of care, including psychiatric hospital admission. The aim of this study was to assess the associations between the level of suicidality and risk of voluntary or involuntary admission in patients with and without a personality disorder who were presented to mobile PES.\n\nMETHODS: Observational data were obtained in three areas of the Netherlands from 2007 to 2016. In total, we included 71,707 contacts of patients aged 18 to 65 years. The outcome variable was voluntary or involuntary psychiatric admission. Suicide risk and personality disorder were assessed by PES-clinicians. Multivariable regression analysis was used to explore associations between suicide risk, personality disorder, and voluntary or involuntary admission.\n\nRESULTS: Independently of the level of suicide risk, suicidal patients diagnosed with personality disorder were less likely to be admitted voluntarily than those without such a diagnosis (admission rate .37 versus .46 respectively). However, when the level of suicide risk was moderate or high, those with a personality disorder who were admitted involuntarily had the same probability of involuntary admission as those without such a disorder.\n\nCONCLUSIONS: While the probability of voluntary admission was lower in those diagnosed with a personality disorder, independent of the level of suicidality, the probability of involuntary admission was only lower in those whose risk of suicide was low. Future longitudinal studies should investigate the associations between (involuntary) admission and course of suicidality in personality disorder.","nl":"ACHTERGROND: De belangrijkste doelstellingen van de mobiele Medische Psychiatrische Units (MPU’s) in Nederland zijn het diagnosticeren van psychische stoornissen, het inschatten van het risico voor de patiënt zelf of anderen en het in gang zetten van continuïteit van de zorg, waaronder opname in een psychiatrisch ziekenhuis.  \n\nONDERZOEK: Het doel van deze studie was het evalueren van de verbanden tussen de mate van suïcidaliteit en de kans op vrijwillige of onvrijwillige opname bij patiënten met en zonder een persoonlijkheidsstoornis die werden opgevangen door een mobiele MPU. Er werden observatiegegevens verzameld in drie gebieden in Nederland in de periode van 2007 tot 2016. In totaal werden er 71.707 contacten met patiënten in de leeftijd van 18 tot 65 jaar bestudeerd, waarbij de MPU-artsen beoordeelden of er een risico op suïcide was en of de patiënt een persoonlijkheidsstoornis had. Ongeacht de ernst van het suïciderisico werden patiënten bij wie een persoonlijkheidsstoornis was vastgesteld minder vaak vrijwillig opgenomen dan patiënten zonder zo'n diagnose. Als het risico op suïcide matig of hoog was, hadden patiënten met een persoonlijkheidsstoornis een even grote kans op onvrijwillige opname dan patiënten zonder zo'n stoornis.  \n\nCONCLUSIE: Hoewel de kans op vrijwillige opname kleiner was voor patiënten met een persoonlijkheidsstoornis, ongeacht de mate van suïcidaliteit, was de kans op onvrijwillige opname alleen kleiner voor degenen met een laag risico op suïcide. Er moet nog meer onderzoek worden gedaan naar de verbanden tussen (onvrijwillige) opname en het verloop van suïcidaliteit bij patiënten met een persoonlijkheidsstoornis."},"keywords":{"en":["involuntary admission","psychiatric emergency service","personality disorder","suicide risk","voluntary psychiatric admission"],"nl":["onwillekeurig opname","psychiatrische spoedeisende hulpdienst","persoonlijkheidsstoornis","zelfdodingrisico","vrijwillige psychiatrische opname"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Associations between overweight and mental health problems among adolescents, and the mediating role of victimization","authors":"Van Vuuren, C. L., Wachter, G. G., Veenstra, R., Rijnhart, J. J. M., Van der Wal, M. F., Chinapaw, M. J. M., & Busch, V.","affiliations":"GGD, VU, RUG, VUmc","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC public health","identifier":"10.1186/s12889-019-6832-z","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31113424","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Evidence has not been conclusive on whether adolescent overweight is associated with mental health, possibly caused by indirect, yet untested associations. Therefore, the purpose of this study was to examine the association between overweight or obesity and mental health problems among adolescents, and to determine whether victimization plays a mediating role in these associations.\n\nMETHODS: Self-reported data on mental health and victimization and objectively measured Body Mass Index data were used, using three cohorts (2010-2011 until 2012-2013) and an interval between the measurement waves of two years later. We performed a multi-level mediation analysis with a two-level structure to incorporate the clustering of the measurements within individuals. The study population consisted of 13,740 secondary school students, 13-14 years old at the first measurement moment, in Amsterdam, the Netherlands.\n\nRESULTS: Compared to their normal-weight peers, adolescents with overweight or obesity reported psychosocial problems and suicidal thoughts more often. Victimization was a significant mediator in the relationship between having overweight, and psychosocial problems (indirect effect OR: 2.3; 95% CI 1.5, 3.7 and direct effect OR: 1.4; 95% CI 1.2, 1.7) or suicidal thoughts (indirect effect OR: 2.1; 95% CI 1.4, 3.2 and direct effect OR: 1.3; 95% CI 1.1, 1.5). The associations between obesity, and psychosocial problems (indirect OR: 6.2; 95% CI 2.8, 14.7 and direct effect OR: 1.4; 95% CI 1.0, 2.0), or suicidal thoughts (indirect OR: 4.5; 95% CI 2.3, 9.1 and direct effect OR: 1.5; 95% CI 1.1, 2.0) were even stronger.\n\nCONCLUSIONS: Overweight and obesity were significantly associated with mental health problems in adolescents, and victimization played a mediating role in this association. Victimization and mental health should be integrated into prevention programs that address healthy weight development. Moreover, overweight should be given more attention in programs to prevent victimization and promote adolescent mental health.","nl":"ACHTERGROND: Het is nog niet onomstotelijk bewezen dat er een, mogelijk indirect, verband bestaat tussen overgewicht of obesitas en geestelijke gezondheidsproblemen bij adolescenten. Deze studie is bedoeld om daar meer inzicht in te krijgen en om vast te stellen of slachtofferschap hierop van invloed is. \n\nONDERZOEK: De studiepopulatie bestond uit 13.740 middelbarescholieren in Amsterdam, die bij het eerste meetmoment 13-14 jaar oud waren. Zij hebben zelf vragen beantwoord over hun geestelijke gezondheid en slachtofferschap en daarnaast is hun Body Mass Index gemeten (formule voor het berekenen van een gezond gewicht). Er waren drie cohorten (2010-2011 tot 2012-2013) en tussen de metingen zat twee jaar. Vergeleken met hun leeftijdsgenoten met een normaal gewicht zeiden adolescenten met overgewicht of obesitas vaker psychosociale problemen en suïcidale gedachten te hebben. Slachtofferschap speelde een significante rol in de relatie tussen overgewicht en psychosociale problemen of suïcidale gedachten. De verbanden tussen obesitas en psychosociale problemen of suïcidale gedachten waren nog sterker. \n\nCONCLUSIE: Overgewicht en obesitas hebben een significant verband met geestelijke gezondheidsproblemen bij adolescenten en slachtofferschap is van invloed op dit verband. Slachtofferschap en geestelijke gezondheid zouden moeten worden opgenomen in preventieprogramma's voor het ontwikkelen van een gezond gewicht. Bovendien moet er meer aandacht worden besteed aan overgewicht in programma's ter voorkoming van slachtofferschap en de bevordering van de geestelijke gezondheid bij adolescenten."},"keywords":{"en":["bullying victimization","mental health problems","obesity","overweight","youth","suicidal thoughts"],"nl":["slachtofferschap door pesten","psychische problemen","obesitas","overgewicht","jeugd","suïcidale gedachten"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Prevalence of comorbid depressive symptoms and suicidal ideation in children with autism spectrum disorder and elevated anxiety symptoms","authors":"Wijnhoven, L. A., Niels-Kessels, H., Creemers, D. H., Vermulst, A. A., Otten, R., & Engels, R. C.","affiliations":"GGZ Oost-Brabant, RU, GGZ Pluryn, EUR","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of child and adolescent mental health","identifier":"10.2989/17280583.2019.1608830","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31109252","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief","autisme"],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Children with autism spectrum disorder (ASD) often have comorbid depressive symptoms and suicidal ideation. The aim of this study was to examine levels of depressive symptoms and suicidal ideation in a sample of children with ASD, normal cognitive functioning and elevated anxiety. \n\nMETHODS: IN total, 93 children aged 8-16 years with ASD and with normal cognitive functioning and (sub)clinical anxiety symptoms participated in the present study. Both parents and children filled in questionnaires to measure the level of depressive symptoms. Moreover, children reported their level of suicidal ideation. \n\nRESULTS: More than 35% of the children with ASD reported clinical levels of depressive symptoms while, according to parents, even more than 75% of these children showed clinical levels of depressive symptoms. Girls reported significantly higher levels of depressive symptoms than boys. Moreover, 32.2% of the children with ASD and anxiety had suicidal thoughts and 2.2% of the children showed active suicidal ideation. No gender differences were found in suicidal ideation. \n\nCONCLUSIONS: The findings indicated that children with ASD, normal cognitive functioning and anxiety symptoms have an increased prevalence of clinical depressive symptoms and suicidal ideation. Therefore, depressive symptoms and suicidal ideation should be assessed when working with anxious children with ASD.","nl":"ACHTERGROND: Kinderen met een autismespectrumstoornis hebben vaak comorbide depressiesymptomen en suïcidale gedachten. Het doel van deze studie was het onderzoeken van depressiesymptomen en suïcidale gedachten bij kinderen met een autismespectrumstoornis, normale cognitieve functies en angststoornissen.  \n\nONDERZOEK: In totaal namen 93 kinderen in de leeftijd van acht tot zestien jaar met een autismespectrumstoornis, normale cognitieve functies en (sub)klinische angstsymptomen aan het onderzoek deel. Zowel de ouders als de kinderen vulden een vragenlijst in om de ernst van de depressiesymptomen te meten. Daarnaast gaven de kinderen aan in hoeverre ze suïcidale gedachten hadden. Meer dan 35% van de kinderen met een autismespectrumstoornis gaf aan klinische depressiesymptomen te hebben, terwijl dit volgens de ouders zelfs voor meer dan 75% van de kinderen gold. Meisjes meldden significant meer depressiesymptomen dan jongens. Bovendien had 32,2% van de kinderen met een autismespectrumstoornis en angsten suïcidale gedachten en vertoonde 2,2% van de kinderen actieve suïcidale ideatie. Voor suïcidale gedachten waren er geen verschillen tussen jongens en meisjes. \n\nCONCLUSIE: Uit de bevindingen blijkt dat kinderen met een autismespectrumstoornis, normale cognitieve functies en angstsymptomen vaker klinische depressiesymptomen en suïcidale gedachten hebben. Daarom moet er meer aandacht worden besteed aan depressiesymptomen en suïcidale gedachten tijdens het werken met angstige kinderen met een autismespectrumstoornis."},"keywords":{"en":["autism","autism spectrum disorders","depression","anxiety","suicidal ideation","normal cognitive functioning"],"nl":["autisme","autisme spectrum stoornissen","depressie","angst","suïcidale ideatie","normaal cognitief functioneren"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Autointoxication with 'suicide powder'","authors":"Workum, J. D., Bisschops, L. L. A., & Van den Berg, M. J. W.","affiliations":"Radboud mc","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde","identifier":null,"link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30875162","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"We present two patients who were treated for an intentional overdose of sodium nitrite. When ingested sodium nitrite leads to severe methaemoglobinaemia, resulting in severe hypoxia (as methaemoglobin does not transport oxygen), vasodilation and hypotension. Symptoms include cyanosis, headache, nausea, convulsions, coma and death. When measured by pulse oximetry, patients with a sodium nitrite intoxication and severe methaemoglobinaemia generally have an oxygen saturation of around 85%. This value is unreliable as the oxygen content of the blood is often extremely low - this can be confirmed by arterial blood gas analysis. Treatment of sodium nitrite intoxication consists of intravenous administration of methylthioninium chloride 1-2 mg/kg. Methylthioninium chloride converts the methaemoglobin back to haemoglobin. Due to the pharmacokinetics of methylthioninium chloride and sodium nitrite, a rebound effect is not to be expected. The only contra-indication for methylthioninium chloride is glucose-6-phosphate dehydrogenase deficiency, which is extremely rare in the Netherlands.","nl":"Hier volgen twee casusbeschrijvingen van patiënten die werden behandeld voor intentionele overdosering van natriumnitriet. Inname van natriumnitriet leidt tot ernstige methemoglobinemie, met als gevolg ernstige hypoxie (omdat methemoglobine geen zuurstof vervoert), vasodilatatie en hypotensie. Symptomen zijn onder andere cyanose, hoofdpijn, misselijkheid, convulsies, coma en overlijden. Bij meting met polsoximetrie hebben patiënten met een natriumnitrietintoxicatie een ernstige methemoglobinemie meestal een zuurstofverzadiging van ongeveer 85%. Deze waarde is onbetrouwbaar, omdat het zuurstofgehalte in het bloed vaak extreem laag is. Dit kan worden bevestigd door arteriële bloedgasanalyse. De behandeling van natriumnitrietintoxicatie bestaat uit intraveneuze toediening van 1-2 mg/kg methylthioniniumchloride. Methylthioniniumchloride zet de methemoglobine weer om in hemoglobine. Op basis van de farmacokinetiek van methylthioniniumchloride en natriumnitriet wordt geen reboundeffect verwacht. De enige contra indicatie voor methylthioniniumchloride is glucose-6-fosfaatdehydrogenasedeficiëntie, wat zeer zeldzaam is in Nederland."},"keywords":{"en":["case studies","\"suicide powder\"","natrium nitrite"],"nl":["case studies","\"zelfdodingpoeder\"","natriumnitriet"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Equivalency of the diagnostic accuracy of the PHQ-8 and PHQ-9: a systematic review and individual participant data meta-analysis","authors":"Wu, Y., Levis, B., Riehm, K. E., Saadat, N., Levis, A. W., Azar, M., …, & Thombs, D. B.","affiliations":"VU, AMC","affiliation113":false,"year":2019,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychological Medicine","identifier":"https://doi.org/10.1017/S0033291719001314","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31298180","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Item 9 of the Patient Health Questionnaire-9 (PHQ-9) queries about thoughts of death and self-harm, but not suicidality. Although it is sometimes used to assess suicide risk, most positive responses are not associated with suicidality. The PHQ-8, which omits Item 9, is thus increasingly used in research. We assessed equivalency of total score correlations and the diagnostic accuracy to detect major depression of the PHQ-8 and PHQ-9.\n\nMETHODS: We conducted an individual patient data meta-analysis. We fit bivariate random-effects models to assess diagnostic accuracy.\n\nRESULTS:16 742 participants (2097 major depression cases) from 54 studies were included. The correlation between PHQ-8 and PHQ-9 scores was 0.996 (95% confidence interval 0.996 to 0.996). The standard cutoff score of 10 for the PHQ-9 maximized sensitivity + specificity for the PHQ-8 among studies that used a semi-structured diagnostic interview reference standard (N = 27). At cutoff 10, the PHQ-8 was less sensitive by 0.02 (-0.06 to 0.00) and more specific by 0.01 (0.00 to 0.01) among those studies (N = 27), with similar results for studies that used other types of interviews (N = 27). For all 54 primary studies combined, across all cutoffs, the PHQ-8 was less sensitive than the PHQ-9 by 0.00 to 0.05 (0.03 at cutoff 10), and specificity was within 0.01 for all cutoffs (0.00 to 0.01).\n\nCONCLUSIONS:PHQ-8 and PHQ-9 total scores were similar. Sensitivity may be minimally reduced with the PHQ-8, but specificity is similar.","nl":"ACHTERGROND: In punt 9 van de Patient Health Questionnaire-9 (PHQ-9) wordt gevraagd naar gedachten aan dood en zelfbeschadiging, maar niet naar suïcidaliteit. Hoewel deze vragenlijst soms wordt gebruikt voor het beoordelen van het risico op suïcide, houden de meeste bevestigende antwoorden geen verband met suïcidaliteit. Daarom wordt in onderzoeken steeds vaker gebruikgemaakt van de PHQ-8, waarin punt 9 is weggelaten. Dit onderzoek is bedoeld om na te gaan of de PHQ-8 en de PHQ-9 gelijkwaardig zijn als het gaat om de totale scorecorrelaties en de diagnostische nauwkeurigheid voor het signaleren van depressie.  \n\nONDERZOEK: Om de diagnostische nauwkeurigheid te beoordelen zijn de individuele patiëntgegevens van 16.742 deelnemers (van wie er 2097 een depressie hadden) uit 54 studies geanalyseerd. De correlatie tussen de scores van PHQ-8 en PHQ-9 was 0,996. De standaard drempelscore van tien voor de PHQ-9 vormde de maximale gevoeligheid en specificiteit voor de PHQ-8 in studies die een semigestructureerde referentienorm voor diagnostische interviews gebruikten. Bij een drempelwaarde van tien was de PHQ-8 0,02 minder gevoelig en 0,01 specifieker bij die studies en bij studies die andere typen interviews gebruikten waren de resultaten vergelijkbaar. In alle 54 primaire onderzoeken samen, met verschillende drempelwaarden, was de PHQ-8 0,00 tot 0,05 minder gevoelig dan de PHQ-9 (0,03 bij een drempelwaarde van tien) en het verschil in specificiteit was voor alle drempelwaarden kleiner dan 0,01. \n\nCONCLUSIE: De totale scores van PHQ-8 en PHQ-9 waren vergelijkbaar. De gevoeligheid is misschien een klein beetje minder bij de PHQ-8, maar de specificiteit is gelijk."},"keywords":{"en":["depression","PHQ-8","PHQ-9","diagnostic accuracy","individual participant data meta-analysis","meta-analysis","screening","systematic review","specificity","sensitivity"],"nl":["depressie","PHQ-8","PHQ-9","diagnostische nauwkeurigheid","individuele deelnemer data meta-analyse","meta-analyse","screening","systematische review","specificiteit","sensitiviteit"]},"region":["nationaal"],"type":["meta","kwantitatief"],"setting":["patientcohort","populationcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Differential relations of suicidality in depression to brain activation during emotional and executive processing","authors":"Ai, H., Van Tol, M. J., Marsman, J. C., Veltman, D. J., Ruhé, H. G., Van der Wee, N. J. A., Opmeer, E. M., & Aleman, A.","affiliations":"RUG, Groningen UMC, VU, VUmc, UVA, AMC, LUMC, LU","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Psychiatric Research","identifier":"10.1016/j.jpsychires.2018.08.018","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30212727","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"Suicidal behavior is highly prevalent in major depressive disorder (MDD), though not present in all patients. It is unclear whether the tendency for suicidal behavior is associated with a unique functional neuroanatomical signature identifiable through neuroimaging. In this study, we investigated brain activation in suicidal and non-suicidal patients with MDD during facial emotion processing and executive control. Functional magnetic resonance imaging (fMRI) data from the NESDA-fMRI study (MDD patients N = 103, healthy controls N = 26, HC) were analyzed. Patients were divided in a group of suicide attempters (N = 18, SA), suicide ideators (N = 31, SI) and a patient-control group (N = 73, PC). A gender discrimination task with emotional faces and the Tower of London executive planning task were investigated. An ANOVA was performed to compare brain activation among suicidal patients (SA + SI), PC and HC first and then among SI, SA, PC and HC. Significance was determined as meeting p < .05 family wise error (FWE) corrected at the voxel-level. We observed that SA patients showed lower activation in the bilateral fusiform gyri during emotional faces processing compared to SI, PC and HC. No group differences were found during executive planning. Results were independent of childhood emotional maltreatment, depression severity, anxiety severity, use of psychotherapy and SSRI-use. Results suggest that a propensity for suicidal behavior in MDD is associated with abnormal emotional processing but not executive functioning, represented by altered face processing compared to non-suicidal patients and controls. While in need of replication, these results indicate that altered fusiform gyrus activation during emotion processing may serve as a marker for suicidality.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidaal gedrag komt veel voor bij depressie, maar niet bij alle patiënten. Het is onduidelijk of de neiging tot suïcidaal gedrag verband houdt met een unieke neuroanatomische signatuur die kan worden geïdentificeerd door middel van neuroimaging.  \n\nONDERZOEK: In deze studie is de hersenactivatie bij suïcidale en niet-suïcidale patiënten met een depressie onderzocht tijdens het verwerken van emotionele gezichtsuitdrukkingen en het uitvoeren van executieve functies. De patiënten werden verdeeld in drie groepen: mensen die een suïcidepoging hadden gedaan, mensen die suïcidale gedachten hadden en een patiëntencontrolegroep. Daarnaast was er een gezonde controlegroep. Eerst werd de hersenactivatie van suïcidale patiënten (suïcidepogingen en suïcidale gedachten) vergeleken met die van de patiëntencontrolegroep en de gezonde controlegroep en daarna werden alle vier de groepen afzonderlijk bekeken. Patiënten die een suïcidepoging hadden gedaan bleken een lagere activatie in de spoelvormige winding te hebben tijden het verwerken van emotionele gezichtsuitdrukkingen dan de groepen met suïcidale gedachten, de patiëntencontrolegroep en de gezonde controlegroep. Tijdens de executieve taken werden geen verschillen waargenomen. Emotionele mishandeling in de jeugd, ernst van de depressie, ernst van de angst, gebruik van psychotherapie en gebruik van selectieve serotonineheropnameremmers waren niet van invloed op de resultaten.  \n\nCONCLUSIE: Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat een neiging tot suïcidaal gedrag bij depressie verband houdt met afwijkende emotionele verwerkingsprocessen, maar niet met executieve functies. Hoewel de resultaten nog herhaald moeten worden, geven ze aan dat een afwijkende activatie van de spoelvormige winding tijdens emotionele verwerkingsprocessen een indicator kan zijn voor suïcidaliteit."},"keywords":{"en":["emotion processing","executive function","suicidality","fMRI"],"nl":["emotieverwerking","uitvoerende functie","suïcidaliteit","fMRI"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patientcohort","populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Treatment-resistant depression and suicidality","authors":"Bergfeld, I. O., Mantione, M., Figee, M., Schuurman, P. R., Lok, A., & Denys, D.","affiliations":"AMC, NIN, ABC","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2018.04.016","link":"https://www.narcis.nl/publication/RecordID/oai%3Apure.amc.nl%3Apublications%2Fbdc6b0ae-de38-4e5f-9071-fb7a7da21523/dd_year/2018/uquery/suicide/id/37/Language/NL","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Thirty percent of patients with treatment-resistant depression (TRD) attempt suicide at least once during their lifetime. However, it is unclear what the attempted and completed suicide incidences are in TRD patients after initiating a treatment, and whether specific treatments increase or decrease these incidences.\n\nMETHODS: We searched PubMed systematically for studies of depressed patients who failed at least two antidepressant therapies and were followed for at least three months after initiating a treatment. We estimated attempted and completed suicide incidences using a Poisson meta-analysis. Given the lack of controlled comparisons, we used a meta-regression to estimate whether these incidences differed between treatments.\n\nRESULTS: We included 30 studies investigating suicidality in 32 TRD samples, undergoing deep brain stimulation (DBS, n = 9), vagal nerve stimulation (VNS, n = 9), electroconvulsive therapy (ECT, n = 5), treatment-as-usual (n = 3), capsulotomy (n = 2), cognitive behavioral therapy (n = 2), ketamine (n = 1), and epidural cortical stimulation (n = 1). The overall incidence of completed suicides was 0.47 per 100 patient years (95% CI: 0.22–1.00), and of attempted suicides 4.66 per 100 patient years (95% CI: 3.53–6.23). No differences were found in incidences following DBS, VNS or ECT.\n\nLIMITATIONS: Suicidality is poorly recorded in many studies limiting the number of studies available.\n\nCONCLUSIONS: The completed and attempted suicide incidences are high (0.47 and 4.66 per 100 patient years respectively), but these incidences did not differ between three end of the line treatments (DBS, VNS or ECT). Given the high suicide risk in TRD patients, clinical trials should consider suicidality as an explicit outcome measure.","nl":"ACHTERGROND: Van de patiënten met onbehandelbare depressie doet 30% minimaal één keer in zijn of haar leven een suïcidepoging. Er is echter geen duidelijkheid over de aantallen suïcide(poging)en van onbehandelbaar depressieve patiënten na het begin van een behandeling en we weten ook niet of specifieke behandelingen deze aantallen verhogen of verlagen.  \n\nONDERZOEK: De auteurs hebben systematisch gezocht naar studies over depressieve patiënten bij wie ten minste twee antidepressieve behandelingen niet hadden geholpen en die ten minste drie maanden waren gevolgd na het begin van een behandeling. Vervolgens hebben ze een schatting gemaakt van het aantal suïcide(poging)en en de verschillen tussen behandelmethoden. In totaal is gekeken naar dertig studies die betrekking hadden op 32 proefpersonen met een onbehandelbare depressie die werden behandeld met diepe hersenstimulatie, stimulatie van de nervus vagus (de tiende hersenzenuw), elektroconvulsietherapie, gebruikelijke behandeling, capsulotomie (verbreken van de verbinding tussen de basale ganglia in de voorste hersenen en de grijze kernen in dieper gelegen hersendelen), cognitieve gedragstherapie, ketamine en epidurale corticale stimulatie. Het totale aantal voltooide suïcides was 0,47 per 100 patiëntjaren en het aantal suïcidepogingen was 4,66 per 100 patiëntjaren. De aantallen verschilden niet na diepe hersenstimulatie, stimulatie van de nervus vagus of elektroconvulsietherapie.  \n\nKANTTEKENING: In veel onderzoeken is suïcidaliteit slecht geregistreerd, wat het aantal beschikbare onderzoeken beperkt.  \n\nCONCLUSIE: Het aantal suïcides en suïcidepogingen is hoog, maar verschilt niet tussen drie behandelingen die als laatste redmiddel worden toegepast (diepe hersenstimulatie, stimulatie van de nervus vagus of elektroconvulsietherapie). Gezien het hoge suïciderisico bij onbehandelbaar depressieve patiënten zouden klinische studies suïcidaliteit expliciet moeten meten."},"keywords":{"en":["depressive disorder","treatment-resistant","suicide","meta-analysis","systematic review"],"nl":["depressieve stoornis","behandelingsresistent","zelfdoding","meta-analyse","systematische review"]},"region":["internationaal"],"type":["review","meta","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Zelfdoding bij jeugd tot 23 jaar","authors":"Berkelmans, G., & Gilissen, R.","affiliations":"113, werkgroep jongeren en suïcide, Ministerie van VWS","affiliation113":true,"year":2018,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"Rijksoverheid, Ministerie VWS","identifier":null,"link":"https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/12/21/zelfdoding-bij-jeugd","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["youth","suicide","in-between report","microdata"],"nl":["jeugd","zelfdoding","tussenrapportage","microdata"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Involving patients and family in the analysis of a suicide (attempt) or other sentinel events in mental healthcare: a qualitative study in the Netherlands","authors":"Bouwman, R., Graaf, B., De Beurs, D. P., Bovenkamp, H., Van de Leistikow, I. P., & Friele, R.","affiliations":"TRANZO, EUR, Nivel, UT, IGJ","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Environmental Research and Public Health","identifier":"10.3390/ijerph15061104","link":"https://www.mdpi.com/1660-4601/15/6/1104","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["nabestaanden"],"abstract":{"en":"Involving patients and families in mental healthcare is becoming more commonplace, but little is known about how they are involved in the aftermath of serious adverse events related to quality of care (sentinel events, including suicides). This study explores the role patients and families have in formal processes after sentinel events in Dutch mental healthcare. We analyzed the existing policies of 15 healthcare organizations and spoke with 35 stakeholders including patients, families, their counselors, the national regulator, and professionals. Respondents argue that involving patients and families is valuable to help deal with the event emotionally, provide additional information, and prevent escalation. Results indicate that involving patients and families is only described in sentinel event policies to a limited extent. In practice, involvement consists mostly of providing aftercare and sharing information about the event by providers. Complexities such as privacy concerns and involuntary admissions are said to hinder involvement. Respondents also emphasize that involvement should not be obligatory and stress the need for patients and families to be involved throughout the process of treatment. There is no one-size-fits-all strategy for involving patients and families after sentinel events. The first step seems to be early involvement during treatment process itself.","nl":"ACHTERGROND: Het gebeurt steeds vaker dat patiënten en hun familieleden bij de geestelijke gezondheidszorg worden betrokken. Er is echter nog niet veel bekend over de manier waarop dat gebeurt tijdens de nasleep van ernstige ongewenste voorvallen (inclusief suïcide) in relatie tot de kwaliteit van de zorg. Deze studie onderzoekt de rol die patiënten en familieleden spelen in de formele procedures na ongewenste voorvallen in de Nederlandse geestelijke gezondheidszorg. \n\nONDERZOEK: Het bestaande beleid van 15 zorginstellingen werd geanalyseerd en 35 betrokkenen werden geïnterviewd, zoals patiënten, familieleden, hun adviseurs, de nationale toezichthouder en zorgverleners. De deelnemers vonden de betrokkenheid van patiënten en familieleden waardevol voor de emotionele verwerking van een ingrijpende gebeurtenis, en nuttig omdat ze aanvullende informatie kregen en escalatie werd voorkomen. De resultaten laten echter zien dat de betrokkenheid van patiënten en familieleden maar beperkt wordt genoemd in beleidsmaatregelen op het gebied van ongewenste voorvallen. In de praktijk komt het erop neer dat zorgverleners hen voornamelijk bij de nazorg betrekken en informatie geven over het voorval. Zaken als privacy en onvrijwillige opnamen maken het lastig om de omgeving er meer bij te betrekken. De deelnemers benadrukten ook dat hun betrokkenheid niet verplicht moet zijn en ze pleitten ervoor dat patiënten en hun familieleden bij het hele behandelproces worden betrokken. \n\nCONCLUSIE: Er is geen pasklare strategie voor het betrekken van patiënten en hun familieleden bij de nasleep van ongewenste voorvallen. Als eerste stap lijkt het raadzaam om hen er in een eerder stadium bij te betrekken, dus al tijdens de behandeling."},"keywords":{"en":["mental healthcare","suicide","suicide attempt","participation","sentinel event","incident","family","bereaved","incident management","incident analysis","root cause analysis"],"nl":["GGZ","zelfdoding","zelfdodingpoging","participatie","wachtpost evenement","incident","gezin","bedroefd","probleembehandeling","probleemanalyse","root cause analyse"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Datagestuurd leren van suïcidale incidenten met KEHR-SUÏCIDE: GGz Eindhoven als praktijkvoorbeeld [Data-guided learning from suicidal incidents by using KEHR SUICIDE. A practice example in a Dutch mental health care facility]","authors":"De Groot, M. H., Kleppe, R. T., Pols, E., De Winter, R. F. P., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, GGz Eindhoven en de Kempen, Parnassia","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor Psychiatrie","identifier":null,"link":"http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/issues/531/articles/11739","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Specific and systematic data on health care providers’ behaviour is needed to futher improve the care provided to suicidal patiënts in mental health care facilities.\n\nMETHOD: Explorative observational study of all suicidal incidents (n=50) that occurred in a Dutch mental health care facility over a one year period. Incidents were evaluated using KEHR SUICIDE, a questionnaire that assesses to what extent health care providers’ conduct was compliant to the suicide practice guideline in the context of patients’ suicidal behaviour. Associations between health care providers’ and patients’ features and guideline compliant behaviours of health care providers were calculated by logistic regression models.\n\nRESULTS: Health care providers showed less guideline compliant behaviour when the patient had a psychotic, substance abuse or development disorder or had no axis 1 disorder. A positive association was found between guideline compliant behaviour and the extent to which the incident had been expected. \n\nCONCLUSION Guideline compliant behaviour of mental health care providers appears to be related to the axis 1 disorder of patients in a Dutch mental health care facility. Still, the application of guideline compliant behaviour concerning suïcide incidents shows room for improvement. KEHR SUICIDE is shown to be a helpful tool for multidisciplinary evaluation of suicidal incidents as it provides specific, ready-made information by which mental health care facilities can guide, examine and adjust suicide prevention policy. The outcomes provide hypotheses that may be examined in future research.","nl":"ACHTERGROND: Om verbeteringen in de zorg voor suïcidale patiënten in ggz-instellingen te onderbouwen zijn specifieke en systematische gegevens nodig over hulpverlenersgedrag jegens patiënten die waren betrokken bij suïcidale incidenten. \n\nMETHODE: Exploratief observationeel onderzoek naar de relatie tussen patiënt- en hulpverlenerskenmerken en gedrag van hulpverleners die gedurende één jaar bij GGz Eindhoven betrokken waren bij alle suïcides (n = 26) en suïcidepogingen met ernstig letsel (n = 24). Patiënt- en hulpverlenerskenmerken en hulpverlenersgedrag werden geïnventariseerd met de kehr suicide-vragenlijst (Kwalitatieve Evaluatie van het Handelen rond Suïcide) die werd ingevuld door 163 hulpverleners. Relaties tussen patiënt- en hulpverlenerskenmerken en hulpverlenersgedrag werden berekend via logistische-regressiemodellen. \n\nRESULTAAT: Hulpverleners vertoonden minder richtlijnconform gedrag als patiënten een psychotische stoornis, een ontwikkelingsstoornis, een stoornis in het gebruik van middelen hadden of bij een ontbrekende as 1-diagnose. Richtlijnconform gedrag was geassocieerd met de mate waarin hulpverleners de incidenten hadden verwacht. \n\nCONCLUSIE: Richtlijnconform gedrag van hulpverleners ten aanzien van suïcidale patiënten hangt in GGz Eindhoven samen met de as 1-diagnose van deze patiënten. Er zijn nog verbeteringen mogelijk in de mate waarin hulpverleners bij suïcidale patiënten richtlijnconform gedrag toepassen. De toepassing van kehr suicide kan ggz-instellingen helpen om de richting van hun suïcidepreventiebeleid te bepalen en deze te evalueren. De uitkomsten bieden de mogelijkheid om hypothesen te formuleren die in vervolgonderzoek kunnen worden getoetst."},"keywords":{"en":["evaluation","quality improvement","suicide","suicide attempt","KEHR SUICIDE","guideline compliant behaviour"],"nl":["evaluatie","KEHR","kwaliteitsverbetering","zelfdoding","zelfdodingpogingen","hulpverlenersgedrag","richtlijnconform"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Pain as a risk factor for suicidal ideation: a population-based longitudinal cohort study","authors":"De Heer, E. W., Ten Have, M., Van Marwijk, H. W. J., Dekker, J., De Graaf, R., Beekman, A. T. F., & Van der Feltz-Cornelis, C. M.","affiliations":"GGz Breburg, UT, Trimbos, EMGO, VUmc, GGZ inGeest","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"General Hospital Psychiatry","identifier":"10.1016/j.genhosppsych.2018.11.005","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0163834318300276","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: To examine the longitudinal association between pain and suicidal ideation in the general adult population.\n\nMETHOD: Data were used from two waves (baseline and three-year follow-up) of the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. Persons without prior 12-month suicidal ideation at baseline were included in this study (N = 5242). Pain severity and interference due to pain in the past month were measured using the 36-item Short Form Health Survey. Suicidal ideation and DSM-IV mental disorders were assessed using the Composite International Diagnostic Interview. Logistic regression analyses were performed.\n\nRESULTS: Moderate to very severe pain (OR 3.39, p < .001) and moderate to very severe interference due to pain (OR 2.35, p .01) were associated with a higher risk for incident suicidal ideation at follow-up after adjustment for baseline sociodemographic variables and mental disorders. No interaction effects were found between pain severity or interference due to pain and mental disorders.\n\nCONCLUSION: Moderate to severe pain and interference due to pain are risk factors for suicidal ideation independently of concomitant mental disorders. We suggest taking assessment and management of suicidal ideation in patients with pain into account both in clinical treatment as well as in suicide prevention action plans.","nl":"ACHTERGROND: Deze studie is uitgevoerd om het longitudinale verband tussen pijn en suïcidale gedachten onder de algemene volwassen bevolking te onderzoeken.  \n\nONDERZOEK: In twee ronden met een tussenpose van drie jaar zijn de gegevens geanalyseerd van mensen die in het jaar voor het begin van het onderzoek geen suïcidale gedachten hadden gehad. De ernst van de pijn en de mate waarin de pijn het functioneren verstoorde werden gemeten aan de hand van een vragenlijst. Suïcidale gedachten en psychische aandoeningen (DSM-IV) zijn beoordeeld met behulp van een diagnostisch interview. Matige tot zeer ernstige pijn en matige tot zeer ernstige verstoring van het functioneren door pijn werden in verband gebracht met een hoger risico op incidentele suïcidale gedachten. Er zijn geen wisselwerkingen gevonden tussen de ernst van de pijn en de mate waarin de pijn het functioneren verstoort enerzijds en psychische aandoeningen anderzijds.  \n\nCONCLUSIE: Matige tor ernstige pijn en beperkingen in het functioneren als gevolg van pijn zijn risicofactoren voor suïcidale gedachten die losstaan van bijkomende psychische aandoeningen. Op basis van het onderzoek wordt geadviseerd zowel bij klinische behandeling als bij actieplannen voor suïcidepreventie rekening te houden met de beoordeling en beheersing van suïcidale gedachten bij patiënten met pijn."},"keywords":{"en":["pain","pain severity","interference due to pain","suicidal ideation","mental disorders","general population"],"nl":["pijn","suïcidale ideatie","psychische stoornissen","algemene populatie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"A 6-year longitudinal study of predictors for suicide attempts in major depressive disorder","authors":"Eikelenboom, M., Beekman, A. T. F., Penninx, B. W. J. H., & Smit, J. H.","affiliations":"VU, GGZ InGeest","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychological Medicine","identifier":"10.1017/S0033291718001423","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29897037","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Major depressive disorder (MDD), represent a major source of risk for suicidality. However, knowledge about risk factors for future suicide attempts (SAs) within MDD is limited. The present longitudinal study examined a wide range of putative non-clinical risk factors (demographic, social, lifestyle, personality) and clinical risk factors (depressive and suicidal indicators) for future SAs among persons with MDD. Furthermore, we examined the relationship between a number of significant predictors and the incidence of a future SA.\n\nMETHODS: Data are from 1713 persons (18-65 years) with a lifetime MDD at the baseline measurement of the Netherlands Study of Depression and Anxiety who were subsequently followed up 2, 4 and 6 years. SAs were assessed in the face-to-face measurements. Cox proportional hazard regression analyses were used to examine a wide range of possible non-clinical and clinical predictors for subsequent SAs during 6-year follow-up.\n\nRESULTS: Over a period of 6 years, 3.4% of the respondents attempted suicide. Younger age, lower education, unemployment, insomnia, antidepressant use, a previous SA and current suicidal thoughts independently predicted a future SA. The number of significant risk factors (ranging from 0 to 7) linearly predicted the incidence of future SAs: in those with 0 predictors the SA incidence was 0%, which increased to 32% incidence in those with 6+ predictors.\n\nCONCLUSION: Of the non-clinical factors, particularly socio-economic factors predicted a SA independently. Furthermore, preexisting suicidal ideation and insomnia appear to be important clinical risk factors for subsequent SA that are open to preventative intervention.","nl":"ACHTERGROND: Depressie is een belangrijke risicofactor voor suïcidaliteit. Toch is er maar weinig bekend over de risicofactoren die bijdragen aan toekomstige suïcidepogingen bij depressie. Bij deze langjarige studie werd gekeken naar een breed spectrum van vermoedelijke niet-klinische risicofactoren (demografisch, sociaal, leefstijlgerelateerd, persoonlijkheid) en klinische risicofactoren (depressieve en suïcidale indicatoren) die bij mensen met een depressie in de toekomst tot suïcidepogingen zouden kunnen leiden. Daarnaast is de relatie onderzocht tussen een aantal significante voorspellende factoren en het aantal toekomstige suïcidepogingen. \n\nONDERZOEK: Er zijn gegevens verzameld van 1713 deelnemers aan de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA) in de leeftijd van 18-65 jaar die ooit in hun leven last hadden gehad van depressie. Ze werden bij aanvang van het onderzoek onderzocht en nogmaals na twee, vier en zes jaar. De suïcidepogingen werden geëvalueerd in een-op-eengesprekken. Er zijn verschillende analyses uitgevoerd om allerlei mogelijke niet-klinische en klinische factoren te onderzoeken die suïcidepogingen in de volgende zes jaar konden voorspellen. De resultaten lieten zien dat 3,4% van de respondenten over een periode van zes jaar een suïcidepoging had gedaan. Jongere leeftijd, lagere opleiding, werkloosheid, slapeloosheid, gebruik van antidepressiva, een eerdere suïcidepoging en huidige suïcidale gedachten bleken onafhankelijk van elkaar een toekomstige suïcidepoging te voorspellen. Het aantal significante risicofactoren bleek een lineaire (recht evenredige) voorspelling voor toekomstige suïcidepogingen: bij mensen met 0 voorspellende factoren lag het aantal suïcidepogingen op 0% en bij mensen met meer dan 6 voorspellende factoren op 32%. \n\nCONCLUSIE: Van de niet-klinische factoren bleken vooral sociaaleconomische factoren een suïcidepoging onafhankelijk te kunnen voorspellen. Daarnaast zijn eerdere suïcidale gedachten en slapeloosheid belangrijke klinische risicofactoren voor toekomstige suïcidepogingen. Deze factoren lenen zich goed voor preventieve interventies."},"keywords":{"en":["BACKGROUND: Every year about 462","000 people in the Netherlands contemplat+L36 health care. A low-threshold online self-help intervention could improve the situation significantly. A cost-effectiveness analysis was conducted during a randomised trial evaluating the online self-help intervention. \n\nAIM: We conducted a budget impact analysis on the base of this cost-effectiveness analysis.  \n\nMETHOD Our method took the form of a hypothetical series of scenarios. A conservative estimate was that between 10 and 20% of the target group could be reached with the self-help intervention. The proposed time-frame was as follows: first of all there is a 6-year implementation period that brings no obvious economic benefits and then there will be a 10-year period during which the intervention is used with the target group on a regular basis. \n\nRESULTS: According to the above-mentioned scenarios","the economic benefits to society were likely to amount to between € 396 million and € 792 million","57% of the sum to be awarded to health care services and 43% to the employment sector because of increased productivity. \n\nCONCLUSION The budget impact analysis demonstrate that online self-help intervention are effective and cost-efficient that they also go hand in hand with favourable budget impacts."],"nl":["depressie","follow-up","depressieve stoornis","stemmingsstoornis","risicofactor","zelfdodingpoging"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Evaluation of a multimodal school-based depression and suicide prevention program among Dutch adolescents: design of a cluster-randomized controlled trial","authors":"Gijzen, M., Creemers, D. H. M., Rasing, S. P. A., Smit, F., & Engels, R. C. M. E.","affiliations":"Trimbos, EUR,  RU, UU, VUmc, GGZ Oost Brabant","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"10.1186/s12888-018-1710-2","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5946540/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Since 2010, suicide has been the most important cause of mortality in youth aged 15 to 29 years in the Netherlands. Depression is an important risk factor for suicidal behaviors (i.e., suicide ideation, deliberate self-harm, planning, and suicide attempts) in adolescents. Adolescents who develop depressive symptoms, are also at risk for adult depression. This developmental continuity is especially noticeable in adolescents compared to other age groups; therefore, it is necessary to develop preventive strategies for teens. This study will test a multimodal school-based approach to suicide and depression prevention, which integrates universal and targeted approaches and includes various stakeholders (schools, adolescents, parents, and mental health professionals) simultaneously.\n\nMETHODS: We will perform a cluster randomized controlled trial (RCT) with an intervention and control condition to test the effectiveness of a school-based multimodal stepped-prevention program for depression and suicidal behaviors in adolescents. Adolescents in their second year of secondary education will participate in the study. The participants in the intervention condition will receive the entire multimodal stepped-preventive program comprising early screening and detection of suicidal behaviors and depressive symptoms, a safety net consisting of gatekeepers at school, followed by universal and indicated prevention. The participants in the control condition will undergo only the screening and the safety net of gatekeepers at schools. They will complete assessments at baseline, post-intervention, and 6, 12, and 24-month follow-up. Primary outcome will be suicidal behaviors measured at 12-months follow-up. Additionally, the present study will identify mechanisms that mediate and moderate the program effects and test the effect of the program on various secondary outcomes.\n\nDISCUSSION: If the school-based multimodal stepped-prevention program proves to be effective, it could be implemented in schools on a large scale.","nl":"ACHTERGROND: Sinds 2010 is suïcide de belangrijkste doodsoorzaak onder jongeren in Nederland tussen de 15 en 29 jaar. Depressie is een belangrijke risicofactor voor suïcidaal gedrag (suïcidale gedachten, opzettelijke zelfbeschadiging en (het plannen van) suïcidepogingen) bij jongeren. Jongeren die symptomen van depressie ontwikkelen, hebben ook een grotere kans om als volwassene een depressieve stoornis te krijgen. Vergeleken met andere leeftijdsgroepen is deze ontwikkeling bij jongeren extra opvallend. Daarom is het noodzakelijk dat er preventieve programma’s voor tieners worden opgezet. In dit onderzoek wordt een lesprogramma voor scholieren getest dat uit verschillende methoden bestaat. Er worden verschillende benaderingen gecombineerd en verschillende belanghebbenden worden bij het onderzoek betrokken (scholen, jongeren, ouders en behandelaars). \n\nONDERZOEK: De onderzoekers willen weten of een stapsgewijs lesprogramma voor scholen, dat is gericht op preventie van depressie en suïcidaal gedrag bij jongeren, effectief kan zijn. Het onderzoek wordt uitgevoerd met een interventiegroep en een controlegroep. Deelnemers aan het onderzoek zijn jongeren die in het tweede jaar van de middelbare school zitten. De deelnemers in de interventiegroep volgen het complete preventieprogramma, dat bestaat uit een vroege screening van suïcidaal gedrag en depressieve symptomen en het creëren van een vangnet van gatekeepers op school, gevolgd door algemene en gerichte preventieve maatregelen. De deelnemers in de controlegroep ondergaan de screening en krijgen ook een vangnet van gatekeepers op school. Alle deelnemers moeten vragenlijsten invullen voorafgaand aan de interventie, na afloop van de interventie en na 6, 12 en 24 maanden. Er wordt allereerst gekeken naar suïcidaal gedrag, gemeten na 12 maanden. Daarnaast worden eventuele andere effecten van het programma onderzocht. \n\nCONCLUSIE: Als dit stapsgewijze preventieprogramma voor scholen effectief blijkt te zijn, kan het op grote schaal op scholen in gebruik worden genomen."},"keywords":{"en":["prevention","suicide","depression","adolescents","school-based","multimodal"],"nl":["preventie","zelfdoding","depressie","adolescenten","school-gebaseerd","multimodaal"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Factsheet suïcidaliteit onder LHBT'ers","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113, Movisie, RUG","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"113 Zelfmoordpreventie","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/informatiemateriaal_2024/20240315_factsheet_LHBT_final.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["lgbtq"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["LGBTers","suicide","suicidal thoughts","vulnerability","reactions"],"nl":["LHBT","zelfdoding","gedachten","kwetsbaarheid","cijfers"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide","poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Zelfdoding bij jeugd tot 20 jaar: eerste duiding van de cijfers","authors":"Gilissen, R., Mérelle, S. Y. M., Franx, G., & Popma, A.","affiliations":"113, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2018,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"Rijksoverheid, Ministerie VWS","identifier":null,"link":"https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/09/18/zelfdoding-bij-jeugd-tot-20-jaar-eerste-duiding-van-de-cijfers","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["youth","suicide","increase rates"],"nl":["jeugd","zelfdoding","toename cijfers"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Natural environments and suicide mortality in the Netherlands: a cross-sectional, ecological study","authors":"Helbich, M., Beurs, D., Kwan, M. P., O'Connor, R. C., & Groenewegen, P. P.","affiliations":"UU, Nivel","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The Lancet Planetary Health","identifier":"10.1016/S2542-5196(18)30033-0","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5846805/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Natural outdoor environments, such as green spaces (ie, grass, forests, or parks), blue spaces (ie, visible bodies of fresh or salt water), and coastal proximity, have been increasingly shown to promote mental health. However, little is known about how and the extent to which these natural environments are associated with suicide mortality. Our aim was to investigate whether the availability of green space and blue space within people's living environments and living next to the coast are protective against suicide mortality.\n\nMETHODS: In this cross-sectional, ecological study, we analysed officially confirmed deaths by suicide between 2005 and 2014 per municipality in the Netherlands. We calculated indexes to measure the proportion of green space and blue space per municipality and the coastal proximity of each municipality using a geographical information system. We fitted Bayesian hierarchical Poisson regressions to assess associations between suicide risk, green space, blue space, and coastal proximity, adjusted for risk and protective factors.\n\nFINDINGS: Municipalities with a large proportion of green space (relative risk 0·879, 95% credibility interval 0·779-0·991) or a moderate proportion of green space (0·919, 0·846-0·998) showed a reduced suicide risk compared with municipalities with less green space. Green space did not differ according to urbanicity in relation to suicide. Neither blue space nor coastal proximity was associated with suicide risk. The geographical variation in the residual relative suicide risk was substantial and the south of the Netherlands was at high risk.\n\nINTERPRETATION: Our findings support the notion that exposure to natural environments, particularly to greenery, might have a role in reducing suicide mortality. If confirmed by future studies on an individual level, the consideration of environmental exposures might enrich suicide prevention programmes.","nl":"ACHTERGROND: Het wordt steeds duidelijker dat een natuurlijke omgeving, zoals groene ruimten (bijvoorbeeld gras, bossen of parken), blauwe ruimten (bijvoorbeeld zichtbaar zoet of zout water) en de nabijheid van de kust een positieve bijdrage levert aan de psychische gezondheid. Er is echter niet veel bekend over hoe en in welke mate deze natuurlijke omgevingen van invloed zijn op het aantal suïcides. Het doel van deze studie was te onderzoeken of de beschikbaarheid van groene en blauwe ruimte in de leefomgeving van mensen en de nabijheid van de kust een beschermende werking hebben tegen suïcide. \n\nONDERZOEK: We hebben de officieel bevestigde suïcides tussen 2005 en 2014 onderzocht in Nederlandse gemeenten. Per gemeente is de hoeveelheid groene en blauwe ruimte berekend, evenals de afstand tot de kust. Daarbij is gebruikgemaakt van een geografisch informatiesysteem. Vervolgens werd gekeken of er een verband bestond tussen de kans op suïcide, groene ruimte, blauwe ruimte en nabijheid van de kust, gecorrigeerd voor risicofactoren en beschermende factoren. In gemeenten met een grote of gemiddelde hoeveelheid groene ruimte was een verlaagd suïciderisico te zien vergeleken met gemeenten met minder groente ruimte. Dit effect werd niet getemperd door urbaniciteit (het wonen in de stad). Blauwe ruimte en nabijheid van de kust lieten geen verband zien met suïciderisico. De geografische verschillen waren aanzienlijk en in het zuiden van Nederland was er sprake van een hoog risico. \n\nCONCLUSIE: De resultaten bevestigen het idee dat een natuurlijke omgeving, vooral een groene omgeving, een rol kan spelen in het terugdringen van het aantal suïcides. Als toekomstige studies op individueel niveau dezelfde resultaten laten zien, kan het advies om de natuur in te gaan worden opgenomen in suïcidepreventieprogramma’s."},"keywords":{"en":["natural environments","suicide mortality","ecological study","outdoor","green space","blue space"],"nl":["natuurlijke omgevingen","zelfdodingsterfte","ecologische studie","buitenshuis","groengebied","watergebied"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Springtime peaks and Christmas troughs: a national longitudinal population-based study into suicide incidence time trends in the Netherlands","authors":"Hofstra, E., Elfeddali, I., Bakker, M., De Jong, J. J., Van Nieuwenhuizen, C., & Van der Feltz-Cornelis, C. M.","affiliations":"UT, GGZ Breburg, GGZEindhoven","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Psychiatry","identifier":"10.3389/fpsyt.2018.00045","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5834424/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Time trends are one of the most studied phenomena in suicide research; however, evidence for time trends in the Dutch population remains understudied. Insight into time trends can contribute to the development of effective suicide prevention strategies.\n\nMETHODS: Time trends in national daily and monthly data of 33,224 suicide events that occurred in the Netherlands from 1995 to 2015 were examined, as well as the influence of age, gender, and province, in a longitudinal population-based design with Poisson regression analyses and Bayesian change point analyses.\n\nRESULTS: Suicide incidence among Dutch residents increased from 2007 until 2015 by 38%. Suicide rates peak in spring, up to 8% higher than in summer (p < 0.001). Suicide incidence was 42% lower at Christmas, compared to the December-average (IRR = 0.580, p < 0.001). After Christmas, a substantial increase occurred on January 1, which remained high during the first weeks of the new year. Suicide occurred more than twice as often in men than in women. For both genders, the results indicated a spring time peak in suicide incidence and a trough at Christmas. Suicide rates were highest in the elderly (age group, 80+), and no evidence was found of a differential effect by season in the age groups with regard to suicide incidence. No interaction effect was found with regard to province of residence for both season and Christmas, indicating that no evidence was found that these time trends had differential effects in the Dutch provinces in terms of suicide incidence.\n\nCONCLUSION: Evidence was found for time trends in suicide incidence in the Netherlands. It is recommended to plan (mental) health care services to be available especially at high-risk moments, at spring time, and in the beginning of January. Further research is needed to explore the protective effect of Christmas in suicide incidence.","nl":"ACHTERGROND: Trends in de loop van de tijd zijn een van de meest bestudeerde verschijnselen in onderzoeken naar suïcide, maar er is nog onvoldoende bekend over de trends in Nederland. Inzicht hierin kan bijdragen aan de ontwikkeling van effectieve strategieën voor suïcidepreventie.  \n\nONDERZOEK: In een longitudinaal bevolkingsonderzoek zijn de trends in de dagelijkse en maandelijkse gegevens bestudeerd van 33.224 suïcides die tussen 1995 en 2015 in Nederland hebben plaatsgevonden. Hierbij is ook gekeken naar de invloed van leeftijd, gender en provincie. Het aantal suïcides onder Nederlandse burgers nam tussen 2007 en 2015 met 38% toe. In het voorjaar vinden tot 8% meer suïcides plaats dan in de zomer. Het aantal suïcides was 42% lager met Kerstmis, in vergelijking met het gemiddelde in december. Na Kerstmis vindt er een aanzienlijke toename plaats op 1 januari en in de eerste weken van het nieuwe jaar blijft het aantal hoog. Meer dan twee keer zoveel mannen als vrouwen maakten een einde aan hun leven. Voor beide genders vertoonden de aantallen suïcides een piek in de lente en een daling met Kerstmis. Het aantal suïcides was het hoogst onder ouderen (leeftijdsgroep 80+) en de effecten van de seizoenen op het aantal suïcides varieerden niet per leeftijdsgroep. Er waren geen verschillen in de effecten van de seizoenen en Kerstmis tussen de provincies.  \n\nCONCLUSIE: Er is bewijs gevonden voor tijdtrends in het aantal gevallen van suïcide in Nederland. Het is daarom aan te bevelen extra (geestelijke) gezondheidszorg beschikbaar te stellen op momenten met een hoog risico, namelijk in het voorjaar en de eerste weken van januari. Er is verder onderzoek nodig om meer inzicht te krijgen in het effect van Kerstmis op de daling van het aantal suïcides."},"keywords":{"en":["suicide","time trends","seasonality","Christmas","Netherlands","gender","age","province","spring time peak"],"nl":["zelfdoding","tijdtrends","seizoensgebondenheid","Kerst","Nederland","geslacht","leeftijd","provincie","lentepiek"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicidal ideation and subsequent completed suicide in both psychiatric and non-psychiatric populations: a meta-analysis","authors":"Hubers, A. A. M., Moaddine, S., Peersmann, S. H. M., Stijnen, T., Van Duijn, E., Van der Mast, R. C., Dekkers, O. M., & Giltay, E. J.","affiliations":"Leiden UMC, LU, GGZ Delfland","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Epidemiology and Psychiatric Sciences","identifier":"10.1017/S2045796016001049","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/27989254","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"AIMS: Several authors claimed that expression of suicidal ideation is one of the most important predictors of completed suicide. However, the strength of the association between suicidal ideation and subsequent completed suicide has not been firmly established in different populations. Furthermore, the absolute suicide risk after expression of suicidal ideation is unknown. In this meta-analysis, we examined whether the expression of suicidal ideation predicted subsequent completed suicide in various populations, including both psychiatric and non-psychiatric populations.\n\nMETHODS: A meta-analysis of cohort and case–control studies that assessed suicidal ideation as determinant for completed suicide in adults. Two independent reviewers screened 5726 articles for eligibility and extracted data of the 81 included studies. Pooled risk ratios were estimated in a random effects model stratified for different populations. Meta-regression analysis was used to determine suicide risk during the first year of follow-up.\n\nRESULTS: The risk for completed suicide was clearly higher in people who had expressed suicidal ideation compared with people who had not, with substantial variation between the different populations: risk ratio ranging from 2.35 (95% confidence interval (CI) 1.43–3.87) in affective disorder populations to 8.00 (95% CI 5.46–11.7) in non-psychiatric populations. In contrast, the suicide risk after expression of suicidal ideation in the first year of follow-up was higher in psychiatric patients (risk 1.40%, 95% CI 0.74–2.64) than in non-psychiatric participants (risk 0.23%, 95% CI 0.10–0.54). Past suicide attempt-adjusted risk ratios were not pooled due to large underreporting.\n\nCONCLUSIONS: Assessment of suicidal ideation is of priority in psychiatric patients. Expression of suicidal ideation in psychiatric patients should prompt secondary prevention strategies to reduce their substantial increased risk of suicide.","nl":"ACHTERGROND: Verschillende auteurs stellen dat het uiten van suïcidale gedachten een van de belangrijkste voorspellende factoren van suïcide is. Hoe sterk het verband tussen suïcidale gedachten en daadwerkelijke suïcide is, is echter nog niet duidelijk vastgesteld in verschillende populaties. Daarnaast is niet bekend hoe groot het risico op suïcide na het uiten van suïcidale gedachten precies is. In deze meta-analyse is onderzocht in hoeverre het uiten van suïcidale gedachten een voorspellende factor is voor daadwerkelijke suïcide in psychiatrische en niet-psychiatrische populaties. \n\nONDERZOEK: Er werd een meta-analyse uitgevoerd van verschillende studies waarin de doorslaggevende rol van suïcidale gedachten voor daadwerkelijke suïcides onder volwassenen werd beoordeeld. Twee onafhankelijke onderzoekers beoordeelden 5726 artikelen op bruikbaarheid en haalden gegevens uit de 81 studies die daarin werden beschreven. Op basis hiervan werden de risico’s voor verschillende populaties geschat en er werd een statistische analyse uitgevoerd om het risico op suïcide gedurende het eerste jaar na het onderzoek te bepalen. Het risico van daadwerkelijke suïcide bleek duidelijk hoger te zijn bij mensen die uiting hadden gegeven aan suïcidale gedachten dan bij mensen die dat niet hadden gedaan, maar er waren aanzienlijke verschillende tussen de populaties. Het verband was minder sterk bij populaties met stemmingsstoornissen dan bij niet-psychiatrische populaties. Het risico op suïcide na het uiten van suïcidale gedachten in het eerste jaar na het onderzoek was daarentegen juist groter bij psychiatrische patiënten dan bij niet-psychiatrische deelnemers. Omdat eerdere suïcidepogingen vaak niet werden gemeld, kon hiervoor geen correctie worden uitgevoerd. \n\nCONCLUSIE: Inschatting van suïcidale gedachten bij psychiatrische patiënten is van groot belang. Als psychiatrische patiënten uiting geven aan suïcidale gedachten, zou dit direct moeten leiden tot secundaire preventiestrategieën om hun aanzienlijk verhoogde risico op suïcide te beperken."},"keywords":{"en":["epidemiology","inpatient psychiatry","outpatient psychiatry","suicide","systematic reviews"],"nl":["epidemiologie","intramurale psychiatrie","poliklinische psychiatrie","zelfdoding","systematische reviews"]},"region":["internationaal"],"type":["review","meta","kwantitatief"],"setting":["patientcohort","populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The occurrence and persistence of thoughts of suicide,self-harm and death in family caregivers of people with dementia: a longitudinal data analysis over 2 years","authors":"Joling, K. J., O'Dwyer, S. T., Hertogh, C. M. P. M., & Van Hout, H. P. J.","affiliations":"Amsterdam Public Health, VUmc","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Geriatric Psychiatry","identifier":"10.1002/gps.4708","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/28379646","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Family caregivers of people with dementia often report high levels of stress and depression, but little is known about those who contemplate suicide or self-harm. This study explores thoughts of suicide, self-harm and death in dementia caregivers and investigates the characteristics that distinguish them from those without such thoughts.\n\nMETHODS: Data were collected every 3 months, for 24 months, from 192 family caregivers of people with dementia living in the Netherlands. Caregivers did not have a clinical depression or anxiety disorder at baseline. Suicide-related thoughts were measured with an item from the Mini International Neuropsychiatric Interview, a diagnostic instrument for DSM-IV mental disorders. Fisher exact, analysis of variance or Kruskal-Wallis tests compared the characteristics of caregivers who had contemplated suicide with two comparison groups.\n\nRESULTS: Within 24 months, 76 caregivers reported symptoms of a potential depression and were further assessed for suicidal thoughts. Nine carers (11.8%, 4.7% of the total sample) reported suicidal thoughts with three of those at multiple points. Caregivers with suicidal thoughts had more severe depressive and anxious symptoms, had a lower sense of competence and mastery, felt less happy and experienced more health problems, less family support and more feelings of loneliness than caregivers who had not.\n\nCONCLUSION: Suicidal thoughts are present in dementia caregivers and can persist across the care trajectory. Various psychological and social characteristics significantly distinguish caregivers with suicidal thoughts from those without. More research is needed to enable the identification of high-risk caregivers and provide an evidence base for the development of preventive strategies and interventions.","nl":"ACHTERGROND: Mantelzorgers van mensen met dementie ervaren vaak veel stress en depressie, maar er is weinig bekend over wie van hen suïcide of zelfbeschadiging overwegen. Deze studie analyseert gedachten aan suïcide, zelfbeschadiging en dood bij mantelzorgers van mensen met dementie en onderzoekt de kenmerken die deze mensen onderscheiden van mensen die zulke gedachten niet hebben. \n\nONDERZOEK: Gedurende 24 maanden zijn elke drie maanden gegevens verzameld over 192 mantelzorgers van mensen met dementie in Nederland. De mantelzorgers hadden aan het begin van het onderzoek geen klinische depressie of angststoornis. Gedachten met betrekking tot suïcide werden gemeten aan de hand van een diagnostisch instrument voor psychische aandoeningen (DSM-IV). Met behulp van verschillende statistische toetsen zijn de kenmerken van mantelzorgers die aan suïcide hadden gedacht vergeleken met die van twee controlegroepen. Binnen de periode van 24 maanden meldden 76 mantelzorgers symptomen van een mogelijke depressie. Zij werden verder onderzocht op suïcidale gedachten. Negen mantelzorgers gaven aan suïcidale gedachten te hebben gehad, van wie drie meer dan eens. Mantelzorgers met suïcidale gedachten hadden ernstigere symptomen van depressie en angsten en een negatiever beeld van hun eigen competenties en grip op de situatie, voelden zich minder gelukkig en ervoeren meer gezondheidsproblemen, minder steun van hun familie en meer eenzaamheid dan mantelzorgers die deze gedachten niet hadden.  \n\nCONCLUSIE: Suïcidale gedachten komen voor bij mantelzorgers van mensen met dementie en kunnen gedurende het zorgtraject blijven bestaan. Er zijn verschillende psychologische en sociale kenmerken die mantelzorgers met suïcidale gedachten significant onderscheiden van mantelzorgers zonder zulke gedachten. Er is meer onderzoek nodig om mantelzorgers met een hoog risico te identificeren en een bewijsbasis aan te leggen voor de ontwikkeling van preventieve strategieën en interventies."},"keywords":{"en":["dementia","family caregivers","suicidal thoughts","self-harm","family support","sense of competence","loneliness"],"nl":["dementie","mantelzorgers","suïcidale gedachten","zelfpijniging","gezinsondersteuning","gevoel van competentie","eenzaamheid"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Dimensions of religion associated with suicide attempt and suicide ideation in depressed, religiously affiliated patients","authors":"Jongkind, M., Van den Brink, B., Schaap-Jonker, H., Van der Velde, N., & Braam, A.W.","affiliations":"Eleos, Kennis Instituut Christelijke GGz, Altrecht, Universiteit voor humanistiek","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-Threatening Behavior","identifier":"10.1111/sltb.12456","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29676507","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"There is substantial evidence to support the claim that religion can protect against suicide ideation, suicide attempts, and completed suicide. There is also evidence that religion does not always protect against suicidality. More insight is needed into the relationship between suicidal parameters and dimensions of religion. A total of 155 in- and outpatients with major depression from a Christian Mental Health Care institution were included. The following religious factors were assessed: religious service attendance, frequency of prayer, religious salience, type of God representation, and moral objections to suicide (MOS). Multiple regression analyses were computed. MOS have a unique and prominent (negative) association with suicide ideation and the lifetime history of suicide attempts, even after controlling for demographic features and severity of depression. The type of God representation is an independent statistical predictor of the severity of suicide ideation. A positive-supportive God representation is negatively correlated with suicide ideation. A passive-distressing God representation has a positive correlation with suicide ideation. High MOS and a positivesupportive God representation in Christian patients with depression are negatively correlated with suicide ideation. Both are likely to be important markers for assessment and further development of therapeutic strategies.","nl":"ACHTERGROND: Er is vrij veel bewijs dat religie een beschermende factor kan zijn bij suïcidale gedachten, suïcidepogingen en het aantal suïcides. Maar er is ook aangetoond dat religie niet altijd beschermt tegen suïcidaliteit. Er is meer inzicht nodig in de relatie tussen suïcidaliteit en religieuze factoren. \n\nONDERZOEK: Er zijn in totaal 155 patiënten met een depressie uit een christelijke ggz-instelling onderzocht (zowel opgenomen als poliklinische patiënten). Daarbij is naar de volgende religieuze factoren gekeken: bezoek aan religieuze diensten, bidfrequentie, religiositeit (hoe groot het belang van de religie is voor iemands persoonlijke leven), type godsbeeld en de morele bezwaren tegen suïcide. Er is een uniek en duidelijk (negatief) verband aangetoond tussen morele bezwaren tegen suïcide en suïcidale gedachten en eventuele eerdere suïcidepogingen, zelfs na correctie voor demografische kenmerken en de ernst van de depressie. Dus naarmate mensen meer morele bezwaren hadden tegen suïcide, vertoonden ze minder suïcidaal gedrag. Het type godsbeeld dat mensen hebben, is een onafhankelijke statistische voorspeller van de ernst van de suïcidale gedachten. Mensen die hun god als positief-ondersteunend zien, hebben minder vaak suïcidale gedachten. Mensen met een passief-dreigend godsbeeld hebben vaker suïcidale gedachten. \n\nCONCLUSIE: Sterke morele bezwaren en een positief-ondersteunend godsbeeld bij christelijke patiënten met een depressie lijken bij te dragen aan minder suïcidale gedachten. Beide factoren kunnen een belangrijke graadmeter zijn bij de beoordeling van patiënten en voor de ontwikkeling van behandelplannen."},"keywords":{"en":["moral objections","MOS","suicidality","religion","major depressive disorder"],"nl":["morele bezwaren","MBZ","suïcidaliteit","religie","depressieve stoornis"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The impact of reclassifying suicides in pregnancy and in the postnatal period on maternal mortality ratios","authors":"Lommerse, K., Knight, M., Nair, M., Deneux-Tharaux, C., & Van den Akker, T.","affiliations":"Haaglanden Medisch Centrum, LUmc","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"comment op wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"British Journal of Obstetrics and Gynaecology","identifier":"10.1111/1471-0528.15215","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29528573","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["re-classification","maternal mortality","suicide","pregnancy","psychiatric history"],"nl":["herclassificatie","moedersterfte","zelfdoding","zwangerschap","psychiatrische geschiedenis"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Characteristics associated with non-disclosure of suicidal ideation in adults","authors":"Mérelle, S. Y. M., Foppen, E., Gilissen, R., Mokkenstorm, J., Cluitmans, R., & Van Ballegooijen, W.","affiliations":"113, VU, GGD Kennemerland, GGZ InGeest","affiliation113":true,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Environmental Research and Public Health","identifier":"10.3390/ijerph15050943","link":"http://www.mdpi.com/1660-4601/15/5/943/htm","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Suicide prevention efforts often depend on the willingness or ability of people to disclose current suicidal behavior. The aim of this study is to identify characteristics that are associated with non-disclosure of suicidal ideation. Data from the Dutch cross-sectional survey Health Monitor 2016 were used, resulting in 14,322 respondents (age 19+). Multiple logistic regression analyses were conducted to assess the strength of the associations between demographics and health-related characteristics as independent variables, and non-disclosure of suicidal ideation as the dependent variable. The mean age of the respondents was 60 years (SD 16.7) and 45% were male. Of these adults, 5% (n = 719) reported suicidal ideation in the past year, nearly half of which (48%) did not disclose suicidal ideation. Non-disclosure was significantly associated with social loneliness (OR = 1.29). Inverse significant associations were found for age (35-49 years, OR = 0.53), poor health status (OR = 0.63), frequent suicidal ideation (OR = 0.48), and severe psychological distress (OR = 0.63). The accuracy of this model was fair (AUC = 0.73). To conclude, non-disclosure is a substantial problem in adults experiencing suicidal ideation. Adults who do not disclose suicidal ideation are more likely to have few social contacts, while they are less likely to experience poor (mental) health and frequent suicidal thoughts.","nl":"ACHTERGROND: suïcidepreventie is vaak alleen mogelijk als mensen die suïcidaal zijn daarover kunnen en willen praten. Het doel van deze studie is het identificeren van kenmerken die verband houden met het verzwijgen van suïcidale gedachten.  \n\nONDERZOEK: Voor deze studie is gebruikgemaakt van de Nederlandse Gezondheidsmonitor 2016, een onderzoek waaraan in totaal 14.322 mensen van negentien jaar en ouder hebben deelgenomen. De studiepopulatie bestond voor 45% uit mannen en de gemiddelde leeftijd was zestig jaar. Op basis van deze gegevens is geëvalueerd in hoeverre demografische en medische kenmerken een rol spelen bij het verzwijgen van suïcidale gedachten. 5% van de deelnemers zei in het afgelopen jaar suïcidale gedachten te hebben gehad en bijna de helft van hen (48%) had deze suïcidale gedachten verzwegen. Er werd een significant verband gevonden tussen het verzwijgen van suïcidale gedachten en sociale eenzaamheid. Factoren die ervoor zorgen dat mensen minder snel geneigd zijn hun suïcidale gedachten te verzwijgen zijn leeftijd (35-49 jaar), slechte gezondheid, frequente suïcidale gedachten en ernstige psychische nood. \n\nCONCLUSIE: Het verzwijgen van suïcidale gedachten is een aanzienlijk probleem. Volwassenen die hun suïcidale gedachten verzwijgen hebben vaker een gebrek aan sociale contacten, maar ze hebben minder vaak een slechte (geestelijke) gezondheid en frequente suïcidale gedachten."},"keywords":{"en":["public health","epidemiology","suicide prevention","adults","suicidal ideation","non-disclosure","risk factors","social loneliness","poor health","frequency","age"],"nl":["volksgezondheid","epidemiologie","zelfdodingpreventie","volwassenen","suïcidale ideatie","non-disclosure","risicofactoren","sociale eenzaamheid","slechte gezondheid","frequentie","leeftijd"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Knelpunten in SEH-zorg voor suïcidepogers [Issues in emergency care for people who attempted suicide]","authors":"Mérelle, S.Y.M., Boerema, I., Van der Linden, M. C., & Gilissen, R.","affiliations":"113, GGD Zaanstreek-Waterland, R&D acute zorg","affiliation113":true,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde","identifier":null,"link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30040297#","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: To examine issues in care for patients who come to the emergency department after a suicide attempt.\n\nDESIGN: Cross-sectional multicentre questionnaire survey.\n\nMETHOD: In 2015, 7 emergency departments across the Netherlands participated in a questionnaire survey of the 113 Suicide Prevention (113 Zelfmoordpreventie) service as a part of the 2014-2017 National Suicide Prevention Agenda. Emergency physicians and nurses and managers answered 25 multiple-choice questions about: (a) current treatment of and contact with patients who attempted suicide, (b) available knowledge and skills of emergency physicians and nurses and (c) after-care for patients who attempted suicide.\n\nRESULTS: In total, 33 emergency physicians, 40 emergency nurses and 5 managers completed the questionnaire. When a patient comes to the emergency department after a suicide attempt, emergency physicians and nurses often consult with the crisis service, psychiatrist or a colleague and they request extra diagnostics. The most important issue indicated by emergency staff is that they do not have enough time, knowledge and skills to estimate the suicide risk and to conduct a conversation with the patient about her or his suicidal thoughts. One-fifth of the respondents indicated that they do not always treat patients who committed a previous suicide attempt with respect. The respondents also thought that the emergency department environment is too restless or unsafe and thought that they have to wait for the crisis service for a long time. The majority of the emergency physicians and nurses worried about the condition of the patient after her or his discharge, especially when they estimate a high probability of another suicide attempt.\n\nCONCLUSION: Insufficient knowledge and skills of emergency department staff, a sometimes negative attitude towards people who attempted suicide and a heavy workload are hindering care at the emergency department for people who attempted suicide. Targeted training, a quiet area and deployment of specialised care could improve this care.","nl":"DOEL:  Onderzoek naar knelpunten in de zorg voor patiënten die na een suïcidepoging op de SEH komen.\n\nOPZET: Transversaal multicentrisch vragenlijstonderzoek. METHODE: In 2015 werkten 7 SEH’s verspreid over het land mee aan een vragenlijstonderzoek van 113 suïcidepreventie voor de ‘Landelijke agenda suïcidepreventie 2014-2017’. SEH-artsen en -verpleegkundigen en leidinggevenden acute zorg vulden 25 meerkeuzevragen in over: (a) huidige behandeling van en omgang met suïcidepogers; (b) aanwezige kennis en vaardigheden bij SEH-artsen en -verpleegkundigen; en (c) nazorg voor suïcidepogers. RESULTATEN: In totaal vulden 33 SEH-artsen, 40 SEH-verpleegkundigen en 5 leidinggevenden de vragenlijst in. Als een patiënt na een suïcidepoging op de SEH komt, overleggen SEH-artsen en -verpleegkundigen vaak met de crisisdienst, psychiater of collega en vroegen ze extra diagnostiek aan. Als belangrijkste knelpunten noemde het SEH-personeel dat zij onvoldoende tijd, kennis en vaardigheden heeft om het suïciderisico in te schatten en om een gesprek met de patiënt te voeren over zijn of haar suïcidale gedachten. Een vijfde deel van de respondenten gaf aan patiënten die eerder een suïcidepoging deden niet altijd respectvol te bejegenen. Verder vonden de respondenten de SEH-omgeving te onrustig of onveilig, en meenden zij dat ze lang moeten wachten op de crisisdienst. Het merendeel van de SEH-artsen en -verpleegkundigen maakte zich zorgen over de toestand van de patiënt nadat die ontslagen is, vooral als zij de kans op een recidief-suïcidepoging hoog inschatten. \n\nCONCLUSIE: Onvoldoende kennis en vaardigheden bij het SEH-personeel, een soms negatieve attitude jegens suïcidepogers en een hoge werkdruk belemmeren de zorg voor suïcidepogers op de SEH. Gerichte scholing, een rustige ruimte en inzet van specialistische zorg kunnen deze zorg verbeteren."},"keywords":{"en":["emergency department","suicide attempt","questionnaire","nurses","physicians","patients","hospital","negative attitude"],"nl":["spoedeisende hulp","zelfdodingpoging","vragenlijst","verplegers","artsen","patiënten","ziekenhuis","negatieve attitude"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suicide prevention guideline implementation in specialist mental healthcare institutions in the Netherlands","authors":"Mokkenstorm, J., Franx, G., Gillisen, R., Kerkhof, A. J. F. M., & Smit, J. H.","affiliations":"113, VU","affiliation113":true,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Environmental Research and Public Health","identifier":"10.3390/ijerph15050910","link":"https://www.mdpi.com/1660-4601/15/5/910/htm","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In The Netherlands, on average 40% of all suicides concern patients treated by mental healthcare institutions (MHIs). Recent evidence indicates that implemented guideline recommendations significantly reduce the odds for patients to die by suicide. Implementation of the multidisciplinary guideline for diagnosis and treatment of suicidal behaviors is a main objective of the Dutch National Suicide Prevention Strategy. To this end, 24 MHIs that collectively reported 73% of patient suicides in 2015 received an educational outreach intervention offered by the national center of expertise. Aim: To investigate changes in levels of implementation of guideline recommendations; and to assess the degree of variation on suicide prevention policies and practices between MHIs. METHODS: Implementation study with a prospective cohort design studying change over time on all domains of a Suicide Prevention Monitor, a guideline-based instrument assessing suicide prevention policies and practices within MHIs. Data were collected in six-month intervals between 2015 and 2017. RESULTS: MHIs improved significantly on four out of ten domains: the development of an organizational suicide prevention policy; monitoring and trend-analysis of suicides numbers; evaluations after suicide; and clinician training. No improvement was measured on the domains pertaining to multi-annual training policies; collaborative care with external partners; recording and evaluation of suicide attempts; routine assessment of suicidality in all patients; safety planning and involving next of kin and carers. Furthermore, marked practice variation between MHIs was found which did not decrease over time. CONCLUSION: This study shows significant improvement in the implementation of four out of ten guideline-based suicide prevention policies in 24 specialist mental healthcare institutions in The Netherlands. The implementation level of suicide prevention policies and practices still appears to vary significantly between MHIs in The Netherlands.","nl":"ACHTERGROND: Bij gemiddeld 40% van alle suïcides in Nederland gaat het om patiënten die in ggz-instellingen worden behandeld. Uit recent onderzoek blijkt dat de kans op suïcide significant kan worden verkleind als de adviezen in preventierichtlijnen bij de instellingen ter harte worden genomen. Een belangrijk doel van het Nationaal Actieplan Suïcide Preventie is de invoering van de Multidisciplinaire richtlijn voor diagnose en behandeling van suïcidaal gedrag. Daarom kregen 24 ggz-instellingen die in 2015 bij elkaar 73% van het aantal suïcides door patiënten rapporteerden een educatieve interventie aangeboden. Deze interventie had als doel om te onderzoeken in hoeverre deze instellingen de adviezen in de richtlijnen hebben doorgevoerd en om te kijken of ze er verschillend beleid en verschillende praktijken op nahouden als het om suïcidepreventie gaat. \n\nONDERZOEK: Bij 24 instellingen is gedurende twee jaar nagegaan in hoeverre gerichte scholing en begeleiding ertoe leidden dat de adviezen uit de richtlijn werden doorgevoerd en of het beleid en de praktijk van suïcidepreventie werd aangepast. De voortgang is gemeten met de Suïcide Preventie Monitor, die alle domeinen onderzocht. De gegevens werden verzameld tussen 2015 en 2017 met tussenpozen van een half jaar. De monitor bracht aan het licht dat de instellingen op vier van de tien domeinen significante vooruitgang boekten: de ontwikkeling van een organisatiebreed suïcidepreventiebeleid, monitoring en trendanalyse van het aantal suïcides, evaluatie na suïcide en scholing van de behandelaars. Op zes punten was er geen verbetering zichtbaar, zoals een meerjarig trainingsbeleid, samenwerking met zorgverleners buiten de instelling, bijhouden en evalueren van suïcidepogingen, routinediagnostiek van suïcidaliteit van patiënten en het betrekken van naasten bij de behandeling. Bovendien toonde de monitor forse verschillen tussen de 24 instellingen. Na twee jaar waren die verschillen nog steeds even groot. \n\nCONCLUSIE: Deze studie laat zien dat er bij 24 gespecialiseerde ggz-instellingen in Nederland significante verbeteringen waren in de implementatie van vier van in totaal tien preventiemaatregelen die in de richtlijn werden geadviseerd. Er bestaan echter nog grote verschillen tussen de instellingen als het gaat om ingevoerd preventiebeleid en hoe dit in de praktijk wordt uitgevoerd. Er is dus een belangrijke eerste stap gezet, maar er is nog veel ruimte voor verbetering."},"keywords":{"en":["suicide prevention","implementation","practice guidelines","educational outreach","suicide","quality improvement","national strategy","policy"],"nl":["zelfdodingpreventie","implementatie","praktische richtlijnen","educatief bereik","zelfdoding","kwaliteitsverbetering","nationale strategie","beleid"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","implementatie","kwantitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Smartphone-based safety planning and self-monitoring for suicidal patients: Rationale and study protocol of the CASPAR (Continuous Assessment for Suicide Prevention And Research) study","authors":"Nuij, C., Van Ballegooijen, W., Ruwaard, J., De Beurs, D. P., Mokkenstorm, J., Van Duin, E., De Winter, R. F. P., O'Connor, R. C., Smit, J. H., Riper, H., & Kerkhof, A.J.F.M.","affiliations":"VU, GGZ Ingeest, NIVEL, 113, Parnassia, GGZ Delfland.","affiliation113":true,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Internet Interventions","identifier":"10.1016/j.invent.2018.04.005","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2214782917301343?openDownloadIssueModal=true","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: It remains diﬃcult to predict and prevent suicidal behaviour, despite growing understanding of the aetiology of suicidality. Clinical guidelines recommend that health care professionals develop a safety plan in collaboration with their high-risk patients, to lower the imminent risk of suicidal behaviour. Mobile health applications provide new opportunities for safety planning, and enable daily self-monitoring of suicide-related symptoms that may enhance safety planning. This paper presents the rationale and protocol of the Continuous Assessment for Suicide Prevention And Research (CASPAR) study. The aim of the study is two-fold: to evaluate the feasibility of mobile safety planning and daily mobile self-monitoring in routine care treatment for suicidal patients, and to conduct fundamental research on suicidal processes. \n\nMETHODS: The study is an adaptive single cohort design among 80 adult outpatients or day-care patients, with the main diagnosis of major depressive disorder or dysthymia, who have an increased risk for suicidal behaviours.There are three measurement points, at baseline, at 1 and 3 months after baseline. Patients are instructed to use their mobile safety plan when necessary and monitor their suicidal symptoms daily. Both these apps will be used in treatment with their clinician.\n\nCONCLUSION: The results from this study will provide insight into the feasibility of mobile safety planning and self-monitoring in treatment of suicidal patients. Furthermore, knowledge of the suicidal process will be enhanced,especially regarding the transition from suicidal ideation to behaviour. The study protocol is currently under revision for medical ethics approval by the medical ethics board of theVrije Universiteit Medical centre Amsterdam (METc number 2017.512/NL62795.029.17).","nl":"ACHTERGROND: Suïcidaal gedrag blijft lastig te voorspellen en te voorkomen, ondanks het feit dat we steeds meer weten over de oorzaken van suïcide. In klinische richtlijnen wordt zorgverleners geadviseerd om samen met hun patiënten met een hoog suïcidaal risico een veiligheidsplan op te stellen om het risico van suïcidaal gedrag te verkleinen. Mobiele toepassingen bieden daarvoor nieuwe mogelijkheden. Patiënten kunnen daarmee zelf hun suïcidegerelateerde symptomen bijhouden en zo een bijdrage leveren aan hun eigen veiligheidsplan. \n\nONDERZOEK: In dit onderzoeksvoorstel worden de uitgangspunten en het studieprotocol van de CASPAR-studie (Continuous Assessment for Suicide Prevention And Research) gepresenteerd. Deze studie heeft twee doelen: ten eerste om te onderzoeken of veiligheidsplanning en zelfcontrole met behulp van mobiele apparatuur werkbaar is voor suïcidale patiënten in hun dagelijkse zorg, en ten tweede om fundamenteel onderzoek te doen naar de processen die een rol spelen bij suïcide. Er zijn tachtig volwassen patiënten onderzocht (poliklinisch/dagbehandeling) met een depressie of een persisterende depressieve stoornis als belangrijkste diagnose en met een verhoogde kans op suïcidaal gedrag. Zij worden op drie momenten getest: aan het begin van het onderzoek, na een maand en na drie maanden. De patiënten krijgen de opdracht om, waar nodig, hun mobiele veiligheidsplan te gebruiken en om hun symptomen van suïcidaal gedrag dagelijks bij te houden. Daarvoor moeten ze twee apps op hun mobiele telefoon installeren die hun behandelend arts ook gebruikt. \n\nCONCLUSIE: De resultaten van deze studie moeten meer inzicht geven in de haalbaarheid van veiligheidsplanning en zelfcontrole met behulp van mobiele apparatuur bij de behandeling van suïcidale patiënten. Daarnaast levert het onderzoek meer kennis op over de processen rondom suïcide, vooral als het gaat om de overgang van suïcidale gedachten naar suïcidaal gedrag. Het onderzoeksprotocol ligt momenteel ter goedkeuring bij de medisch-ethische toetsingscommissie van het VUmc in Amsterdam."},"keywords":{"en":["suicide prevention","mobile health","feasibility","safety planning","ecological momentary assessment","depression","dysthymia"],"nl":["zelfdodingpreventie","mobiele gezondheid","haalbaarheid","veiligheidsplannen","ecological momentary assessment","depressie","dysthymie"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","obs","obs_long","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Collecting evidence from distributed sources to evaluate railway suicide and trespass prevention measures","authors":"Ryan, B., Kallberg, V. P., Rådbo, H., Havârneanu, G.M., Silla, A., Lukaschek, K., Burkhardt, J. M., Bruyelle, J.L., El-Koursi, E. M., Beurskens, E., & Hedqvist, M.","affiliations":"Prorail","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Ergonomics","identifier":"10.1080/00140139.2018.1485970","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29884104","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"It can be difficult to select from available safety preventative measures, especially where there is limited evidence of effectiveness in different contexts. This paper describes application of a method to identify and evaluate wide-ranging preventative measures for rail suicide and trespass fatalities. Evidence from literature and industry sources was collated and reviewed in a two stage process to achieve consensus among experts on the likely effects of the measures and factors influencing their implementation. Multiple evaluation criteria were used to examine the measures from different perspectives. Fencing, awareness campaigns and different types of organisational initiatives were recommended for further testing. This is the first time evidence has been collected internationally across such a range of preventative measures. Commentary is provided on using this type of approach to select safety measures from a pool of prevention options, including how re-framing the scope of the exercise could identify alternative options for prevention. Practitioner summary: The findings give insight to how different measures work in different ways and how industry can consider this in strategic initiatives. The method could be used in future studies with different frames of reference (e.g. different timescales, level of ambition and safety context e.g. railway crossings or highway fatalities).","nl":"ACHTERGROND: Het kan moeilijk zijn om een keuze te maken uit de beschikbare veiligheidsmaatregelen om suïcide en ongevallen op het spoor te voorkomen, vooral als er maar beperkt bewijs is voor de effectiviteit in verschillende situaties.  \n\nONDERZOEK: Dit artikel beschrijft hoe verschillende preventieve maatregelen voor suïcide op het spoor en dodelijke ongevallen door onbevoegde toegang kunnen worden geïdentificeerd en geëvalueerd. Informatie uit de literatuur en de praktijk is samengevoegd en beoordeeld om consensus te bereiken onder de deskundigen over de waarschijnlijke effecten van de maatregelen en de factoren die van invloed zijn op de uitvoering ervan. Daarbij zijn de maatregelen vanuit verschillende perspectieven bestudeerd. Dit is de eerste keer dat er internationaal onderzoek is gedaan naar zo'n breed scala aan preventieve maatregelen. \n\nCONCLUSIE: Het plaatsen van hekken, bewustmakingscampagnes en verschillende soorten organisatorische initiatieven worden aanbevolen voor verder onderzoek. De bevindingen geven inzicht in hoe verschillende maatregelen op verschillende manieren werken en hoe de branche hier rekening mee kan houden. De methode kan worden gebruikt voor verdere onderzoeken met verschillende invalshoeken (bijvoorbeeld een langere of kortere periode of een andere situatie, zoals overwegen of dodelijke ongevallen op snelwegen)."},"keywords":{"en":["rail fatalities","suicide","trespass","prevention","evaluation","experts and consensus methods","train","railway","prorail"],"nl":["dodelijke ongevallen bij spoorwegen","zelfdoding","overtreding","preventie","evaluatie","experts en consensusmethoden","trein","spoorwegen","Prorail"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["review","kwalitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Feasibility and impact of data-driven learning within the Suicide Prevention Action Network of thirteen specialist mental healthcare institutions (SUPRANET Care) in the Netherlands: a study protocol","authors":"Setkowski, K., Mokkenstorm, J., Van Balkom A. J. L. M., Franx, G., Verbeek-Noord, I., Dongelmans, D. A., Eikelenboom, M., & Gilissen, R.","affiliations":"113, VU, GGZ InGeest, AMC, NICE stichting Amsterdam","affiliation113":true,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ Open","identifier":"10.1136/bmjopen-2018-024398","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30127055","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: Improvement of the quality and safety of care is associated with lower suicide rates among mental healthcare patients. In The Netherlands, about 40% of all people that die by suicide is in specialist mental healthcare. Unfortunately, the degree of implementation of suicide prevention policies and best practices within Dutch mental healthcare services is variable. Sharing and comparing outcome and performance data in confidential networks of professionals working in different organisations can be effective in reducing practice variability within and across organisations and improving quality of care.\n\nMETHODS AND ANALYSIS: Using formats of professional networks to improve surgical care (Dutch Initiative for Clinical Auditing) and somatic intensive care (National Intensive Care Evaluation), 113 Suicide Prevention has taken the lead in the formation of a Suicide Prevention Action Network (SUPRANET Care), with at present 13 large Dutch specialist mental health institutions. Data on suicide, suicide attempts and their determinants as well as consumer care policies and practices are collected biannually, after consensus rounds in which key professionals define what data are relevant to collect, how it is operationalised, retrieved and will be analysed. To evaluate the impact of SUPRANET Care, standardised suicide rates will be calculated adjusted for confounding factors. Second, the extent to which suicide attempts are being registered will be analysed with the suicide attempt data. Finally, professionals' knowledge, attitude and adherence to suicide prevention guidelines will be measured with an extended version of the Professionals In Training to STOP suicide survey.\n\nETHICS AND DISSEMINATION: This study has been approved by the Central Committee on Research Involving Human Subjects, The Netherlands. This study does not fall under the scope of the Medical Research Involving Human Subjects Act (WMO) or the General Data Protection Regulation as stated by the Dutch Data Protection Authority because data are collected on an aggregated level.","nl":"ACHTERGROND: Wetenschappers denken dat verbetering van de kwaliteit en de veiligheid van de zorg aan psychiatrische patiënten ertoe kan bijdragen dat minder mensen suïcide plegen. In Nederland was ongeveer 40% van alle mensen die door suïcide om het leven kwamen, voor hun dood in behandeling bij gespecialiseerde ggz-instellingen. Helaas verschilt het per instelling of en in welke mate de richtlijnen voor suïcidepreventie in de praktijk worden doorgevoerd. Als organisaties hun resultaten en prestaties (via een beveiligd netwerk) zouden delen met andere instellingen en met elkaar zouden vergelijken, zouden de verschillen binnen en tussen organisaties kunnen worden verkleind. Zo kan de kwaliteit van de zorg worden verbeterd.  \n\nONDERZOEK: Met behulp van formats uit de chirurgische zorg en de intensieve somatische zorg (Nationale Intensive Care Evaluatie (NICE)) heeft 113 suïcidepreventie het voortouw genomen in de vorming van SUPRANET GGZ, een Suïcide Preventie Actienetwerk waar momenteel dertien grote gespecialiseerde ggz-instellingen bij zijn aangesloten. Met behulp van cijfers willen deelnemers van SUPRANET GGZ grip krijgen op de effecten van suïcidepreventie. Twee keer per jaar worden er gegevens verzameld over suïcide, suïcidepogingen en factoren die daarbij een doorslaggevende rol spelen, en over het zorgbeleid en de kwaliteit van de zorg in de praktijk. In deze studie wil men de effecten van SUPRANET GGZ beoordelen door gestandaardiseerde suïcidescijfers te berekenen. Daarnaast wordt geanalyseerd in hoeverre suïcidepogingen worden geregistreerd. En ten slotte worden de kennis en de houding van zorgverleners gemeten en de mate waarin zij de preventierichtlijnen naleven. Dat gebeurt aan de hand van een uitgebreide versie van de PITSTOP-vragenlijst (Professionals in Training to STOP suicide). Ethische aspecten en verspreiding: deze studie is goedgekeurd door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO). Het gaat om een dossieronderzoek dat niet onder de reikwijdte valt van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) omdat er geen proefpersonen bij zijn betrokken. Het valt evenmin onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), omdat de gegevens niet herleidbaar zijn tot personen."},"keywords":{"en":["guideline","implementation study","mental health care","quality of care","suicide","suicide attempt"],"nl":["richtlijn","implementatiestudie","GGZ zorg","zorgkwaliteit","zelfdoding","zelfdodingpoging"]},"region":["nationaal"],"type":["implementatie","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Homeless adults' most frequent cause of death is suicide or murder","authors":"Slockers, M. T., Nusselder, W. J., Rietjens, J., & Van Beeck, E. F.","affiliations":"Erasmus MC, Gezondheidscentrum DWL-de Esch","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde","identifier":null,"link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29543143","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Get insight into excess mortality in the Rotterdam homeless population according to cause of death and changes in this mortality after introduction of social policies in Rotterdam, the Netherlands, in 2006.\n\nDESIGN: Uncontrolled before-and-after study.\n\nMETHOD: We included homeless adults who visited the Rotterdam shelter in 2001 and followed them for 10 years (2001-2010). We then linked the data of this cohort to Statistics Netherlands mortality figures. We calculated the shares of specific mortality causes in total mortality for the entire study period. We used the 'standardised mortality ratio' (SMR) to compare mortality in the homeless cohort of this period with mortality figures of the general Rotterdam population. In order to be able to compare the homeless death rates according to cause of death in the period before (2001-2005) and after introduction of social policy measures (2006-2010), the hazard ratio (HR) was calculated.\n\nRESULTS: Our cohort consisted of 2130 homeless persons with a mean age of 40.3 years. The most important causes of death were unnatural death (26%; 95% CI: 21-32), cardiovascular diseases (22%; 17-27) and cancer (17%; 13-22). Suicide and murder together were responsible for 50% of the unnatural deaths. The largest differences in mortality in comparison with the Rotterdam population were those for unnatural death (SMR: 14.8; 95% CI: 11.5-18.7), infectious diseases (SMR: 10.0; 5.2-17.5) and psychiatric conditions (SMR: 7.7; 4.0-13.5). Mortality due to suicide or murder was significantly different for both study periods (HR: 0.45; 0.20-0.97).\n\nCONCLUSION: Prevention of unnatural deaths among the homeless should be one of the priorities in homeless policy. Improvement of their living conditions may reduce the number of murders and suicides in this vulnerable group.","nl":"DOEL:  Inzicht krijgen in de oversterfte van Rotterdamse daklozen naar doodsoorzaak en in veranderingen in deze sterfte na invoering van sociale beleidsmaatregelen in Rotterdam in 2006.\n\nOPZET: Ongecontroleerde voor-nastudie.\n\nMETHODE: We includeerden dakloze volwassenen die de Rotterdamse opvang bezochten in 2001 en volgden hen gedurende 10 jaar (2001-2010). Vervolgens koppelden we de gegevens van dit cohort aan de sterftegegevens van het CBS. Voor de hele studieperiode berekenden we het aandeel van specifieke doodsoorzaken in de totale sterfte. Met de ‘standardised mortality ratio’ (SMR) vergeleken we de sterfte in het daklozencohort in deze periode met de sterftecijfers van de algemene Rotterdamse bevolking. Om de sterfte van daklozen naar doodsoorzaak in de periode vóór invoering van sociale beleidsmaatregelen (2001-2005) en daarna (2006-2010) te kunnen vergelijken werd de hazardratio (HR) berekend.\n\nRESULTATEN: Het cohort bestond uit 2130 daklozen met een gemiddelde leeftijd van 40,3 jaar. De belangrijkste doodsoorzaken waren niet-natuurlijke dood (26%; 95%-BI: 21-32), cardiovasculaire ziekten (22%; 17-27) en kanker (17%; 13-22). Suïcide en moord waren samen verantwoordelijk voor 50% van de niet-natuurlijke overlijdens. De grootste sterfteverschillen met de Rotterdamse populatie werden gezien voor niet-natuurlijke dood (SMR: 14,8; 95%-BI: 11,5-18,7), infectieziekten (SMR: 10,0; 5,2-17,5) en psychiatrische aandoeningen (SMR: 7,7; 4,0-13,5). Sterfte door suïcide of moord verschilde significant tussen de twee studieperioden (HR: 0,45; 0,20-0,98).\n\nCONCLUSIE: Het voorkómen van niet-natuurlijk overlijden onder daklozen moet een van de speerpunten zijn in het daklozenbeleid. Het verbeteren van hun leefomstandigheden reduceert mogelijk het aantal moorden en suïcides binnen deze kwetsbare groep."},"keywords":{"en":["mortality","homeless","Rotterdam","suicide"],"nl":["sterfte","dakloos","Rotterdam","zelfdoding"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suicide prevention gatekeeper training in  the Netherlands improves gatekeepers' knowledge of suicide prevention and their confidence to discuss suicidality, an observational study","authors":"Terpstra, S., Beekman, A. T. F., Abbing, J., Jaken, S., Steendam, M., & Gilissen, R.","affiliations":"113, GGZinGeest, GGZ Friesland, VUmc","affiliation113":true,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Public Health","identifier":"10.1186/s12889-018-5512-8","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5960185/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The gatekeeper training is designed to help identify suicidal individuals, respond to suicidal ideation and refer to help. The internationally widely used training shows promising results. This is the first study presenting its effectiveness in the Netherlands and the first study investigating the effect in different employment sectors.\n\nMETHODS: In an observational study, 113 Suicide Prevention - the Dutch suicide prevention expertise centre and lifeline - trained 526 professionals as gatekeepers. Changes in gatekeepers' identifying and referral behaviour, knowledge of suicide prevention and skills-confidence were studied, using a pre-post (6 weeks after training) self-report questionnaire. Outcomes were analyzed with General Linear Model (GLM) repeated measures with four employment sectors (healthcare-, educational-, socioeconomic and other sectors) as a between-subjects factor.\n\nRESULTS: Pre-post self-reports of 174 respondents showed no change in the identification of suicidal people, referrals to the general practitioner (GP) or lifeline 113, but significant improvement in professionals' knowledge and confidence (p < .001). Results did not differ between employment sectors.\n\nCONCLUSIONS: The gatekeeper training significantly increases suicide prevention knowledge and skills confidence in abilities to address suicidality. Healthcare, education, socioeconomic and other professionals (e.g. security, justice, transport, church workers) benefit similarly from the training. Increasing the number of gatekeeper training programs in all sectors is recommended.","nl":"ACHTERGROND: De training is opgezet om gatekeepers te leren hoe zij suïcidaal gedrag kunnen herkennen, hoe ze moeten omgaan met suïcidale gedachten van hun naasten en hoe ze iemand kunnen doorverwijzen naar gespecialiseerde hulp. (Gatekeepers zijn zelf geen hulpverleners maar hebben een ondersteunende functie. Ze hebben een sleutelrol in het verwijzen van iemand met suïcidale gedachten naar professionele hulp.) Deze internationaal breed toegepaste training laat veelbelovende resultaten zien. Dit is de eerste studie waarin de effecten in Nederland worden gepresenteerd en de eerste studie waarin het effect in verschillende arbeidsmarktsectoren wordt onderzocht. \n\nONDERZOEK: Voor dit onderzoek heeft 113 suïcidepreventie 526 professionals als gatekeepers getraind. Er werd gekeken in hoeverre er veranderingen optraden in hun gedrag (het herkennen van suïcidaal gedrag en in hoeverre zij mensen doorverwezen), hun kennis van suïcidepreventie en het vertrouwen in hun eigen vaardigheden. Daarbij werd gebruikgemaakt van een zelfrapportagevragenlijst die de deelnemers vlak voor de training en zes weken na de training moesten invullen. Er werden metingen gedaan in vier sectoren: gezondheidszorg, onderwijs, de sociaaleconomische sector en overige sectoren. Na een analyse van de metingen bleek dat de ingevulde vragenlijsten (vooraf en zes weken later) geen verschillen lieten zien in het herkennen van suïcidale personen, het aantal verwijzingen naar de huisarts of naar 113 suïcidepreventie, maar er was wel een significante verbetering te zien in de kennis en het zelfvertrouwen van de deelnemers. Er werd geen verschil gemeten tussen de vier sectoren. \n\nCONCLUSIE: De training voor gatekeepers draagt significant bij aan de kennis over suïcidepreventie en het vertrouwen in de eigen vaardigheden om suïcidaliteit aan te kaarten. In de vier onderzochte sectoren (gezondheidszorg, onderwijs, sociaaleconomisch en overig (zoals beveiliging, justitie, transport, pastoraal werkers) heeft iedereen evenveel baat bij de training. De onderzoekers raden daarom aan om het aantal trainingsprogramma’s voor gatekeepers in alle sectoren uit te breiden."},"keywords":{"en":["gatekeeper training","suicide prevention","observational study","employment sectors"],"nl":["gatekeeper training","zelfdodingpreventie","observationele studie","arbeidssectoren"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Comparing factor structures of depressed patients with and without suicidal ideation, a measurement invariance analysis","authors":"Van Ballegooijen, W., Eikelenboom, M., Fokkema, M., Riper, H., Van Hemert., A. M., Kerkhof, A. J. F. M., Penninx, B. W. J. H., & Smit, J. H.","affiliations":"VU, GGZ Ingeest, LU, LUMC","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2018.10.108","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032717323844?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidality could be associated with specific combinations of biological, social and psychological factors. Therefore, depressive episodes with suicidal ideation could be different from depressive episodes without suicidal ideation in terms of latent variable structures.\n\nMETHODS: In this study we compared latent variable structures between suicidal and non-suicidal depressed patients using confirmatory factor analysis (CFA), following a measurement invariance test procedure. Patients (N = 919) suffering from major depressive disorder were selected from the Netherlands Study of Depression and Anxiety (NESDA) and split into a group that showed no symptoms of suicidal ideation (non-SI; N = 691) and a suicidal ideation (SI) group that had one or more symptoms of suicidal ideation (N = 228). Depression and anxiety symptoms were measured using the short form of the Mood and Anxiety Symptoms Questionnaire (MASQ-D30).\n\nRESULTS: CFA implied a difference in latent variable structures between the non-SI sample (CFI 0.957; RMSEA 0.041) and the SI sample (CFI 0.900; RMSEA 0.056). Subsequent multiple-group CFA showed violations of measurement invariance. The General distress and Anhedonic depression subscales were best indicated by hopelessness and lack of optimism in the SI sample and by dissatisfaction and not feeling lively in the non-SI sample. Overall, the SI sample had higher scores and lower inter-item correlations on the Anhedonic depression items.\n\nLIMITATIONS: We have included very mild cases of suicidal ideation in our SI sample.\n\nCONCLUSIONS: On a latent variable level, depression with suicidal ideation differs from depression without suicidal ideation. Results encourage further research into the symptom structure of depression among suicidal patients.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidaliteit kan in verband worden gebracht met bepaalde combinaties van biologische, sociale en psychische factoren. Daarom kunnen depressieve episoden met suïcidale gedachten verschillen van depressieve episoden zonder suïcidale gedachten. \n\nONDERZOEK: In deze studie zijn de onderliggende factoren die een rol spelen bij suïcidale en niet-suïcidale depressieve patiënten met elkaar vergeleken. Uit de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA) zijn 919 patiënten met een depressie geselecteerd. Die werden verdeeld in een groep die geen symptomen van suïcidale gedachten had (691) en een groep met één of meer symptomen van suïcidale gedachten (228). De symptomen van depressie en angst werden gemeten met behulp van de verkorte versie van de Mood and Anxiety Symptoms Questionnaire (MASQ-D30). De resultaten lieten zien dat de onderliggende factoren verschilden tussen de groep zonder suïcidale gedachten en de groep met suïcidale gedachten. De groep met suïcidale gedachten noemde gevoelens van wanhoop en gebrek aan optimisme en de groep zonder suïcidale gedachten sprak van ontevredenheid en zich niet levendig voelen (volgens de MASQ-subschalen voor algemeen onwelbevinden en anhedonie (het niet kunnen ervaren van vreugde en plezier)). Over het algemeen scoorde de groep met suïcidale gedachten hoger op de anhedonische depressievragen. \n\nCONCLUSIE: Er is een verschil tussen depressie met suïcidale gedachten en depressie zonder suïcidale gedachten op het niveau van onderliggende factoren: patiënten in deze groepen hebben verschillende symptomen. De groep met suïcidale gedachten scoort bijvoorbeeld hoger op gevoelens van wanhoop en gebrek aan optimisme. Als mensen met een depressie aangeven dat ze gevoelens van wanhoop ervaren en gebrek aan plezier in het leven hebben, kan dat er dus op wijzen dat ze ook suïcidale gedachten hebben. Verder onderzoek naar de symptomen van depressie bij suïcidale patiënten wordt dan ook aanbevolen."},"keywords":{"en":["depressive disorders","major depressive disorder","suicidal ideation","latent variables","factor analysis","measurement invariance"],"nl":["depressieve stoornissen","suïcidale ideatie","latente variabelen","factoranalyse","metingsinvariantie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Attempted suicide of ethnic minority girls with a Caribbean and Cape Verdean background: rates and risk factors","authors":"Van Bergen, D. D., Eikelenboom, M., & Van de Looij-Jansen, P. P.","affiliations":"RUG, VUmc, GGZ InGeest, Gemeente Rotterdam","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"10.1186/s12888-017-1585-7","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29343240","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: WHO data shows that female immigrants in Europe attempt suicide at higher rates than ‘native’ women and ‘native’ and immigrant men. Empirical studies addressing attempted suicide of female immigrants of Caribbean (Antillean-Dutch and Creole-Surinamese-Dutch) as well as Cape Verdean descent in Europe are however scarce. We aim to increase knowledge about rates and risk factors of girls of Caribbean and Cape Verdean descent living in the Netherlands. \n\nMETHODS: We conducted logistic regression on a dataset that consisted of self-reported health and well-being surveys filled out by 5611 female students, age 14–16, in Rotterdam, the Netherlands (Antillean Dutch N = 357, Creole-Surinamese-Dutch N = 130, and Cape Verdean-Dutch N = 402, and Dutch ‘natives’ N = 4691). We studied if girls of these minority groups had elevated risk for attempted suicide. Risk indicators that were suspected to play a role were investigated i.e. household composition, socio-economic class, externalizing problems, emotional problems and\nsexual abuse. \n\nRESULTS: We found that rates of attempted suicide among Antillean (14%), Creole-Surinamese young women (15.4%) were higher than of ‘native’ Dutch girls (9.1%), while rates of Cape-Verdean girls (8.3%) were rather similar to those of\n‘native’ girls. Not living with two biological parents was a risk factor for ‘native’ girls, but not for girls of Caribbean and Cape Verdean descent. Emotional problems and sexual abuse seems to be a risk indicator for suicidality across all ethnicities. Aggressive behaviour was a risk factor for Antillean Dutch and ‘native’ girls. \n\nCONCLUSIONS: Our findings underscore the need for developing suicide prevention programs for minority girls in multicultural cities in western Europe, in particular those of Caribbean descent. Results suggest the importance of addressing socio-economic class and educational background for suicide prevention, which bear particular relevance for Caribbean populations. Referral in the case of sexual trauma and low psychological wellbeing seems critical for reducing suicidal behaviour in girls, regardless of ethnicity.","nl":"ACHTERGROND: Uit gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie blijkt dat vrouwelijke immigranten in Europa vaker suïcidepogingen doen dan vrouwen van Nederlandse herkomst en mannen van Nederlandse en buitenlandse afkomst. Er is echter maar weinig onderzoek gedaan naar suïcidepogingen van vrouwelijke immigranten van Caribische (Antilliaans-Nederlandse en Creools-Surinaams-Nederlandse) en Kaapverdische afkomst in Europa.  \n\nONDERZOEK: Dit onderzoek is bedoeld om meer inzicht te krijgen in de aantallen meisjes van Caribische en Kaapverdische afkomst in Nederland die een suïcidepoging doen en de risicofactoren die daarbij een rol spelen. 5611 vrouwelijke scholieren in de leeftijd van veertien tot zestien jaar in Rotterdam, onder wie 357 van Antilliaans-Nederlandse, 130 van Creools-Surinaams-Nederlandse, 402 van Kaapverdisch-Nederlandse en 4691 van volledig Nederlandse afkomst, vulden vragenlijsten in over gezondheid en welzijn. Op basis daarvan werd onderzocht of meisjes uit deze minderheidsgroepen een verhoogd risico hadden op suïcidepogingen. Hierbij werd gelet op de risico-indicatoren waarvan werd vermoed dat ze een rol speelden, namelijk gezinssamenstelling, sociaaleconomische klasse, gedragsproblemen, emotionele problemen en seksueel misbruik. Uit het onderzoek bleek dat het aantal suïcidepogingen onder Antilliaanse (14%) en Creools-Surinaamse jonge vrouwen (15,4%) hoger was dan onder meisjes van Nederlandse afkomst (9,1%), terwijl de aantallen bij Kaapverdische meisjes (8,3%) vergelijkbaar waren met die van de Nederlandse meisjes. Niet bij twee biologische ouders wonen was voor de meisjes van Nederlandse afkomst een risicofactor, maar voor de meisjes van Caribische of Kaapverdische afkomst niet. Emotionele problemen en seksueel misbruik lijken bij alle etniciteiten een risico-indicator voor suïcidaliteit te zijn. Agressief gedrag was een risicofactor voor Antilliaans-Nederlandse en Nederlandse meisjes. \n\nCONCLUSIE: De bevindingen van dit onderzoek laten zien dat er speciale suïcidepreventieprogramma’s moeten worden ontwikkeld voor meisjes uit minderheidsgroepen in multiculturele steden in West-Europa, in het bijzonder voor meisjes van Caribische afkomst. Uit de resultaten blijkt dat het belangrijk is om bij suïcidepreventie te kijken naar de sociaaleconomische klasse en opleidingsachtergrond, vooral bij de bevolkingsgroepen van Caribische afkomst. Doorverwijzing bij seksueel trauma of een laag psychisch welzijn lijkt van groot belang te zijn voor het verminderen van suïcidaal gedrag bij meisjes, ongeacht hun etniciteit."},"keywords":{"en":["ethnic groups","immigrant","attempted suicide","socio-economic class","educational background"],"nl":["etnische groepen","immigranten","zelfdodingpoging","socio-economische klasse","educatieve achtergrond"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["young"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Moral objections and fear of hell: an important barrier to suicidality","authors":"Van den Brink, B., Schaap, H., & Braam, A. W.","affiliations":"Eleos, Kennisinstituut christelijke ggz, Universiteit voor humanistiek, Altrecht","affiliation113":false,"year":2018,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of religion and health","identifier":"10.1007/s10943-018-0573-7","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29423644","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"This review explores the literature to test the hypothesis that 'moral objections to suicide (MOS), especially the conviction of going to hell after committing suicide, exert a restraining effect on suicide and suicidality.' Medline and PsycInfo were searched using all relevant search terms; all relevant articles were selected, rated and reviewed. Fifteen cross-sectional studies were available on this topic, and raise sufficient evidence to confirm a restraining effect of MOS, and sparse data on fear of hell. MOS seem to counteract especially the development of suicidal intent and attempts, and possibly the lethality of suicidal attempts. A differential pattern of influence of MOS on the suicidal continuum is suggested.","nl":"Dit literatuuronderzoek toetst de hypothese dat morele bezwaren tegen suïcide, in het bijzonder de overtuiging dat iemand na suïcide naar de hel gaat, een temperend effect hebben op suïcide en suïcidaliteit. Aan de hand van zoektermen zijn twee grote databases doorzocht en alle relevante artikelen geselecteerd en beoordeeld. Er waren vijftien transversale onderzoeken over dit thema beschikbaar en deze leveren voldoende bewijs voor een temperend effect van morele bezwaren tegen suïcide, maar bevatten weinig gegevens over angst voor de hel. Morele bezwaren tegen suïcide lijken vooral de ontwikkeling van suïcidale voornemens en pogingen te beperken, en mogelijk de dodelijkheid van pogingen tot suïcide. Morele bezwaren tegen suïcide lijken niet op alle aspecten van suïcidaliteit hetzelfde effect te hebben."},"keywords":{"en":["moral objections","suicidality","fear of hell","suicide attempts","religion"],"nl":["morele bezwaren","suïcidaliteit","angst voor de hel","zelfdodingpogingen","religie"]},"region":["internationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult","old"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Network analysis: a novel approach to understand suicidal behaviour","authors":"De Beurs, D. P.","affiliations":"Nivel","affiliation113":false,"year":2017,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Environmental Research and Public Health","identifier":"10.3390/ijerph14030219","link":"https://www.mdpi.com/1660-4601/14/3/219/htm","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Although suicide is a major public health issue worldwide, we understand little of the onset and development of suicidal behaviour. Suicidal behaviour is argued to be the end result of the complex interaction between psychological, social and biological factors. Epidemiological studies resulted in a range of risk factors for suicidal behaviour, but we do not yet understand how their interaction increases the risk for suicidal behaviour. A new approach called network analysis can help us better understand this process as it allows us to visualize and quantify the complex association between many different symptoms or risk factors. A network analysis of data containing information on suicidal patients can help us understand how risk factors interact and how their interaction is related to suicidal thoughts and behaviour. A network perspective has been successfully applied to the field of depression and psychosis, but not yet to the field of suicidology. In this theoretical article, I will introduce the concept of network analysis to the field of suicide prevention, and offer directions for future applications and studies.","nl":"Hoewel suïcide wereldwijd een belangrijk probleem is voor de gezondheidszorg, begrijpen we nog maar weinig van het ontstaan en de ontwikkeling van suïcidaal gedrag. Er wordt gesteld dat suïcidaal gedrag het eindresultaat is van een complexe interactie tussen psychologische, sociale en biologische factoren. Epidemiologische onderzoeken hebben een groot aantal risicofactoren voor suïcidaal gedrag aan het licht gebracht, maar we begrijpen nog niet hoe de interactie daartussen het risico op suïcidaal gedrag vergroot. Een nieuwe aanpak die netwerkanalyse wordt genoemd helpt ons dit proces beter te begrijpen door de complexe samenhang tussen de vele verschillende symptomen of risicofactoren te visualiseren en kwantificeren. Een netwerkanalyse van gegevens over suïcidale patiënten kan ons meer inzicht geven in de interactie tussen risicofactoren en de manier waarop die verband houdt met suïcidale gedachten en gedragingen. Met betrekking tot depressie en psychose is met succes gebruikgemaakt van een netwerkperspectief, maar binnen de suïcidologie was dat nog niet gedaan. In dit theoretische artikel wordt de toepassing van het concept netwerkanalyse op het gebied van suïcidepreventie geïntroduceerd en worden suggesties gedaan voor verdere toepassingen en onderzoeken."},"keywords":{"en":["suicide","network analysis","symptoms","personalized treatment"],"nl":["zelfdoding","netwerkanalyse","symptomen","gepersonaliseerde behandeling"]},"region":["nvt"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Het vóórkomen van suïcidaal gedrag en suïcidepogingen bij de psychiatrische crisisdienst","authors":"De Winter, R. F. P., De Groot, M. H., Van Dassen, M., Deen, M. L., & De Beurs, D.P.","affiliations":"Parnassia Groep, VU, NIVEL","affiliation113":false,"year":2017,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor Psychiatrie","identifier":null,"link":"http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/issues/511/articles/11262","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The outreach emergency psychiatric service plays an important role in recognising, arranging interventions and preventing suicide and suicidal behaviour. However, little is known about the assessments that members of the emergency team make when faced with patients showing suicidal behaviour.\n\nAIM: To describe the relationships that are revealed between patient characteristics, suicidal thoughts and attempted suicide during assessments made by the emergency psychiatric service in The Hague.\n\nMETHOD: The emergency service kept a detailed record of 14,705 consultations. We compared the characteristics of patients who had suicidal thoughts with those of patients who had no such thoughts and we also compared the characteristics of patients who had attempted to commit suicide with those of patients who had not. We drew these comparisons by using logistic regression models, adjusting for clustering.\n\nRESULTS: 32.2% of the patients showed signs of suicidal behaviour and 9.2 % appeared likely to attempt suicide. Suicidal behaviour occurred most often in patients with depression. Suicidal patients were more often admitted to hospital than were non-suicidal patients and they were more likely to have been referred by a general practitioner or a general hospital. Medication was the most frequent means employed in attempts to commit suicide.\n\nCONCLUSION: In about one third of the consultations of the outreach emergency psychiatric service, the patient showed suicidal behaviour. The actions and the policy of the emergency psychiatric service with regard to suicidal behaviour were diverse and dependent on factors that could change over the course of time.","nl":"ACHTERGROND: De psychiatrische crisisdiensten spelen een belangrijke rol in de herkenning, behandeling en preventie van suïcide en suïcidaal gedrag. Er is weinig bekend over de beoordelingen van suïcidaal gedrag door de crisisdienst. \n\nDOEL:  Beschrijven van relaties tussen patiëntkenmerken en suïcidaal gedrag en suïcidepogingen bij beoordelingen door de crisisdienst van Den Haag. \n\nMETHODE: De crisisdienst had 14.705 beoordelingen gedetailleerd geregistreerd. We vergeleken patiëntkenmerken van beoordelingen waarbij wel of geen sprake was van suïcidaal gedrag en/of suïcidepogingen. Verschillen werden getoetst met logistische regressie, gecorrigeerd voor clustering van patiëntkenmerken binnen herhaalde beoordelingen. \n\nRESULTATEN: Bij 33,2% was er suïcidaal gedrag en bij 9,2% een suïcidepoging. Suïcidaal gedrag kwam het vaakst voor bij depressie. Suïcidale patiënten werden vaker opgenomen dan niet-suïcidale patiënten en werden voornamelijk door de huisarts verwezen. Patiënten die een suïcidepoging deden, waren, onder andere, vaker vrouw en werden vooral door de huisarts of een algemeen ziekenhuis verwezen. De meest gebruikte methode was door middel van medicatie. \n\nCONCLUSIE: Bij ongeveer een derde van de beoordelingen door de crisisdienst is er suïcidaal gedrag. Het handelen en het beleid door de crisisdienst, bij suïcidaal gedrag, is divers en hangt mede af van factoren welke aankomende jaren kunnen veranderen."},"keywords":{"en":["acute psychiatry","emergency psychiatry","outreach","suicidal behavior","suicide attempts"],"nl":["acute psychiatrie","bereik","spoedeisende psychiatrie","suïcidaal gedrag","zelfdodingpogingen"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Acceptance of guidance to care at the emergency department following attempted suicide","authors":"Dekker, W. P. H., Vergouwen, A. C. M., Buster, M. C. A., & Honig, A.","affiliations":"VU, OLVG-West, GGD Amsterdam","affiliation113":false,"year":2017,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"10.1186/s12888-017-1491-z","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5598046/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Research, aimed at improving the continuity of care after hospital discharge following attempted suicide focuses on the effectiveness of the interventions. Little attention has been paid to patients who immediately decline guidance to advised post-discharge care. We aimed to identify differences between accepters and decliners of guidance to care (GtC) in relation to the characteristics of patients who presented at the emergency department (ED) of an urban hospital in the Netherlands after attempted suicide. \n\nMETHOD: This cross-sectional study included all patients who presented at the ED of OLVG-West Amsterdam with a suicide attempt or intentional self-harm and were referred for psychiatric evaluation. Data were collected over a period of twenty months using a semi-structured questionnaire. Subgroups were described in relation the acceptance of GtC using univariate and multivariate logistic regression analyses.\n\nRESULTS: In total, 257 patients were included. GtC was accepted by 77%. Suicide attempters who reported loneliness as reason for the attempt showed a positive relation to acceptance. No indication was found that patients at higher risk for suicide are more reluctant to accept GtC. Suicide attempters with a non-Western ethnicity, especially patients with a Turkish/Moroccan ethnicity, declined contact by the GtC nurse significantly more often. In addition, patients who currently did not receive care were significantly more often of non-Western ethnicity and younger than 25. \n\nCONCLUSION: Acceptance of GtC is high among patients who presented at the ED after attempted suicide. The patients who were the most reluctant to accept GtC were young suicide attempters of non-Western ethnicity who were not in current care. As this study is the first to address the acceptance of GtC, we point out two lines of inquiry for further research. First, reasons to accept or decline need to be investigated further since only interventions that are accepted by patients have a chance to improve clinically relevant outcome. Second, follow-up research is warranted comparing the adherence to advised post-discharge care and attempted or completed suicide among accepters versus decliners of GtC in various ethnic and sociodemographic subgroups.","nl":"ACHTERGROND: Er is tot nu toe weinig aandacht besteed aan patiënten die na een suïcidepoging op de spoedeisende hulp terechtkomen, maar begeleiding naar verdere zorg weigeren. Om de continuïteit van de zorg na ontslag uit het ziekenhuis te verbeteren, is onderzoek gedaan naar de effectiviteit van interventies. Hierbij hebben de onderzoekers gelet op de verschillende kenmerken van mensen die begeleiding naar zorg accepteren en mensen die dit weigeren. \n\nONDERZOEK: Dit multidisciplinaire onderzoek omvatte alle patiënten die werden binnengebracht op de spoedeisende hulp van het OLGV-West Amsterdam na een suïcidepoging of opzettelijke zelfbeschadiging en die werden doorverwezen voor een psychiatrisch onderzoek. De gegevens werden gedurende een periode van twintig maanden verzameld door middel van een semigestructureerde vragenlijst. In totaal deden er 257 patiënten mee. 77% van hen accepteerde begeleiding naar zorg. Mensen die eenzaamheid opgaven als reden voor hun suïcidepoging stonden vaker open voor begeleiding. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat patiënten met een hoger risico op suïcide minder snel geneigd zijn begeleiding naar zorg te accepteren. Mensen met een niet-westerse etnische achtergrond die een suïcidepoging hebben gedaan, in het bijzonder mensen van Turkse of Marokkaanse afkomst, weigerden significant vaker contact met de begeleidende verpleegkundige. Daarnaast waren patiënten die op het betreffende moment geen zorg kregen, significant vaker van niet-westerse afkomst en jonger dan 25 jaar.  \n\nCONCLUSIE: Veel van de patiënten die na een suïcidepoging op de spoedeisende hulp worden binnengebracht accepteren begeleiding naar zorg. De patiënten die het minst geneigd waren begeleiding te accepteren waren jonge mensen van niet-westerse afkomst die op dat moment geen zorg ontvingen. \n\nTOEKOMSTIG ONDERZOEK: Omdat dit de eerste studie is waarin acceptatie van begeleiding naar zorg wordt onderzocht, suggereren de auteurs twee onderwerpen voor verder onderzoek. Ten eerste moet er meer onderzoek worden gedaan naar de redenen om begeleiding naar zorg te accepteren of te weigeren, aangezien interventies alleen resultaat hebben als ze door de patiënten worden geaccepteerd. Ten tweede moet verder worden onderzocht in hoeverre mensen uit verschillende etnische en sociaal-demografische subgroepen de zorgadviezen na ontslag opvolgen en hoeveel van de mensen die de zorg hebben geaccepteerd of geweigerd nogmaals een suïcidepoging doen."},"keywords":{"en":["attempted suicide","guidance to care","emergency department","care utilization","post-discharge care","immigrant groups","loneliness"],"nl":["zelfdodingpoging","begeleiding tot zorg","spoedeisende hulp","zorggebruik","zorg na ontslag","immigrante groepen","eenzaamheid"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["any"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Improving suicide prevention in Dutch regions by creating local Suicide Prevention Action Networks (SUPRANET): a study protocol","authors":"Gilissen, R., De Beurs, D. P., Mokkenstorm, J., Mérelle, S. Y. M., Donker, G. A., Terpstra, S., Derijck, C., & Franx, G.","affiliations":"113, Nivel, EMGO, VUmc GGZ inGeest, GGD kennemerland","affiliation113":true,"year":2017,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Environmental Research and Public Health","identifier":"10.3390/ijerph14040349","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/28350367","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"The European Alliance against Depression (EAAD) program is to be introduced in The Netherlands from 2017 onwards. This program to combat suicide consists of interventions on four levels: (1) increasing the awareness of suicide by local media campaigns; (2) training local gatekeepers, such as teachers or police officers; (3) targeting high-risk persons in the community; and (4) training and support of professionals in primary care settings. The implementation starts in seven Dutch pilot regions. Each region is designated as a Suicide Prevention Action NETwork (SUPRANET). This paper describes the SUPRANET program components and the evaluation of its feasibility and impact. The findings will be used to facilitate the national implementation of EAAD in The Netherlands and to add new findings to the existing literature on EAAD.","nl":"ACHTERGROND: In 2017 werd in Nederland het programma van de Europese Alliantie tegen Depressie (European Alliance against Depression, EAAD) geïntroduceerd. Dit programma bestrijdt suïcide met interventies op vier niveaus: (1) lokale mediacampagnes om mensen bewuster te maken van wat suïcide inhoudt, (2) het trainen van lokale gatekeepers, zoals docenten of politieagenten; (3) mensen benaderen die een verhoogd risico lopen om suïcide te plegen en (4) het trainen en ondersteunen van zorgverleners in de eerstelijnszorg. Het programma wordt getest in zeven Nederlandse regio’s. Elke regio is aangewezen als een Suïcide Preventie Actienetwerk (SUPRANET).  \n\nONDERZOEK: In dit artikel worden de onderdelen van het SUPRANET-programma beschreven en de haalbaarheid en het effect ervan geëvalueerd. De resultaten worden gebruikt om de invoering van de Europese Alliantie tegen Depressie in Nederland te begeleiden en de bestaande literatuur over deze alliantie aan te vullen."},"keywords":{"en":["implementation","suicide prevention","multi-level","community approach","European Alliance against Depression","gatekeepers"],"nl":["implementatie","zelfdodingpreventie","multi-level","maatschappelijke benadering","Europese Bondgenootschap tegen Depressie","gatekeepers"]},"region":["nationaal"],"type":["implementatie","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"A comparison of positive youth development against depression and suicidal ideation in youth from Hong Kong and the Netherlands","authors":"Leung, C. L. K., Bender, M., & Kwok, S. Y. C. L.","affiliations":"Tilburg University","affiliation113":false,"year":2017,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Adolescent Medicine and Health","identifier":"10.1515/ijamh-2017-0105","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29168963","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: This study tests the buffering effects of positive youth development (PYD) factors against depression and suicidal ideation across Hong Kong and Dutch students. \n\nMETHODS: We collected data on depression, suicidal ideation, history of childhood maltreatment, and PYD from 565 Dutch and Hong Kong undergraduates. The three PYD factors, prosocial attributes, positive identity, and cognitive-behavioral competence, were examined for their moderating role in the relationship among childhood maltreatment, depression, and suicidal ideation in path analysis. \n\nRESULTS: Direct protective effects are found for all PYD factors in both cultures, except for cognitive-behavioral competence in the Dutch sample. A buffering effect of the PYD factors is observed in the maltreatmentdepression relationship in Dutch, but not in Hong Kong students. Only behavioral competence buffers against suicidal ideation in Dutch students, while other PYD factors show no buffering effect in both groups of participants. \n\nCONCLUSION: The differences in relationships between two samples highlights the need to consider cultural differences.","nl":"ACHTERGROND: Positieve ontwikkelingsprogramma's voor jongeren richten zich op drie factoren: prosociaal gedrag (d.w.z. anderen helpen zonder dat het jezelf direct voordeel oplevert), positieve identiteit en cognitieve gedragscompetentie. Dit onderzoek bestudeert in hoeverre zulke programma's depressie en suïcidale gedachten kunnen verminderen bij studenten in Hongkong en Nederland. \n\nONDERZOEK: Voor dit onderzoek zijn gegevens van 565 bachelorstudenten in Nederland en Hongkong verzameld met betrekking tot depressie, suïcidale gedachten, ervaringen met kindermishandeling en positieve ontwikkelingsprogramma's voor jongeren. Op basis daarvan is onderzocht hoe positieve ontwikkelingsprogramma’s trauma’s van kindermishandeling, depressie en suïcidale gedachten kunnen verminderen. Alle factoren van positieve ontwikkelingsprogramma's voor jongeren bleken in beide culturen een beschermend effect te hebben, met uitzondering van cognitieve gedragscompetenties in het geval van de Nederlandse groep. Bij de Nederlandse studenten zorgden de ontwikkelingsprogramma’s ervoor dat kindermishandeling minder snel tot depressie leidde, maar voor de studenten in Hongkong gold dat niet. Alleen gedragscompetentie vermindert suïcidale gedachten bij Nederlandse studenten; de andere twee factoren hadden hierop in geen van beide groepen effect. \n\nCONCLUSIE: De verschillende uitkomsten in de twee testgroepen laten zien dat er rekening moet worden gehouden met culturele verschillen."},"keywords":{"en":["buffering effect","childhood maltreatment","depression","positive youth development","suicidal ideation"],"nl":["bufferend effect","kindermishandeling","depressie","positieve jeugdontwikkeling","suïcidale ideatie"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Praten helpt: onderzoek naar suïcidale gedachten en taboe op depressie in regio Kennemerland","authors":"onbekend","affiliations":"113, GGD Kennemerland, samen voor betere zorg, GGZ InGeest","affiliation113":true,"year":2017,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"GGD Kennemerland","identifier":null,"link":"https://www.ggdkennemerland.nl/113-zero-suicide","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide","Kennemerland","depression","suicidal thoughts","stigma"],"nl":["zelfdoding","Kennemerland","depressie","suïcidale gedachten","stigma"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Evaluation of the 113online suicide prevention crisis chat service: outcomes, helper behaviors and comparison to telephone hotlines","authors":"Mokkenstorm, J., Eikelenboom, M., Huisman, A., Wiebenga, J., Gilissen, R., Kerkhof, A. J. F. M., & Smit, J. H.","affiliations":"113, EMGO, VU, GGZingeest","affiliation113":true,"year":2017,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-Threatening Behavior","identifier":"10.1111/sltb.12286","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/27539122","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Recognizing the importance of digital communication, major suicide prevention helplines have started offering crisis intervention by chat. To date there is little evidence supporting the effectiveness of crisis chat services. To evaluate the reach and outcomes of the 113Online volunteer-operated crisis chat service, 526 crisis chat logs were studied, replicating the use of measures that were developed to study telephone crisis calls. Reaching a relatively young population of predominantly females with severe suicidality and (mental) health problems, chat outcomes for this group were found to be comparable to those found for crisis calls to U.S. Lifeline Centers in 2003-2004, with similar but not identical associations with specific helpers' styles and attitudes. Our findings support a positive effect of the 113Online chat service, to be enhanced by practice standards addressing an apparent lack of focus on the central issue of suicidality during chats, as well as by the development of best practices specific for online crisis intervention.","nl":"ACHTERGROND: Hulplijnen voor suïcidepreventie erkennen het belang van digitale communicatie en bieden nu crisisinterventie aan via een chatdienst. Tot op heden is er weinig bekend over de effectiviteit van onlinecrisis-chats. Er is nu onderzoek gedaan naar het bereik en de uitkomsten van de door vrijwilligers gerunde crisis-chat van 113 suïcidepreventie. \n\nONDERZOEK: Voor dit onderzoek zijn de logbestanden van 526 chats onderzocht. Daarbij werd gebruikgemaakt van instrumenten die zijn ontwikkeld om telefonische hulplijnen te onderzoeken, zodat de resultaten van online-chats konden worden vergeleken met die van telefoongesprekken. De meeste gebruikers van de chat waren relatief jonge vrouwen met ernstige suïcidaliteit en ernstige (psychische) gezondheidsproblemen. De resultaten voor deze groep waren vergelijkbaar met die van crisistelefoontjes naar Amerikaanse Lifeline Centers in 2003-2004, en het gedrag en de houding van hulpverleners waren eveneens vergelijkbaar. \n\nCONCLUSIE: Uit de resultaten blijkt dat de 113 crisis-chat een positief effect heeft. Dit effect kan nog worden vergroot als er praktische normen en best practices (goede praktijkvoorbeelden) worden geïntroduceerd op het gebied van onlinecrisisinterventie. Er valt veel winst te behalen als vrijwilligers gericht getraind worden in crisisinterventies bij suïcidaliteit en leren hoe ze het onderwerp ter sprake moeten brengen."},"keywords":{"en":["digital communication","suicide prevention helplines","crisis intervention"],"nl":["digitale communicatie","zelfdodingpreventie hulplijnen","crisisinterventie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","implementatie","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["any"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Is it rational to pursue zero suicides among patients in health care?","authors":"Mokkenstorm, J., Kerkhof, A. J. F. M., Smit, J. H., & Beekman, A. T. F.","affiliations":"VU, VUmc, GGZIngeest, 113, EMGO","affiliation113":true,"year":2017,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-Threatening Behavior","identifier":"10.1111/sltb.12396","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29073324","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Suicide prevention is a major health care responsibility in need of new perspectives. This study reviews Zero Suicide, an emerging approach to suicide prevention that embraces the aspirational goal of zero suicides among patients treated in health care systems or organizations. Zero Suicide is gaining international momentum while at the same time evoking objections and concerns. Fundamental to Zero Suicide is a multilevel system view on suicide prevention, with three core elements: a direct approach to suicidal behaviors; continual improvement of the quality and safety of care processes; and an organizational commitment to the aspirational goal of zero suicides. The rationale and evidence for these components are clarified and discussed against the backdrop of concerns and objections that focus on possible undesired consequences of the pursuit of zero suicide, in particular for clinicians and for those who are bereaved by suicide. It is concluded that it is rational to pursue zero suicides as an aspirational goal, provided the journey toward zero suicides is undertaken in a systemic and sustained manner, in a way that professionals feel supported, empowered, and protected against blame and inappropriate guilt.","nl":"ACHTERGROND: suïcidepreventie is een zeer belangrijke verantwoordelijkheid van de gezondheidszorg, waarvoor nieuwe perspectieven nodig zijn. Deze studie doet onderzoek naar Zero Suicide, een benadering van suïcidepreventie die ernaar streeft het aantal suïcides onder patiënten die worden behandeld binnen gezondheidszorgstelsels en -organisaties terug te brengen tot nul. Zero Suicide is wereldwijd in opkomst, maar roept tegelijkertijd bezwaren en zorgen op. De essentie van Zero Suicide is een systeem waarin suïcidepreventie op meerdere niveaus wordt bekeken, met drie kernelementen: een rechtstreekse aanpak van suïcidaal gedrag, voortdurende verbetering van de kwaliteit en veiligheid van zorgprocedures en een streven binnen organisaties naar het terugdringen van het aantal suïcides tot nul. \n\nONDERZOEK: De uitgangspunten en bewijzen voor deze onderdelen worden toegelicht en besproken tegen de achtergrond van zorgen en bezwaren met betrekking tot mogelijke ongewenste gevolgen van het streven naar nul suïcides, in het bijzonder voor behandelaars en nabestaanden van suïcide.  \n\nCONCLUSIE: Het is rationeel om te streven naar nul suïcides, op voorwaarde dat de weg naar nul suïcides systematisch en duurzaam wordt uitgevoerd, op zo'n manier dat professionals zich gesteund, gesterkt en beschermd voelen tegen verwijten en onnodige schuldgevoelens."},"keywords":{"en":["zero suicide","suicide prevention","health care systems","National Action Alliance for Suicide Prevention","Reason's Swiss cheese model"],"nl":["zero zelfdoding","zelfdodingpreventie","zorgsystemen","Nationale Actie bondgenootschap voor zelfdodingpreventie","Swiss cheese model van Reason"]},"region":["nvt"],"type":["review","kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suïcide samen aanpakken in Kennemerland","authors":"onbekend","affiliations":"113, GGD Kennemerland, samen voor betere zorg","affiliation113":true,"year":2017,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"GGD Kennemerland\nCluster Advies & Onderzoek","identifier":null,"link":"https://www.ggdkennemerland.nl/113-zero-suicide","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide","rates","Kennemerland","suicidal thoughts","guidelines"],"nl":["zelfdoding","cijfers","Kennemerland","suïcidale gedachten","richtlijnen"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Subcortical brain structure and suicidal behaviour in major depressive disorder: a meta-analysis from the ENIGMA-MDD working group","authors":"Renteria, M. E., Schmaal, L., Hibar, D. P., Couvy-Duchesne, B., Strike, L. T., Mills, N. T., …, & Hickie, I. B.","affiliations":"VUMC, LUMC, LU, LIBC","affiliation113":false,"year":2017,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Translational Psychiatry","identifier":"10.1038/tp.2017.84","link":"https://www.nature.com/articles/tp201784","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"The aetiology of suicidal behaviour is complex, and knowledge about its neurobiological mechanisms is limited. Neuroimaging methods provide a noninvasive approach to explore the neural correlates of suicide vulnerability in vivo. The ENIGMA-MDD Working Group is an international collaboration evaluating neuroimaging and clinical data from thousands of individuals collected by research groups from around the world. Here we present analyses in a subset sample (n = 3097) for whom suicidality data were available. Prevalence of suicidal symptoms among major depressive disorder (MDD) cases ranged between 29 and 69% across cohorts. We compared mean subcortical grey matter volumes, lateral ventricle volumes and total intracranial volume (ICV) in MDD patients with suicidal symptoms (N = 451) vs healthy controls (N = 1996) or MDD patients with no suicidal symptoms (N = 650). MDD patients reporting suicidal plans or attempts showed a smaller ICV (P = 4.12 × 10 − 3 ) or a 2.87% smaller volume compared with controls (Cohen’s d = − 0.284). In addition, we observed a nonsignificant trend in which MDD cases with suicidal symptoms had smaller subcortical volumes and larger ventricular volumes compared with controls. Finally, no significant differences (P = 0.28–0.97) were found between MDD patients with and those without suicidal symptoms for any of the brain volume measures. This is by far the largest neuroimaging meta-analysis of suicidal behaviour in MDD to date. Our results did not replicate previous reports of association between subcortical brain structure and suicidality and highlight the need for collecting better-powered imaging samples and using improved suicidality assessment instruments.","nl":"ACHTERGROND: De oorzaken van suïcidaal gedrag zijn complex en er is nog te weinig bekend over de neurobiologische mechanismen ervan. Neuroimaging is een niet-invasieve manier om de neurale correlaties van kwetsbaarheid voor suïcide in patiënten te bestuderen. De werkgroep ENIGMA-MDD is een internationaal samenwerkingsverband dat neuroimaging- en klinische gegevens van duizenden mensen evalueert die zijn verzameld door onderzoeksgroepen in de hele wereld.  \n\nONDERZOEK: In dit artikel zijn de beschikbare gegevens over suïcidaliteit geanalyseerd. Symptomen van suïcidaliteit komen in de verschillende cohorten voor bij 29 tot 69% van de mensen met een depressie. We hebben de gemiddelde volumes van de subcortale grijze stof en het laterale ventrikel en het totale hersenvolume van depressieve patiënten met symptomen van suïcidaliteit vergeleken met die van een gezonde controlegroep of patiënten met een depressie die geen symptomen van suïcidaliteit hadden. Dit is de grootste meta-analyse van neuroimaging met betrekking tot suïcidaal gedrag en depressie die tot nu toe is uitgevoerd. Patiënten met een depressie die zeiden suïcideplannen te hebben of een suïcidepoging te hebben gedaan hadden een 2,87% kleiner hersenvolume dan de controlegroep. Daarnaast leken patiënten met een depressie en suïcidale symptomen kleinere subcortale volumes en grotere ventrikelvolumes te hebben dan de leden van de controlegroep, maar deze verschillen waren niet significant. Er werden ook geen significante verschillen in de gemeten volumes gevonden tussen depressieve patiënten met en zonder symptomen van suïcidaliteit.  \n\nCONCLUSIE: De resultaten bevestigen het eerder gemelde verband tussen subcortale hersenstructuur en suïcidaliteit niet en laten zien dat er betere beelden moeten worden verzameld en betere instrumenten moeten worden gebruikt voor het beoordelen van suïcidaliteit."},"keywords":{"en":["suicidal behaviour","neurobiological mechanisms","neuroimaging","major depressive disorder"],"nl":["suïcidaal gedrag","neurobiologische mechanismen","neuroimaging","depressieve stoornis"]},"region":["internationaal"],"type":["meta","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Exploring psychosis and multidirectional violence: a prospective study in the general population","authors":"Thomas, S., & Honings, H.","affiliations":"UM","affiliation113":false,"year":2017,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"Datawyse/Universitaire pers Maastricht","identifier":"10.26481/dis.20171222sh ISBN 9789461597915","link":"https://cris.maastrichtuniversity.nl/en/searchAll/index/?search=Exploring+psychosis+and+multidirectional+violence%3A+a+prospective+study+in+the+general+population&pageSize=25&showAdvanced=false&allConcepts=true&inferConcepts=true&searchBy=PartOfNameOrTitle","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Delusions and hallucinations are key symptoms of a psychosis and can occur in people with a psychotic disorder. These individuals also have an increased risk of developing violent tendencies. However, it appears that delusions and hallucinations also occur quite frequently in people with no psychotic disorders. This dissertation examined whether this group runs an equally high risk of developing violent tendencies. It found that people with psychotic episodes are more likely to become violent, both to themselves and to others. They are also more likely to become victims of violence. These results offer new perspectives for preventing violence and psychosis.","nl":"Psychose en geweld zijn beide veel voorkomende fenomenen, die zowel in wetenschappelijke publicaties als in populaire media vaak met elkaar in verband worden gebracht. Geweld kan zowel gericht zijn tegen de eigen persoon als tegen anderen. Met andere woorden, geweld is een multidirectioneel fenomeen. In de afgelopen jaren hebben diverse onderzoeken aangetoond dat mensen met schizofrenie en andere psychotische stoornissen een verhoogd risico hebben om geweld te vertonen, zowel jegens zichzelf (suïcidale gedragingen en automutilatie) als jegens anderen (interpersoonlijk geweld). Daarnaast is er ook bewijs dat mensen met psychotische stoornissen vaker slachtoffer zijn van geweld. Kortom, psychotische stoornissen zijn geassocieerd met een verhoogd risico op multidirectioneel geweld. Wetenschappelijk onderzoek heeft echter aangetoond dat psychotische verschijnselen, zoals wanen en hallucinaties, niet alleen voorkomen bij personen met psychotische stoornissen zoals schizofrenie, maar ook bij mensen zonder deze stoornissen. Mensen met psychotische verschijnselen in afwezigheid van een psychotische stoornis hebben wel een verhoogd risico om een psychotische stoornis te ontwikkelen. Daarnaast hebben ze ook een verhoogd risico op andere psychiatrische aandoeningen. Het is echter onbekend of mensen met deze psychotische verschijnselen ook een verhoogd risico hebben op multidirectioneel geweld. In dit proefschrift wordt deze vraagstelling onderzocht."},"keywords":{"en":["psychosis","violence","trauma","delusions","hallucinations"],"nl":["psychose","geweld","trauma","wanen","hallucinaties"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["review","meta","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicidal ideation and suicidal behavior according to the C-SSRS in a European cohort of Huntington's disease gene expansion carriers","authors":"Van Duijn, E., Vrijmoeth, E. M., Giltay, E. J., & Landwehrmeyer, G. B.","affiliations":"GGZ Delfland, LUmc, LU","affiliation113":false,"year":2017,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2017.11.074","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032717305323","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Huntington's disease (HD) gene expansion carriers are at an increased risk of suicide, but so far, no studies have investigated the full spectrum of suicidality, including suicidal ideation, suicidal behavior and selfinjurious behavior. \n\nMETHODS: We included 1451 HD gene expansion carriers (age 48.4 years (SD 14.0), 54.8% female) of the REGISTRY study of the European Huntington's Disease Network. Lifetime suicidal ideation and suicidal behavior were assessed with the Columbia-Suicidal Severity Rating Scale. Motor symptoms and disease stage were assessed using subscales of the Unified Huntington's Disease Rating Scale, and depressed mood and irritability were assessed by the Problem Behaviors Assessment. \n\nRESULTS: Lifetime passive suicidal ideation was reported by 21.2%. Participants in stage II showed the highest prevalence rate of suicidal ideation, while participants in stage IV/V showed the highest prevalence of suicidal behavior. A lifetime suicide attempt was reported by 6.5% of the HD gene expansion carriers. In multivariate regression analyses, both suicidal ideation and suicidal behavior were associated with a depressed mood, and to a lesser extend to irritability. \n\nLIMITATIONS: Results may have been affected by denial or recall bias and no conclusions can be made about the temporal and causal relationships with depressed mood and irritability because of the cross-sectional analyses. \n\nCONCLUSIONS: Given the high prevalence of suicidal ideation and suicidal behavior in all stages of HD, it is important to screen HD gene expansion carriers for suicidal ideation and suicidal behavior on a regular basis in clinical practice.","nl":"ACHTERGROND: Dragers van het verlengde gen dat de ziekte van Huntington veroorzaakt hebben een verhoogd risico op suïcide, maar tot nu toe zijn er geen onderzoeken geweest naar het volledige spectrum van suïcidaliteit, waaronder suïcidale gedachten, suïcidaal gedrag en zelfbeschadiging.  \n\nONDERZOEK: Het onderzoek is uitgevoerd onder 1451 dragers van het verlengde gen met een gemiddelde leeftijd van 48,4 jaar. Aan de hand van bestaande beoordelingsmodellen werden de suïcidale gedachten en gedragingen tijdens het leven in kaart gebracht en werd beoordeeld welke motorische symptomen de patiënten vertoonden, in welk stadium van de ziekte ze zich bevonden en hoe gedeprimeerd en prikkelbaar ze zich voelden. 21,2% van de proefpersonen gaf aan gedurende het leven passieve suïcidale gedachten te hebben gehad. De deelnemers in het tweede stadium vertoonden het vaakst suïcidale gedachten, terwijl de deelnemers in het vierde en vijfde stadium het vaakst suïcidaal gedrag vertoonden. 6,5% van de dragers van het verlengde gen gaf aan ooit een suïcidepoging te hebben gedaan. Door middel van statistische analyses werden zowel suïcidale gedachten als suïcidale gedragingen in verband gebracht met een gedeprimeerde stemming en in mindere mate met prikkelbaarheid.  \n\nKANTTEKENING: de resultaten kunnen beïnvloed zijn door ontkenning of vertekende herinneringen en door de opzet van het onderzoek kunnen er geen conclusies worden getrokken over de temporele en causale verbanden met gedeprimeerdheid en prikkelbaarheid. \n\nCONCLUSIE: Gezien het feit dat suïcidale gedachten en suïcidale gedragingen in alle stadia van de ziekte van Huntington veel voorkomen, is het belangrijk om dragers van het verlengde gen dat deze ziekte veroorzaakt regelmatig klinisch te screenen op suïcidale gedachten en gedragingen."},"keywords":{"en":["Huntington's disease","suicidal ideation","suicidal behavior","Columbia-Suicide Severity Rating Scale"],"nl":["de ziekte van Huntington","suïcidale ideatie","suïcidaal gedrag","Columbia-zelfdoding Severity Rating Scale"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Evaluation of benefit to patients of training mental health professionals in suicide guidelines: cluster randomised trial","authors":"De Beurs, D. P., De Groot, M. H., De Keijser, J., Van Duijn, E., De Winter, R. F. P., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, EMGO, NIVEL, GGZ Friesland, RUG, GGZ Delfland, GGZ Parnassia,  RUG","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The British Journal of Psychiatry","identifier":"10.1192/bjp.bp.114.156208","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26678866","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Randomised studies examining the effect on patients of training professionals in adherence to suicide guidelines are scarce.\n\nAIMS: To assess whether patients benefited from the training of professionals in adherence to suicide guidelines.\n\nMETHOD: In total 45 psychiatric departments were randomised (Dutch trial register: NTR3092). In the intervention condition, all staff in the departments were trained with an E-learning supported train-the-trainer programme. After the intervention, patients were assessed at admission and at 3-month follow-up. Primary outcome was change in suicide ideation, assessed with the Beck Scale for Suicide Ideation.\n\nRESULTS: For the total group of 566 patients with a positive score on the Beck Scale for Suicide Ideation at baseline, intention-to-treat analysis showed no effects of the intervention on patient outcomes at 3-month follow-up. Patients who were suicidal with a DSM-IV diagnosis of depression (n = 154) showed a significant decrease in suicide ideation when treated in the intervention group. Patients in the intervention group more often reported that suicidality was discussed during treatment.\n\nCONCLUSIONS: Overall, no effect of our intervention on patients was found. However, we did find a beneficial effect of the training of professionals on patients with depression.","nl":"ACHTERGROND: Er is weinig gerandomiseerd onderzoek gedaan naar het effect van trainingen voor zorgverleners over de naleving van suïciderichtlijnen. Met dit onderzoek wilde men te weten komen of patiënten er baat bij hebben als hun zorgverleners een cursus volgen op dit gebied. \n\nONDERZOEK: In totaal deden er 45 psychiatrische afdelingen mee aan dit onderzoek, verdeeld over een interventiegroep en een controlegroep. Alle medewerkers die in de interventiegroep waren ingedeeld, volgden een onlinecursus over suïciderichtlijnen. De patiënten die door deze zorgverleners werden behandeld, werden vervolgens twee keer getest: op het moment dat ze toetraden tot het onderzoek en nogmaals na drie maanden. Daarvoor werd de vragenlijst van Beck gebruikt voor het meten van suïcidale gedachten. Voor de totale groep van 566 patiënten die aan het begin van het onderzoek positief scoorden op de schaal van Beck (en dus suïcidale gedachten hadden), was er na drie maanden geen effect te merken van de interventie. Suïcidale patiënten met een depressie als diagnose (154 personen) die werden behandeld door behandelaars uit de interventiegroep, lieten wel een daling in suïcidale gedachten zien. Daarnaast gaven patiënten in de interventiegroep vaker aan dat suïcidaliteit tijdens hun behandeling onderwerp van gesprek was. \n\nCONCLUSIE: Op de meeste patiënten bleek de interventie geen effect te hebben. Maar het onderzoek laat wel zien dat een training voor zorgverleners een positieve invloed kan hebben op patiënten met een depressie. Zij hadden na drie maanden minder suïcidale gedachten."},"keywords":{"en":["suicide guidelines","Cluster Randomised Trial","evaluation","training professionals","suicide prevention"],"nl":["zelfdoding richtlijnen","CRT","evaluatie","training professionals","zelfdodingpreventie"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Psychological distress because of asking about suicidal thoughts: a randomized controlled trial among students","authors":"De Beurs, D. P., Ghoncheh, R., Geraedts, A. S., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, EMGO","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Archives of Suicide Research","identifier":"10.1080/13811118.2015","link":"https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/13811118.2015.1004475","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"The aim of this study was to investigate the effect of the questions from the Beck Scale for Suicide Ideation on psychological well-being among healthy participants. In a randomized controlled study, 301 participants completed the same 4 questionnaires on psychopathology. The experimental group additionally answered 21 items of the Beck Scale for Suicide Ideation. The control group answered 19 items on Quality of Life. The experimental group showed a significantly smaller decrease of negative affect compared to the control condition. When analyzing participants with an increase in distress, 80% were part of the experimental group. For most participants, answering questions about suicide does not affect their mood. A small group of participants did react with some distress to the questions about suicide. As the questions about suicide were administered immediately before the questions about negative affect, the questions about suicide could have worked as a negative mood challenge. Future experimental research should further investigate the effect of questions about suicide among healthy participants, especially on the long term.","nl":"ACHTERGROND: Heeft het beantwoorden van vragen over suïcidale gedachten invloed op iemands stemming? Die vraag stond in dit onderzoek centraal. Aan de hand van de vragenlijst van Beck over suïcidale gedachten is onderzocht of deze vragen van invloed zijn op het geestelijk welzijn van gezonde deelnemers. \n\nONDERZOEK: Er werd gewerkt met 301 deelnemers, verdeeld over een experimentele groep en een controlegroep. Alle deelnemers kregen vier vragenlijsten over psychopathologie (psychische aandoeningen) voorgelegd. De experimentele groep moest daarnaast nog 21 aanvullende vragen over suïcidale gedachten beantwoorden. De deelnemers in de controlegroep kregen 19 extra vragen over hun kwaliteit van leven voorgelegd. Vergeleken met de controlegroep liet de experimentele groep een significant kleinere daling in negatieve emoties zien. Van de deelnemers die meer negatieve emoties ervoeren, zat 80% in de experimentele groep. \n\nCONCLUSIE: Voor de meeste deelnemers gold dat het beantwoorden van vragen over suïcide geen negatieve invloed had op hun stemming. Een klein aantal deelnemers had wel negatieve emoties na de vragen over suïcide.  \n\nKANTTEKENING: het kan zijn dat de vragen over suïcide als trigger werkten, want er werden eerst vragen over suïcide gesteld en daarna werd gevraagd naar eventuele negatieve emoties. Misschien werden mensen daardoor in een negatievere stemming gebracht. \n\nMet behulp van toekomstig experimenteel onderzoek moet het effect van vragen over suïcide op gezonde deelnemers verder worden onderzocht, vooral op de lange termijn."},"keywords":{"en":["iatrogenic effect","screening","suicide","Beck Scale for Suicide Ideation","psychological well-being"],"nl":["iatrogene effecten","screening","zelfdoding","Beck Scale for zelfdoding Ideation","psychologisch welzijn"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Huisartsenzorg in cijfers: suïcidepreventie","authors":"De Beurs, D. P., Hooiveld, M., & Donker, G. A.","affiliations":"Nivel, VU","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Huisarts en Wetenschap","identifier":null,"link":"https://www.nivel.nl/node/2430?database=ChoicePublicat&priref=6153","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide","prevention","general practice"],"nl":["zelfdoding","preventie","huisartsgeneeskundige zorg"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Trends in suicidal behaviour in Dutch general practice 1983-2013: a retrospective observational study","authors":"De Beurs, D. P., Hooiveld, M., Kerkhof, A. J. F. M., Korevaar, J. C., & Donker, G. A.","affiliations":"Nivel, VU","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ Open","identifier":"10.1136/bmjopen-2015-010868","link":"http://bmjopen.bmj.com/content/6/5/e010868.long","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVES: To analyse trends in suicidal behaviour as reported by the Dutch sentinel general practices from 1983 to 2013. Second, to examine the relationship between suicidal behaviour and several patient characteristics. Finally, to compare the relationship between suicidal behaviour and patient characteristics before (1983–2007) and after (2008–2013) the start of the crisis.\n\nSETTING: 40 general practices in the Netherlands during the period 1983–2013.\n\nPARTICIPANTS: Patients with an ICPC code of P77 (suicide attempt).\n\nPRIMARY AND SECONDARY OUTCOMES: Primary outcomes were age-adjusted and gender-specific trends in reported suicides (342) and suicide attempts (1614). Secondary outcomes were the relationship between suicidal behaviour and age, household composition, history of depression, recognition of suicide ideation, treatment before the suicidal behaviour and contact within the past month before suicidal behaviour for the period 1983–2013. Additionally, separate frequencies for the periods 1983–2007 and 2008–2013 were presented.\n\nRESULTS: Join-point analyses revealed a significant rise in male suicides from 2008 (b=0.32, SE=0.1, p=0.008), and an increase in male suicide attempts since 2009 (b=0.19, SE=0.04, p<0.001). Female suicidal behaviour showed a steady decrease from 1989 to 2013(b=−0.03, SE=0.007, p<0.0001 for female suicide, b=−0.02, SE=0.002, p<0.001 for female attempts). Before 2007, a history of depression was reported in 65% (168/257) of the suicides. After the start of the recession, a depression was recognised in 44% (22/50) of the patients who died by suicide.\n\nCONCLUSIONS: Since 2008, there was a rise in the male suicide rate while female suicide behaviour has continued to decline. General practitioners less often reported a history of depression within patients who died due to suicide after 2007 than before. Training in the early recognition of suicide ideation in depressive patients might improve suicide prevention in primary care.","nl":"ACHTERGROND: Huisartsen spelen een belangrijke rol in suïcidepreventie, want in veel landen zijn zij het eerste aanspreekpunt voor mensen met psychische problemen. Zij zijn dus belangrijke poortwachters en kunnen suïcidale gedachten in een vroeg stadium signaleren. Als suïcidale gedachten op tijd worden herkend, kan escalatie naar suïcidaal gedrag worden voorkomen. Dit onderzoek had drie doelen: het eerste doel was het analyseren van trends in suïcidaal gedrag tussen 1983 tot 2013, zoals gerapporteerd door Nederlandse huisartspraktijken. Ten tweede wilde men de relatie onderzoeken tussen suïcidaal gedrag en verschillende patiëntkenmerken. En ten derde wilde men weten of er een relatie bestond tussen suïcidaal gedrag en de financiële crisis die in 2008 begon. Daarvoor werden de patiëntkenmerken in de periode 1983-2007 en de periode 2008-2013 met elkaar vergeleken. \n\nONDERZOEK: Er werden gegevens verzameld van veertig huisartsenpraktijken in Nederland over de periode 1983-2013. De deelnemers waren patiënten die een suïcidepoging hadden gedaan. Er werd allereerst gekeken naar trends in suïcides (342) en suïcidepogingen (1614), gecorrigeerd voor leeftijd en gender. Daarnaast werd gekeken (periode 1983-2013) naar de relatie tussen suïcidaal gedrag en leeftijd, samenstelling van het huishouden, voorgeschiedenis van depressie, herkenning van suïcidale gedachten, behandeling van het suïcidale gedrag en het contact in de maand voorafgaand aan het suïcidale gedrag. En ten slotte werden de perioden voor en na 2008 (het begin van de crisis) met elkaar vergeleken. De resultaten laten zien dat er in 2008 er een significante stijging te zien was in het aantal suïcides door mannen en een toename van het aantal suïcidepogingen door mannen sinds 2009. Het suïcidale gedrag bij vrouwen daalde licht tussen 1989 en 2013. In de periode vóór 2007 rapporteerden de huisartsen dat er bij 65% van het aantal suïcides sprake was van een voorgeschiedenis van depressie. Van de patiënten die na het begin van de recessie door suïcide om het leven kwamen, was bij 44% de diagnose depressie gesteld. \n\nCONCLUSIE: Sinds 2008 was er een stijging te zien in het aantal suïcides door mannen, terwijl het suïcidale gedrag bij vrouwen bleef afnemen. Deze stijging werd vooral verklaard doordat meer mannen van 60-69 jaar suïcide pleegden, een groep die een grotere kans heeft om zijn baan kwijt te raken en/of geen nieuwe baan meer te kunnen vinden. Bij patiënten die na 2007 suïcide pleegden, werd minder vaak gerapporteerd dat er sprake was van eerdere depressies dan daarvoor. Het blijkt voor huisartsen lastig om suïcidale gedachten bij depressieve patiënten te herkennen. Het trainen van huisartsen in vroege herkenning van suïcidale gedachten bij depressieve patiënten kan bijdragen aan een betere suïcidepreventie in de eerstelijnszorg."},"keywords":{"en":["suicidal behaviour","general practice","retrospective"],"nl":["suïcidaal gedrag","huisartsenpraktijk","retrospectief"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Pilotstudie naar kwalitatieve evaluatie van het handelen rond suïcide (KEHR); datagestuurd evalueren en leren [An evaluation of a new Dutch suicide prevention tool (KEHR); datadriven evaluation and learning]","authors":"De Groot, M. H., De Winter, R. F. P., Van der Plas, W., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, Parnassia, GGZ Friesland, GGZ Drenthe","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor Psychiatrie","identifier":null,"link":"https://psycnet.apa.org/record/2016-38921-001","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Multidisciplinary evaluation of suicide cases effectively decreases the suicide rate in mental health care. A new suicide prevention tool (kehr) can be used in this connection. kehr has been developed on the basis of the Dutch multidisciplinary practice guideline on the assessment and treatment of suicidal behaviour. The guideline can serve as a frame of reference for the multidisciplinary evaluation of suicide cases. kehr aims to provide professionals with a better method for preventing suicide.\n\nAIM: To describe and evaluate the recently developed kehr strategy for reducing the number of suicide cases in mental health care.\n\nMETHOD: Naturalistic and observational study. In the course of a year 22 out of 23 suicide cases that had occurred in the pilot institution were evaluated with the help of the kehr system. Outcomes were discussed with members of multidisciplinary teams. Quantitative and qualitative methods were used in the evaluation process.\n\nRESULTS: Professionals from the main disciplines involved were very willing to use the new tool and were prepared to reflect on their views on the outcomes. The professionals were ready to learn from the suicide cases. Data collected with the tool provided information that can be used to improve guideline adherence. However, the use of kehr did not lead automatically to the formulation of adjustments and improvements relating to suicidal patients. A specific procedure for improving individual and team performance needs to be developed and tested thoroughly.\n\nCONCLUSION: kehr is a promising strategy for improving and enhancing the guideline on the diagnosis and treatment of suicidal behaviour of patients in mental health care. Special procedures need to be developed and studied in order to implement the improvements deemed necessary as a result of the pilot study. The kehr tool (in the Dutch language) is accessible to mental health care workers after online registration (www.mijnkehr.nl).","nl":"ACHTERGROND: Onderzoek heeft laten zien dat multidisciplinaire evaluatie van suïcide leidt tot afname van suïcide in ggz-instellingen. Kwalitatieve evaluatie van het handelen rond suïcide (kehr Suïcide) is een nieuw instrument waarmee dit in ggz-instellingen gerealiseerd kan worden. kehr is ontwikkeld op basis van de multidisciplinaire richtlijn voor diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag. Het beoogt hulpverleners handvatten te geven voor een verbeterde aanpak van suïcidepreventie. \n\nDOEL:  Beschrijven van het instrument en van de resultaten van een onderzoek waarin kehr op proef werd toegepast. \n\nMETHODE: Naturalistische observatiestudie. Gedurende een jaar werd het instrument 22 keer ingezet bij de evaluatie van suïcides in een noordelijke ggz-instelling. Met kwalitatieve en kwantitatieve methoden analyseerden we het gebruiksproces. \n\nRESULTATEN: Hulpverleners waren in hoge mate bereid om de kehr-vragenlijst in te vullen en te reflecteren op de uitkomsten. De bereidheid om op basis hiervan te leren van de suïcides was aanwezig. De data die via het instrument werden verzameld, leverden informatie op waarmee richtlijnimplementatie kan worden aangestuurd. De toepassing van kehr leidde niet automatisch tot de formulering van aanpassingen en verbeteringen van werkprocessen bij de behandeling van suïcidale patiënten. \n\nCONCLUSIE: Wij concluderen dat kehr veelbelovend is als bijdrage aan de implementatie van de richtlijn voor diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag in ggz-instellingen. Om op basis van de uitkomsten verbeteracties te formuleren en te implementeren dienen afzonderlijke procedures te worden ontwikkeld en onderzocht. Het instrument is na registratie online beschikbaar voor ggz-instellingen in het Nederlandse taalgebied via www.mijnkehr.nl."},"keywords":{"en":["evaluation","suicidal behaviour","suicide","questionnaire","multidisciplinary guidelines","pilot"],"nl":["evaluatie","suïcidaal gedrag","zelfdoding","vragenlijst","multidisciplinaire richtlijnen","pilot"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Two kinds of suicide","authors":"Den Hartogh, G. A.","affiliations":"UvA","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Bioethics","identifier":"10.1111/bioe.12287","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1111/bioe.12287","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In suicidology, the common view is that ‘rational’ suicides occur only rarely, because the competence of people who want to end their lives is compromised by mental illness. In the Netherlands and Flanders, however, patients’ requests for euthanasia or assistance in suicide are granted in 5300 and 1400 cases a year respectively, and in all these cases at least two doctors have confirmed the patient's competence. The combination of these two findings is puzzling. In other countries one would expect at least some of these people to end their own lives. The article argues that we can distinguish between two types of suicide with clustering characteristics. In cases of the first type, the agent doesn't carefully plan his action, doesn't communicate his plans to relatives or others, and uses violent means. In such cases it is reasonable to presume lack of competence. The other type has the opposite characteristics. The most plausible explanation of our problem is that suicides of the second kind are invisible to suicidology, because they tend not to be registered as suicides at all.","nl":"ACHTERGROND: In de suïcidologie is de algemene opvatting dat 'rationele' suïcides slechts zelden voorkomen, omdat het beoordelingsvermogen van mensen die een eind aan hun leven willen maken wordt verminderd door een psychische aandoening. In Nederland en Vlaanderen wordt echter respectievelijk 5300 en 1400 keer per jaar een verzoek tot euthanasie of hulp bij suïcide ingewilligd en in al die gevallen hebben ten minste twee artsen bevestigd dat de patiënt handelingsbekwaam was. Deze twee bevindingen zijn moeilijk verenigbaar. Men zou verwachten dat in andere landen ten minste een deel van deze mensen zelf een einde aan hun leven zou maken.  \n\nONDERZOEK: Het artikel stelt dat we twee typen suïcide kunnen onderscheiden. Bij het eerste type plant de persoon in kwestie zijn of haar handelingen niet nauwkeurig, bespreekt hij of zij de plannen niet met familieleden of anderen en gebruikt hij of zij gewelddadige middelen. In zulke gevallen is het redelijk om aan te nemen dat iemand niet toerekeningsvatbaar is. Het andere type heeft tegenovergestelde kenmerken. De meest aannemelijke verklaring voor ons vraagstuk is dat suïcides van het tweede type onzichtbaar zijn voor de suïcidologie, doordat ze doorgaans niet als suïcides worden geregistreerd."},"keywords":{"en":["competence","rational suicide","request for euthanasia","suicide","mental illness"],"nl":["competentie","rationele zelfdoding","verzoek om euthanasie","zelfdoding","geestesziekte"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"NIVEL Primary Care Database - Sentinel Practices 2015 (hoofdstuk 12)","authors":"Donker, G. A.","affiliations":"Nivel","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"Nivel","identifier":"9789461223791","link":"https://www.nivel.nl/nl/publicatie/nivel-primary-care-database-sentinel-practices-2015","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["morbidity","surveillance","Netherlands","influenza","respiratory tract diseases","whooping cough","gastrointestinal diseases","STI","palliative care","suicide","euthanasia","eating disorders","cancer"],"nl":["morbiditeit","bewaking","Nederland","griep","aandoeningen van de luchtwegen","kinkhoest","maagdarmziekten","SOA","palliatieve zorg","zelfdoding","euthanasie","eetstoornissen","kanker"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Canına kıymak – ‘crushing life energy’: a qualitative study on lay and professional understandings of suicide and help-seeking among Turkish migrants in the UK and in the Netherlands","authors":"Eylem, O., Van Bergen, D. D., Rathod, S., van Straten, A., Bhui, K., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, EMGO, RUG","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Culture and mental health","identifier":"doi.org/10.1080/17542863.2016.1161653","link":"https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/17542863.2016.1161653","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"Currently, little is known about the views that Turkish migrants hold towards suicide, which may differ from the narratives held by native inhabitants of their host countries. Central to improving the provision of mental health services, furthering our knowledge of these views is important. The aim of this research was to explore Turkish cultural understandings on suicide and help-seeking for suicide. A qualitative study included data from 6 focus groups and 7 individual interviews with 38 Turkish-speaking lay people and 4 key informants living in the Netherlands or the UK during the year 2014/2015. Through the analysis of participants’ stories and narratives, the following key themes emerged in relation to suicide: suicide as an escape from failure and as a failure in itself; acculturation orientation; parenting style; and shame and stigma. There were more similarities than differences between the themes among laypersons and key informants from two countries. Canına kıymak (crushing life energy) was a strong metaphor for personal distress. Suicide was perceived as a failing of responsibilities towards the family and community. Future research should aim to give voice to all ethnocultural groups to further the present understanding of suicide and help-seeking processes in these communities.","nl":"ACHTERGROND: Er is op dit moment weinig bekend over de standpunten van Turkse migranten ten aanzien van suïcide, die mogelijk anders zijn dan de opvattingen van de autochtone bewoners van de landen waar zij zich gevestigd hebben. Voor het leveren van betere geestelijke gezondheidszorg is het erg belangrijk dat we meer kennis krijgen van deze standpunten. Het doel van dit onderzoek was inzicht krijgen in Turkse culturele opvattingen over suïcide en het zoeken van hulp bij suïcidaliteit.  \n\nONDERZOEK: Op basis van gegevens van zes focusgroepen en zeven individuele interviews met 38 Turkssprekende leken en vier deskundigen die in de periode 2014-2015 in Nederland of het Verenigd Koninkrijk woonden is een onderzoek uitgevoerd naar waarnemingen en overtuigingen.  \n\nCONCLUSIE: Uit de analyse van de verhalen van de deelnemers kwamen de volgende hoofdthema’s met betrekking tot suïcide naar voren: suïcide als een manier om aan mislukking te ontsnappen of juist als mislukking, mate van acculturatie, opvoedstijl en schaamte en stigma. Er waren meer overeenkomsten dan verschillen tussen de thema’s onder de leken en deskundigen uit de twee landen. Canına kıymak (verpletterende levensenergie) was een sterke metafoor voor persoonlijk leed. suïcide werd gezien als een gebrek aan verantwoordelijkheid ten aanzien van de familie en de gemeenschap. Toekomstig onderzoek zou erop gericht moeten zijn alle etnisch-culturele groepen een stem te geven om meer inzicht te krijgen in suïcide en processen voor het zoeken van hulp binnen deze gemeenschappen."},"keywords":{"en":["Turkish migrants","suicide","culture","qualitative research"],"nl":["Turkse migranten","zelfdoding","cultuur","kwalitatief onderzoek"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Relationship of suicide rates with climate and economic variables in Europe during 2000– 2012","authors":"Fountoulakis, K. N., Chatzikosta, I., Pasiadis, K., Zanis, P., Kawohl, W., Kerkhof, A. J. F. M., …, & Bech, P.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Annals of General Psychiatry","identifier":"10.1186/s12991-016-0106-2","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/27508001","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: It is well known that suicidal rates vary considerably among European countries and the reasons for this are unknown, although several theories have been proposed. The effect of economic variables has been extensively studied but not that of climate.\n\nMETHODS: Data from 29 European countries covering the years 2000-2012 and concerning male and female standardized suicidal rates (according to WHO), economic variables (according World Bank) and climate variables were gathered. The statistical analysis included cluster and principal component analysis and categorical regression.\n\nRESULTS: The derived models explained 62.4 % of the variability of male suicidal rates. Economic variables alone explained 26.9 % and climate variables 37.6 %. For females, the respective figures were 41.7, 11.5 and 28.1 %. Male suicides correlated with high unemployment rate in the frame of high growth rate and high inflation and low GDP per capita, while female suicides correlated negatively with inflation. Both male and female suicides correlated with low temperature.\n\nDISCUSSION: The current study reports that the climatic effect (cold climate) is stronger than the economic one, but both are present. It seems that in Europe suicidality follows the climate/temperature cline which interestingly is not from south to north but from south to north-east. This raises concerns that climate change could lead to an increase in suicide rates. The current study is essentially the first successful attempt to explain the differences across countries in Europe; however, it is an observational analysis based on aggregate data and thus there is a lack of control for confounders.","nl":"ACHTERGROND: Het is bekend dat de sterftecijfers door suïcide aanzienlijk verschillen per Europees land. Hoe dat komt, is niet bekend, al zijn er verschillende theorieën voor geopperd. Het effect van economische verschillen tussen landen is uitgebreid onderzocht, maar er is nooit gekeken naar klimaateffecten.  \n\nONDERZOEK: Er zijn gegevens verzameld uit 29 Europese landen (periode 2000-2012) over de sterftecijfers door suïcide bij mannen en vrouwen (bron: WHO), economische variabelen (bron: Wereldbank) en klimaatvariabelen. Er zijn verschillende statistische analyses uitgevoerd. De afgeleide modellen verklaarden 62,4% van de verschillen tussen mannelijke suïcidescijfers. De economische variabelen verklaarden 26,9% van het aantal suïcidedoden en de klimaatvariabelen 37,6%. Voor vrouwen waren deze percentages respectievelijk 41,7%, 11,5% en 28,1%. Er bleek een correlatie te zijn tussen suïcide bij mannen en een hoge werkloosheid (bij een hoogconjunctuur, een hoge inflatie en een laag bbp per inwoner), terwijl suïcide bij vrouwen bij inflatie een negatieve correlatie liet zien. Zowel bij suïcide door mannen als door vrouwen was er een verband te zien met lage temperaturen. \n\nCONCLUSIE: Deze studie laat zien dat het klimaateffect (een koud klimaat) sterker is dan het economische effect, maar in beide gevallen is er een verband aangetoond met suïcide. Het lijkt erop dat suïcidaliteit in Europa het klimaat-/temperatuurprofiel volgt, dat interessant genoeg niet van zuid naar noord, maar van zuid naar noordoost loopt. Het zou dus kunnen dat klimaatverandering tot een stijging van het aantal suïcides zal leiden. Deze studie is de eerste geslaagde poging om de verschillen in sterftecijfers door suïcide tussen Europese landen te verklaren."},"keywords":{"en":["suicide","Europe","austerity","climate","economic variables","suicidal rates","temperature","climate change"],"nl":["zelfdoding","Europa","economische variabelen","zelfdodingcijfers","temperatuur","klimaatverandering"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Efficacy of adolescent suicide prevention E-learning modules for gatekeepers: a randomized controlled trial","authors":"Ghoncheh, R., Gould, M. S., Twisk, J.W.R., Kerkhof, A. J. F. M., & Koot, H. M.","affiliations":"VU, EMGO, VUMC","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"JMIR Mental Health","identifier":"10.2196/mental.4614","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC4752692/?report=classic","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Face-to-face gatekeeper training can be an effective strategy in the enhancement of gatekeepers’ knowledge and self-efficacy in adolescent suicide prevention. However, barriers related to access (eg, time, resources) may hamper participation in face-to-face training sessions. The transition to a Web-based setting could address obstacles associated with face-to-face gatekeeper training. Although Web-based suicide prevention training targeting adolescents exists, so far no randomized controlled trials (RCTs) have been conducted to investigate their efficacy.\n\nOBJECTIVE: This RCT study investigated the efficacy of a Web-based adolescent suicide prevention program entitled Mental Health Online, which aimed to improve the knowledge and self-confidence of gatekeepers working with adolescents (12-20 years old). The program consisted of 8 short E-learning modules each capturing an important aspect of the process of early recognition, guidance, and referral of suicidal adolescents, alongside additional information on the topic of (adolescent) suicide prevention.\n\nMETHODS: A total of 190 gatekeepers (ages 21 to 62 years) participated in this study and were randomized to either the experimental group or waitlist control group. The intervention was not masked. Participants from both groups completed 3 Web-based assessments (pretest, posttest, and 3-month follow-up). The outcome measures of this study were actual knowledge, and participants’ ratings of perceived knowledge and perceived self-confidence using questionnaires developed specifically for this study.\n\nRESULTS: The actual knowledge, perceived knowledge, and perceived self-confidence of gatekeepers in the experimental group improved significantly compared to those in the waitlist control group at posttest, and the effects remained significant at 3-month follow-up. The overall effect sizes were 0.76, 1.20, and 1.02, respectively, across assessments.\n\nCONCLUSIONS: The findings of this study indicate that Web-based suicide prevention E-learning modules can be an effective educational method to enhance knowledge and self-confidence of gatekeepers with regard to adolescent suicide prevention. Gatekeepers with limited time and resources can benefit from the accessibility, simplicity, and flexibility of Web-based training.","nl":"ACHTERGROND: Een persoonlijke training voor gatekeepers kan een effectief middel zijn om de kennis van gatekeepers en hun zelfredzaamheid te vergroten met het oog op suïcidepreventie bij jongeren. Er zijn echter factoren (bijvoorbeeld gebrek aan tijd en geld) die de deelname aan persoonlijke trainingen bemoeilijken. De overstap naar een online-omgeving kan deze belemmeringen misschien wegnemen. Hoewel er al onlinepreventietrainingen gericht op jongeren bestaan, is er nog niet genoeg bekend over de effectiviteit ervan. Voor deze studie is onderzoek gedaan naar de effectiviteit van een op jongeren (12-20 jaar) gericht onlinesuïcidepreventieprogramma van Mental Health Online. Dit programma is bedoeld om de kennis en het zelfvertrouwen van gatekeepers die met jongeren werken te vergroten. Het programma bestaat uit acht korte e-learningmodules waarin belangrijke aspecten in het proces van vroege herkenning, begeleiding en doorverwijzing van suïcidale jongeren worden behandeld. Daarnaast wordt er aanvullende informatie gegeven over suïcidepreventie. \n\nONDERZOEK: Er deden in totaal 190 gatekeepers (in de leeftijd van 21-62 jaar) aan deze studie mee. Zij werden willekeurig verdeeld over een experimentele groep en een wachtlijstcontrolegroep. De experimentele groep kreeg toegang tot de e-learningmodules en aanvullende informatie, terwijl de controlegroep het lesmateriaal pas na drie maanden mocht bestuderen. De deelnemers uit beide groepen moesten drie keer online een vragenlijst invullen (voorafgaand aan de test, na afloop en na drie maanden). Er werd gekeken naar feitelijk opgedane kennis en de door de deelnemers ervaren kennis en het ervaren zelfvertrouwen. De gebruikte vragenlijsten waren speciaal voor deze studie ontwikkeld. Bij de meting na afloop bleken de feitelijke kennis, de ervaren kennis en het ervaren zelfvertrouwen van gatekeepers in de experimentele groep significant toegenomen in vergelijking met de wachtlijstcontrolegroep. Na drie maanden waren die effecten nog steeds significant. \n\nCONCLUSIE: De resultaten van dit onderzoek wijzen erop dat e-learningmodules over suïcidepreventie een effectief educatief middel kunnen zijn om de kennis en het zelfvertrouwen van gatekeepers op het gebied van suïcidepreventie bij jongeren te vergroten. Gatekeepers die weinig tijd en geld hebben, kunnen baat hebben bij de toegankelijke, eenvoudige en flexibele opzet van onlinetrainingen."},"keywords":{"en":["adolescent","E-learning","gatekeepers","learning","modules","online systems","suicide","prevention","training","web-based","referral and consultation"],"nl":["adolescenten","E-learning","gatekeepers","leren","modules","online systemen","zelfdoding","preventie","training","webgebaseerd","verwijzing en raadpleging"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suicidality in Huntington’s disease","authors":"Hubers, A. A. M.","affiliations":"LUMC","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"GVO drukkers & vormgevers BV","identifier":"ISBN:9789064649479","link":"https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/37384","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In this thesis the epidemiology of suicidal ideation and suicide attempts (together referred to as ‘suicidality’) in Huntington’s disease (HD) is investigated and coping styles and support strategies that may serve to help suicidal HD mutation carriers are explored. Suicidality frequently occurs in HD, with a 1-month prevalence of up to 20%. Mutation carriers who were most likely to currently experience suicidal ideation or suicidality had a shorter disease duration, were anxious, aggressive, previously attempted suicide, used antidepressants, and had a depressed mood. The presence of a depressed mood and use of benzodiazepines were the only significant independent predictors of incident suicidal ideation or suicidality. Biological parameters, in particular functioning of the immune system and the hypothalamus-pituitary-adrenal axis were not found to be associated with suicidality in HD. In a qualitative study it was shown that suicidal HD mutation carriers generally used four strategies to cope with suicidality: talking about suicidality, employing self-management activities, using medication, and discussing end-of-life wishes. Lastly, in a meta-analysis, we examined whether the expression of suicidal ideation predicted subsequent completed suicide. Effect estimates differed substantially among different populations, but none of the included studies investigated this association in HD.","nl":"In dit proefschrift worden de resultaten beschreven van een onderzoek naar de epidemiologie van suïcidaliteit (suïcidale gedachten en suïcidepogingen) bij de ziekte van Huntington (ZvH) en naar copingstijlen en ondersteuningsstrategieën die suïcidale ZvH patiënten kunnen helpen. In een Nederlands en in een Europees cohort van ZvH gendragers werden, naast de prevalentie en incidentie van suïcidaliteit, de sociodemografische, klinische en biologische kenmerken die cross-sectioneel en longitudinaal geassocieerd zijn met suïcidaliteit onderzocht. In een kwalitatief onderzoek werd daarna geëxploreerd hoe ZvH gendragers zelf omgaan met suïcidaliteit en wat hun ideeën en wensen zijn ten aanzien van hoe naasten en gezondheidszorgprofessionals hen kunnen helpen bij het omgaan met suïcidaliteit. Ook werden de partners van deze ZvH gendragers geïnterviewd om te onderzoeken hoe zij hun partners ondersteunen bij het omgaan met suïcidaliteit. Tot slot werd in verschillende\npopulaties onderzocht of het uiten van suïcidale gedachten voorspellend is voor een latere suïcide."},"keywords":{"en":["Huntington's disease","psychopathology","suicide","depression","biomarkers","risk factors","coping","cohort"],"nl":["Ziekte van Huntington","psychopathologie","zelfdoding","depressie","biomarkers","risicofactoren","coping","cohort"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["meta","epi","obs","obs_cross","obs_long","kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Doding gevolgd door zelfdoding in Nederland [Homicide followed by suicide in the Netherlands]","authors":"Liem, M. C. A., & Van Keeken, N.","affiliations":"LU","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Mens & Maatschappij","identifier":"10.5117/MEM2016.2.LIEM","link":"https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/47041","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"Homicide followed by the suicide of the perpetrator often leads to shock and incomprehension. It has been suggested that media reporting on such cases could lead to an imitation effect. This article describes the nature and incidence of homicide-suicide in the Netherlands in the period 1992-2014. In addition, it assesses whether a copycat-effect can be established due to media reporting. Results show that homicide-suicides occur on average nine times per year. Intimate partner homicide-suicide and child homicide-suicide are the most frequent types of homicide-suicide. Even though several temporal clusters could be observed during the period of study, there are insufficient indications to confirm a copycat-effect. This may be attributed to the heterogeneous and multifaceted nature of this phenomenon, lacking one single potentially ‘contagious’ cause.","nl":"Dodingen waarna de dader suïcide pleegt zijn vaak schokkend en onbegrijpelijk. Er wordt wel gezegd dat berichtgeving over dergelijke voorvallen in de media kan leiden tot een copycat-effect. Dit artikel beschrijft de kenmerken en frequentie van doding gevolgd door suïcide in Nederland in de periode 1992-2014. Daarnaast wordt nagegaan of er een copycat-effect als gevolg van berichtgeving in de media kan worden vastgesteld. De resultaten wijzen uit dat doding gevolgd door suïcide gemiddeld negen keer per jaar voorkomt. In de meeste gevallen gaat het om iemand die zijn/haar levenspartner en/of kinderen doodt en daarna zichzelf. Hoewel er gedurende de onderzoeksperiode verschillende gevallen kort na elkaar voorkwamen, zijn er onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat er sprake is van een copycat-effect. Dit komt mogelijk door het heterogene en complexe karakter van dit verschijnsel, waarbij geen sprake is van één enkele oorzaak die mogelijk tot navolging kan leiden."},"keywords":{"en":["homicide","suicide","homicide-suicide","murder-suicide","epidemiology","copycat-effect","media reporting"],"nl":["moord","zelfdoding","moord-zelfdoding","epidemiologie","copycat-effect","media rapportage"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Trajectories of suicidal ideation in people seeking web-based help for suicidality: secondary analysis of a Dutch randomized controlled trial","authors":"Madsen, T., Van Spijker, B.A.J., Karstoft, K., Nordentoft, M., & Kerkhof, A. J. F. M","affiliations":"EMGO, VU","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Medical Internet Research","identifier":"10.2196/jmir.5904","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC4945815/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidal ideation (SI) is a common mental health problem. Variability in intensity of SI over time has been linked to suicidal behavior, yet little is known about the temporal course of SI.\n\nOBJECTIVE: The primary aim was to identify prototypical trajectories of SI in the general population and, secondarily, to examine whether receiving Web-based self-help for SI, psychiatric symptoms, or sociodemographics predicted membership in the identified SI trajectories.\n\nMETHODS: We enrolled 236 people, from the general Dutch population seeking Web-based help for SI, in a randomized controlled trial comparing a Web-based self-help for SI group with a control group. We assessed participants at inclusion and at 2, 4, and 6 weeks. The Beck Scale for Suicide Ideation was applied at all assessments and was included in latent growth mixture modeling analysis to empirically identify trajectories.\n\nRESULTS: We identified 4 SI trajectories. The high stable trajectory represented 51.7% (122/236) of participants and was characterized by constant high level of SI. The high decreasing trajectory (50/236, 21.2%) consisted of people with a high baseline SI score followed by a gradual decrease to a very low score. The third trajectory, high increasing (12/236, 5.1%), also had high initial SI score, followed by an increase to the highest level of SI at 6 weeks. The fourth trajectory, low stable (52/236, 22.0%) had a constant low level of SI. Previous attempted suicide and having received Web-based self-help for SI predicted membership in the high decreasing trajectory.\n\nCONCLUSIONS: Many adults experience high persisting levels of SI, though results encouragingly indicate that receiving Web-based self-help for SI increased membership in a decreasing trajectory of SI.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidale ideatie (SI) is een veel voorkomend gezondheidsprobleem. Mensen die hier last van hebben, hebben vaak suïcidale gedachten. Er lijkt een verband te bestaan tussen suïcidaal gedrag en de intensiteit van suïcidale gedachten, maar er is nog niet veel bekend over de wisselende intensiteit ervan over een langere periode. \n\nONDERZOEK: Wetenschappers hebben hier onderzoek naar gedaan. Ze wilden vooral weten of online zelfhulp bij suïcidale gedachten van invloed is op de intensiteit van deze gedachten en of je op basis van het gebruik van onlinezelfhulp kunt voorspellen hoe de suïcidale gedachten zich in de loop der tijd ontwikkelen. Voor dit onderzoek zijn 236 personen uit de Nederlandse bevolking ondervraagd die online hulp zochten bij suïcidale gedachten. Dat gebeurde aan het begin van het onderzoek en na twee, vier en zes weken. Op basis van de resultaten konden de deelnemers in vier ‘SI-groepen’ worden onderverdeeld: 1. Een hoge, stabiele groep, die 51,7% van de deelnemers (dus 122 van de 236) vertegenwoordigde, met een constant hoog niveau van SI. 2. Een hoge, afnemende groep (50/236, 21.2%), die bestond uit mensen die aan het begin een hoog SI-niveau hadden, dat na zes weken geleidelijk daalde tot een zeer laag niveau. 3. Een hoge, toenemende groep (12/236, 5.1%), ook met een hoog beginniveau, dat na zes weken echter nog verder steeg naar het hoogste SI-niveau. 4. Een lage, stabiele groep (52/236, 22.0%) met een constant laag SI-niveau. Eerdere suïcidepogingen en het gebruik van onlinezelfhulpmateriaal hadden een voorspellende waarde voor de tweede groep, dus de groep die aan het begin een hoog SI-niveau had, dat in de weken daarna sterk daalde. \n\nCONCLUSIE: Veel volwassenen ervaren een aanhoudend hoog SI-niveau, maar er zijn bemoedigende resultaten die laten zien dat het ontvangen van onlinezelfhulp bijdraagt aan een afname van de suïcidale gedachten."},"keywords":{"en":["suicidal ideation","online self-help","trajectories","latent growth mixture modeling","general population"],"nl":["suïcidale ideatie","online zelfhulp","trajecten","latent growth mixture modelling","algemene populatie"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Stigma, attitudes, and help-seeking intentions for psychological problems in relation to regional suicide rates","authors":"Reynders, A., Kerkhof, A. J. F. M., Molenberghs, G., & Van Audenhove C,","affiliations":"VU, EMGO","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-Threatening Behavior","identifier":"10.1111/sltb.12179","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26207530","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In this ecological study, we investigated whether help-seeking related to stigma, intentions, and attitudes toward suicide are associated with the suicide rates of 20 regions within the Netherlands and Belgium. Significant associations were found between regional suicide rates and the intention to seek informal help (β = -1.47, p = .001), self-stigma (β = 1.33, p = .038), and shame (β = .71, p = .030). The association between self-stigma and suicide rate was mediated by intentions to seek informal help. These results suggest that to promote suicide prevention at the level of the regional population, stigma, shame, and intentions to seek help should be targeted in the public domain.","nl":"ACHTERGROND: In deze studie is onderzocht of er een verband bestaat tussen hulp zoeken bij stigma, de intentie om hulp te zoeken en iemands houding ten aanzien van suïcide en het aantal suïcides, in twintig regio’s in Nederland en België. \n\nONDERZOEK: Er bleken significante verbanden te bestaan tussen regionale suïcidescijfers en de intentie om informele hulp te zoeken, zelfstigma en schaamte. Het verband tussen zelfstigma en het aantal suïcides werd beïnvloed door iemands intentie om informele hulp te zoeken. \n\nCONCLUSIE: Deze resultaten wijzen erop dat onderwerpen als stigma, schaamte en de intentie om hulp te zoeken aandacht moeten krijgen in het publieke domein, ter ondersteuning van suïcidepreventie op regionaal niveau."},"keywords":{"en":["Belgium","Netherlands","stigma","suicide rates"],"nl":["België","Nederland","stigma","zelfdoding cijfers"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Risicofactoren en beschermende factoren inzake suïcide in Nederland en Vlaanderen [Risk factors and protective factors relating to suicide in the Netherlands and Flanders]","authors":"Reynders, A., Kerkhof, A. J. F. M., Molenberghs, G., & Van Audenhove C,","affiliations":"VU, EMGO","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor Psychiatrie","identifier":null,"link":"http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/issues/498/articles/10766","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The suicide rate is 82% higher in the Flanders region of Belgium than in the Netherlands.\n\nAIM: To investigate to what extent Flanders and the Netherlands differ with regard to the risk factors and protective factors relating to suicide and attempted suicide.\n\nMETHOD: By means of a structured postal questionnaire, we collected data on the following topics from 2999 Flemish and Dutch people between 18 and 64 years: mental well-being and earlier attempts to commit suicide, the help they had received and their intention to seek help for psychological problems, awareness of the mental health care available, satisfaction with the help received, and attitudes to suicide.\n\nRESULTS: The incidence of psychological problems and suicidality did not differ significantly between Flanders and the Netherlands. Compared to Flemish people, Dutch people with psychological problems had received more psychological help and more often expressed the intention to seek help in the future. Furthermore, the Dutch were better informed about mental health care, and patient satisfaction was higher in the Netherlands. Compared to the Flemish people, the Dutch had more positive and understanding attitude to suicide.\n\nCONCLUSION: In general, risk factors for suicide were similar in the Netherlands and Flanders. However, the Dutch were characterised by more protective factors. We attempt to explain these differences and suggest ways of improving suicidal prevention policy.","nl":"ACHTERGROND: Vlaanderen heeft een suïcidecijfer dat 82% hoger is dan dat van Nederland. \n\nDOEL:  Met dit onderzoek gaan we na in welke mate Vlaanderen en Nederland van elkaar verschillen inzake risicofactoren en beschermende factoren inzake suïcide. METHODE Door middel van een gestructureerde postenquête verzamelden we bij 2999 Vlamingen en Nederlanders tussen de 18 en 64 jaar gegevens over hun psychisch welbevinden, hun suïcidaal verleden, de verkregen hulp en intenties om hulp te zoeken voor psychische problemen, kennis van het zorgaanbod, tevredenheid over de verkregen zorg en hun attitudes tegenover suïcide. \n\nRESULTATEN: Het voorkomen van psychische problemen en het hebben van een suïcidaal verleden verschilden niet significant tussen Nederland en Vlaanderen. Meer Nederlanders hadden wel ooit hulp gekregen voor psychische problemen en ze hadden vaker de intentie om hulp te zoeken in de toekomst dan Vlamingen. Ook de kennis van en tevredenheid over de zorg waren beter in Nederland dan in Vlaanderen. In Nederland had men vaker een positieve, aanvaardende attitude tegenover suïcide dan in Vlaanderen. \n\nCONCLUSIE: In Nederland scoort men op het vlak van beschermende factoren tegen suïcide beter dan in Vlaanderen. We gaan in op enkele verklaringen voor deze verschillen en bespreken de implicaties voor het suïcidepreventiebeleid."},"keywords":{"en":["attitude","Flanders","Netherlands","protective factors","risk factors","suicide","healthcare"],"nl":["attitude","beschermende factoren","Nederland","risicofactoren","zelfdoding","Vlaanderen","zorg"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Het aandeel suïcides door patiënten met een stoornis waarvan de ggz-behandeling thans niet meer vergoed wordt","authors":"Spuijbroek, A. T., Leezer, Y. M., De Beurs, D. P., & De Winter, R. F. P.","affiliations":"Parnassia, NIVEL, VU","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/27868175","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suffering from a psychiatric disorder is a well-known risk factor for suicide and suicidal behavior. Treatment of psychiatric disorders can reduce the risk of suicidal behavior and suicide. In the Netherlands, however, since 2012 the treatment costs of some psychiatric disorders have no longer been covered by health insurance. \n\nAIM: To find out what proportion of suicides were committed by patients with a psychiatric disorder for which treatment costs are no longer covered by health insurance since the rules changed in 2012. \n\nMETHOD: We studied the files of 314 patients who were known to one of the large mental health hospitals in the Netherlands and who had committed suicide between 1 January 1999 and January 2012. We were able to determine the various psychiatric disorders from which the patients were suffering at the time they died. RESULTS: About 6% of the patients who committed suicide between 1999 and 2012 suffered from a psychiatric disorder for which treatment costs are now no longer covered by health insurance. \n\nCONCLUSION: Given the results of this study, the increased rates of suicide in the Netherlands and the importance of scientific research into the characteristics of suicide, we recommend that patients with suicidal behavior are not excluded from adequate treatment in the event they may or may not have met the criteria for a DSM-IV classification.","nl":"ACHTERGROND: Het hebben van een psychiatrische stoornis is een bekende risicofactor voor suïcide en suïcidaal gedrag. De behandeling van psychiatrische stoornissen kan het risico op suïcidaal gedrag en suïcide verminderen. Sinds 2012 is de behandeling van een aantal psychiatrische stoornissen uitgesloten van vergoeding door de zorgverzekeraar.\n\nDOEL:  Retrospectief onderzoek naar het aandeel suïcides door patiënten met een psychiatrische stoornis waarvan de ggz-behandeling sinds 2012 niet meer vergoed wordt.\n\nMETHODE Dossieronderzoek over alle suïcides (314) in de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2013, van patiënten die bekend waren bij een van de grote ggz-instellingen in Nederland. De aanwezigheid van verschillende psychiatrische stoornissen op het moment van overlijden werd onderzocht.\n\nRESULTATEN: Ongeveer 6% van de patiënten die in de ggz door suïcide om het leven kwamen tussen 1999 en 2012 had een psychiatrische stoornis waarvan de behandeling thans niet meer vergoed wordt.\n\nCONCLUSIE: Gezien de uitkomsten uit het huidige onderzoek, het gestegen aantal suïcides in Nederland en het belang van gedegen onderzoek naar kenmerken van mensen overleden door suïcide, pleiten wij er dan ook voor om in het geval van suïcidaliteit patiënten niet uit te sluiten van behandeling op grond van de bij hen al dan niet aanwezige dsm-iv-classificatie."},"keywords":{"en":["health insurance cover","psychiatric illness","suicide","treatment costs","retrospective research"],"nl":["psychiatrische stoornis","zelfdoding","vergoeding\nzorgverzekering","behandelingskosten","retrospectief onderzoek"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief","anders"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suicide behavior before and after the start with antidepressants: a high persistent risk in the first month of treatment among the young","authors":"Termorshuizen, F., Palmen, S. J. M., & Heerdink, E. R.","affiliations":"UU, UMC Utrecht, Utrecht Institute of Pharmaceutical Sciences, Altrecht","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Neuropsychopharmacology","identifier":"10.1093/ijnp/pyv081","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC4772817/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: A causal relationship between antidepressants (ADs) and a high risk of suicidal behavior at a young age has been suggested. We analyzed the rates of suicide attempts during treatment with AD in comparison with the rates before treatment initiation for different ages.\n\nMETHODS: Claims of insurance company Achmea were linked to the population registry of Statistics Netherlands. Episodes of AD use were defined for those with their first registered prescription in 2006–2011 (n = 66,196). Rates were analyzed in a Poisson model. Correlates of attempts in the first month of AD use were assessed in a logistic model.\n\nRESULTS: Among those aged <25 years, a high rate of suicide attempts during the month before the start of ADs was found (376.3/10 000 person yrs). A non-significant increase in the first month (p = 0.212) was found and a non-significant trend to lower values was determined thereafter (p = 0.3050). Among those ≧25 years, a clear decrease to lower rates immediately after the start was observed (p < 0.025). The highest rates of suicide were found among those >40 years during the first month. Female gender was, but treatment characteristics were not, associated with early attempts at a young age.\n\nCONCLUSIONS: Among young AD users, a high pre-treatment risk of suicide attempts was present and persisted during the early phases after the start. This contrasted with the clear decrease in risk among those aged ≧25 years, suggesting lower effectiveness of ADs to prevent suicidal behavior at young ages. Caution should be exercised to infer a causal relationship or to use data on attempts to predict risk of suicide during AD use.","nl":"ACHTERGROND: Dat jongeren een verhoogd risico lopen als het gaat om suïcidaal gedrag, lijkt samen te hangen met het gebruik van antidepressiva. Daarom is er onderzoek gedaan naar het aantal suïcidepogingen tijdens de behandeling met antidepressiva in vergelijking met het aantal suïcidepogingen voordat de behandeling van start was gegaan. Daarbij werd naar verschillende leeftijdsgroepen gekeken.  \n\nONDERZOEK: Declaraties voor antidepressiva die bij verzekeraar Achmea waren ingediend, werden gekoppeld aan de bevolkingsstatistiek van het CBS. Voor de periode 2006-2011 werd het gebruik van antidepressiva in kaart gebracht voor patiënten die deze middelen voor het eerst voorgeschreven hadden gekregen. Met behulp van statistische modellen werden suïcidepogingen onderzocht die werden gedaan tijdens de eerste maand waarin patiënten antidepressiva gebruikten. Onder mensen jonger dan 25 jaar was het aantal suïcidepogingen groot in de maand voorafgaand aan het eerste gebruik van antidepressiva. Tijdens de eerste maand van het antidepressivagebruik was een niet-significante stijging te zien en in de periode daarna was er sprake van een niet-significante daling. Bij mensen van 25 jaar en ouder was er een duidelijke daling te zien in het aantal suïcidepogingen meteen vanaf het moment dat ze antidepressiva begonnen te gebruiken. Tijdens de eerste maand bleek het hoogste aantal suïcides voor te komen bij de leeftijdsgroep van boven de 40 jaar. Bij vrouwen leek er een verband te zijn met eerdere pogingen op jonge leeftijd, maar voor de behandelkenmerken was dat niet het geval. \n\nCONCLUSIE: Bij jonge gebruikers van antidepressiva was er voorafgaand aan de behandeling een hoog risico op suïcidepogingen en dit risico bleef groot tijdens de eerste fase van de behandeling. Daarentegen was er een duidelijke risicodaling te zien bij mensen van 25 jaar en ouder. Dat kan erop wijzen dat antidepressiva voor jongeren een minder effectief middel zijn om suïcidaal gedrag te voorkomen. Bij het trekken van conclusies over een eventuele causale relatie is terughoudendheid dus geboden. De kans op suïcide kan niet zonder meer worden voorspeld op basis van gegevens over suïcidepogingen tijdens het gebruik van antidepressiva."},"keywords":{"en":["age","antidepressants","pharmaco-epidemiology","suicide","suicide attempts","youth"],"nl":["leeftijd","antidepressiva","farmacoepidemiologie","zelfdoding","zelfdodingpogingen","jeugd"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Suicide by asphyxiation with or without helium inhalation in the region of Amsterdam (2005-2014)","authors":"Van den Hondel, K. E., Buster, M., & Reijnders, U. J. L.","affiliations":"FARR, GGD Amsterdam","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Forensic and Legal Medicine","identifier":"10.1016/j.jflm.2016.08.012","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1752928X16300993","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: Annually about 28% of the 5800 death of unnatural cause in the Netherlands are a result of suicide. In 2012 and 2013 a movie and a book were published about a \"dignified end of life\" which also described the suicide using the exit bag to establish asphyxia using helium. The purpose of this study is to investigate if the suicide methods changed since the publicity in 2013 about suicidal asphyxiation by using helium gas. This study especially focuses on suicide using the 'exit bag' with or without helium gas.\n\nMATERIAL AND METHODS: In the period 2005 to 2014 all suicides in the region of Amsterdam-Amstelland and Zaanstreek-Waterland were analyzed and from these suicides cases using the exit bag were selected.\n\nRESULTS: The study shows a rising trend with the use of the helium (P > 0.01) and a decreasing trend for suicide by asphyxia using an exit bag (P < 0.05). The data does not show a sudden difference, but there seems to be a gradually change.\n\nDISCUSSION: The number of suicides using the helium method is rising in Amsterdam-Amstelland and Zaanstreek-Waterland, while suicides by asphyxiation without helium are decreasing. The specific publicity of books about suicides using helium may have influenced this transition.","nl":"ACHTERGROND: Jaarlijks is ongeveer 28% van de 5800 sterfgevallen door onnatuurlijke oorzaken in Nederland het gevolg van suïcide. In 2012 en 2013 werden een boek en een film uitgebracht over een 'waardig levenseinde' waarin onder meer wordt gesproken over suïcide met behulp van een zogenoemde 'exit bag' (een zak die wordt gebruikt voor verstikking) in combinatie met heliumgas.  \n\nONDERZOEK: Deze studie is bedoeld om erachter te komen of de methoden van suïcide zijn veranderd sinds de publiciteit voor verstikking met heliumgas in 2013. Er is met name gekeken naar suïcide met behulp van de 'exit bag' met of zonder heliumgas. Alle suïcides in de regio's Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland in de periode van 2005 tot 2014 zijn geanalyseerd en hieruit zijn alle gevallen waarbij de ‘exit bag’ is gebruikt geselecteerd. De studie laat een toename van het gebruik van helium zien en een afname van het aantal suïcides door verstikking met een ‘exit bag’.  \n\nCONCLUSIE: De gegevens vertonen geen plotseling verschil, maar er lijkt een geleidelijke verandering te zijn. Het aantal suïcides met gebruik van helium neemt toe in Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland, terwijl het aantal suïcides door verstikking zonder helium afneemt. De specifieke publiciteit over suïcide met helium kan van invloed zijn geweest op deze ontwikkeling."},"keywords":{"en":["suicide","asphyxial suicide","helium","plastic bag","documentation about suicide","exit bag","forensic physician"],"nl":["zelfdoding","asfyxiale zelfdoding","helium","plastic tas","documentatie over zelfdoding","exit bag","forensische arts"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Onlinehulp bij suïcidale gedachten: budgetimpactanalyse [online self-help for persons with suicidal intentions: budget impact analysis]","authors":"Van Spijker, B. A. J., Kerkhof, A. J. F. M., Lokkerbol, J., Engels, R., & Smit, F.","affiliations":"VU, Trimbos, VUmc, UU, UMCG","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor Psychiatrie","identifier":null,"link":"http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/en/issues/506/articles/10947","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Every year about 462,000 people in the Netherlands contemplate committing suicide. This has an adverse effect on their quality of life, on their productivity and on the costs of health care. A low-threshold online self-help intervention could improve the situation significantly. A cost-effectiveness analysis was conducted during a randomised trial evaluating the online self-help intervention. \n\nAIM: We conducted a budget impact analysis on the base of this cost-effectiveness analysis.  \n\nMETHOD Our method took the form of a hypothetical series of scenarios. A conservative estimate was that between 10 and 20% of the target group could be reached with the self-help intervention. The proposed time-frame was as follows: first of all there is a 6-year implementation period that brings no obvious economic benefits and then there will be a 10-year period during which the intervention is used with the target group on a regular basis. \n\nRESULTS: According to the above-mentioned scenarios, the economic benefits to society were likely to amount to between € 396 million and € 792 million, 57% of the sum to be awarded to health care services and 43% to the employment sector because of increased productivity. \n\nCONCLUSION The budget impact analysis demonstrate that online self-help intervention are effective and cost-efficient that they also go hand in hand with favourable budget impacts.","nl":"ACHTERGROND: In een jaar hebben circa 462.000 Nederlanders suïcidale gedachten. Dat heeft een forse impact op de kwaliteit van hun leven, op zorgkosten en arbeidsproductiviteit. Een laagdrempelige onlinezelfhulpinterventie kan hierin verandering brengen. De kosteneffectiviteit van zo’n interventie werd geëvalueerd in een gerandomiseerd effectonderzoek.\n\nDOEL:  Verrichten van een budgetimpactanalyse op basis van het eerdere effectonderzoek. \n\nMETHODE: We namen aan dat 10-20% van de doelgroep zou worden bereikt na een 6-jarige implementatieperiode waarin geen baten zouden worden genoten. Daarna volgde een periode van 10 jaar waarin de interventie zou worden toegepast.\n\nRESULTATEN: In de gekozen scenario’s ontstonden maatschappelijke baten tussen de 396 en 792 miljoen euro, waarvan 57% in de zorg en 43% door toegenomen arbeidsproductiviteit.\n\nCONCLUSIE De analyses laten zien dat de onlinezelfhulpinterventie werkzaam en kosteneffectief is en bovendien gepaard gaat met zeer gunstige budgetimpact."},"keywords":{"en":["budget impact analysis","economic evaluation","self-help","suicidal ideation+L36"],"nl":["budgetimpactanalyse","economische evaluatie","suïcidale gedachten","zelfhulp"]},"region":["nationaal"],"type":["implementatie","kwantitatief","anders"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Prefrontal changes in the glutamate-glutamine cycle and neuronal/glial glutamate transporters in depression with and without suicide","authors":"Zhao, J., Verwer, R. W. H., Van Wamelen, D. J., Qi, X. R., Gao, S. F., Lucassen, P.J., & Swaab, D. F.","affiliations":"NiN, LUmc, UvA","affiliation113":false,"year":2016,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Psychiatric Research","identifier":"10.1016/j.jpsychires.2016.06.017","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0022395616301248?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"There are indications for changes in glutamate metabolism in relation to depression or suicide. The glutamate-glutamine cycle and neuronal/glial glutamate transporters mediate the uptake of the glutamate and glutamine. The expression of various components of the glutamate-glutamine cycle and the neuronal/glial glutamate transporters was determined by qPCR in postmortem prefrontal cortex. The anterior cingulate cortex (ACC) and the dorsolateral prefrontal cortex (DLPFC) were selected from young MDD patients who had committed suicide (MDD-S; n = 17), from MDD patients who died of non-suicide related causes (MDD-NS; n = 7) and from matched control subjects (n = 12). We also compared elderly depressed patients who had not committed suicide (n = 14) with matched control subjects (n = 22). We found that neuronal located components (EAAT3, EAAT4, ASCT1, SNAT1, SNAT2) of the glutamate-glutamine cycle were increased in the ACC while the astroglia located components (EAAT1, EAAT2, GLUL) were decreased in the DLPFC of MDD-S patients. In contrast, most of the components in the cycle were increased in the DLPFC of MDD-NS patients. In conclusion, the glutamate-glutamine cycle - and thus glutamine transmission - is differentially affected in depressed suicide patients and depressed non-suicide patients in an area specific way.","nl":"ACHTERGROND: Er zijn aanwijzingen voor een verband tussen veranderingen in het glutamaatmetabolisme en depressie of suïcide. De glutamaat-glutaminecyclus en de neuronale/gliale glutamaattransporters reguleren de opname van glutamaat en glutamine.  \n\nONDERZOEK: De expressie van de verschillende componenten van de glutamaat-glutaminecyclus en de neuronale/gliale glutamaattransporters werd bepaald door een kwantitatieve polymerasekettingreactie in de postmortale prefrontale cortex. De onderzoekers selecteerden de cortex cingularis anterior en de dorsolaterale prefrontale cortex van jonge patiënten met een depressie die suïcide hadden gepleegd, van patiënten met een depressie die door andere oorzaken dan suïcide om het leven waren gekomen en van een gematchte controlegroep. Ook werden oudere patiënten met een depressie die geen suïcide hadden gepleegd vergeleken met een gematchte controlegroep. De onderzoekers constateerden dat de componenten van de glutamaat-glutaminecyclus in de zenuwcellen verhoogd waren in de cortex cingularis anterior, terwijl de componenten in de astrocyten verlaagd waren in de dorsolaterale prefrontale cortex van patiënten met een depressie die suïcide hadden gepleegd. De meeste componenten in de cyclus waren juist verlaagd in de dorsolaterale prefrontale cortex van patiënten met een depressie die geen suïcide hadden gepleegd.  \n\nCONCLUSIE: Er kan worden geconcludeerd dat de glutamaat-glutaminecyclus, en daarmee de glutamineoverdracht, op verschillende manieren lokaal afwijkt bij depressieve patiënten die wel en geen suïcide hebben gepleegd."},"keywords":{"en":["anterior cingulate cortex","glutamate-glutamine cycle","glutamate transporter","depression","suicide"],"nl":["anterieure cingulate cortex","glutamaat-glutamine cyclus","glutamaat transporter","depressie","zelfdoding"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_cross","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["patientcohort","populationcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Cyber and traditional bullying victimization as a risk factor for mental health problems and suicidal ideation in adolescents","authors":"Bannink, R., Broeren, S., Van de Looij-Jansen, P. M., De Waart, F. G., & Raat, H.","affiliations":"Erasmus UMC, GGD Rotterdam","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"PLoS One","identifier":"10.1371/journal.pone.0094026","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/24718563","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"PURPOSE: To examine whether traditional and cyber bullying victimization were associated with adolescent’s mental health problems and suicidal ideation at two-year follow-up. Gender differences were explored to determine whether bullying affects boys and girls differently.\n\nMETHODS: A two-year longitudinal study was conducted among first-year secondary school students (N = 3181). Traditional and cyber bullying victimization were assessed at baseline, whereas mental health status and suicidal ideation were assessed at baseline and follow-up by means of self-report questionnaires. Logistic regression analyses were conducted to assess associations between these variables while controlling for baseline problems. Additionally, we tested whether gender differences in mental health and suicidal ideation were present for the two types of bullying.\n\nRESULTS: There was a significant interaction between gender and traditional bullying victimization and between gender and cyber bullying victimization on mental health problems. Among boys, traditional and cyber bullying victimization were not related to mental health problems after controlling for baseline mental health. Among girls, both traditional and cyber bullying victimization were associated with mental health problems after controlling for baseline mental health. No significant interaction between gender and traditional or cyber bullying victimization on suicidal ideation was found. Traditional bullying victimization was associated with suicidal ideation, whereas cyber bullying victimization was not associated with suicidal ideation after controlling for baseline suicidal ideation.\n\nCONCLUSIONS: Traditional bullying victimization is associated with an increased risk of suicidal ideation, whereas traditional, as well as cyber bullying victimization is associated with an increased risk of mental health problems among girls. These findings stress the importance of programs aimed at reducing bullying behavior, especially because early-onset mental health problems may pose a risk for the development of psychiatric disorders in adulthood.","nl":"ACHTERGROND: Er is een tweejarige studie uitgevoerd onder brugklasleerlingen om te onderzoeken of traditioneel of online gepest worden leidt tot psychische problemen en suïcidale gedachten bij adolescenten. Hierbij is ook gekeken naar genderverschillen om na te gaan of pesten een verschillend effect heeft op jongens en meisjes.  \n\nONDERZOEK: Aan het begin van het onderzoek werd geëvalueerd welke leerlingen traditioneel of online werden gepest. De geestelijke gezondheid en suïcidale gedachten van de leerlingen werden aan het begin en na twee jaar beoordeeld door middel van vragenlijsten die de kinderen zelf invulden. Deze gegevens werden statistisch geanalyseerd en er werd een correctie uitgevoerd voor problemen die al voor het begin van het onderzoek bestonden. Daarnaast werd gekeken of de twee vormen van pesten bij jongens en meisjes een verschillend effect hadden op de geestelijke gezondheid en suïcidale gedachten. Er bleken inderdaad genderverschillen te zijn in de relatie tussen traditioneel en online gepest worden en psychische problemen. Bij jongens verhoogden de twee vormen van pesten de kans op psychische problemen niet, maar bij meisjes wel. Wat suïcidale gedachten betreft waren de resultaten voor jongens en meisjes hetzelfde: traditioneel gepest worden verhoogt de kans op suïcidale gedachten, maar online gepest worden niet.  \n\nCONCLUSIE: Traditioneel gepest worden verhoogt de kans op suïcidale gedachten, terwijl traditioneel en online gepest worden een hoger risico op psychische problemen oplevert bij meisjes. Deze bevindingen benadrukken het belang van programma’s tegen pesten, vooral omdat beginnende psychische problemen een risico kunnen zijn voor de ontwikkeling van psychische aandoeningen in het volwassen leven."},"keywords":{"en":["cyber bullying","victimization","mental health problems","suicidal ideation","adolescents","secondary school","gender differences","Rotterdam Youth Monitor","high school","education","age","ethnicity"],"nl":["cyber bullying","pesten","slachtofferschap","psychische problemen","suïcidale ideatie","adolescenten","middelbare school","geslachtverschillen","Rotterdam Jeugd Monitor","onderwijs","leeftijd","etniciteit"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicide in recent onset psychosis revisited: significant reduction of suicide rate over the last two decades: replication study of a Dutch incidence cohort","authors":"Casteleinm S., Liemburg, E. J., De Lange, J. S., Van Es, F. D., Visser, E., Aleman, A., Bruggeman, R., & Knegtering, H.","affiliations":"RUG, UMC Groningen, Lentis","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"PLoS One","identifier":"10.1371/journal.pone.0129263","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC4466318/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"This study aims to compare the suicide risk over the past decade following recent onset psychosis to findings from the eighties and nineties in the same catchment area and to identify predictors of suicide in the context of the Psychosis Recent Onset Groningen-Survey (PROGR-S). A medical file search was carried out to determine the current status of all patients admitted between 2000 and 2009. The suicide rate was compared with a study executed in 1973–1988 in the same catchment area. Predictors of suicide were investigated using Cox regression. The status of 424 of the 614 patients was known in July 2014. Suicide occurred in 2.4% of patients with psychosis disorders (n = 10; mean follow-up 5.6 years); 6 out of 10 suicides took place within two years. Within two decades, the suicide rate dropped from 11% (follow-up 15 years, 8.5% after 5 years) to 2.4%. The Standardized Mortality Rate (SMR) of suicides compared with the general population was 41.6. A higher age was the only significant predictor for suicide. Neuroticism, living situation, disorganized and negative symptoms, and passive coping style all showed a trend for significance. A significant reduction in the suicide rate was found for people with psychosis over the past decades. Given the high SMR, suicide research should be given the highest priority. Identifying predictors may contribute to further reduction of suicide among patients with psychosis.","nl":"ACHTERGROND: In deze studie zijn de gegevens die in de afgelopen tien jaar zijn verzameld over het suïciderisico na een recent opgetreden psychose vergeleken met de bevindingen uit de jaren tachtig en negentig op dat gebied. Daarnaast wilden de onderzoekers voorspellende factoren voor suïcide in kaart brengen.  \n\nONDERZOEK: Om te bepalen hoe het nu gaat met alle patiënten die tussen 2000 en 2009 zijn opgenomen, zijn de medische dossiers doorzocht. Het aantal suïcides is vergeleken met een soortgelijk onderzoek dat in de periode van 1973 tot 1988 is uitgevoerd. De voorspellende factoren voor suïcide zijn statistisch onderzocht. In juli 2014 was de status van 424 van de 614 patiënten bekend. 2,4% van de patiënten met psychotische stoornissen had suïcide gepleegd (tien personen). Zes van de tien suïcides vonden plaats binnen twee jaar. In twintig jaar daalde het suïcidepercentage van 11% naar 2,4%. \n\nCONCLUSIE: Een hogere leeftijd was de enige significante voorspellende factor voor suïcide. Emotionele instabiliteit, woonsituatie, gedesorganiseerde en negatieve symptomen en passiviteit lijken allemaal een rol te spelen, maar zijn niet significant. In de afgelopen decennia was er een significante daling van het aantal suïcides door mensen met een psychose. Gezien het hoge gestandaardiseerde sterftecijfer moet aan onderzoek naar suïcide de hoogste prioriteit worden gegeven. De identificatie van voorspellende factoren kan bijdragen aan een verdere verlaging van het aantal suïcides onder patiënten met een psychose."},"keywords":{"en":["suicide risk","psychosis"],"nl":["zelfdodingrisico","psychose"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Antidepressant use and the risk of suicide: a population-based cohort study","authors":"Cheung, K., Aarts, N., Noordam, R., Van Blijderveen, J. C., Sturkenboom, M. C., Ruiter, R., Visser, L. E., & Stricker, B. H.","affiliations":"Erasmus mc, HAGA, Zorginspectie Den Haag","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2014","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/25553409","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The existing literature provides contradictory evidence on antidepressant use and risk of suicide. Some studies have shown that the use of Selective Serotonin Reuptake Inhibitors (SSRIs) is associated with an increased risk of suicide, especially during the first months of treatment, whereas other studies did not confirm this association. For this reason, our objective was to investigate the association between antidepressant use and risk of suicide in incident antidepressant users in relation to time since starting therapy.\n\nMETHODS: We conducted a population-based cohort study within the Dutch Integrated Primary Care Information (IPCI) database, in incident users of antidepressant therapy between 1994 and 2012 (n=27,712). Cox proportional hazard models were used to study the association between current use of SSRIs, tricyclic antidepressants (TCA) and other antidepressants and risk of suicide or attempted suicide.\n\nRESULTS: During follow-up, a total of 280 incident antidepressant users attempted or committed suicide. Current use of SSRIs (hazard ratio (HR): 0.78, 95% CI: 0.57-1.07), TCAs (HR: 0.82, 95% CI: 0.48-1.42) or other antidepressants (HR: 0.75, 95% CI: 0.47-1.18) was not statistically significantly associated with suicide compared to past use of any of the antidepressants.\n\nLIMITATIONS: Although a large healthcare database was used, the number of reported cases of suicide (attempt) was low.\n\nCONCLUSIONS: This study did not indicate an increase in risk of suicide after starting treatment with SSRIs, TCAs or other antidepressants compared with past antidepressant use.","nl":"ACHTERGROND: De bestaande literatuur levert tegenstrijdige informatie over het verband tussen het gebruik van antidepressiva en het risico op suïcide. Sommige onderzoeken hebben aangetoond dat het gebruik van selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI's) kan leiden tot een verhoogd risico op suïcide, vooral tijdens de eerste maanden van de behandeling, terwijl andere onderzoeken dit niet bevestigen. Daarom is onderzoek gedaan naar het verband tussen het gebruik van antidepressiva en het risico op suïcide bij nieuwe gebruikers van antidepressiva. \n\nONDERZOEK: Binnen een Nederlandse patiëntendatabase is een cohortstudie uitgevoerd naar nieuwe gebruikers van antidepressiva tussen 1994 en 2012 om te zien of er een verband was tussen het gebruik van SSRI's, tricyclische antidepressiva (TCA's) en andere antidepressiva en het risico op suïcide of pogingen daartoe. In de follow-up-periode deden in totaal 280 nieuwe antidepressivagebruikers een al dan niet dodelijke suïcidepoging. Er was geen significant verschil tussen patiënten die SSRI's, TCA's of andere antidepressiva gebruikten op het moment van de (poging tot) suïcide en patiënten die in het verleden antidepressiva hadden gebruikt.  \n\nKANTTEKENING: hoewel er gebruik is gemaakt van een grote zorgdatabase was het aantal gemelde suïcide(poging)en laag.  \n\nCONCLUSIES: Dit onderzoek heeft niet aangetoond dat er een groter risico op suïcide is na het begin van een behandeling met SSRI's, TCA's of andere antidepressiva vergeleken met gebruik van antidepressiva in het verleden."},"keywords":{"en":["depression","selective serotonin reuptake inhibitors","tricyclic antidepressants","suicide"],"nl":["depressie","selectieve serotonine heropname remmers","tricyclische antidepressiva","zelfdoding"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"lmproving care for suicidal patients by implementing guideline recommendations","authors":"De Beurs, D. P.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"Nivel","identifier":"ISBN 9789 0902 8813","link":"https://www.nivel.nl/nl/publicatie/improving-care-suicidal-patients-implementing-guideline-recommendations-effect-e","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicidal patients","implementation","guidelines","E-learning","Train-the-Trainer"],"nl":["suïcidale patiënten","implementatie","richtlijnen","E-learning","Train-the-Trainer"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Training mental health professionals in suicide practice guideline adherence: cost-effectiveness analysis alongside a randomized controlled trial","authors":"De Beurs, D. P., Bosmans, J. E., Groot, M. H., De Keijser, J., Van Duijn, E., Winter, R. F. P., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, NIVEL, EMGO, RUG, GGZ Friesland, GGZ Delfland, Parnassia","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2015.07.028","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26247913","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: There is a lack of information on the cost-effectiveness of suicide prevention interventions. The current study examines the cost-effectiveness of a multifaceted structured intervention aiming to improve adherence to the national suicide practice guideline in comparison with usual implementation.\n\nMETHODS: In the intervention condition, professionals of psychiatric departments were trained using an E-learning supported Train-the-Trainer program. Newly admitted suicidal patients were assessed as soon as their department was trained and at 3 months follow-up. The primary outcome was improvement in suicide ideation. Missing cost and effect data were imputed using multiple imputation. Cost-effectiveness planes were plotted, and cost-effectiveness acceptability curves were estimated.\n\nRESULTS: For the total group of suicidal patients (n=566), no effect of the intervention on suicide ideation or costs was found. For a subgroup of depressed suicidal patients (n=154, intervention=75, control=79), mean level of suicide ideation decreased with 2.7 extra points in the intervention condition, but this was not statistically significant. For this subgroup, the intervention may be considered cost-effective in comparison with usual implementation if society is willing to pay≥€ 6100 per unit of effect on the suicide ideation scale extra.\n\nLIMITATIONS: Considering the cost outcomes, we had almost no cases that were complete, and heavily relied on statistical techniques to impute the missing data. Also, diagnoses were not derived from structured clinical interviews.\n\nCONCLUSIONS: We presented the first randomized trial (trial registration: The Netherlands Trial Register (NTR3092 www.trialregister.nl)) on cost-effectiveness of a suicide practice guideline implementation in mental health care. The intervention might be considered cost-effective for depressed suicidal patients if society is willing to make substantial investments.","nl":"ACHTERGROND: Er is een gebrek aan informatie over de kosteneffectiviteit van interventies op het gebied van suïcidepreventie. In deze studie wordt onderzocht of de kosten van een interventie, gericht op een betere naleving van nationale suïciderichtlijnen, opwegen tegen de effecten, in vergelijking met de gangbare praktijk. \n\nONDERZOEK: Er werd gewerkt met een interventiegroep en een controlegroep. In de interventiegroep zaten medewerkers van psychiatrische afdelingen. Zij volgden een online train-de-trainer-cursus. Nieuwe suïcidale patiënten werden getest op het moment dat hun behandelaars net de training hadden afgerond en nogmaals na drie maanden. Er werd vooral onderzocht of de patiënten minder suïcidale gedachten hadden. Voor de totale groep suïcidale patiënten werden er geen effecten gevonden op hun suïcidale gedachten of de kosten. Voor een subgroep van depressieve suïcidale patiënten namen de suïcidale gedachten in de interventiegroep iets af, maar dit verschil was niet statistisch significant. Voor deze subgroep kan de interventie kosteneffectief worden genoemd vergeleken met de normale praktijk, mits de samenleving bereid is daar veel geld in te investeren. KANTTEKENINGEN: voor wat betreft de kosten waren er vrijwel geen complete casussen beschikbaar en moesten de onderzoekers grotendeels terugvallen op statistische modellen om de ontbrekende gegevens in te vullen. Daarnaast waren de diagnoses niet gesteld door een arts, tijdens een persoonlijk gesprek, maar via zelfrapportage (een vragenlijst die de patiënten zelf moesten invullen). \n\nCONCLUSIE: Dit is het eerste gerandomiseerde onderzoek naar de kosteneffectiviteit van de invoering van een suïciderichtlijn in de geestelijke gezondheidszorg. De interventie kan als kosteneffectief worden beschouwd voor depressieve suïcidale patiënten, mits de samenleving bereid is daar aanzienlijk in te investeren."},"keywords":{"en":["cost-effectiveness","guideline","implementation","quality of life","suicide","Train-the-Trainer","multifaceted structured intervention"],"nl":["kost-effectiviteit","richtlijn","implementatie","levenskwaliteit","zelfdoding","Train-the-Trainer","veelzijdige gestructureerde interventie"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"The effect of an E-learning supported Train-the-Trainer programme on implementation of suicide guidelines in mental health care","authors":"De Beurs, D. P., De Groot, M. H., De Keijser, J., Mokkenstorm, J., Van Duijn, E., De Winter, R. F. P., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, EMGO, RUG, GGZinGeest, GGZ Delfland, GGZ Parnassia","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2015.01.046","link":"https://www.jad-journal.com/article/S0165-0327(15)00050-6/fulltext","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Randomized studies examining the effect of training of mental health professionals in suicide prevention guidelines are scarce. We assessed whether professionals benefited from an E-learning supported Train-the-Trainer programme aimed at the application of the Dutch multidisciplinary suicide prevention guideline. \n\nMETHODS: 45 psychiatric departments from all over the Netherlands were clustered in pairs and randomized. In the experimental condition, all of the staff of psychiatric departments was trained by peers with an E-learning supported Train-the-Trainer programme. Guideline adherence of individual professionals was measured by means of the response to on-line video fragments. Multilevel analyses were used to establish whether variation between conditions was due to differences between individual professionals or departments. \n\nRESULTS: Multilevel analysis showed that the intervention resulted in an improvement of individual professionals. At the 3 month follow-up, professionals who received the intervention showed greater guideline adherence, improved self-perceived knowledge and improved confidence as providers of care than professionals who were only exposed to traditional guideline dissemination. Subgroup analyses showed that improved guideline adherence was found among nurses but not among psychiatrists and psychologists. No significant effect of the intervention on team performance was found.\n\nLIMITATIONS: The ICT environment in departments was often technically inadequate when displaying the video clips clip of the survey. This may have caused considerable drop-out and possibly introduced selection bias, as professionals who were strongly affiliated to the theme of the study might have been more likely to finish the study. \n\nCONCLUSIONS: Our results support the idea that an E-learning supported Train-the-Trainer programme is an effective strategy for implementing clinical guidelines and improving care for suicidal patients.","nl":"ACHTERGROND: Er is een online train-de-trainer-cursus ontwikkeld voor de invoering van de Nederlandse suïciderichtlijn in de geestelijke gezondheidszorg. De literatuur over implementatiestrategieën beperkt zich vaak tot een eindrapportage over een onderzoek. Er zijn dan weinig mogelijkheden om de resultaten uitgebreider te onderzoeken, terwijl dit de kans op een succesvolle herhaling van interventies zou kunnen vergroten. Daarom wordt in dit onderzoek de theoretische en empirische achtergrond van het trainingsprogramma beschreven, evenals het materiaal en de praktische uitgangspunten. \n\nONDERZOEK: De onderzoekers onderzochten de effecten van de cursus door een aantal zorgverleners te volgen die aan de cursus meededen. Die werden tijdens en na afloop van de cursus getest. In het onderzoek worden alle onderdelen van de interventie (train-de-trainer-cursus, een-op-eentraining van één dag, e-learning) gedetailleerd beschreven. Tijdens het onderzoek kregen 518 zorgverleners een training van 37 trainers. Na afloop van dit traject volgden meer dan 5000 zorgverleners en 180 gatekeepers een training. De e-learningmodule wordt momenteel ingevoerd bij 30 ggz-instellingen in Nederland. \n\nCONCLUSIE: Deze resultaten doen vermoeden dat een online train-de-trainer-cursus een efficiënte manier is om zorgverleners met nieuwe interventies te laten werken. De een-op-eentraining was eenvoudig te herhalen (repliceerbaar), zodat het trainingsprotocol zonder problemen kon worden gevolgd. Dat de training online beschikbaar was, vereenvoudigde de verspreiding van het lesmateriaal, hoewel ICT-problemen daarbij een remmende factor waren. Over het algemeen waren zowel de trainers als de deelnemers positief over deze interventie. Het is de bedoeling dat dit cursusprogramma nog breder wordt toegepast, door het materiaal uitgebreid te beschrijven en alle trainingsmaterialen online aan te bieden."},"keywords":{"en":["suicide","implementation","guideline","E-learning","Train-the-Trainer"],"nl":["zelfdoding","implementatie","richtlijn","E-learning","Train-the-Trainer"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Longitudinal measurement invariance of the Beck Scale for Suicide Ideation","authors":"De Beurs, D. P., Fokkema, M., Groot, M. H., De Keijser, J., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, EMGO, GGZ Friesland, RUG","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychiatry Research","identifier":"10.1016/j.psychres.2014.11.075","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165178114009998","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In mental health care, both clinical and scientific decisions are based on within-subject comparisons of test scores on the same self-report questionnaire at different points in time. To establish the validity of test score comparisons over time, longitudinal measurement invariance should be established. The current study tested whether the 19 item Beck Scale for Suicide Ideation (BSS) is measurement invariant (MI) over time. As the first five items of the scale are often used to screen for the presence of suicidal thoughts, we also tested a model consisting of only the first five items. Psychiatric in- and out-patients (n=475) completed the questionnaire upon admission and after 3 months. By means of confirmatory factor analysis (CFA) we tested whether the parameters of a single factor model were equal over time. All fit indices indicated that both the 19-item questionnaire and the five-item screener were measurement invariant over time. This means that changes in test-scores over time can be attributed to true changes in the construct of interest. These findings legitimate the use of the 19 item scale and the five-item screener in longitudinal assessments.","nl":"ACHTERGROND: In de geestelijke gezondheidszorg worden klinische en wetenschappelijke beslissingen gebaseerd op zelfrapportagevragenlijsten: deelnemers aan een onderzoek moeten dezelfde vragenlijst op verschillende momenten invullen, waarna de resultaten met elkaar worden vergeleken. Om de validiteit van de vergeleken testresultaten in de loop der tijd te kunnen vaststellen, moet er sprake zijn van meetinvariantie over een langere periode. Meetinvariantie is de aanname dat individuen dezelfde vragen na verloop van tijd op dezelfde manier interpreteren. In deze studie werd getest of de Beck-vragenlijst met 19 vragen over suïcidale gedachten meetinvariant is op de lange termijn. Omdat de eerste vijf onderdelen van de vragenlijst vaak worden gebruikt om patiënten te screenen op suïcidale gedachten, is in dit onderzoek ook een model getest dat alleen uit de eerste vijf vragen bestond. \n\nONDERZOEK: 475 psychiatrische patiënten (opgenomen en poliklinische) vulden de vragenlijst in bij toelating tot het onderzoek en deden dit nogmaals na drie maanden. Vervolgens werd getest of de onderzochte parameters na een bepaalde periode gelijk waren gebleven. Uit deze analyse bleek dat zowel de vragenlijst met 19 vragen als de screeningsmethode met 5 vragen meetinvariant was over een langere periode. Dat betekent dat veranderingen in de testresultaten in de loop der tijd kunnen worden toegeschreven aan echte veranderingen in de onderzochte omstandigheden van de deelnemers. \n\nCONCLUSIE: Deze resultaten rechtvaardigen het gebruik van de uitgebreide vragenlijst met 19 onderdelen en de beknopte screeningsmethode met 5 onderdelen voor onderzoek over een langere periode."},"keywords":{"en":["suicide ideation","measurement invariance","response shift","response bias","screener","outpatients","inpatients","confirmatory factor analysis"],"nl":["suïcidale ideatie","metingsinvariantie","respons verandering","respons bias","screener","opgenomen patiënten","poliklinische patiënten","confirmatory factor analyse"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"An E-learning supported Train-the-Trainer program to implement a suicide practice guideline: rationale, content and dissemination in Dutch mental health care","authors":"De Groot, M. H., De Beurs, D. P., De Keijser, J., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, RUG , EMGO, GGZ Friesland","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Internet Interventions","identifier":"10.1016/j.invent.2015.04.004","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2214782915000226","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"An E-learning supported Train-the-Trainer program was developed to implement the Dutch suicide practice guideline in mental health care. Literature on implementation strategies has been restricted to the final reporting of studies with little opportunity to describe relevant contextual, developmental and supporting work that would allow for a better interpretation of results and enhance the likelihood of successful replication of interventions. Therefore, in this paper we describe the theoretical and empirical background, the material and practical starting points of the program. We monitored the number of professionals that were trained during and after a cluster randomized trial in which the effects of the program have been examined. Each element of the intervention (Train-the-Trainer element, one day face-to-face training, E-learning) is described in detail. During the trial, 518 professionals were trained by 37 trainers. After the trial over 5000 professionals and 180 gatekeepers were trained. The E-learning module for trainees is currently being implemented among 30 mental health care institutions in The Netherlands. These results suggest that an E-learning supported Train-the-Trainer program is an efficient way to uptake new interventions by professionals. The face-to-face training was easily replicable so it was easy to adhere to the training protocol. E-learning made the distribution of the training material more viable, although the distribution was limited by problems with ICT facilities. Overall, the intervention was well received by both trainers and trainees. By thoroughly describing the material and by offering all training materials online, we aim at further dissemination of the program.","nl":null},"keywords":{"en":["suicide prevention","implementation","E-learning","Train-the-Trainer","guideline"],"nl":["zelfdodingpreventie","implementatie","E-learning","Train-the-Trainer","richtlijn"]},"region":["nationaal"],"type":["implementatie","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Protocol: reducing suicidal ideation among Turkish migrants in the Netherlands and in the UK: effectiveness of an online intervention","authors":"Eylem, O., Van Straten, A., Bhui, K., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, EMGO","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Review of Psychiatry","identifier":"10.3109/09540261.2014.996121","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/25747026","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The Turkish community living in Europe has an increased risk for suicidal ideation and attempted suicide. Online self-help may be an effective way of engagement with this community. This study will evaluate the effectiveness of a culturally adapted, guided, cognitive behavioural therapy-based online self-help intervention targeting suicidal ideation for Turkish adults living in the Netherlands and in the UK.\n\nMETHODS AND DESIGN: This study will be performed in two phases. First, the Dutch online intervention will be adapted to Turkish culture. The second phase will be a randomized controlled trial with two conditions: experimental and waiting-list control. Ethical approval has been granted for the trials in London and Amsterdam. The experimental group will obtain direct access to the intervention, which will take 6 weeks to complete. Participants in the waiting-list condition will obtain access to the modules after 6 weeks. Participants in both conditions will be assessed at baseline, post-test and 3 months post-test follow-up. The primary outcome measure is reduction in frequency and intensity of suicidal thoughts. Secondary outcome measures are self-harm, attempted suicide, suicide ideation attributes, depression, hopelessness, anxiety, quality of life, worrying and satisfaction with the treatment.","nl":"ACHTERGROND: De Turkse gemeenschap in Europa heeft een verhoogde kans op suïcidale gedachten en suïcidepogingen. Onlinezelfhulp kan een effectieve manier zijn om met deze gemeenschap in contact te komen. In deze studie wil men de effectiviteit van een zelfhulpinterventie via internet (onder begeleiding) onderzoeken, die is aangepast aan de cultuur van de doelgroep en is gebaseerd op cognitieve gedragstherapie. \n\nONDERZOEK: De doelgroep bestaat uit Turkse volwassenen met suïcidale gedachten, in Nederland en het VK. Het onderzoek wordt in twee fases onderverdeeld. In de eerste fase wordt de Nederlandse online-interventie aangepast aan de Turkse cultuur. De tweede fase bestaat uit het onderzoek zelf, waarbij de deelnemers worden verdeeld over een experimentele groep en een wachtlijstcontrolegroep. De experimentele groep krijgt direct toegang tot de interventie (het zelfhulpmateriaal op internet). Het duurt zes weken om de modules te doorlopen. De deelnemers in de controlegroep moeten zes weken wachten voordat ze de modules kunnen bekijken. Beide groepen worden aan het begin van het onderzoek getest, na afloop van het onderzoek en drie maanden nadat het onderzoek is afgerond. Er wordt allereerst gemeten of de suïcidale gedachten afnemen in frequentie en intensiteit (primaire uitkomst). Daarnaast worden de volgende secundaire uitkomsten gemeten: zelfbeschadiging, aantal suïcidepogingen, suïcidale gedachten, depressie, gevoel van wanhoop, angst en bezorgdheid, kwaliteit van leven en tevredenheid over de behandeling. De studies zijn goedgekeurd door medisch-ethische commissies in Londen en Amsterdam."},"keywords":{"en":["Turkish","suicidal ideation","attempted suicide","online self-help","CBT","online","culture"],"nl":["Turks","suïcidale ideatie","zelfdodingpoging","online zelfhulp","CGT","online","cultuur"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Suicidal ideation and mental health disorders in young school children across Europe","authors":"Kovess-Masfety, V., Pilowsky, D. J., Goelitz, D., Kuijpers, R., Otten, R., Moro, M. F., Bitfoi, A., Koç, C., Lesinskiene, S., Mihova, Z., Hanson, G., Fermanian, C., Pez, O., & Carta, M. G.","affiliations":"Radboud university (RU)","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2015.02.008","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/25745832","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"INTRODUCTION: The aim of this study is to measure the prevalence of suicidal ideation and thoughts of death in elementary school children in a European survey and to determine the associated sociodemographic and clinical factors.\n\nMETHODS: Data refer to children aged 6–12 (N¼7062) from Italy, Turkey, Romania, Bulgaria, Lithuania, Germany, and the Netherlands randomly selected in primary schools. Suicidal thoughts and death ideation were measured using a computerized pictorial diagnostic tool from the Dominic Interactive (DI) completed by the children. The Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) was administrated to teachers and parents along with a socio-demographic questionnaire.\n\nRESULTS: Suicidal ideation was present in 16.96% of the sample (from 9.9 in Italy to 26.84 in Germany), death thoughts by 21.93% (from 7.71% in Italy to 32.78 in Germany). SI and DT were more frequent in single-parent families and large families. Externalizing disorders were strongly correlated with SI and DT after controlling for other factors and this was true for internalizing disorders only when reported by the children.\n\nCONCLUSION: Recognizing suicidal ideation in young children may be recommended as part of preventive strategies such as screening in the context of the presence of any mental health problems whether externalizing or internalizing.","nl":"ACHTERGROND: Het doel van dit onderzoek is het meten van de aanwezigheid van suïcidale gedachten en gedachten aan de dood bij basisschoolkinderen in een Europees onderzoek en het in kaart brengen van de bijbehorende sociaal-demografische en klinische factoren.  \n\nONDERZOEK: Voor deze studie zijn willekeurig kinderen in de leeftijd van zes tot twaalf jaar uit Italië, Turkije, Roemenië, Bulgarije, Litouwen, Duitsland en Nederland geselecteerd op basisscholen. Met behulp van een computerspel beantwoordden deze kinderen vragen over suïcidale gedachten en gedachten aan de dood. Hun leerkrachten en ouders vulden een vragenlijst over sterke punten en moeilijkheden en een sociaal-demografische vragenlijst in. Ongeveer een op de zes kinderen bleek suïcidale gedachten te hebben en ruim een op de vijf dacht weleens na over de dood. Beide gedachten kwamen meer voor in eenoudergezinnen en grote gezinnen. Na correctie voor andere factoren bleek er een sterk verband te zijn tussen externaliserende stoornissen (stoornissen die leiden tot ‘moeilijk’ gedrag) en suïcidale gedachten of gedachten aan de dood. Voor internaliserende stoornissen (emotionele problemen en angsten) werd dit verband alleen gezien in de antwoorden van de kinderen zelf.  \n\nCONCLUSIE: Het is belangrijk dat suïcidale gedachten bij jonge kinderen worden herkend als onderdeel van preventieve strategieën zoals screening op psychische problemen, of die nu externaliserend of internaliserend zijn."},"keywords":{"en":["suicide","children","suicidal ideation","ADHD","mental health"],"nl":["zelfdoding","kinderen","suïcidale ideatie","ADHD","geestelijke gezondheid"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The mental health of visitors of web-based support forums for bereaved by suicide","authors":"Kramer, J., Boon, B., Schotanus-Dijkstra, M., Van Ballegooijen, W., Kerkhof, A. J. F. M., & Van der Poel, A.","affiliations":"Trimbos, VU, EMGO, VUmc, GGZ InGeest","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000281","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/25410257","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["nabestaanden"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Persons bereaved by suicide are reluctant to ask for social support when they experience feelings of guilt and blame. A web-based peer forum may provide a safe and anonymous place for mutual support. \n\nAIMS: This study examined the mental health changes of visitors of two online support forums for persons bereaved by suicide and their experiences with the forum over 1 year.\n\nMETHOD: Visitors of two forums completed self-report measures at baseline and at 6 and 12 months' follow-up. Repeated measures analyses were used to study changes in well-being, depressive symptoms, and complicated grief. Additionally, participants were interviewed about their experiences with the forum.\n\nRESULTS: The 270 participants were mostly female, low in well-being, with high levels of depressive symptoms and complicated grief. Suicidal risk was high for 5.9%. At 12 months, there were small to medium-sized significant improvements in well-being and depressive symptoms (p <.001) and nearly as much for grief (p =.08). About two thirds reported benefit from visiting the forum. Because of the pre-post design we cannot determine whether a causal relationship exists between the form and changes in mental health.\n\nCONCLUSION: After 1 year some positive changes but a large group was still struggling with their mental health. Interviews indicate that the forum was valued for finding recognition.","nl":"ACHTERGROND: Mensen die iemand hebben verloren door suïcide vragen niet makkelijk om sociale hulp als ze last hebben van een schuldgevoel. Een onlineforum voor lotgenoten kan een veilige en anonieme plek bieden om steun te krijgen en te geven. Er is onderzocht in hoeverre er psychische veranderingen optraden bij bezoekers van twee onlinefora voor nabestaanden van suïcide. Hun ervaringen met het forum zijn gedurende een jaar onderzocht. \n\nONDERZOEK: Bezoekers van twee fora vulden een zelfrapportage in aan het begin van het onderzoek en na zes en twaalf maanden. Vervolgens werd gekeken naar veranderingen in hun welbevinden, depressieve symptomen en gecompliceerde rouw (een rouwproces dat op de een of andere manier stagneert, vastloopt). Daarnaast werd de deelnemers gevraagd naar hun ervaringen met het forum. De 270 deelnemers waren voornamelijk vrouwen met een laag welbevinden, veel depressieve symptomen en gecompliceerde rouw. Voor 5,9% van hen was er een hoog risico van suïcide. Na twaalf maanden waren er kleine tot gemiddeld significante verbeteringen te zien in hun welbevinden en depressieve symptomen en bijna dezelfde verbeteringen in hun rouwproces. Ongeveer twee derde van de deelnemers gaf aan dat ze baat hadden bij het forum. \n\nCONCLUSIE: Nabestaanden die de fora op internet bezochten, merkten lichte positieve veranderingen, maar een grote groep worstelde na een jaar nog steeds met hun psychische gezondheid. Uit interviews bleek dat het forum gewaardeerd werd omdat de bezoekers daar erkenning kregen voor hun verdriet."},"keywords":{"en":["suicide survivors","peer support","mental health","web-based forum","depressive complaints","complicated grief","well-being"],"nl":["zelfdoding overlevenden","ondersteuning door leeftijdgenoten","GGZ","webgebaseerd forum","depressieve klachten","gecompliceerde rouw","welzijn"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suicide mortality, suicidal ideation and psychological problems in Dutch anaesthesiologists","authors":"Liem, M. C. A., Liem, A.  L., Van Dongen, E.P.A., Carels, I.C., Van Egmond, M., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"LU, Sint Antonius ziekenhuis, VU","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicidology Online","identifier":"ISSN 2078-5488","link":"https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/46948","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Previous studies reveal an elevated suicide rate for anaesthesiologists. We sought to examine anaesthesiologist suicide mortality and its underlying explanatory factors. Two studies were conducted in order to establish the suicide mortality figures among Dutch anaesthesiologists and to investigate life events, workrelated stress, psychological problems and alcohol- and drug abuse in relation to suicidal ideation. The results suggest that suicide mortality in anaesthesiologists in The Netherlands is elevated, and comparable to that in other Western countries, but small numbers prevent robust testing of this difference. Anaesthesiologists are more likely than the general population to experience sleeping problems and suicidal ideation; male anaesthesiologists are more likely to suffer from depression. The prevalence of suicide among this population may be related to a high prevalence of psychological problems, in addition to the knowledge and availability of means. Areas of suicide prevention among this group are discussed.","nl":"ACHTERGROND: Uit eerder onderzoek blijkt dat suïcide vaker dan gemiddeld voorkomt bij anesthesisten. Daarom is er onderzoek gedaan naar het aantal suïcides onder anesthesisten en de factoren die daaraan ten grondslag liggen. \n\nONDERZOEK: Er zijn twee studies uitgevoerd om het aantal suïcides onder Nederlandse anesthesisten in kaart te brengen en om te achterhalen in hoeverre ingrijpende gebeurtenissen, werkgerelateerde stress, psychische problemen en alcohol- en drugsgebruik een rol spelen bij suïcidale gedachten. Uit de resultaten blijkt dat de sterfte door suïcide bij anesthesisten in Nederland hoger is dan gemiddeld en vergelijkbaar met de cijfers in andere westerse landen. Omdat er alleen cijfers van een beperkte groep beschikbaar zijn, is het lastig om deze verschillen grondig te onderzoeken. Anesthesisten hebben vaker slaapproblemen dan gemiddeld en hebben vaker last van suïcidale gedachten. Mannelijke anesthesisten hebben bovendien een grotere kans op depressie. \n\nCONCLUSIE: suïcide onder anesthesisten kan verband houden met het feit dat ze vaker psychische problemen hebben, en dat ze over de benodigde kennis en middelen beschikken. Momenteel wordt nagedacht over suïcidepreventie voor deze groep."},"keywords":{"en":["suicide","suicidal ideation","psychological problems","stress","substance abuse","anaesthesiologists","depression","sleeping problems"],"nl":["zelfdoding","suïcidale ideatie","psychologische problemen","stress","druggebruik","anesthesiologen","depressie","slaapproblemen"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["suicide","poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Help-seeking, stigma and attitudes of people with and without a suicidal past: a comparison between a low and a high suicide rate country","authors":"Reynders, A., Kerkhof, A. J. F. M., Molenberghs, G., & Van Audenhove, C.","affiliations":"VU, EMGO","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2015.02.013","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/25770477","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: A significant proportion of suicidal persons do not seek help for their psychological problems. Psychological help-seeking is assumed to be a protective factor for suicide. However, different studies showed that negative attitudes and stigma related to help-seeking are major barriers to psychological help-seeking. These attitudes and stigma are not merely individual characteristics but they are also developed by and within society. The aim of this study is twofold. First, we investigate if persons with a suicidal past differ from people without a suicidal past with respect to help-seeking intentions, attitudes toward help-seeking, stigma and attitudes toward suicide. The second aim is to investigate if these attitudinal factors differ between people living in two regions with similar socio-economic characteristics but deviating suicide rates.\n\nMETHOD: We defined high (Flemish Community of Belgium) and low (The Netherlands) suicide regions and drew a representative sample of the general Flemish and Dutch population between 18 and 65 years. Data were gathered by means of a postal questionnaire. Descriptive statistics are presented to compare people with and without suicidal past. Multiple logistic regressions were used to compare Flemish and Dutch participants with a suicidal past.\n\nRESULTS: Compared to people without a suicidal past, people with a suicidal past are less likely to seek professional and informal help, perceive more stigma, experience more self-stigma (only men) and shame (only women) when seeking help and have more accepting attitudes toward suicide. In comparison to their Dutch counterparts, Flemish people with a suicidal past have less often positive attitudes toward help-seeking, less intentions to seek professional and informal (only women) help and have less often received help for psychological problems (only men).\n\nLIMITATIONS: The main limitations are: the relatively low response rate; suicidal ideation was measured by retrospective self-report; and the research sample includes only participants between 18 and 65 years old.\n\nCONCLUSIONS: Having a suicidal past is associated with attitudinal and stigmatizing barriers toward help seeking and accepting attitudes toward suicide. Prevention strategies should therefore target people with a suicidal history with special attention for attitudes, self-stigma and feelings of shame related to help-seeking.","nl":"ACHTERGROND: Veel suïcidale patiënten zoeken geen hulp voor hun psychische problemen. Psychische hulp zoeken wordt dan ook gezien als een beschermende factor die de kans op suïcide kan verkleinen. Uit verschillende onderzoeken is echter gebleken dat een negatieve houding en stigma’s rond hulp zoeken een belangrijke belemmering vormen om psychische hulp te zoeken. Deze houding en stigma’s zijn niet alleen gebaseerd op de persoonlijke beleving van de patiënt, maar komen ook voor in de samenleving. Deze studie heeft twee doelen. Ten eerste wordt onderzocht of mensen met een suïcidaal verleden zich anders gedragen dan mensen zonder suïcidaal verleden. Daarbij wordt gekeken naar hun intentie om hulp te zoeken, hun houding ten aanzien van hulp zoeken en stigma en hoe ze tegen suïcide aankijken. Ten tweede wordt er voor deze factoren een vergelijking gemaakt tussen twee regio’s met vergelijkbare sociaaleconomische kenmerken, maar verschillende suïcidecijfers. \n\nONDERZOEK: Er wordt gekeken naar Vlaanderen en Nederland (Vlaanderen heeft een suïcidecijfer dat 82% hoger is dan dat van Nederland), aan de hand van een representatieve steekproef uit de Vlaamse en Nederlandse populatie (18 tot 65 jaar). De gegevens werden verzameld via een vragenlijst die per post werd verstuurd. De gegevens van mensen met en zonder eerdere suïcidale problemen zijn met elkaar vergeleken. Vergeleken met mensen zonder suïcidaal verleden, zijn mensen met eerder suïcidaal gedrag minder snel geneigd om professionele en informele hulp te zoeken. Daarnaast ervaren zij meer stigmatisering, meer zelf-stigma (alleen mannen) en schaamte (alleen vrouwen) wanneer ze hulp zoeken, waardoor ze een meer aanvaardende houding hebben tegenover suïcide. Dat wil zeggen dat zij suïcide eerder als uitweg zien. Vergeleken met de Nederlandse deelnemers hebben Vlamingen met een suïcidaal verleden minder vaak een positieve houding ten aanzien van hulp zoeken, minder vaak de intentie om in de toekomst professionele en informele (alleen vrouwen) hulp te zoeken en hebben ze minder vaak hulp ontvangen voor hun psychische problemen (alleen mannen). \n\nKANTTEKENINGEN: de belangrijkste beperkingen van dit onderzoek zijn de vrij lage respons, het feit dat suïcidale gedachten werden gemeten via zelfrapportage achteraf en dat de steekproef alleen uit mensen van tussen de 18 en 65 bestond. \n\nCONCLUSIE: Mensen met een suïcidaal verleden die zich belemmerd voelen om hulp te zoeken (door hun houding en angst voor stigma) hebben vaker een aanvaardende houding tegenover suïcide. In preventiemaatregelen voor mensen met een voorgeschiedenis van suïcidaal gedrag moet speciale aandacht worden besteed aan houding, zelf-stigma en gevoelens van schaamte ten aanzien van hulp zoeken."},"keywords":{"en":["suicidal past","attitudes","stigma","help-seeking","cross-national","Belgium","Netherlands","retrospective self-report","postal questionnaire"],"nl":["suïcidaal verleden","attitudes","stigma","hulpzoekende","cross-nationaal","België","Nederland","retrospectieve zelfrapportage","postenquête"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Neighborhood ethnic density and suicide risk among different migrant groups in the four big cities in the Netherlands","authors":"Termorshuizen, F., Braam, A. W., & Van Ameijden, E. J.","affiliations":"Gemeente Utrecht, Altrecht, Utrecht UMC,","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology","identifier":"10.1007/s00127-014-0993-y","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/25491447","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"PURPOSE: Recent studies suggested a favorable association between the ethnic density of the neighborhood and the risk of psychotic disorders among ethnic minorities. In this study, it was investigated whether this so-called 'ethnic density hypothesis' is also relevant to suicide risk, which is not sensitive to bias associated with ethnic differences in access to health care and reflects a broad range of mental health problems.\n\nMETHODS: Suicides in the four big cities in the Netherlands during 2000-2011 were ascertained using the cause of death register of Statistics Netherlands and analyzed in a multilevel Poisson model in relation to individual- and neighborhood-level characteristics.\n\nRESULTS: With increasing non-Western minority density, the adjusted rate ratio (RR) of suicide in non-Western immigrants compared to native Dutch persons decreased from 0.69 to 0.39 (P < 0.001). This was explained by higher suicide rates among Dutch persons (RR = 1.28, P = 0.048) and lower rates among non-Western persons (RR = 0.72, P = 0.004) in neighborhoods with high (>55.9 %) compared to neighborhoods with low non-Western minority density (<36.5 %). Similar results were found for Turkish, Moroccan, Surinamese/Antillean and other non-Western subgroups separately. Compared to personally matched controls, non-Western cases (i.e., those who committed suicide) more often moved house to own-group high-dense areas and less often to own-group low-dense areas in the 5 years prior to suicide.\n\nCONCLUSIONS: Our findings support the beneficial influence of the presence of the own ethnic group in the neighborhood on suicide risk among non-Western minorities. As moving to minority more dense areas prior to suicide was observed, this influence of ethnic density as measured on population level may have been underestimated.","nl":"ACHTERGROND: Uit recent onderzoek blijkt dat er een positief verband zou kunnen bestaan tussen de etnische dichtheid van een wijk en de kans op psychotische stoornissen bij etnische minderheden. Etnische dichtheid is het percentage mensen van de eigen etnische groep in de woonwijk. In deze studie is onderzocht of de zogenaamde ‘etnische dichtheid-hypothese’ ook opgaat voor de kans op suïcide, een probleem waar een breed spectrum van psychische problemen aan ten grondslag ligt.  \n\nONDERZOEK: Aan de hand van de doodsoorzakenstatistiek van het CBS zijn alle suïcides in de vier grote Nederlandse steden tussen 2000 en 2011 in kaart gebracht. Daarna zijn deze gegevens geanalyseerd en gerelateerd aan persoonlijke kenmerken en kenmerken van de wijk. Naarmate er meer niet-westerse minderheden in een wijk woonden (hogere etnische dichtheid), daalde het aantal suïcides onder niet-westerse immigranten vergeleken met het aantal suïcides onder mensen van Nederlandse herkomst. Het aantal suïcides onder Nederlanders was dus hoger dan dat onder niet-westerse personen in wijken met een hoge etnische dichtheid vergeleken met wijken met een lager percentage niet-westerse minderheden. Voor de afzonderlijke Turkse, Marokkaanse, Surinaamse/Antilliaanse en andere niet-westerse subgroepen waren de resultaten vergelijkbaar. Vergeleken met gezonde personen waren de niet-westerse gevallen (die suïcide hadden gepleegd) in de vijf jaar voor hun suïcide vaker verhuisd naar een wijk waar veel mensen van hun eigen etnische groep woonden (hoge etnische dichtheid) en minder vaak naar een wijk met minder mensen van hun eigen groep (lage dichtheid). \n\nCONCLUSIE: De resultaten bevestigen de gunstige invloed van wonen in een wijk met veel mensen uit de eigen etnische groep op het suïciderisico onder niet-westerse minderheden. Omdat is gekeken naar verhuizingen voorafgaand aan de suïcide naar wijken waar meer etnische minderheden woonden, kan het zijn dat de invloed van etnische dichtheid in het algemeen is onderschat."},"keywords":{"en":["suicide","ethnic minority density","neighborhood","social drift"],"nl":["zelfdoding","etnische minderheid dichtheid","buurt","sociale drift"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicidality of young ethnic minority women with an immigrant background: The role of autonomy","authors":"Van Bergen, D. D., & Saharso, S.","affiliations":"RUG, VU","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"European Journal of Women's Studies","identifier":"https://doi.org/10.1177/1350506815609740","link":"https://journals.sagepub.com/doi/abs/10.1177/1350506815609740","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"Ethnic minority status and female gender convey a risk for suicidal behavior, yet research of suicidality of ethnic minority female immigrants is scarce. The authors of this article conducted qualitative interviews with 15 young women (of four ethnicities) in the Netherlands, who either had attempted suicide or contemplated suicide, and analyzed these in a narrative psychology tradition. Suicidality was associated with despair and frustration over the violation of the women’s personal autonomy and self-integrity regarding strategic life choices. Autonomy restrictions and violations followed two patterns, which are interconnected with four criteria regarding the capacity for autonomy. Findings are discussed with referral to Durkheim and feminist theories of autonomy.","nl":"ACHTERGROND: Deel uitmaken van een etnische minderheid en vrouw zijn vormen risico’s voor suïcidaal gedrag, maar toch is er maar weinig onderzoek gedaan naar suïcidaliteit onder vrouwelijke immigranten uit etnische minderheidsgroepen.  \n\nONDERZOEK: De auteurs van dit artikel hebben 15 jonge vrouwen (uit vier etnische groepen) in Nederland geïnterviewd die een poging tot suïcide hadden gedaan of aan suïcide hadden gedacht en deze interviews aan de hand van psychologische methoden geanalyseerd. \n\nCONCLUSIE: Er werd een verband gezien tussen suïcidaliteit en wanhoop en frustratie over de beperking en schending van de persoonlijke autonomie van de vrouwen en hun vrijheid in het maken van hun eigen levenskeuzes."},"keywords":{"en":["Durkheim","ethnic minorities","immigrant women","personal autonomy","suicidal behavior","suicidal ideation"],"nl":["Durkheim","etnische minderheden","allochtone vrouwen","persoonlijke autonomie","zelfdodinggedrag","zelfdodinggedachten"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Different stress-related gene expression in depression and suicide","authors":"Zhao, J., Qi, X. R., Gao, S. F., Lu, J., Van Wamelen, D. J., Bao, A. M., & Swaab, D. F.","affiliations":"NiN, LUmc","affiliation113":false,"year":2015,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Psychiatric Research","identifier":"10.1016/j.jpsychires.2015.06.010","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/26228417","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Suicide occurs in some, but not all depressed patients. So far, it remains unknown whether the studied stress-related candidate genes change in depression, suicide or both. The prefrontal cortex (PFC) is involved in, among other things, impulse control and inhibitory behavior and plays an important role in both suicide and depression.\n\nMETHODS: We have employed qPCR to study 124 anterior cingulate cortex (ACC) and dorsolateral PFC (DLPFC) brain samples, obtained from two brain banks, from: i) young depressed patients (average age 43 years) who committed suicide (MDD-S) and depressed patients who died from causes other than suicide (MDD-NS) and from ii) elderly depressed patients (average age 75 years) who did not commit suicide (DEP). Both cohorts were individually matched with non-psychiatric non-suicide control subjects. We determined the transcript levels of hypothalamic–pituitary–adrenal axis-regulating molecules (corticotropin-releasing hormone (CRH), CRH receptors, CRH binding protein, mineralocorticoid receptor/glucocorticoid receptor), transcription factors that regulate CRH expression, CRH-stimulating cytokines, chaperone proteins, retinoid signaling, brain-derived neurotrophic factor and tropomyosin-related kinase B, cytochrome proteins, nitric oxide synthase (NOS) and monoamines.\n\nRESULTS: In the MDD-S group, expression levels of CRH and neuronal NOS-interacting DHHC domain-containing protein with dendritic mRNA (NIDD) were increased. Other changes were only present in the DEP group, i.e. decreased NIDD, and increased and 5-hydroxytryptamine receptor 1A (5-HT1A) expression levels. Changes were found to be more pronounced in the anterior cingulate cortex than in the dorsolateral PFC.\n\nCONCLUSION: Depressed patients who committed suicide have different gene expression patterns than depressed patients who died of causes other than suicide.","nl":"ACHTERGROND: Sommige depressieve patiënten plegen suïcide, andere niet. Tot nu toe is niet bekend of stressgerelateerde kandidaatgenen (genen die zich bevinden in een chromosoomgebied dat mogelijk betrokken is bij een genetische aandoening) veranderen bij depressie, suïcide of beide. De prefrontale cortex is onder meer bepalend voor impulsbeheersing en gedragsremmingen en speelt een belangrijke rol bij zowel suïcide als depressie.  \n\nONDERZOEK: Er zijn in totaal 124 hersenmonsters bestudeerd van: i) jonge patiënten met een depressie (gemiddelde leeftijd 43 jaar) die suïcide hebben gepleegd en patiënten met een depressie die overleden zijn aan andere doodsoorzaken dan suïcide; en ii) oudere patiënten met een depressie (gemiddelde leeftijd 75 jaar) die geen suïcide hebben gepleegd. Beide groepen proefpersonen zijn individueel vergeleken met een controlegroep bestaande uit mensen zonder psychische aandoeningen of suïcidaliteit. De onderzoekers bepaalden de transcriptieniveaus van moleculen die de hypothalamus-hypofyse-bijnieras reguleren (corticotropine producerend hormoon (CRH), CRH-receptoren, CRH-bindend eiwit, mineralocorticoïdereceptor/glucocorticoïdereceptor), de transcriptiefactoren die de CRH-expressie reguleren, CRH-stimulerende cytokinen, chaperonne-eiwitten, retinoïdesignalering, uit de hersenen afkomstige neurotrofe factoren en tropomyosine-gerelateerd kinase B, cytochroomeiwitten, stikstofoxidesynthase en monoaminen. In de groep van depressieve patiënten die suïcide hadden gepleegd waren de expressieniveaus van met CRH en neuronale stikstofoxidesynthase interagerend, DHHC-domein bevattend eiwit met dendritisch mRNA (NIDD) verhoogd. Andere wijzigingen waren alleen aanwezig in de groep van oudere depressieve patiënten die geen suïcide hadden gepleegd, d.w.z. verlaagde NIDD en verhoogde expressieniveaus van de 5-hydroxytryptaminereceptor 1A (5-HT1A). De veranderingen waren duidelijker in de cortex cingularis anterior dan in de dorsolaterale prefrontale cortex.  \n\nCONCLUSIE: Depressieve patiënten die suïcide hebben gepleegd hebben andere patronen van genexpressie dan depressieve patiënten met andere doodsoorzaken dan suïcide."},"keywords":{"en":["anterior cingulate cortex","depression","dorsolateral prefrontal cortex","gene expression","suicide","impulse control"],"nl":["anterieure cingulate cortex","depressie","dorsolaterale prefrontale cortex","depressie","genexpressie","zelfdoding","impulscontrole"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_cross","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["patientcohort","populationcohort"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Repetition of attempted suicide among immigrants in Europe","authors":"C.B. Lipsicas, I.H. Mäkinen, D. Wasserman, A. Apter, A.J.F.M. Kerkhof, K. Michel, E.S. Renberg, K. Van Heeringen, A. Värnik, A. Schmidtke.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2014,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"CANJ Psychiatry","identifier":"10.1177/070674371405901007","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/25565687","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"OBJECTIVES: To compare frequencies of suicide attempt repetition in immigrants and local European populations, and the timing of repetition in these groups.\n\nMETHOD: Data from 7 European countries, comprising 10 574 local and 3032 immigrant subjects, were taken from the World Health Organization European Multicentre Study on Suicidal Behaviour and the ensuing Monitoring Suicidal Behaviour in Europe (commonly referred to as MONSUE) project. The relation between immigrant status and repetition of suicide attempt within 12-months following first registered attempt was analyzed with binary logistic regression, controlling for sex, age, and method of attempt. Timing of repetition was controlled for sex, age, and the recommended type of aftercare.\n\nRESULTS: Lower odds of repeating a suicide attempt were found in Eastern European (OR 0.50; 95% CI 0.41 to 0.61, P < 0.001) and non-European immigrants (OR 0.68; 95% CI 0.51 to 0.90, P < 0.05), compared with the locals. Similar patterns were identified in the sex-specific analysis. Eastern European immigrants tended to repeat their attempt much later than locals (OR 0.58; 95% CI 0.35 to 0.93, P < 0.05). In general, 32% of all repetition occurred within 30 days. Repetition tended to decrease with age and was more likely in females using harder methods in their index attempt (OR 1.29; 95% CI 1.08 to 1.54, P < 0.01). Large variations in the general repetition frequency were identified between the collecting centres, thus influencing the results.\n\nCONCLUSIONS: The lower repetition frequencies in non-Western immigrants, compared with locals, in Europe stands in contrast to their markedly higher tendency to attempt suicide in general, possibly pointing to situational stress factors related to their suicidal crisis that are less persistent over time. Our findings also raise the possibility that suicide attempters and repeaters constitute only partially overlapping populations.","nl":"ACHTERGROND: In dit onderzoek wilde men de frequentie van het aantal herhaalde suïcidepogingen bij immigranten vergelijken met dat van lokale Europese populaties. Daarbij werd ook gekeken naar het moment waarop de mensen in deze groepen een nieuwe suïcidepoging deden. De gegevens voor dit onderzoek waren afkomstig van de WHO/EURO Multicentre Study on Suicidal Behaviour en het daaruit voortvloeiende MONSUE-project (Monitoring Suicidal Behaviour in Europe), de grootste Europese database op dit gebied. \n\nONDERZOEK: Voor het onderzoek zijn 10.574 Europeanen en 3032 immigranten uit 7 Europese landen onderzocht. De onderzoekers wilden weten of er een relatie was tussen immigrant zijn en het aantal suïcidepogingen binnen een jaar na de eerste geregistreerde suïcidepoging. Bij de analyse werd ook gekeken naar geslacht, leeftijd en de gebruikte suïcidemethode. De timing van de herhalingen (het moment waarop een nieuwe suïcidepoging plaatsvond) werd onderverdeeld naar geslacht, leeftijd en aanbevolen type nazorg. Vergeleken met Europeanen bleek de kans op herhaald suïcidaal gedrag bij Oost-Europese en niet-Europese immigranten kleiner te zijn. De analyse per geslacht liet een vergelijkbaar patroon zien. Wat de timing betreft deden Oost-Europese immigranten veel later dan oorspronkelijke Europeanen een volgende suïcidepoging. Over het algemeen deed 32% binnen 30 dagen een nieuwe suïcidepoging. De kans op herhaling leek toe te nemen naarmate de deelnemers ouder werden en de kans op herhaling was ook groter bij vrouwen die een zwaardere methode hadden gebruikt bij hun eerste geregistreerde poging. \n\nKANTTEKENING: tussen de verschillende instellingen waar de informatie werd verzameld waren grote verschillen te zien in de frequentie van de herhaalde suïcidepogingen, wat de resultaten heeft beïnvloed. \n\nCONCLUSIE: Dat niet-westerse immigranten minder vaak een volgende suïcidepoging doen dan Europeanen, staat in contrast met de aanzienlijk grotere kans dat ze in het algemeen ooit een suïcidepoging doen. Dat heeft mogelijk te maken met situatiegebonden factoren rond hun suïcidale crisis die na verloop van tijd minder worden. De resultaten kunnen er ook op wijzen dat de groep die ooit een suïcidepoging heeft gedaan maar ten dele overlapt met de groep die een of meer nieuwe pogingen deed"},"keywords":{"en":["suicide attempt","suicide attempt repetition","immigration","Europe","culture"],"nl":["zelfdodingpoging","herhaling van zelfdodingpoging","immigratie","Europa","cultuur"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","populationcohort"],"age":["any"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Applying computer adaptive testing to optimize online assessment of suicidal behavior: a simulation study","authors":"De Beurs, D. P., De Vries, A. L. M., De Groot, M. H., De Keijser, J., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, EMGO, Perziq, GGZ Friesland, RUG","affiliation113":false,"year":2014,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Medical Internet Research","identifier":"10.2196/jmir.3511","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/25213259","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The Internet is used increasingly for both suicide research and prevention. To optimize online assessment of suicidal patients, there is a need for short, good-quality tools to assess elevated risk of future suicidal behavior. Computer adaptive testing (CAT) can be used to reduce response burden and improve accuracy, and make the available pencil-and-paper tools more appropriate for online administration. \n\nOBJECTIVE: The aim was to test whether an item response-based computer adaptive simulation can be used to reduce the length of the Beck Scale for Suicide Ideation (BSS). METHODS: The data used for our simulation was obtained from a large multicenter trial from The Netherlands: the Professionals in Training to STOP suicide (PITSTOP suicide) study. We applied a principal components analysis (PCA), confirmatory factor analysis (CFA), a graded response model (GRM), and simulated a CAT. \n\nRESULTS: The scores of 505 patients were analyzed. Psychometric analyses showed the questionnaire to be unidimensional with good internal consistency. The computer adaptive simulation showed that for the estimation of elevation of risk of future suicidal behavior 4 items (instead of the full 19) were sufficient, on average. \n\nCONCLUSIONS: This study demonstrated that CAT can be applied successfully to reduce the length of the Dutch version of the BSS. We argue that the use of CAT can improve the accuracy and the response burden when assessing the risk of future suicidal behavior online. Because CAT can be daunting for clinicians and applied scientists, we offer a concrete example of our computer adaptive simulation of the Dutch version of the BSS at the end of the paper.","nl":"ACHTERGROND: Het internet wordt steeds vaker gebruikt voor onderzoek naar suïcide en suïcidepreventie. Om suïcidale patiënten online optimaal te kunnen testen, zijn er kortdurende, kwalitatief hoogwaardige instrumenten nodig waarmee snel kan worden beoordeeld of er in de toekomst een verhoogde kans is op suïcidaal gedrag. Adaptief toetsen (computer adaptive testing) kan worden ingezet om de enquêtedruk te verminderen, de nauwkeurigheid te vergroten en om de beschikbare papieren vragenlijsten geschikt te maken voor online gebruik. Adaptief toetsen betekent: welke vragen worden gesteld, is afhankelijk van de antwoorden die de kandidaat heeft gegeven op eerder gestelde vragen. Kandidaten krijgen geen vragen die op hen niet van toepassing zijn. Dat maakt de vragenlijst korter en minder herhalend, en daarmee minder belastend voor de kandidaat. Zo wordt de enquêtedruk dus verlaagd. \n\nONDERZOEK: Het doel van dit onderzoek is te testen of adaptieve simulatie kan worden ingezet om de Beck-vragenlijst over suïcidale gedachten korter te maken. De gegevens die voor deze simulatie zijn gebruikt, zijn afkomstig van de PITSTOP-studie (Professionals in Training to STOP suicide), een groot onderzoek onder meerdere instellingen in Nederland. De onderzoekers hebben verschillende analyses uitgevoerd en een adaptieve toets gesimuleerd. De adaptieve simulatie liet zien dat voor het inschatten van een verhoogde kans op toekomstig suïcidaal gedrag gemiddeld vier vragen (in plaats van alle 19) voldoende waren. \n\nCONCLUSIE: Deze studie heeft aangetoond dat adaptief testen met succes kan worden toegepast om de Nederlandse versie van de vragenlijst van Beck over suïcidale gedachten in te korten. Volgens de onderzoekers kan het gebruik van adaptief testen bij het inschatten van de kans op toekomstig suïcidaal gedrag de nauwkeurigheid vergroten en de enquêtedruk verlagen. Om artsen en toegepaste wetenschappers hiervan te overtuigen, wordt aan het eind van het artikel een concreet voorbeeld gegeven van de adaptieve simulatie van de Nederlandse versie van de Beck-vragenlijst."},"keywords":{"en":["suicide","psychometrics","computing methodologies","Internet","suicidal ideation","risk assessment"],"nl":["zelfdoding","psychometrie","computationele methodologie","internet","suïcidale ideatie","risico beoordeling"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Reporting suicide attempts: consistency and its determinants in a large mental health study","authors":"Eikelenboom, M., Smit, J. H., Beekman, A. T. F., Kerkhof, A. J. F. M., & Penninx, B. W. J. H.","affiliations":"VU, EMGO, GGZ InGeest, LUMC, Groningen UMC","affiliation113":false,"year":2014,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Methods in Psychiatric Research","identifier":"10.1002/mpr.1423","link":"https://www.rug.nl/research/portal/publications/reporting-suicide-attempts(e354ac62-0071-49fd-8d7e-dd9bf51bc9c6).html","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"A lifetime history (LTH) of suicide attempts (SAs) is frequently assessed in mental health surveys. However, little is known about the reliability of assessing a LTH of SA. This study examined the consistency and its determinants of reporting a LTH of SA in a large cohort of persons with a history of depression and/or anxiety. Data are from the baseline and two‐year assessments of the Netherlands Study of Depression and Anxiety. Persons with a Composite International Diagnostic Interview (CIDI)‐based lifetime depressive and/or anxiety disorder (N = 1973) constitute the study sample. A LTH of SAs was assessed at baseline and at two‐year follow‐up. Of the persons who reported at either interview a LTH of SAs, more than one‐third did not report this consistent at both interviews. Moreover, indications were found for more consistent reporting among persons with a higher number of SAs and among persons with current (severe) psychopathology as compared to those with remitted or less severe current psychopathology. Our results showed that even a salient topic as a history of SAs is prone for reporting errors, and that current psychological state influences reporting of a LTH of SAs.","nl":"ACHTERGROND: In vragenlijsten over geestelijke gezondheid wordt vaak gevraagd of mensen ooit eerder een suïcidepoging hebben gedaan. Er is echter weinig bekend over hoe betrouwbaar deze informatie is. In deze studie is onderzocht hoe consequent eerdere suïcidepogingen worden gemeld en welke factoren daarbij doorslaggevend zijn. Daarvoor is een grote groep mensen ondervraagd met een voorgeschiedenis van depressie en/of een angststoornis. \n\nONDERZOEK: De gegevens zijn afkomstig van de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA), waarbij mensen bij aanvang van het onderzoek en na twee jaar werden ondervraagd. De steekproef bestaat uit mensen die ooit een depressie en/of angststoornis hebben gehad (gemeten via het Composite International Diagnostic Interview, CIDI). Of ze ooit een suïcidepoging hadden gedaan, werd gevraagd bij aanvang van het onderzoek en nogmaals twee jaar later. Van de mensen die in een van de twee interviews aangaven dat ze ooit een suïcidepoging hadden gedaan, meldde meer dan een derde dit niet consequent in beide interviews. Daarnaast bleek dat mensen met een groter aantal suïcidepogingen en mensen die momenteel (ernstige) psychische aandoeningen hadden, consequenter melding maakten van eerdere suïcidepogingen dan met mensen met afgenomen klachten of minder ernstige klachten. \n\nCONCLUSIE: De resultaten laten zien dat zelfs bij een ogenschijnlijk duidelijk onderwerp als eerdere suïcidepogingen onjuiste informatie wordt gegeven en dat iemands psychische toestand van invloed is op hoe open hij of zij is over eerdere suïcidepogingen."},"keywords":{"en":["suicide attempt","reporting errors","reliability","prevalence","tower of babel","autobiographical memory","major depression","psychometric properties","anxiety","NESDA","risk-factors"],"nl":["zelfdodingpoging","rapportagefouten","betrouwbaarheid","prevalentie","toren van babel","autobiografisch geheugen","depressie","angst","psychometrische eigenschappen","risicofactoren"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief","anders"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"What do the bereaved by suicide communicate in online support groups? A content analysis","authors":"Schotanus-Dijkstra, M., Havinga, P., Van Ballegooijen, W., Delfosse, L., Mokkenstorm, J., & Boon, B.","affiliations":"Trimbos, VU, EMGO, 113","affiliation113":true,"year":2014,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The Journal of Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000225","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/24067249","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["nabestaanden"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Every year, more than six million people lose a loved one through suicide. These bereaved by suicide are at relatively high risk for mental illnesses including suicide. The social stigma attached to suicide often makes it difficult to talk about grief. Participating in online forums may be beneficial for the bereaved by suicide, but it is unknown what they communicate in these forums.\n\nAIMS: What do the bereaved by suicide communicate in online forums? We examined which self-help mechanisms, grief reactions, and experiences with health-care services they shared online.\n\nMETHOD: We conducted a content analysis of 1,250 messages from 165 members of two Dutch language forums for the bereaved by suicide.\n\nRESULTS: We found that sharing personal experiences featured most prominently in the messages, often with emotional expressions of grief. Other frequently used self-help mechanisms were expressions of support or empathy, providing advice, and universality (recognition), while experiences with health-care services featured only occasionally. Compared with previous studies about online forums for somatic illnesses, the bereaved by suicide communicated more personal experiences and engaged much less in chitchat.\n\nCONCLUSION: Online forums appear to have relevant additional value as a platform for talking about grief and finding support.","nl":"ACHTERGROND: Elk jaar verliezen meer dan zes miljoen mensen een geliefde door suïcide. Deze nabestaanden hebben een relatief hoog risico op psychische aandoeningen, waaronder suïcide. Het sociale stigma dat aan suïcide kleeft, maakt het vaak moeilijk om over het verdriet te praten. Deelname aan online forums kan gunstig zijn voor nabestaanden van suïcide, maar het is niet bekend hoe zij op deze forums communiceren.  \n\nONDERZOEK: Hoe communiceren nabestaanden van suïcide op online forums? We hebben onderzocht welke zelfhulpmethoden, reacties op verdriet en ervaringen met zorginstanties ze online delen. De inhoud van 1250 berichten van 165 leden van twee Nederlandstalige forums voor nabestaanden van suïcide zijn geanalyseerd. Daaruit hebben de onderzoekers geconcludeerd dat de meeste berichten gericht waren op het delen van persoonlijke ervaringen, vaak met emotionele uitingen van verdriet. Andere veelgebruikte zelfhulpmechanismen waren uitingen van steun of medeleven, advies en erkenning. Ervaringen met zorginstanties kwamen slechts af en toe ter sprake. Vergeleken bij online forums voor lichamelijke aandoeningen, waar eerder al onderzoek naar was gedaan, spraken de nabestaanden van suïcide vaker over persoonlijke ervaringen en minder vaak over algemene dingen.  \n\nCONCLUSIE: Online forums lijken een relevante toegevoegde waarde te hebben als platform om over verdriet te praten en steun te vinden."},"keywords":{"en":["bereavement","grief","suicide","online forum","social support"],"nl":["sterfgeval","rouw","zelfdoding","online forum","sociale ondersteuning"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Effectiveness of online self-help for suicidal thoughts: results of a randomised controlled trial","authors":"Van Spijker, B. A. J., Van Straten, A., & Kerkhorf, A. J. F. M.","affiliations":"EMGO, VU","affiliation113":false,"year":2014,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"PLoS One","identifier":"https://doi.org/10.1371/journal.pone.0090118","link":"https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0090118","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Many people with suicidal thoughts do not receive treatment. The Internet can be used to reach more people in need of support.\n\nOBJECTIVE: To test the effectiveness of unguided online self-help to reduce suicidal thoughts.\n\nMETHOD: 236 adults with mild to moderate suicidal thoughts were randomised to the intervention (n=116) or a waitlist control group (n=120). Assessments took place at baseline, and 2, 4 and 6 weeks later. Primary outcome was suicidal thoughts. Secondary outcomes were depressive symptoms, anxiety, hopelessness, worry, and health status.\n\nRESULTS: The intervention group showed a small significant effect in reducing suicidal thoughts (d=0.28). Effects were more pronounced for those with a history of repeated suicide attempts. There was also a significant reduction in worry (d=0.33). All other secondary outcomes showed small but non-significant improvements.\n\nCONCLUSIONS: Although effect sizes were small, the reach of the internet could enable this intervention to help many people reduce their suicidal thoughts.","nl":"ACHTERGROND: Veel mensen met suïcidale gedachten worden niet behandeld. Het internet kan als hulpmiddel worden ingezet om meer mensen te bereiken die ondersteuning nodig hebben. Doel van het onderzoek was het testen van de effectiviteit van onlinezelfhulpmateriaal zonder begeleiding, gericht op het verminderen van suïcidale gedachten. \n\nONDERZOEK: Er deden 236 volwassenen met milde tot matige suïcidale gedachten mee aan het onderzoek. Zij werden willekeurig verdeeld over een interventiegroep (116 personen) en een wachtlijstcontrolegroep (120). Ze werden getest aan het begin van het onderzoek en na twee, vier en zes weken. Er werd allereerst gekeken naar suïcidale gedachten (primaire uitkomst). Daarnaast werden ook depressieve symptomen, gevoelens van angst, wanhoop en bezorgdheid en hun gezondheid onderzocht (secundaire uitkomsten). Bij de interventiegroep waren de suïcidale gedachten iets (maar wel significant) afgenomen. Bij mensen die al meerdere suïcidepogingen hadden gedaan, waren de effecten iets duidelijker. Er was ook een aanzienlijke daling in gevoelens van bezorgdheid. Alle andere secundaire uitkomsten lieten ook een kleine, maar niet significante, verbetering zien. \n\nCONCLUSIE: Hoewel het effect klein was, laat het onderzoek zien dat de reikwijdte van internet ertoe kan bijdragen dat veel mensen dankzij deze interventie hun suïcidale gedachten kunnen verminderen."},"keywords":{"en":["online","self-help","suicidal thoughts","randomised controlled trial","internet","adults","intervention","depressive symptoms","anxiety","hopelessness","worry","health status"],"nl":["online","zelfhulp","suïcidale gedachten","randomised controlled trial","internet","volwassenen","interventie","depressieve symptomen","angst","hopeloosheid"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"The effects of psychotherapy for adult depression on suicidality and hopelessness: a systematic review and meta-analysis","authors":"Cuijpers, P., De Beurs, D. P., Van Spijker, B. A. J., Berking, M., Andersson, G., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2012.06.025","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22832172","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Although treatment guidelines suggest that suicidal patients with depression should be treated for depression with psychotherapy, it is not clear whether these psychological treatments actually reduce suicidal ideation or suicide risk.\n\nMETHODS: We conducted a systematic review and meta-analysis of studies on psychotherapy for depression in which outcomes on suicidality were reported. We also focused on outcomes on hopelessness because this is strongly associated with suicidal behavior in depression.\n\nRESULTS: Thirteen studies (with 616 patients) were included, three of which examined the effects of psychotherapy for depression on suicidal ideation and suicide risk, and eleven on hopelessness. No studies were found with suicide attempts or completed suicides as the outcome variables. The effects on suicidal ideation and suicide risk were small (g=0.12; 95% CI: -0.20-0.44) and not statistically significant. A power calculation showed that these studies only had sufficient power to find an effect size of g=0.47. The effects on hopelessness were large (g=1.10; 95% CI: 0.72-1.48) and significant, although heterogeneity was very high. Furthermore, significant publication bias was found. After adjustment of publication bias the effect size was reduced to g=0.60.\n\nDISCUSSION: At this point, there is insufficient evidence for the assumption that suicidality in depressed patients can be reduced with psychotherapy for depression. Although psychotherapy of depression may have small positive effects on suicidality, available data suggest that psychotherapy for depression cannot be considered to be a sufficient treatment. The effects on hopelessness are probably higher.","nl":"ACHTERGROND: Hoewel de behandelrichtlijnen voorschrijven dat suïcidale patiënten met een depressie voor hun depressie met psychotherapie moeten worden behandeld, is het niet duidelijk of deze psychologische behandelingen suïcidale gedachten of het risico op suïcide ook daadwerkelijk verminderen. \n\nONDERZOEK: Voor dit onderzoek zijn eerdere studies naar psychotherapie voor depressie bestudeerd, waarin ook het effect van deze therapie op suïcidaliteit was onderzocht. Daarbij werd ook gekeken naar het effect op gevoelens van wanhoop, omdat die sterk verband houden met suïcidaal gedrag bij depressie. In totaal ging het om dertien studies (met 616 patiënten). In drie daarvan is onderzocht wat voor effect een psychotherapeutische behandeling van depressie op suïcidale gedachten en het risico op suïcide had. In elf van de studies is het effect van een dergelijke behandeling op gevoelens van wanhoop onderzocht. Er zijn geen studies gevonden waarin de effecten op suïcidepogingen en daadwerkelijke suïcides zijn onderzocht. De effecten op suïcidale gedachten en het risico op suïcide waren klein en niet statistisch significant. De effecten op gevoelens van wanhoop waren groot en significant, hoewel er grote verschillen waren. Bovendien werd geconstateerd dat de resultaten werden vertekend doordat in een significant aantal gevallen de positieve resultaten wel werden gepubliceerd, maar de negatieve niet. Na correctie van deze vertekening bleek het effect aanzienlijk minder sterk. \n\nCONCLUSIE: Er is op dit moment onvoldoende bewijs voor de aanname dat suïcidaliteit bij patiënten met een depressie kan worden verminderd door hun depressie met psychotherapie te behandelen. Hoewel behandeling van een depressie met psychotherapie kleine positieve effecten kan hebben op de suïcidaliteit, kan uit de beschikbare gegevens worden afgeleid dat een dergelijke behandeling alleen niet toereikend is. De effecten op gevoelens van wanhoop zijn waarschijnlijk groter."},"keywords":{"en":["depression","suicide","psychotherapy","psychological treatment","meta-analysis","hopelessness"],"nl":["depressie","zelfdoding","psychotherapie","psychologische behandeling","meta-analyse","hopeloosheid"]},"region":["internationaal"],"type":["review","meta","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult","old"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Reducing patients’ suicide ideation through training mental health teams in the application of the Dutch multidisciplinary practice guideline on assessment and treatment of suicidal behavior: study protocol of a randomized controlled trial","authors":"De Beurs, D. P., De Groot, M. H., Bosmans, J. E., De Keijser, J., Mokkenstorm, J., Verwey, B., Van Duijn, E., De Winter, R. F. P., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, EMGO, GGZ Friesland, RUG, GGZinGeest, 113, Rijstate, GGZ Delfland, GGZ Parnassia","affiliation113":true,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Trials","identifier":"10.1186/1745-6215-14-372","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/24195781","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: To strengthen suicide prevention skills in mental health care in The Netherlands, multidisciplinary teams throughout the country are trained in the application of the new Dutch guideline on the assessment and treatment of suicidal behavior. Previous studies have shown beneficial effects of additional efforts for guideline implementation on professionals' attitude, knowledge, and skills. However, the effects on patients are equally important, but are rarely measured. The main objective of this study is to examine whether patients of multidisciplinary teams who are trained in guideline application show greater recovery from suicide ideation than patients of untrained teams.\n\nMETHODS/DESIGN: This is a multicentre cluster randomized controlled trial (RCT), in which multidisciplinary teams from mental health care institutions are matched in pairs, and randomly allocated to either the experimental or control condition. In the experimental condition, next to the usual dissemination of the guideline (internet, newsletter, books, publications, and congresses), teams will be trained in the application of the guideline via a 1-day small interactive group training program supported by e-learning modules. In the control condition, no additional actions next to usual dissemination of the guideline will be undertaken.Assessments at patient level will start when the experimental teams are trained. Assessments will take place upon admission and after 3 months, or earlier if the patient is discharged. The primary outcome is suicide ideation. Secondary outcomes are non-fatal suicide attempts, level of treatment satisfaction, and societal costs. Both a cost-effectiveness and cost-utility analysis will be performed. The effects of the intervention will be examined in multilevel models.\n\nDISCUSSION: The strengths of this study are the size of the study, RCT design, training of complete multidisciplinary teams, and the willingness of both management and staff to participate.","nl":"ACHTERGROND: Multidisciplinaire teams (met verpleegkundigen, psychiaters, artsen, psychologen) in het hele land worden getraind in de toepassing van de Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling suïcidaal gedrag, om hun vaardigheden op het gebied van suïcidepreventie in de geestelijke gezondheidszorg te vergroten. Eerdere studies hebben laten zien dat extra inspanningen rond de invoering van nieuwe richtlijnen een positief effect kunnen hebben op de houding, kennis en vaardigheden van deze teams. Het effect op de patiënt is natuurlijk minstens zo belangrijk, maar dat wordt zelden gemeten. Het belangrijkste doel van deze studie is te onderzoeken of de patiënten van multidisciplinaire teams die getraind zijn in de toepassing van de richtlijn beter herstellen van suïcidale gedachten dan patiënten van teams die deze training niet hebben gevolgd. \n\nONDERZOEK: Het onderzoek is een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek onder meerdere ggz-instellingen. Multidisciplinaire teams van verschillende instellingen worden willekeurig ingedeeld in een experimentele of controlegroep. In de experimentele groep krijgen de teams niet alleen de gebruikelijke informatie over de richtlijn (via internet, nieuwsbrief, boeken, publicaties en congressen), maar volgen ze ook een training in de toepassing van de richtlijn. Het gaat daarbij om een kleine interactieve groepstraining van één dag, gecombineerd met e-learningmodules. In de controlegroep krijgen de teams naast de gebruikelijke informatie geen extra training of voorlichting. Als de experimentele teams de training volgen, wordt gestart met het testen van de patiënten. Ze worden aan het begin van hun behandeling getest en nogmaals na drie maanden (of eerder, als de patiënt eerder klaar is met de behandeling). Er wordt allereerst gekeken naar suïcidale gedachten (primaire uitkomst). Daarnaast zullen ook suïcidepogingen zonder fatale afloop, hun tevredenheid over de behandeling en de kosten voor de samenleving worden onderzocht (secundaire uitkomsten). De kosten worden niet alleen afgezet tegen de effecten, maar er wordt ook gekeken naar het nut van de interventie (kostenutiliteitsanalyse). De kracht van deze studie ligt in de omvang, de onderzoeksopzet, de training van complete multidisciplinaire teams en de bereidheid van zowel het management als de medewerkers om mee te doen."},"keywords":{"en":["suicide prevention","suicidal behaviour","guideline application","implementation","cost-effectiveness","cost-utility","multicentre","E-learning","Train-the-Trainer","professionals"],"nl":["zelfdodingpreventie","suïcidaal gedrag","richtlijn toepassing","implementatie","kost-effectiviteit","kost-utiliteit","multicentrum","E-learning","Train-the-Trainer"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Improving the application of a practice guideline for the assessment and treatment of suicidal behavior by training the full staff of psychiatric departments via an E-learning supported Train-the-Trainer program: study protocol for a randomized controlled trial","authors":"De Beurs, D. P., De Groot, M. H., De Keijser, J., Verwey, B., Mokkenstorm, J. K., Twisk, J. W. R., Van Duijn, E., Van Hemert, A. M., Verlinde, L., Spijker, J., Van Luijn, B., Vink, J., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, EMGO, GGZ Friesland, RUG, Rijnstate, GGZinGeest, 113, GGZ Delfland, LUMC, GGZ Altrecht, GGZ Propersona, GGZ Dimence, GGZ Rivierduinen","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Trials","identifier":"10.1186/1745-6215-14-9","link":"https://trialsjournal.biomedcentral.com/articles/10.1186/1745-6215-14-9","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: In 2012, in The Netherlands a multidisciplinary practice guideline for the assessment and treatment of suicidal behavior was issued. The release of guidelines often fails to change professional behavior due to multiple barriers. Structured implementation may improve adherence to guidelines. This article describes the design of a study measuring the effect of an e-learning supported Train-the-Trainer program aiming at the training of the full staff of departments in the application of the guideline. We hypothesize that both professionals and departments will benefit from the program.\n\nMETHOD: In a multicenter cluster randomized controlled trial, 43 psychiatric departments spread over 10 regional mental health institutions throughout The Netherlands will be clustered in pairs with respect to the most prevalent diagnostic category of patients and average duration of treatment. Pair members are randomly allocated to either the experimental or the control condition. In the experimental condition, the full staff of departments, that is, all registered nurses, psychologists, physicians and psychiatrists (n = 532, 21 departments) will be trained in the application of the guideline, in a one-day small interactive group Train-the-Trainer program. The program is supported by a 60-minute e-learning module with video vignettes of suicidal patients and additional instruction. In the control condition (22 departments, 404 professionals), the guideline shall be disseminated in the traditional way: through manuals, books, conferences, internet, reviews and so on. The effectiveness of the program will be assessed at the level of both health care professionals and departments.\n\nDISCUSSION: We aim to demonstrate the effect of training of the full staff of departments with an e-learning supported Train-the-Trainer program in the application of a new clinical guideline. Strengths of the study are the natural setting, the training of full staff, the random allocation to the conditions, the large scale of the study and the willingness of both staff and management to participate in the study.","nl":"ACHTERGROND: In 2012 verscheen in Nederland de Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling suïcidaal gedrag. Door verschillende oorzaken leiden dergelijke richtlijnen vaak niet tot ander gedrag bij zorgverleners. Een gestructureerde invoering kan ervoor zorgen dat richtlijnen beter worden nageleefd. Dit artikel beschrijft de opzet van een studie die het effect meet van een online train-de-trainer-cursus over toepassing van de richtlijn, voor al het personeel van psychiatrische afdelingen. De hypothese is dat zowel de individuele zorgprofessionals als de afdelingen baat zullen hebben bij het programma. \n\nONDERZOEK: Aan het onderzoek doen 43 psychiatrische afdelingen van tien regionale ggz-instellingen mee. Er wordt gekeken naar de meest voorkomende diagnostische categorie patiënten en de gemiddelde behandelingsduur. De afdelingen worden willekeurig ingedeeld in een experimentele of controlegroep. Alle afdelingsmedewerkers in de experimentele groep, dat wil zeggen, alle verpleegkundigen, psychologen, artsen en psychiaters (532 personen en 21 afdelingen), volgen een training in de toepassing van de richtlijn. Het is een interactieve training van één dag, in kleine groepen. Daarnaast is er een e-learningmodule van een uur met videofragmenten van suïcidale patiënten en aanvullende instructies. In de controlegroep (22 afdelingen en 404 deelnemers) wordt de richtlijn alleen op de traditionele manier verspreid, via handleidingen, boeken, conferenties, internet, reviews enz. De effectiviteit van de training wordt op twee niveaus beoordeeld: op individueel niveau (zorgverleners) en afdelingsniveau. De onderzoekers willen het effect aantonen van trainingen over nieuwe klinische richtlijnen voor het voltallige personeel van psychiatrische afdelingen, met behulp van een online train-de-trainer-cursus. De kracht van dit onderzoek ligt in de natuurlijke setting, het feit dat al het personeel van een afdeling de training volgt, de willekeurige indeling in een controle- of experimentele groep, de omvang van de studie en de bereidheid van zowel het management als de medewerkers om mee te doen."},"keywords":{"en":["guideline","implementation","suicide prevention","Train-the-Trainer","E-learning","healthcare professional","cluster randomised trial","structured","societal costs"],"nl":["richtlijn","implementatie","zelfdodingpreventie","Train-the-Trainer","E-learning","zorgprofessionals","cluster randomised trial","gestructureerd","maatschappelijke kosten"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Course of bereavement over 8-10 years in first degree relatives and spouses of people who committed suicide: longitudinal community based cohort study","authors":"De Groot, M. H., & Kollen, B. J.","affiliations":"RUG,VU, EMGO","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ","identifier":"10.1136/bmj.f5519","link":"https://www.bmj.com/content/347/bmj.f5519","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["nabestaanden"],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: To identify factors predicting the long term course of complicated grief, depression, and suicide ideation in a community based sample of relatives bereaved through suicide. DESIGN: Longitudinal cohort study. Included in the multilevel regression models were sociodemographic and personality features, mental health history, records of received help, long term complicated grief, depression, and suicide ideation. \n\nSETTING: Community based sample located in the northern part of the Netherlands. PARTICIPANTS: 153 first degree relatives and spouses of 74 people who had committed suicide. \n\nMAIN OUTCOME MEASURES: Complicated grief, depression, and suicide ideation assessed at 2.5 months, 13 months and 96-120 months (8-10 years) by means of self report questionnaires. RESULTS: Complicated grief, depression, and suicide ideation were mutually associated in relatives and spouses of people who had committed suicide. A history of attempted suicide was associated with long term suicide ideation (odds ratio 5.5, 95% confidence interval 1.8 to 16.7; P=0.003). Depression was more likely to be predicted by female sex and low mastery, whereas complicated grief was more likely to be predicted by the trauma of losing a child. The risk of both complicated grief and depression decreased over time; for complicated grief the change corresponded with a Cohen’s d effect size of 0.36 at 13 months and 0.89 at 96-120 months; for depression these figures were 0.28 at 13 months and 0.94 at 96-120 months. The long term course of bereavement was not affected by family based cognitive behavioural therapy, support from a general practitioner, and/or mental healthcare. Mutual support was associated with an increased risk of complicated grief: B regression coefficient=6.4 (95% confidence interval 1.8 to 11.0; P=0.006). Throughout this long term study, selection bias might have affected some outcomes. \n\nCONCLUSION: In relatives bereaved by suicide, suicide ideation is associated with an increased risk of long term complicated grief and depression. The risk of complicated grief and depression decreases over time. Although mutual support is associated with an increased risk of complicated grief, we could not draw conclusions about a causal relation.","nl":"ACHTERGROND: Er is nog onvoldoende bekend over de factoren die het verloop van gecompliceerde rouw (d.w.z. problemen bij het verwerken van verlies), depressie en suïcidale gedachten op de lange termijn kunnen voorspellen bij mensen die een familielid of partner verloren door suïcide.  \n\nONDERZOEK: Er is gebruikgemaakt van een zogenoemde cohortstudie, waarbij een onderzoeksgroep gedurende langere tijd wordt gevolgd. In de modellen voor dit onderzoek is gekeken naar sociaal-demografische en persoonlijke kenmerken, de voorgeschiedenis van psychische gezondheid, de ontvangen hulp, gecompliceerde rouw op de lange termijn, depressie en suïcidale gedachten. De onderzoeksgroep bestond uit 153 familieleden in de eerste graad en partners van 74 personen die door suïcide om het leven zijn gekomen, allemaal uit het noorden van Nederland. Deze personen vulden na 2,5 maand, na 13 maanden en na 96-120 maanden (8-10 jaar) een vragenlijst in. Op basis daarvan werd beoordeeld in hoeverre zij last hadden van gecompliceerde rouw, depressie en suïcidale gedachten. Gecompliceerde rouw, depressie en suïcidale gedachten bleken bij deze nabestaanden met elkaar samen te hangen. Er werd een verband gezien tussen een geschiedenis van pogingen tot suïcide en suïcidale gedachten op de lange termijn. Depressie kwam vaker voor bij vrouwen en mensen die denken dat ze geen controle over belangrijke gebeurtenissen in hun leven hebben en gecompliceerde rouw bij personen die een kind waren verloren. Het risico op zowel gecompliceerde rouw als depressie nam in de loop van de tijd af. Het verloop van de rouw op de lange termijn werd niet beïnvloed door cognitieve gedragstherapie in gezinsverband, steun van een huisarts en/of de geestelijke gezondheidszorg. Wederzijdse steun werd in verband gebracht met een groter risico op gecompliceerde rouw. Enkele van de uitkomsten in dit langetermijnonderzoek zijn mogelijk beïnvloed doordat er vooral gemotiveerde deelnemers meededen.  \n\nCONCLUSIE: Bij nabestaanden die een familielid of partner hebben verloren door suïcide worden suïcidale gedachten in verband gebracht met een hoger risico op gecompliceerde rouw en depressie op de lange termijn. Het risico op gecompliceerde rouw en depressie neemt na verloop van tijd af. Hoewel bij wederzijdse steun een groter risico op gecompliceerde rouw bestaat, willen we niet concluderen dat er een causaal verband bestaat."},"keywords":{"en":["relatives","spouses","longitudinal cohort study","course of bereavement","complicated grief","depression","suicide ideation"],"nl":["familie","echtgenoten","longitudinale cohort studie","beloop van rouw","gecompliceerde rouw","depressie","suïcidale ideatie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suïcide in de vier grote steden. 1969 - 2011: omvang en trends","authors":"Gilissen, R., & Burger, I.","affiliations":"GGD Den Haag","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Epidemiologisch bulletin","identifier":null,"link":"https://www.researchgate.net/publication/324538875_Suicide_in_de_vier_grote_steden_1969_-_2011_omvang_en_trends","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["big cities","suicide rates","epidemiology"],"nl":["grote steden","zelfdodingcijfers","epidemiologie"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Kenmerken van personen overleden door zelfdoding","authors":"Gilissen, R., De Bruin, K., Burger, I., & Van Hemert, B.","affiliations":"GGD Den Haag, CBS, LUMC","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Epidemiologisch bulletin","identifier":null,"link":"https://www.researchgate.net/publication/324539044_Kenmerken_van_personen_overleden_door_zelfdoding","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["Public Health Service","Statistics Netherlands","demographic data","socio-economic characteristics","occupationally disabled","assistance","benefit"],"nl":["GGD","CBS","demografische gegevens","socio-economische kenmerken","arbeidsongeschikt","werkloos","bijstand","uitkering"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Antidepressant utilization and suicide in europe: an ecological multi-national study","authors":"Gusmão, R., Quintão, S., McDaid, D., Arensman, E., Van Audenhove, C., Coffey, C., ..., & Hegerl, U.","affiliations":"RUG","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"PLOS One","identifier":"10.1371/journal.pone.0066455","link":"https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0066455","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Research concerning the association between use of antidepressants and incidence of suicide has yielded inconsistent results and is the subject of considerable controversy. The first aim is to describe trends in the use of antidepressants and rates of suicide in Europe, adjusted for gross domestic product, alcohol consumption, unemployment,\nand divorce. The second aim is to explore if any observed reduction in the rate of suicide in different European countries preceded the trend for increased use of antidepressants.\n\nMETHODS: Data were obtained for 29 European countries between 1980 and 2009. Pearson correlations were used to explore the direction and magnitude of associations. Generalized linear mixed models and Poisson regression distribution were used to clarify the effects of antidepressants on suicide rates, while an autoregressive adjusted model was used to test\nthe interaction between antidepressant utilization and suicide over two time periods: 1980–1994 and 1995–2009.\n\nFINDINGS: An inverse correlation was observed in all countries between recorded Standardised Death Rate (SDR) for suicide and antidepressant Defined Daily Dosage (DDD), with the exception of Portugal. Variability was marked in the association between suicide and alcohol, unemployment and divorce, with countries depicting either a positive or a negative correlation with the SDR for suicide. Every unit increase in DDD of an antidepressant per 1000 people per day, adjusted for these confounding factors, reduces the SDR by 0.088. The correlation between DDD and suicide related SDR was negative in\nboth time periods considered, albeit more pronounced between 1980 and 1994.\n\nCONCLUSIONS: Suicide rates have tended to decrease more in European countries where there has been a greater increase in the use of antidepressants. These findings underline the importance of the appropriate use of antidepressants as part of routine care for people diagnosed with depression, therefore reducing the risk of suicide.","nl":"ACHTERGROND: Onderzoek naar de relatie tussen het gebruik van antidepressiva en het aantal suïcides heeft tot nu toe tegenstrijdige resultaten opgeleverd en dit onderwerp leidt dan ook tot veel discussie. Het eerste doel van dit onderzoek was het antidepressivagebruik en het aantal suïcides in Europa in kaart te brengen, gecorrigeerd voor bruto nationaal product, alcoholgebruik, werkloosheid en echtscheiding. Het tweede doel was te achterhalen of het aantal suïcides afnam in de periode waarin er meer antidepressiva werden gebruikt. \n\nONDERZOEK: De onderzoekers beschikten over een Europese database met gegevens over suïcide en antidepressivagebruik in 29 Europese landen, over de periode 1980 tot 2009. Met behulp van verschillende statistische modellen werd het effect van antidepressiva op het aantal suïcides onderzocht en werd het verband tussen antidepressivagebruik en suïcide getest gedurende twee perioden: 1980-1994 en 1995-2009. In de onderzochte perioden steeg het gebruik van antidepressiva aanzienlijk en daalde het aantal suïcides in bijna alle onderzochte landen. Er kwamen wel verschillen naar voren in de relatie tussen suïcide en de risicofactoren alcoholgebruik, werkloosheid en echtscheiding. In sommige landen was er sprake van een positieve correlatie en in andere landen van een negatieve correlatie met suïcide. Bij elke extra eenheid antidepressiva (standaarddagdosering) per 1000 personen per dag namen deze beïnvloedende factoren af en ging het sterftecijfer omlaag. Voor beide onderzochte perioden gold dat het aantal suïcides afnam bij een toename van het gebruik van antidepressiva, maar deze trend was duidelijker zichtbaar in de eerste periode (1980-1994). \n\nCONCLUSIE: In de Europese landen waar het gebruik van antidepressiva sterker was toegenomen, was een grotere daling te zien in het aantal suïcides. Dit resultaat benadrukt het belang van een correct en zorgvuldig gebruik van antidepressiva als onderdeel van de standaardzorg die wordt verleend aan mensen met een depressie, omdat daarmee de kans op suïcide wordt verkleind."},"keywords":{"en":["suicide rates","standardised mortality rate","antidepressants","trends"],"nl":["zelfdodingpercentages","gestandaardiseerd sterftecijfer","antidepressiva","trends"]},"region":["internationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Mental health reforms in Europe: further evaluation of the Dutch supervision system for suicides of mental health care users","authors":"Huisman, A., Robben, P. B., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, EMGO, EUR, Inspectie voor gezondheidszorg","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychiatric Services","identifier":"10.1176/appi.ps.201200400","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/23280455","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["evaluation","supervision system","mental health care users","procedure","inspectorate"],"nl":["beoordeling","begeleidingsysteem","GGZ gebruikers","proces","inspectie"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suïcidepreventie: richtlijnen voor tijdige en goed georganiseerde hulp      [suïcide prevention: guidelines for timely and well-organised help]","authors":"Kerkhof, A. J. F. M., & Van Hemert, A. M.","affiliations":"VU, LUMC","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde","identifier":null,"link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/23890165","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["suicide prevention","guideline","general practitioners","mental health workers"],"nl":["zelfdodingpreventie","richtlijn","huisartsen","GGZ professionals"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Community social capital and suicide mortality in the Netherlands: a cross-sectional registry-based study","authors":"Kunst, A. E., Van Hooijdonk, C., Droomers, M., & Mackenbach, J. P.","affiliations":"AMC, Erasmus MC, RIVM","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Public Health","identifier":"10.1186/1471-2458-13-969","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3856594/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Evidence on the effect of community social capital on suicide mortality rates is fragmentary and inconsistent. The present study aims to determine whether geographic variations in suicide mortality across the Netherlands were associated with community social capital.\n\nMETHODS: We included 3507 neighbourhoods with 6207 suicide deaths in the period 1995-2000. For each neighbourhood, we measured perceived social capital using information from interview surveys, and we measured structural aspects of social capital using population registers. Associations with mortality were determined using Poisson regression analysis with control for confounders at individual level (age, sex, marital status, country of origin) and area level (area income, population density, religious orientation).\n\nRESULTS: Suicide mortality rates were related to the measure of perceived social capital. Mortality rates were 8 percent higher (95% confidence interval (CI): 2 to 16 percent) in areas with low capital. In stratified analyses, this difference was found to be significantly larger among men (12 percent, CI: 2 to 22) than women (1 percent, CI: -9 to 13), larger among those age 0-50 (18 percent, CI: 8 to 29) than older residents (-2 percent, CI: -12 to 8), and larger among the unmarried (30 percent, CI: 16-45) than the married (-2 percent, CI: -12 to 9). Associations with the structural aspect of social capital were in the same direction, but weaker, and not statistically significant.\n\nCONCLUSIONS: This study contributed some evidence to assume a modest effect of community social capital on suicide mortality rates. This effect may be restricted to specific population groups such as younger unmarried men.","nl":"ACHTERGROND: Er is fragmentarisch en inconsistent bewijs voor het effect van sociaal kapitaal in de gemeenschap op sterftecijfers door suïcide. Het doel van deze studie was om vast te stellen of geografische variaties in suïcidessterfte in Nederland samenhingen met sociaal kapitaal in de gemeenschap.\n\nMETHODEN: We onderzochten 3507 buurten met 6207 sterfgevallen door suïcide in de periode 1995-2000. Voor elke buurt maten we het ervaren sociaal kapitaal met behulp van informatie uit interviewenquêtes, en we maten structurele aspecten van sociaal kapitaal met behulp van bevolkingsregisters. Associaties met sterfte werden bepaald met Poisson regressie analyse met controle voor confounders op individueel niveau (leeftijd, geslacht, burgerlijke staat, land van herkomst) en gebiedsniveau (inkomen, bevolkingsdichtheid, religieuze oriëntatie).\n\nRESULTATEN: Sterftecijfers door suïcide waren gerelateerd aan de maatstaf voor waargenomen sociaal kapitaal. De sterftecijfers waren 8 procent hoger (95% betrouwbaarheidsinterval (CI): 2 tot 16 procent) in gebieden met weinig sociaal kapitaal. In gestratificeerde analyses bleek dit verschil significant groter te zijn onder mannen (12 procent, CI: 2 tot 22) dan onder vrouwen (1 procent, CI: -9 tot 13), groter onder mensen van 0-50 jaar (18 procent, CI: 8 tot 29) dan onder oudere inwoners (-2 procent, CI: -12 tot 8), en groter onder ongehuwden (30 procent, CI: 16-45) dan onder gehuwden (-2 procent, CI: -12 tot 9). Associaties met het structurele aspect van sociaal kapitaal waren in dezelfde richting, maar zwakker en niet statistisch significant.\n\nCONCLUSIES: Deze studie droeg enig bewijs bij om een bescheiden effect van sociaal kapitaal in de gemeenschap op suïcidesterftecijfers te veronderstellen. Dit effect is mogelijk beperkt tot specifieke bevolkingsgroepen zoals jongere ongehuwde mannen.\""},"keywords":{"en":["suicide","mortality","geography","social capital","social cohesion"],"nl":["zelfdoding","sterfte","geografie","sociaal kapitaal","sociale samenhang"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Gender distribution of suicide attempts among immigrant groups in European countries - an international perspective","authors":"Lipsicas, C. B., Mäkinen, I. H., Wasserman, D., Apter, A., Kerkhof, A. J. F. M., Michel, K., Renberg, E. S., Van Heeringen, K., Värnik, A., & Schmidtke, A.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"European Journal of Public Health","identifier":"10.1093/eurpub/cks029","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22577125","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["gender distribution","suicide attempts","immigrants","Europe","suicide attempters","minority groups","prevention strategies"],"nl":["man/vrouw-verdeling","zelfdodingpogingen","immigranten","Europa","zelfdodingpogers","minderheidsgroepen","preventiestrategieën"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","populationcohort"],"age":["any"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Attitudes and stigma in relation to help-seeking intentions for psychological problems in low and high suicide rate regions","authors":"Reynders, A., Kerkhof, A. J. F. M., Molenberghs, G., & Van Audenhove, C.","affiliations":"VU, EMGO","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol","identifier":"10.1007/s00127-013-0745-4","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/23896893","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"PURPOSE: Accessibility and availability of mental health care services are necessary but not sufficient for people to seek help for psychological problems. Attitudes and stigma related to help seeking also determine help seeking intentions. The aim of this study is to investigate how cross-national differences in attitudes and stigma within the general population are related to professional and informal help seeking intentions in low and high suicide rate\nregions. \n\nMETHODS: By means of a postal structured questionnaire, data of 2999 Dutch and Flemish respondents between 18 and 65 years were gathered. Attitudes toward help seeking, perceived stigma, self-stigma, shame and intention to seek help were assessed. \n\nRESULTS: People in the Netherlands, where suicide rates are low, have more positive attitudes toward help seeking and experience less self stigma and shame compared to the people in Flanders, where suicide rates are relatively high. These attitudinal factors predicted professional as well as informal help seeking intentions. Perceived stigma was negatively associated with informal help seeking. Shame was positively associated with higher intention to use psychotropic drugs and perceived stigma was negatively  associated with the intention to seek help from a psychotherapist in Flanders but not in the Netherlands.\n\nCONCLUSION: Help seeking for psychological problems prevent these problems to aggravate and it is assumed to be a protective factor for suicide. Our results stress the\nimportance of the promotion of positive attitudes and the reduction of stigma within the general population to facilitate help seeking from professional providers and informal networks. Focusing on these attitudinal factors is believed to be a key aspect of universal mental health and suicide prevention policies.","nl":"ACHTERGROND: Voor mensen met psychische problemen is het essentieel dat ze toegang hebben tot geestelijke zorg en dat die zorg ook beschikbaar is, maar dat is niet voldoende. Of ze ook echt psychische hulp willen zoeken, is mede afhankelijk van hun houding en stigma’s rond het vragen van hulp. Deze studie had als doel te achterhalen in hoeverre verschillen in houding en stigma bij mensen in Nederland en Vlaanderen een rol spelen bij hun voornemen om professionele of informele hulp te zoeken. Daarvoor zijn regio’s waar suïcide vaker en minder vaak voorkomt met elkaar vergeleken. \n\nONDERZOEK: Aan de hand van een vragenlijst per post zijn gegevens verzameld van bijna 3000 Nederlandse en Vlaamse respondenten tussen de 18 en 65 jaar. Er werd gevraagd naar hun houding ten aanzien van hulp zoeken, stigmatisering (in de samenleving) die zij ervaren, zelfstigma, schaamte en hun voornemen om hulp te zoeken. Uit de resultaten bleek dat mensen in Nederland, waar het aantal suïcides lager ligt, een positievere houding hebben ten aanzien van hulp zoeken en minder last hebben van zelfstigma en schaamte vergeleken met mensen in Vlaanderen, waar de suïcidescijfers relatief hoog zijn. Deze houding bleek een voorspellende factor te zijn voor hun intentie om professionele of informele hulp te zoeken. Er was een negatieve relatie tussen de ervaren stigmatisering en het inroepen van informele hulp. In Vlaanderen (maar niet in Nederland) bestond er een positief verband tussen schaamte en de intentie om psychotrope medicatie te gebruiken en bleek er een negatief verband te zijn tussen ervaren stigmatisering en het voornemen om hulp te vragen aan een psychotherapeut. \n\nCONCLUSIE: Wie hulp zoekt bij psychische problemen, kan voorkomen dat deze verergeren. Hulp zoeken wordt dan ook gezien als een beschermende factor die de kans op suïcide kan verkleinen. Deze resultaten onderstrepen het belang van een positieve houding en het verminderen van stigmatisering in de samenleving, zodat het voor de betrokkenen makkelijker wordt om hulp te vragen via professionele zorgverleners en informele netwerken. Onderzoekers zijn van mening dat deze houdingsaspecten een belangrijke factor zijn bij suïcidepreventie en de geestelijke zorg in het algemeen. Daar moet dus veel aandacht aan worden besteed."},"keywords":{"en":["attitudes","stigma","help-seeking","suicide","cross-national research"],"nl":["attitudes","stigma","hulp zoeken","zelfdoding","cross-nationaal onderzoek"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Casuïstiek: wittestofafwijkingen na een zelfmoordpoging","authors":"Rolf, L., Sikkema, T., Krudde, J., & Van Harten, B.","affiliations":"MC Leeuwarden","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde","identifier":null,"link":"https://www.ntvg.nl/artikelen/wittestofafwijkingen-na-een-zelfmoordpoging","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Delayed post-hypoxic leukoencephalopathy (DPHL) is a demyelinating disorder characterized by neuropsychiatric symptoms occurring a few days to some weeks following cerebral hypoxia. \n\nCASE DESCRIPTION: A 50-year old female patient showed rapidly progressive cognitive deterioration with apathy, mutism and regressive behaviour a few weeks after a suicide attempt with carbon monoxide (CO). This eventually leads to a state of akinetic mutism. Magnetic resonance imaging (MRI) of the brain showed diffuse white matter abnormalities. These MRI findings combined with CO intoxication and the clinical picture were highly suggestive for DPHL. \n\nCONCLUSION: This case emphasizes that a neurological cause should be considered if rapidly progressive neuropsychiatric symptoms occur, and that after suspected auto intoxication it is important to take possible hypoxia and its after-effects into consideration. Recognition of DPHL is important so that unnecessary invasive diagnostics and treatment can be avoided. Considering the favorable natural course of DPHL appropriate measures should be taken in order to provide supportive care and rehabilitation.","nl":"‘Delayed post-hypoxic leukoencephalopathy’ (DPHL) is een demyeliniserende aandoening die gekenmerkt wordt door neuropsychiatrische symptomen die enkele dagen tot weken na cerebrale hypoxie ontstaan. Casus: Een 50-jarige patiënte ontwikkelde enkele weken na een tentamen suicidii met koolstofmonoxide (CO) een snel progressieve cognitieve achteruitgang met apathie, mutisme en regressief gedrag. Uiteindelijk verkeerde ze in een staat van akinetisch-mutisme. Een MRI-scan van de hersenen toonde diffuse wittestofafwijkingen. Deze MRI-bevindingen in combinatie met de CO-intoxicatie en het klinische beeld maakten de diagnose DPHL aannemelijk. CONCLUSIE: Deze casus benadrukt dat een neurologische verklaring overwogen moet worden bij snel progressieve neuropsychiatrische symptomen en dat het na een vermoedelijke auto-intoxicatie van belang is rekening te houden met mogelijke hypoxie en de na-effecten hiervan. Het herkennen van DPHL is van belang, opdat invasief onderzoek en onnodige behandelingen voorkomen kunnen worden. Aangezien het natuurlijk beloop vaak gunstig is, moeten maatregelen getroffen worden met het oog op ondersteuning en revalidatie."},"keywords":{"en":["delayed post-hypoxic leukoencephalopathy","cerebral hypoxia","suicide attempt","carbon monoxide intoxication","apathy","mutism","regressive behaviour"],"nl":["delayed post-hypoxie leuko-encefalopathie","cerebrale hypoxie","zelfdodingpoging","koolstofmonoxide(CO)-intoxicatie","apathie","mutisme","regressief gedrag"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Recurrent suicide attempts in patients with depressive and anxiety disorders: the role of borderline personality traits","authors":"Stringer, B., Van Meijel, B., Eikelenboom, M., Koekkoek, B., Licht, C. M. M., Kerkhof, A. J. F. M., Penninx, B. W. J. H., & Beekman, A. T. F.","affiliations":"EMGO, VU, Inholland, GGZ InGeest, Parnassia, Propersona, HAN, UMC Groningen, LUMC","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2013.02.038","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032713002243?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["borderline","angst","depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: The presence of a comorbid borderline personality disorder (BPD) may be associated with an increase of suicidal behaviors in patients with depressive and anxiety disorders. The aim of this study is to examine the role of borderline personality traits on recurrent suicide attempts.\nMETHODS: The Netherlands Study on Depression and Anxiety included 1838 respondents with lifetime depressive and/or anxiety disorders, of whom 309 reported at least one previous suicide attempt. A univariable negative binomial regression analysis was performed to examine the association between comorbid borderline personality traits and suicide attempts. Univariable and multivariable negative binomial regression analyses were performed to identify risk factors for the number of recurrent suicide attempts in four clusters (type and severity of axis-I disorders, BPD traits, determinants of suicide attempts and socio-demographics).\nRESULTS: In the total sample the suicide attempt rate ratio increased with 33% for every unit increase in BPD traits. A lifetime diagnosis of dysthymia and comorbid BPD traits, especially the symptoms anger and fights, were independently and significantly associated with recurrent suicide attempts in the final model (n=309).\nLIMITATIONS: The screening of personality disorders was added to the NESDA assessments at the 4-year follow-up for the first time. Therefore we were not able to examine the influence of comorbid BPD traits on suicide attempts over time.\nCONCLUSIONS: Persons with a lifetime diagnosis of dysthymia combined with borderline personality traits especially difficulties in coping with anger seemed to be at high risk for recurrent suicide attempts. For clinical practice, it is recommended to screen for comorbid borderline personality traits and to strengthen the patient's coping skills with regard to anger.","nl":"ACHTERGROND: Patiënten met een depressie en angststoornissen die daarnaast een borderline persoonlijkheidsstoornis hebben, zouden vaker last kunnen hebben van suïcidaal gedrag. Het doel van deze studie was te onderzoeken in hoeverre een borderline persoonlijkheidsstoornis een rol speelt bij herhaalde suïcidepogingen. \n\nONDERZOEK: De Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA) omvatte 1838 deelnemers die op enig moment in hun leven te maken hadden met een depressie en/of angststoornissen. Van deze groep gaven 309 personen aan dat ze minstens één suïcidepoging hadden gedaan. Er werd gekeken in hoeverre er een verband bestaat tussen een comorbide (tegelijkertijd voorkomende) borderline persoonlijkheidsstoornis en suïcidepogingen. Daarnaast werden de risicofactoren in kaart gebracht voor het aantal herhaalde suïcidepogingen in vier clusters (type en ernst van klinische stoornissen, borderline persoonlijkheidsstoornis, factoren die een rol spelen bij suïcidepogingen en sociaal-demografische factoren). In de totale steekproef steeg het aantal suïcidepogingen met 33% als er tegelijkertijd sprake was van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Wie ooit was gediagnostiseerd met een persisterende depressieve stoornis (een chronische en lichtere vorm van klinische depressie die zich kenmerkt door een gebrek aan plezier in het leven) in combinatie met een borderline persoonlijkheidsstoornis (vooral symptomen als woedeaanvallen en ruziemaken) had een significant grotere kans op herhaalde suïcidepogingen. \n\nKANTTEKENINGEN: de screening van persoonlijkheidsstoornissen werd pas na vier jaar opgenomen in de NESDA-studie. Daarom was het niet mogelijk om voor een langere periode te onderzoeken welke invloed een comorbide borderline persoonlijkheidsstoornis op het aantal suïcidepogingen had.  \n\nCONCLUSIE: Bij mensen die ooit de diagnose persisterende depressieve stoornis hebben gekregen in combinatie met een borderline persoonlijkheidsstoornis (vooral woedegerelateerde problemen) leek de kans groot dat ze meerdere suïcidepogingen zouden doen. Voor de klinische praktijk wordt aanbevolen om patiënten te screenen op een borderline persoonlijkheidsstoornis en hen te laten werken aan het verbeteren van hun vaardigheden in het beheersen van hun woede."},"keywords":{"en":["recurrent suicide attempts","depressive disorders","anxiety disorders","borderline personality disorder","borderline personality traits","anger","coping skills"],"nl":["terugkerende zelfdodingpogingen","depressieve stoornissen","angststoornissen","borderline persoonlijkheidsstoornis","borderline persoonlijkheidseigenschappen","boosheid","coping vaardigheden"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Perceived need for care and health care utilization among depressed and anxious patients with and without suicidal ideation","authors":"Stringer, B., Van Meijel, B., Eikelenboom, M., Koekkoek, B., Verhaak, P. F. M., Kerkhof, A. J. F. M., Penninx, B. W. J. H., & Beekman, A. T. F.","affiliations":"VU, EMGO, Inholland, Parnassia, ProPersona, HAN, NIVEL, UMC Groningen, LUMC","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000182","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/23261915","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Information is scarce concerning the perceived needs and the amount of health-care utilization of persons with suicidal ideation (SI) compared to those without SI. \n\nAIMS: To describe the needs and health care use of persons with and without SI and to investigate whether these differences are associated with the severity of the axis-I symptomatology. \n\nMETHOD: Data were obtained from 1,699 respondents with a depressive and/or anxiety disorder who participated in the Netherlands Study of Depression and Anxiety. Persons with and without SI were distinguished. Outcome variables were perceived needs and health-care utilization. We used multivariate regression in two models: (1) adjusted only for sociodemographic variables and (2) adjusted additionally for severity of axis-I symptomatology.\n\nRESULTS: Persons with SI had higher odds for both unmet and met needs in almost all domains and made more intensive use of mental-health care. Differences in needs and health-care utilization of persons with and without SI were strongly associated with severity of axis I symptomatology. \n\nCONCLUSIONS: our results validate previous findings about perceived needs and health-care use of persons with SI. The results also suggest that suicidal persons are more seriously ill, and that they need more professional care, dedication, and specialized expertise than anxious and depressed persons without SI, especially in the domains of information and referral.","nl":"ACHTERGROND: Er is weinig bekend over de ervaren zorgbehoeften van mensen met suïcidale gedachten en de mate waarin zij van zorg gebruikmaken, vergeleken met mensen zonder suïcidale gedachten. Voor dit onderzoek zijn de zorgbehoeften en het gebruik van zorgvoorzieningen door mensen met en zonder suïcidale gedachten met elkaar vergeleken. Daarnaast wilden de onderzoekers weten of de verschillen tussen deze twee groepen samenhangen met de ernst van klinische stoornissen als depressie. \n\nONDERZOEK: De gegevens waren afkomstig van 1699 deelnemers met een depressie en/of angststoornis die hadden meegedaan aan de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA). Mensen met en zonder suïcidale gedachten werden afzonderlijk beoordeeld, waarbij werd gekeken naar de ervaren behoefte aan zorg en het gebruik van zorg. Bij de analyse werden twee modellen gebruikt: in het eerste model werden de resultaten alleen gekoppeld aan sociaal-demografische variabelen en in het tweede model werd ook de ernst van de psychiatrische symptomen meegenomen. Mensen met suïcidale gedachten bleken vaker een (vervulde of niet vervulde) zorgbehoefte te hebben in bijna alle domeinen en maakten intensiever gebruik van psychiatrische zorg. De verschillen in de behoefte aan zorg en het gebruik van zorg tussen mensen met en zonder suïcidale gedachten hingen sterk samen met de ernst van hun psychiatrische symptomen.  \n\nCONCLUSIE: De resultaten bevestigen eerdere uitkomsten over ervaren zorgbehoeften en het gebruik van zorg door mensen met suïcidale gedachten. Ze wijzen er ook op dat suïcidale personen ernstiger ziek zijn en meer professionele zorg, toewijding en gespecialiseerde deskundigheid nodig hebben dan angstige en depressieve mensen zonder suïcidale gedachten, vooral in de fase van informatievoorziening en doorverwijzing."},"keywords":{"en":["health-care use","perceived needs","suicidal ideation","depressive disorders","anxiety disorders"],"nl":["zorggebruik","ervaren behoeften","suïcidale ideatie","depressieve stoornissen","angststoornissen"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Prevalence and risk factors for first onset of suicidal behaviors in the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2","authors":"Ten Have, M., Van Dorsselaer, S., & De Graaf, R.","affiliations":"Trimbos","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2012.11.005","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032712007392?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: To report lifetime prevalences of suicidal ideation, plans and attempts, as well as risk factors for first onset suicidal behaviours and for the transition from ideation to first onset plan or attempt.\n\nMETHODS: Data were used from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2 (NEMESIS-2), a nationally representative survey among the general population aged 18-64 years (N=6646; response rate=65.1%). Face-to-face interviews were administered between November 2007 and July 2009. Suicidal behaviours and DSM-IV mental disorders were assessed using the Composite International Diagnostic Interview 3.0.\n\nRESULTS: The lifetime prevalence of suicidal ideation, plan and attempt was 8.3%, 3.0% and 2.2%, respectively. Among ideators, the probability of ever making an attempt was 26.8%. 76.5% of transitions from ideation to attempt occurred within the first year after ideation onset. Risk factors for suicidal behaviours included being female, younger, less educated, having had childhood trauma and a prior mental disorder. The strongest risk factors for the transition from ideation to first onset attempt were characteristics of prior suicidal behaviours, such as an early age of ideation onset and prior plans.\n\nLIMITATIONS: Data were based on retrospective self-reports of mental disorders and suicidal behaviours.\n\nCONCLUSIONS: It is important that health professionals verify suicide plans of their patients with suicidal ideas. They should also discuss the way their patients deal with problems and the kind of help they need, because a substantial proportion of (first) attempts was not intended to kill oneself. Preventive measures are best offered within the first year after ideation onset.","nl":"ACHTERGROND: Dit onderzoek geeft een beeld van suïcidale gedachten, plannen en pogingen die zich gedurende het leven voordoen en risicofactoren voor het ontstaan van suïcidaal gedrag en voor de overgang van gedachten naar plannen of pogingen.  \n\nONDERZOEK: Er is gebruikgemaakt van gegevens uit de Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2 (NEMESIS-2), een nationaal representatief onderzoek onder de algemene bevolking van 18 tot 64 jaar. Tussen 2007 en juli 2009 zijn persoonlijke interviews afgenomen om suïcidaal gedrag en verschillende psychische aandoeningen te beoordelen. Gemiddeld krijgt respectievelijk 8,3%, 3,0% en 2,2% van de mensen gedurende zijn of haar leven te maken met suïcidale gedachten, plannen en pogingen. Van de mensen met suïcidale gedachten doet ruim een kwart uiteindelijk een suïcidepoging; in ongeveer drie kwart van de gevallen gebeurt dit binnen een jaar na het begin van de suïcidale gedachten. Onder meer vrouwen, jongere mensen, lager opgeleiden en mensen met een jeugdtrauma of een eerdere psychische aandoening lopen een groter risico op suïcidaal gedrag. Suïcidale gedachten leiden het vaakst tot een suïcidepoging bij mensen die al eerder suïcidaal gedrag hebben vertoond, bijvoorbeeld mensen die al op jonge leeftijd suïcidale gedachten hadden en mensen die eerder suïcideplannen hebben gehad.  \n\nKANTTEKENING: de gegevens waren gebaseerd op zelfrapportage van psychische aandoeningen en suïcidaal gedrag achteraf.  \n\nCONCLUSIE: Het is belangrijk dat zorgverleners nagaan of hun patiënten met suïcidale gedachten ook suïcideplannen hebben. Ze moeten bespreken hoe hun patiënten met problemen omgaan en wat voor hulp ze nodig hebben, want een groot deel van de (eerste) pogingen is niet bedoeld om een einde aan het leven te maken. Preventieve maatregelen kunnen het best worden genomen binnen een jaar na het begin van de suïcidale gedachten."},"keywords":{"en":["suicidal behaviours","probability and speed of transition","risk factors","population study"],"nl":["suïcidaal gedrag","waarschijnlijkheid en snelheid van overgang","risicofactoren","populatiestudie"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Future thinking in suicidal patients","authors":"Van Beek, W.","affiliations":"VU, Stichting De Open Ankh/Zorgcoöperatie Nederland, Soesterberg GGz Centraal, EMGO, Dimence","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"Nivel","identifier":"ISBN: 978-94-91602-13-9","link":"https://research.vu.nl/en/publications/future-thinking-in-suicidal-patients-development-and-evaluation-o","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In chapter one we introduced hopelessness and a decrease in positive future thinking as core elements of the suicidal process. We examined suicide ideation and its treatment. The research design, the instruments and the research plan for the randomized controlled trial (RCT) were introduced. Chapter two described how the study was implemented. Our aim was to develop a concise, short intervention, which would be easy to implement in actual practice of mental health care and would be suitable for many patients with suicide ideations. In chapter three we summarized the basic elements of the training and their theoretical background. Problem solving, or goal orientation as we labelled it, cognitive therapy and risk reduction were the major elements. Our intervention aimed to help participants to increase their positive future thinking, and by that, decreasing suicidal ideations. In chapter four suicidal thinking was further elaborated on in a broader context. The significance of time perspective, one’s cognitive tendency to focus on positive or negative elements from the past, the present, or the future, was investigated in chapter five. We compared suicidal to nonsuicidal patients in terms of time perspective (ZTPI), personality (NEO-PI), severity of pathology (SIPP) and depression (BDI-II). We concluded that particularly a tendency to focus on negative memories is related to the severity of personality problems. Furthermore, we found a relationship between lower orientation towards the future and suicidality. In chapter six we confirmed the hypothesis that suicidal patients are less able to produce positive future related thoughts. Furthermore, our data showed that suicidal patients are less capable to report positive thoughts about the present. The seventh chapter focused on time perspective profiles in the second and larger sample of patients. We distinguished a common pattern of ZTPI subscale scores (time perspective profile) in the group of depressed non-suicidal patients, illustrating a specific relationship with time among these patients compared to the suicidal sample: lower Past Negative, higher Past Positive and lower Present Fatalistic and slightly higher Future scores. Two suicidal clusters could be identified: one depressed subgroup (high Past Negative scores) and one more future oriented subgroup (higher Future, lower Past Negative and Present Fatalistic). We also found the ZTPI to be stable over time, indicating time perspective to be a trait-like characteristic. There were no differences between suicidal and non-suicidal patients regarding their focus on thoughts about life after death (Transcendental Future). In chapter eight we focused on our second major research question, the effects of our future oriented group training (FOGT) for suicidal patients. We found that patients who were able to attend more than six sessions (adherers) showed an additional decrease in suicidal ideation (BDI-II question 9), and some additional effect on suicidal ideation was found on the SSI scores (Cohen’s d = .2 to .3). But this was not statistically significant. The adherers group reported additional effect on depression (.4) and FOGT proved to significantly decrease symptoms and distress, indicating a higher level of Quality of Life after the training than in the treatment-as-usual (TAU) group. We found no effect on self-destructive behaviour, but FOGT appeared to decrease the risk of deliberate self-poisoning.","nl":"In hoofdstuk één worden hopeloosheid en een afname in positief toekomstdenken geïntroduceerd als kernaspecten in het suïcidaal proces. Er wordt ingegaan op suïcidale gedachten en de behandeling hiervan. De onderzoeksopzet, de instrumenten en het onderzoeksplan die zijn gebruikt in deze gerandomiseerde klinische studie (RCT) worden geïntroduceerd. Het tweede hoofdstuk beschrijft de manier waarop de studie is geïmplementeerd. Het doel was om een bondige, korte interventie te ontwikkelen die gemakkelijk te implementeren zou moeten zijn in de praktijk van de reguliere geestelijke gezondheidszorg en die geschikt is voor een brede groep patiënten in de ggz. In hoofdstuk drie worden de primaire onderdelen van de training besproken, samen met hun theoretische achtergrond. Probleemoplossing (of doelgerichtheid zoals het hier genoemd wordt), cognitieve therapie en risicovermindering zijn de belangrijkste elementen De interventie heeft tot doel suïcidale gedachten te verminderen door het stimuleren van positief toekomstdenken bij deelnemers. In hoofdstuk vier wordt verder ingegaan op suïcidale gedachten in een bredere context. In het vijfde hoofdstuk wordt het belang van tijdsperspectief, iemands tendens zich in het denken te richten op positieve of negatieve zaken uit het verleden, het heden, of de toekomst, verder uitgediept. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen suïcidale patiënten en niet-suïcidale patiënten op het gebied van tijdsperspectief (ZTPI), persoonlijkheid (NEO-PI), ernst van de pathologie (SIPP) en depressie (BDI-II). De conclusie luidt dat een tendens om je te focussen op negatieve herinneringen gerelateerd is aan de ernst van de persoonlijkheidsproblemen. Verder wordt er een verband gelegd tussen een lagere toekomstgerichtheid en suïcidaliteit. In hoofdstuk zes wordt de hypothese bevestigd dat suïcidale patiënten minder dan niet-suïcidale patiënten in staat zijn positieve gedachten over de toekomst te genereren. Daarnaast laten de bevindingen zien dat suïcidale patiënten minder goed in staat zijn positieve gedachten over het heden onder woorden te brengen. Het zevende hoofdstuk richt zich op tijdsperspectief-profielen, in een tweede, grotere steekproef. Er werd een patroon aangetroffen in de (tijdsperspectief)-subscores op ZTPI onder niet suïcidale depressieve patiënten. Een kenmerkende verhouding tussen de drie tijdsframes (verleden, heden en toekomst) in vergelijking met suïcidale patiënten: lagere Negatief Verleden-, hogere Positief Verleden- en lagere Fatalistisch Heden-scores, met licht verhoogde Toekomst-scores. Het blijkt mogelijk om twee kenmerkende suïcidale clusters te onderscheiden: een ernstiger depressieve subgroep (hogere Negatief Verleden-scores), en een toekomstgeoriënteerde subgroep (hogere Toekomst-scores, lager Negatief Verleden en lager Fatalistisch Heden). Ook werd gevonden dat tijdsperspectief, gemeten met de ZTPI, stabiel is over de tijd, wat een indicatie kan zijn voor tijdsperspectief als karaktertrek. Er zijn geen verschillen gevonden tussen suïcidale en niet-suïcidale proefpersonen op het gebied van gedachten over leven na de dood (Transcendentaal Toekomstdenken). In hoofdstuk acht ligt de focus op de tweede onderzoeksvraag, namelijk het effect van de gebruikte Toekomstgerichte groepstraining voor suïcidale patiënten (TGT). Er wordt geconcludeerd dat patiënten die vaker dan zes van de bijeenkomsten aanwezig waren minder suïcidaliteit rapporteerden op vraag 9 van de BDI-II. Hoewel enig aanvullend effect werd gevonden op suïcidale gedachten (Cohens d = 0,2 tot 0,3), is dit effect niet statistisch significant. De groep van mensen die vaker dan zes keer kwamen was minder depressief (d = 0,4) en door TGT verminderde de last en de symptomen die ze hadden, een indicatie voor een verbeterde kwaliteit van leven ten opzichte van de groep deelnemers die alleen de gebruikelijke behandeling kregen. Er zijn geen verschillen gevonden op het gebied van parasuïcidaal gedrag, behalve dat TGT beschermend lijkt te werken tegen bewuste overmedicatie. In de volgende paragraaf wordt uitgebreider ingegaan op de uitkomsten van dit onderzoek en worden deze in het perspectief geplaatst van bestaande literatuur en onderzoek."},"keywords":{"en":["future thinking","suicidality","time","group training","suicidal patients","RCT","time profile","cognitive therapy"],"nl":["toekomstdenken","suïcidaliteit","tijd","groepstraining","suïcidale patiënten","RCT","tijdsprofiel","cognitieve therapie"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Victimization and suicidality among Dutch lesbian, gay, and bisexual youths","authors":"Van Bergen, D. D., Bos, H. M. W., Van Lisdonk, J., Keuzenkamp, S., & Sandfort T. G. M.","affiliations":"VU, UVA, SCP","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"American Public Health Association","identifier":"10.2105/AJPH.2012.300797","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/23153134","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["lgbtq"],"abstract":{"en":"We examined Netherlands Institute for Social Research data, collected between May and August 2009, on 274 Dutch lesbian, gay, and bisexual youths. The data showed that victimization at school was associated with suicidal ideation and actual suicide attempts. Homophobic rejection by parents was also associated with actual suicide attempts. Suicidality in this population could be reduced by supporting coping strategies of lesbian, gay, and bisexual youths who are confronted with stigmatization by peers and parents, and by schools actively promoting acceptance of same-sex sexuality.\nStudies have shown that rates of suicidal ideation and suicide attempts among lesbian, gay, and bisexual (LGB) youths are higher than among heterosexually identified youths.1 Also, suicide attempts in LGB adolescents are positively associated with the parents’ negative responses to their offspring’s sexual orientation.2 Furthermore, victimization at school is positively related to lifetime suicide attempts and to suicidal ideation in the previous year.3,4 Although LGB adolescents experience victimization in various social contexts, it is not clear which social context (parents, family members outside the nuclear family, school, or neighborhood) is most crucial in determining suicidality. The present study is one of the first studies to examine this issue.","nl":null},"keywords":{"en":["adolescent","homosexuality","bisexuality","crime victims","stereotyping","sexual minorities","suicidality"],"nl":["adolescenten","homoseksualiteit","biseksualiteit","slachtoffers van misdrijven","seksuele minderheden","leeftijdsgenootgroepen","suïcidaliteit"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Train suicide mortality and availability of trains: a tale of two countries","authors":"Van Houwelingen, C. A. J., Baumert, J., Kerkhof, A. J. F. M., Beersma, D., & Ladwig, K. H.","affiliations":"GGzE , EMGO, RUG","affiliation113":false,"year":2013,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychiatry Research","identifier":"10.1016/j.psychres.2012.12.026","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/23380544","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"When compared to German rates, train suicides in the Netherlands have made up a larger proportion of the total number of suicides. This study examines whether this difference is attributable to railway parameters, familiarity with rail transport, or population density. Dutch and German train suicide rates from 2000 to 2007 were compared by means of Poisson regression analyses. Train suicide rate ratios were calculated and related to the railway parameters or population density in a Poisson regression model. The Dutch–German general suicide rate ratio was 0.72. In contrast, the train suicide rate in the Netherlands exceeded the German rate by 1.23. In the Poisson regression analyses, where suicide rate was related to railway density or passenger traffic intensity, the Dutch–German train suicide rate ratios became 1.49 and 1.20 respectively. When related to train traffic intensity or population density, however, rate ratios turned into 0.74 and 0.59 respectively. Train traffic intensity contributes to train suicide frequency. Population density also contributes, whereas railway density and familiarity with rail transport do not. In a cross-national comparison the availability hypothesis regarding the number of trains passing was confirmed, which leads to the recommendation of limiting access to the railway tracks.","nl":"ACHTERGROND: Vergeleken met Duitsland vormt het aantal suïcides op het spoor (treinsuïcide) in Nederland een groter aandeel van het totale aantal suïcides. Deze studie onderzoekt of dit verschil valt te verklaren door factoren die met het spoor te maken hebben, bekendheid met het reizen per trein of bevolkingsdichtheid. \n\nONDERZOEK: Er werd een vergelijking gemaakt tussen het aantal suïcides op het spoor in Nederland en Duitsland, tussen 2000 en 2007. Met behulp van een statistisch model werden de suïcidescijfers op het spoor berekend en afgezet tegen de omstandigheden rond het spoor en de bevolkingsdichtheid. In Nederland lag het totale aantal suïcides lager dan in Duitsland, maar het aantal suïcides op het spoor was in Nederland juist hoger dan in Duitsland. Als het aantal suïcides werd gerelateerd aan de dichtheid van het spoor en het aantal passagiers, bleek het aantal treinsuïcides in Nederland hoger te zijn dan in Duitsland, maar als het aantal suïcides werd gekoppeld aan de intensiteit van het treinverkeer of de bevolkingsdichtheid, was het aantal suïcides op het spoor in Duitsland juist hoger. \n\nCONCLUSIE: Daaruit kan worden geconcludeerd dat de intensiteit van het treinverkeer bijdraagt aan de frequentie van het aantal suïcides op het spoor. De bevolkingsdichtheid speelt daarin ook een rol, maar de dichtheid van het spoor en bekendheid met reizen per trein niet. Bij een vergelijking tussen de twee landen werd de ‘beschikbaarheidshypothese’ bevestigd: hoe makkelijker men toegang heeft tot rijdende treinen, hoe groter het aantal suïcides op het spoor. Dat leidt tot de aanbeveling om de toegang tot het spoor te beperken."},"keywords":{"en":["suicide","railway","railroads","availability","the Netherlands","Germany","mortality","population density"],"nl":["zelfdoding","spoorweg","beschikbaarheid","Nederland","Duitsland","sterfte","bevolkingsdichtheid"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Genetic and environmental contributions to self-reported thoughts of self-harm and suicide","authors":"Althoff, R.R., Hudziak, J. J., Willemsen, G., Hudziak, V., Bartels, M., & Boomsma, D. I.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2012,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"American Journal of Medical Genetics","identifier":"10.1002/ajmg.b.32010","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3254180/?report=classic","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Thoughts of self-harm and suicidal behavior are thought to be influenced by both genetics and environment. Molecular genetic studies are beginning to address the question of which genes may be involved and whether different genes may be expressed in men and women. We examined thoughts of self-harm and suicidal behavior in a large general population twin sample including male and female same- and opposite-sex twins. In this study, data on self-reported thoughts of self-harm and suicide were obtained from self-report questionnaires (Beck Depression Inventory and Youth or Adult Self Report forms) in 6,265 twin pairs (11,008 individuals) aged 11-90 (62% female) from the Netherlands Twin Registry. Liability threshold models were compared including sex and age (linear and quadratic) effects. Models were compared using measures of parsimony to calculate the simplest model to the data. A model with additive genetic and unique environmental contributions fitted the data for both males and females. There were no qualitative sex differences, but the relative contributions differed between men and women. Heritability was higher in women (0.74, 95% CI 0.65-0.81) than men (0.45, 95% CI 0.28-0.61). The remaining variance was accounted for by environmental influence unique to an individual. These results suggest contributions from additive genetic factors to self-reported thoughts of self-harm and suicide and support the continued study of both molecular genetic and individual-specific environmental risk factors.","nl":"ACHTERGROND: Er wordt aangenomen dat gedachten aan zelfbeschadiging en suïcidaal gedrag worden beïnvloed door zowel genetische als omgevingsfactoren. Moleculaire genetische onderzoeken beginnen zich bezig te houden met de vraag welke genen hier mogelijk een rol in spelen en of dit genetische aspect bij mannen en vrouwen wellicht verschillend is.  \n\nONDERZOEK: Voor dit onderzoek hebben 6265 tweelingen (11.008 personen) in de leeftijd van elf tot negentig jaar (van wie 62% vrouw) uit het Nederlands Tweelingen Register een vragenlijst ingevuld over gedachten aan zelfbeschadiging en suïcide. Bij de analyse van deze gegevens is rekening gehouden met de effecten van geslacht en leeftijd. De aantallen waren niet verschillend voor mannen en vrouwen, maar de factoren wel. Erfelijkheid bleek bij vrouwen een grotere rol te spelen dan bij mannen. De overige variaties werden toegeschreven aan omgevingsinvloeden die voor elk individu uniek waren.  \n\nCONCLUSIE: Deze resultaten suggereren dat genetische factoren een rol spelen bij het ontstaan van gedachten aan zelfbeschadiging en suïcide en geven aan dat er verder onderzoek nodig is naar zowel moleculaire genetische risicofactoren als individuele omgevingsfactoren."},"keywords":{"en":["suicide","twins","behavioral genetics"],"nl":["zelfdoding","tweelingen","gedragsgenetica"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","obs_long","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young","adult"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Do depression and anxiety converge or diverge in their association with suicidality?","authors":"Eikelenboom, M., Smit, J. H., Beekman, A. T. F., & Penninx, B. W. J. H.","affiliations":"VU, VUmc, EMGO, UMCG, LUMC","affiliation113":false,"year":2012,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Psychiatric Research","identifier":"10.1016/j.jpsychires.2012.01.025","link":"https://research.vu.nl/en/publications/do-depression-and-anxiety-converge-or-diverge-in-their-associatio","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief"],"abstract":{"en":"Depressive disorders have been strongly linked to suicidality, but the association with anxiety disorders is less well established. This exploratory study aims to examine whether anxiety and depressive disorders are both independent risk factors for suicidal ideation and attempted suicide, and additionally examined the role of specific clinical characteristics (disorder type, severity, duration, onset age) in suicidality. Data are from 1693 persons with a current (6-month) CIDI based depressive or anxiety disorder and 644 healthy controls participating in the baseline measurement of the Netherlands Study of Depression and Anxiety, which is an existing dataset. Suicidal ideation in the week prior to baseline and attempted suicide ever in life were assessed. Results showed that compared to persons with only an anxiety disorder, persons with a depressive disorder were at significantly higher risk to have current suicidal ideation or a history of attempted suicide. When examining the association between type of disorder and suicidality the odds ratio for MDD was significantly higher than those for the separate anxiety disorders. Although depression and anxiety severity were univariate risk indicators for suicidal ideation and attempted suicide, only depression severity remained a risk indicator for suicidal ideation and attempted suicide in multivariate analyses. Additional risk indicators were an early age at disorder onset for both suicidal ideation and attempted suicide, male gender for suicidal ideation and lower education for attempted suicide. These findings suggest that although anxiety and depression tend to converge in many important areas, they appear to diverge with respect to suicidality.","nl":"ACHTERGROND: Er is een duidelijk verband aangetoond tussen depressieve aandoeningen en suïcidaliteit. Over de relatie met angststoornissen is echter minder bekend. Deze studie onderzoekt of angststoornissen en depressieve aandoeningen onafhankelijke risicofactoren zijn voor suïcidale gedachten en suïcidepogingen. Daarbij is ook gekeken naar de rol die bepaalde klinische kenmerken spelen bij suïcidaliteit, zoals het type stoornis, de ernst en duur van de stoornis en de leeftijd waarop deze voor het eerst optrad. \n\nONDERZOEK: Er zijn gegevens verzameld van 1693 mensen die in de zes maanden voorafgaand aan het onderzoek een depressie of angststoornis hadden (gemeten via het Composite International Diagnostic Interview, CIDI). Daarnaast was er een controlegroep met 644 gezonde personen die mee hebben gedaan aan de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA), een bestaande dataset. Er werd gevraagd naar de aanwezigheid van suïcidale gedachten in de week voor de eerste meting en er werd gevraagd of mensen ooit in hun leven een suïcidepoging hadden gedaan. De resultaten lieten zien dat bij mensen met een depressieve aandoening de kans significant groter was dat ze momenteel suïcidale gedachten hadden of ooit een suïcidepoging hadden gedaan dan bij mensen die alleen een angststoornis hadden. Uit de analyse van de relatie tussen het type stoornis en suïcidaliteit bleek dat bij depressie de kans op suïcidaal gedrag significant groter was dan bij de afzonderlijke angststoornissen. Hoewel de ernst van de depressie en de ernst van de angststoornis risicofactoren waren voor suïcidale gedachten en suïcidepogingen, bleef in analyses met meerdere variabelen alleen de ernst van een depressie over als risicofactor voor suïcidale gedachten en suïcidepogingen. Andere risicofactoren waren een jonge beginleeftijd voor suïcidale gedachten en suïcidepogingen, man zijn (voor suïcidale gedachten) en een lagere opleiding (voor suïcidepogingen). \n\nCONCLUSIE: Deze uitkomsten wijzen erop dat angststoornissen en depressie vaak tegelijkertijd voorkomen, maar dat ze verschillende resultaten laten zien als het om suïcidaliteit gaat."},"keywords":{"en":["suicidal ideation","attempted suicide","depression","anxiety","age of onset"],"nl":["suïcidale ideatie","zelfdodingpoging","depressie","angst","leeftijd van aanvang"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patientcohort","populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Internet-based screening for suicidal ideation in common mental disorders","authors":"Hemelrijk, E., Van Ballegooijen, W., Donker, T., Van Straten, A., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"113, AMC, VU, EMGO","affiliation113":true,"year":2012,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000142","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22713975/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Common mental disorders have been found to be related to suicidal ideation and behavior. Research in the field of web-based interventions for common mental disorders, however, usually excludes participants with a suicidal risk, although a large proportion of participants might suffer from suicidal ideation.\n\nAIMS: To investigate the prevalence of suicidal ideation in common mental disorders in an online sample.\n\nMETHOD: In total, 502 participants completed nine web-based questionnaires on common mental disorders, of which 120 were also interviewed by telephone to obtain a diagnosis. Logistic regression analyses were applied to investigate associations between disorders and suicidal ideation.\n\nRESULTS: Based on web-based self-report, 53% of participants had some form of suicidal ideation. Fewer participants reported suicidal ideation during the interview by telephone. Depression (multivariate odds ratio 7.1), generalized anxiety disorder (2.1), social phobia (2.1), and posttraumatic stress disorder (1.7) were significantly associated with suicidal ideation, while a higher number of comorbid common mental disorders increased the risk.\n\nCONCLUSION: Researchers and clinicians should be aware that one out of every two helpseekers on the internet with common mental disorders may have suicidal ideation. Comorbidity of two or more disorders greatly increase the risk of suicidal ideation.","nl":"ACHTERGROND: Veelvoorkomende psychische aandoeningen worden vaak in verband gebracht met suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag. In onderzoeken naar online-interventies bij veelvoorkomende psychische aandoeningen worden deelnemers met een verhoogde kans op suïcidaal gedrag vaak uitgesloten, hoewel veel deelnemers vermoedelijk last hebben van suïcidale gedachten. Het doel van deze studie was om door middel van een onlinesteekproef te onderzoeken of patiënten met veelvoorkomende psychische aandoeningen ook suïcidale gedachten hebben. \n\nONDERZOEK: In totaal moesten 502 deelnemers negen onlinevragenlijsten invullen over veelvoorkomende psychische aandoeningen. Van deze groep werden 120 mensen ook telefonisch ondervraagd om een diagnose te stellen. Er werden verschillende analyses toegepast om te onderzoeken of er een verband bestaat tussen psychische aandoeningen en suïcidale gedachten. Via onlinevragenlijsten gaf 53% van de deelnemers aan dat ze last hadden van enige vorm van suïcidale gedachten. Tijdens het telefonische interview gaven minder deelnemers aan dat ze daar last van hadden. Er bleek een significant verband te zijn tussen depressie, gegeneraliseerde angststoornis, sociale fobie en posttraumatische stressstoornis (PTSS) en suïcidale gedachten en het risico bleek toe te nemen naarmate deelnemers meer comorbide psychische aandoeningen hadden.  \n\nCONCLUSIE: Onderzoekers en artsen moeten zich ervan bewust zijn dat de helft van de mensen met veelvoorkomende psychische aandoeningen die hulp zoeken via internet, ook last kunnen hebben van suïcidale gedachten. Het tegelijkertijd voorkomen van twee of meer aandoeningen (comorbiditeit) vergroot de kans op suïcidale gedachten aanzienlijk."},"keywords":{"en":["suicidal ideation","common mental disorders","internet","web-based","assessment","comorbidity"],"nl":["suïcidale ideatie","veelvoorkomende psychische stoornissen","internet","web-gebaseerd","beoordeling","comorbiditeit"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Attempted suicide among immigrants in European countries: an international perspective","authors":"Lipsicas, C. B., Mäkinen, I. H., Apter, A., De Leo, D., Kerkhof, A. J. F. M., Lönnqvist, J., Michel, K., Renberg, E. S., Sayil, I., Schmidtke, A., Van Heeringen, C., Värnik, A., & Wasserman, D.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2012,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology","identifier":"10.1007/s00127-010-0336-6","link":"https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00127-010-0336-6","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"PURPOSE: This study compares the frequencies of attempted suicide among immigrants and their hosts, between different immigrant groups, and between immigrants and their countries of origin.\n\nMETHODS: The material, 27,048 persons, including 4,160 immigrants, was obtained from the WHO/EURO Multicentre Study on Suicidal Behaviour, the largest available European database, and was collected in a standardised manner from 11 European centres in 1989–2003. Person-based suicide-attempt rates (SARs) were calculated for each group. The larger immigrant groups were studied at each centre and compared across centres. Completed-suicide rates of their countries of origin were compared to the SARs of the immigrant groups using rank correlations.\n\nRESULTS: 27 of 56 immigrant groups studied showed significantly higher, and only four groups significantly lower SARs than their hosts. Immigrant groups tended to have similar rates across different centres. Moreover, positive correlation between the immigrant SAR and the country-of-origin suicide rate was found. However, Chileans, Iranians, Moroccans, and Turks displayed high SARs as immigrants despite low suicide rates in the home countries.\n\nCONCLUSIONS: The similarity of most immigrant groups’ SARs across centres, and the correlation with suicidality in the countries of origin suggest a strong continuity that can be interpreted in either cultural or genetic terms. However, the generally higher rates among immigrants compared to host populations and the similarity of the rates of foreign-born and those immigrants who retained the citizenship of their country of origin point to difficulties in the acculturation and integration process. The positive correlation found between attempted and completed suicide rates suggests that the two are related, a fact with strong implications for suicide prevention.","nl":"ACHTERGROND: In deze studie wordt de frequentie van suïcidepogingen onder immigranten vergeleken met die van oorspronkelijke Europeanen, en wordt gekeken naar de onderlinge verschillen tussen immigrantengroepen en naar de verschillen tussen immigranten en de cijfers in hun land van herkomst. \n\nONDERZOEK: De gegevens (van 27.048 personen, van wie 4160 immigranten) kwamen uit de WHO/EURO Multicentre Study on Suicidal Behaviour, de grootste Europese database op dit gebied, en waren afkomstig van elf Europese instellingen over de periode 1989-2003. Voor elke groep werd het aantal suïcidepogingen per persoon berekend. De grotere immigrantengroepen werden per instelling onderzocht en daarna werden de elf instellingen met elkaar vergeleken. Het aantal fatale suïcidepogingen in de landen van herkomst werd vergeleken met het aantal suïcidepogingen onder de immigrantengroepen. Van de 56 onderzochte immigrantengroepen hadden 27 groepen een significant hogere kans om een suïcidepoging te doen dan de oorspronkelijke Europeanen. Bij slechts vier groepen was die kans kleiner. De immigrantengroepen van de verschillende instellingen lieten vergelijkbare resultaten zien. Daarnaast werd er een positieve correlatie gevonden tussen het aantal suïcidepogingen onder immigranten en het aantal suïcides in het land van herkomst. Ondanks lage suïcidescijfers in hun land van herkomst deden Chileense, Iraanse, Marokkaanse en Turkse immigranten echter relatief vaak een suïcidepoging. \n\nCONCLUSIE: De overeenkomsten tussen het aantal suïcidepogingen binnen de meeste immigrantengroepen en de correlatie met suïcidaliteit in de landen van herkomst lijken te wijzen op een sterke continuïteit die kan worden verklaard door culturele of genetische kenmerken. Dat immigranten vaker een suïcidepoging doen dan oorspronkelijke Europeanen, ongeacht of ze genaturaliseerd zijn of hun oorspronkelijke nationaliteit hebben behouden, wijst op problemen met aanpassing aan de cultuur en het integratieproces. De positieve correlatie tussen het aantal suïcidepogingen en het aantal suïcides lijkt erop te wijzen dat die twee met elkaar samenhangen. Dat biedt sterkte aanknopingspunten voor preventie."},"keywords":{"en":["suicide","suicide attempt","culture","migration","Europe","acculturation","integration"],"nl":["zelfdoding","zelfdodingpoging","cultuur","migratie","Europa","acculturatie","integratie"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patient_nonggz","populationcohort"],"age":["any"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicide prevention via the internet and the telephone: 113Online","authors":"Mokkenstorm, J. K., Huisman, A., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"GGZ inGeest, 113, VU","affiliation113":true,"year":2012,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Tijdschrift voor Psychiatrie","identifier":null,"link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22508352","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: 113Online is a combination of a website and a telephone help-line for suicidal persons, their relatives and bereaved next of kin. The services it provides include crisis intervention, self-tests and brief psychotherapy. \n\nAIM: To discover whether 113Online can in fact prevent suicidal behaviour – since it has now been in operation for more than a year.\n\nMETHOD: We were able to obtain information about the visitors of the website, check on the usage of services provided by 113Online and study the results of the self-tests.\n\nRESULTS: The results for the first year indicated that there was a great need for anonymous online help for persons contemplating suicide. Scores for the self-tests showed that the website was visited by severely suicidal persons. It is surprising that so few of the users thereafter sought assistance from the conventional mental health care services.\n\nCONCLUSION: The 113Online seems to be a promising approach to suicide prevention. The online assistance reaches its target population and seems to fulfil needs that are not being met by the regular health care services.","nl":"ACHTERGROND: 113Online is een combinatie van een website en een telefonische hulplijn voor mensen met suïcidale gedachten, hun naasten en rouwende nabestaanden. De diensten die de organisatie biedt zijn onder andere crisisinterventie, zelftesten en kortdurende psychotherapie. \n\nDOEL:  Ontdekken of 113Online daadwerkelijk suïcidaal gedrag kan voorkomen, omdat het nu meer dan een jaar actief is.\n\nMETHODE: De onderzoekers waren in staat om informatie te verzamelen over bezoekers van de website, het gebruik na te gaan van de diensten die 113Online levert en de resultaten van zelftesten te bestuderen.\n\nRESULTATEN: De resultaten voor het eerste jaar wijzen erop dat er een grote nood was voor anonieme online hulp voor mensen die denken aan suïcide. Uit de scores van zelftesten bleek dat de website werd bezocht door mensen die ernstig suïcidaal waren. Het is verrassend dat zo weinig gebruikers hierna hulp hebben gezocht bij een conventionele aanbieder van geestelijke gezondheidszorg (ggz).\n\nCONCLUSIE: 113Online lijkt een veelbelovende aanpak voor suïcidepreventie. De online ondersteuning bereikt de doelgroep en lijkt te voorzien in een behoefte waaraan niet tegemoet gekomen wordt door de reguliere ggz."},"keywords":{"en":["suicide","prevention","e-mental health","online therapy"],"nl":["113Online","e-mental health","onlinetherapie","preventie","suïcidaliteit"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief","anders"],"setting":["ggz"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Psychosis and suicide risk by ethnic origin and history of migration in the Netherlands","authors":"Termorshuizen, F., Wierdsma, A. I., Visser, E., Drukker, M., Sytema, S., Laan, W., Smeets, H. M., & Selten, J. P.","affiliations":"UMC Utrecht, EUR, UMC Groningen, Universiteit Maastricht, Rivierduinen","affiliation113":false,"year":2012,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Schizophrenia Research","identifier":"10.1016/j.schres.2012.03.035","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0920996412001880","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: There is an increased incidence of non-affective psychotic disorders (NAPD) among first- and second-generation migrants in Europe. The purpose of this population-based study was to compare the risk of suicide in Dutch natives and immigrants with or without NAPD.\n\nMETHODS: Cases of NAPD (n=12 580) from three Dutch psychiatric registers were linked to the cause of death register of Statistics Netherlands and were compared to matched controls (n=244 792) from the population register, who had no such diagnosis. Hazard ratios (HRs) of suicide were estimated and adjusted for age and gender by Cox regression analysis.\n\nRESULTS: The presence of NAPD was strongly associated with suicide risk in each ethnic group. However, for all ethnic minority groups the HRs were somewhat lower than among Dutch natives, for whom the HR was 23.4 (95%-CI; 18.5-29.7). A closer examination revealed that suicide risk was influenced by the history of migration. While the risk for immigrants of the first generation, diagnosed with NAPD, was significantly lower than that for native Dutch patients (HR=0.45; 95%-CI: 0.28-0.73), the risk for those of the second generation was more similar to that for the Dutch (HR=0.85; 95%-CI: 0.51-1.40) (P value of history of migration=0.005).\n\nCONCLUSION: Immigrants diagnosed with NAPD of the first generation appear to be protected against suicide, whereas this protection is waning among those of the second generation. This is the first study worldwide on suicide in migrants with NAPD and the first study of suicide in patients with NAPD in the Netherlands.","nl":"ACHTERGROND: Bij eerste- en tweedegeneratie-immigranten in Europa komen niet-affectieve psychotische stoornissen (zoals schizofrenie) steeds vaker voor. Dit onderzoek was bedoeld om de kans op suïcide bij mensen van Nederlandse herkomst en immigranten met en zonder niet-affectieve psychotische stoornissen met elkaar te vergelijken.  \n\nONDERZOEK: Gevallen van niet-affectieve psychotische stoornissen uit de databases van drie psychiatrische instellingen in Nederland werden gekoppeld aan de doodsoorzakenstatistiek van het CBS en vergeleken met gezonde mensen uit het bevolkingsregister die deze diagnose niet hadden. De kans op suïcide werd vervolgens ingeschat en gecorrigeerd voor leeftijd en gender. Er bleek een sterk verband te zijn tussen de aanwezigheid van niet-affectieve psychotische stoornissen en de hoogte van het suïciderisico per etnische groep. Voor alle etnische minderheidsgroepen was de kans op suïcide echter iets kleiner dan bij mensen van Nederlandse herkomst. Nader onderzoek liet zien dat het suïciderisico werd beïnvloed door de migratiegeschiedenis. Het risico voor immigranten uit de eerste generatie met een niet-affectieve psychotische stoornis was significant lager dan dat voor Nederlandse patiënten, maar het risico voor tweedegeneratie-immigranten was vergelijkbaar met de cijfers voor Nederlanders. \n\nCONCLUSIE: Eerstegeneratie-immigranten met een niet-affectieve psychotische stoornis lijken beschermd te zijn tegen suïcide, maar deze bescherming neemt af bij de tweede generatie. Dit is het eerste internationale onderzoek naar suïcide onder migranten met een niet-affectieve psychotische stoornis en het eerste onderzoek naar suïcide onder Nederlandse patiënten met een niet-affectieve psychotische stoornis."},"keywords":{"en":["non-affective psychotic disorders","suicide","first- and second generation immigrants","epidemiology","psychiatric case register"],"nl":["niet-affectieve psychotische stoornissen","zelfdoding","eerste en tweede generatie immigranten","epidemiologie","register van psychiatrische zaken"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"I felt so hurt and lonely - Suicidal behavior in South Asian-Surinamese, Turkish, and Moroccan women in the Netherlands.","authors":"Van Bergen, D., Van Balkom, A. J. L. M., Smit, J. H., & Saharso, S.","affiliations":"VU, RUG, GGZ inGeest","affiliation113":false,"year":2012,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Transcultural Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.1177/1363461511427353","link":"https://psycnet.apa.org/record/2012-04261-004","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"Young immigrant women in the Netherlands demonstrate disproportionate rates of suicidal behavior. This study investigated the origins of suicidal behavior in South Asian-Surinamese, Turkish, and Moroccan immigrant young women in order to identify ethnic- and gender-specific patterns of suicidal behavior. Based on life story interviews of women who had been enrolled in mental health care, we constructed five typical patterns in which social, cultural, and personal factors were interconnected. Suicidal behavior was influenced by the ability and right to act autonomously with regard to strategic life choices, as well as by the questioning of cultural values of self-sacrifice and protection of honor.","nl":"ACHTERGROND: Jonge vrouwelijke immigranten in Nederland vertonen onevenredig vaak suïcidaal gedrag.  \n\nONDERZOEK: Deze studie onderzoekt de oorsprong van suïcidaal gedrag onder jonge Zuid-Aziatisch-Surinaamse, Turkse en Marokkaanse vrouwen met een immigratieachtergrond om etnische en genderspecifieke patronen van suïcidaal gedrag te vinden. Op basis van interviews over de levensverhalen van vrouwen die geestelijke gezondheidszorg hebben ontvangen, hebben de onderzoekers vijf typische patronen vastgesteld waarin sociale, culturele en persoonlijke factoren een rol speelden.  \n\nCONCLUSIE: Suïcidaal gedrag wordt beïnvloed door het vermogen en recht om autonoom te kunnen handelen met betrekking tot strategische levenskeuzes en door het in twijfel trekken van culturele waarden van zelfopoffering en bescherming van eer."},"keywords":{"en":["Immigrant women","ethnic minorities","gender","suicide"],"nl":["allochtone vrouwen","etnische minderheden","gender","zelfdoding"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Best practice elements of multilevel suicide prevention strategies","authors":"Van der Feltz-Cornelis, C. M., Sarchiapone, M., Postuvan, V., Volker, D., Roskar, S., Tančič Grum, A., Carli, V., McDaid, D., O’Connor, R., Maxwell, M., Ibelshäuser, A., Van Audenhove, C., Scheerder, G., Sisask, M., Gusmão, R., & Heger, U.","affiliations":"UT, Trimbos,  GGz Breburg","affiliation113":false,"year":2012,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"10.1027/0227-5910/a000109","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3306243/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Evidence-based best practices for incorporation into an optimal multilevel intervention for suicide prevention should be identifiable in the literature. \n\nAIMS: To identify effective interventions for the prevention of suicidal behavior. \n\nMETHODS: Review of systematic reviews found in the Pubmed, Cochrane, and DARE databases. Steps include risk-of-bias assessment, data extraction, summarization of best practices, and identification of synergistic potentials of such practices in multilevel approaches. \n\nRESULTS: Six relevant systematic reviews were found. Best practices identified as effective were as follows: training general practitioners (GPs) to recognize and treat depression and suicidality, improving accessibility of care for at-risk people, and restricting access to means of suicide. Although no outcomes were reported for multilevel interventions or for synergistic effects of multiple interventions applied together, indirect support was found for possible synergies in particular combinations of interventions within multilevel strategies. \n\nCONCLUSIONS: A number of evidence-based best practices for the prevention of suicide and suicide attempts were identified. Research is needed on the nature and extent of potential synergistic effects of various preventive activities within multilevel interventions.","nl":"ACHTERGROND: De auteurs hebben in de bestaande literatuur gezocht naar bewezen best practices die deel zouden moeten uitmaken van een optimale interventie voor suïcidepreventie op meerdere niveaus. Op basis daarvan kunnen effectievere interventies worden ontwikkeld voor het voorkomen van suïcidaal gedrag.  \n\nONDERZOEK: Systematische overzichten in verschillende databases met medische gegevens zijn geëvalueerd. Hierbij is ook een inschatting gemaakt van het risico op vertekening. De bruikbare gegevens zijn verzameld, de best practices zijn samengevat en de auteurs hebben mogelijke synergieën van deze best practices bestudeerd om interventies op meerdere niveaus te kunnen ontwikkelen. \n\nRESULTATEN: De volgende best practices zijn als effectief beoordeeld: 1) huisartsen scholen in het herkennen en behandelen van depressie en suïcidaliteit; 2) de toegang tot zorg voor mensen die risico lopen verbeteren; 3) de toegang tot hulpmiddelen voor suïcide beperken. Hoewel er geen resultaten zijn gevonden voor interventies op meerdere niveaus of voor synergetische effecten van interventies op meerdere niveaus die gelijktijdig werden toegepast, is er indirect bewijs gevonden voor mogelijke synergieën in bepaalde combinaties van interventies.  \n\nCONCLUSIES: Er zijn een aantal bewezen best practices voor het voorkomen van suïcide en suïcidepogingen geïdentificeerd. Er is meer onderzoek nodig naar eventuele synergetische effecten van verschillende preventieve activiteiten binnen interventies op meerdere niveaus."},"keywords":{"en":["review","suicide prevention","depressive disorder","restriction of means","multilevel approach","GP training","evidence-based practices"],"nl":["review","zelfdodingpreventie","depressieve stoornis","beperking van middelen","multilevel benadering","huisartsentraining","evidence-based praktijken"]},"region":["internationaal"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Reducing suicidal ideation: cost-effectiveness analysis of a randomized controlled trial of unguided web-based self-help","authors":"Van Spijker, B. A. J., Majo, M. C., Smit, F., Van Straten, A., & Kerkhof  A. J. F. M.","affiliations":"VU, Trimbos, EMGO","affiliation113":false,"year":2012,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Medical Internet Research","identifier":"10.2196/jmir.1966","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3517339/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidal ideation is highly prevalent, but often remains untreated. The Internet can be used to provide accessible interventions.\n\nOBJECTIVE: To evaluate the cost-effectiveness of an online, unguided, self-help intervention for reducing suicidal ideation.\n\nMETHODS: A total of 236 adults with mild to moderate suicidal thoughts, defined as scores between 1-26 on the Beck Scale for Suicide Ideation (BSS), were recruited in the general population and randomized to the intervention (n = 116) or to a waitlist, information-only, control group (n = 120). The intervention aimed to decrease the frequency and intensity of suicidal ideation and consisted of 6 modules based on cognitive behavioral techniques. Participants in both groups had unrestricted access to care as usual. Assessments took place at baseline and 6 weeks later (post-test). All questionnaires were self-report and administered via the Internet. Treatment response was defined as a clinically significant decrease in suicidal ideation on the BSS. Total per-participant costs encompassed costs of health service uptake, participants’ out-of-pocket expenses, costs stemming from production losses, and intervention costs. These were expressed in Euros (€) for the reference year 2009.\n\nRESULTS: At post-test, treatment response was 35.3% and 20.8% in the experimental and control conditions, respectively. The incremental effectiveness was 0.35 − 0.21 = 0.15 (SE 0.06, P = .01). The annualized incremental costs were −€5039 per participant. Therefore, the mean incremental cost-effectiveness ratio (ICER) was estimated to be −€5039/0.15 = −€34,727 after rounding (US −$41,325) for an additional treatment response, indicating annual cost savings per treatment responder.\n\nCONCLUSIONS: This is the first trial to indicate that online self-help to reduce suicidal ideation is feasible, effective, and cost saving. Limitations included reliance on self-report and a short timeframe (6 weeks). Therefore, replication with a longer follow-up period is recommended.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidale gedachten komen veel voor, maar worden vaak niet behandeld. Het internet kan als hulpmiddel worden ingezet om interventies toegankelijk te maken. Het doel van deze analyse is om te onderzoeken of de effecten van een onlinezelfhulpinterventie gericht op het verminderen van suïcidale gedachten opwegen tegen de kosten. \n\nONDERZOEK: Er werden in totaal 236 volwassenen bij het onderzoek betrokken met milde tot matige suïcidale gedachten, afkomstig uit de algemene populatie. Ze werden willekeurig verdeeld over een interventiegroep (116 deelnemers) en een wachtlijstcontrolegroep die alleen informatie ontving (120 deelnemers). De interventie was gericht op een afname van de frequentie en de intensiteit van de suïcidale gedachten en bestond uit zes modules over cognitieve gedragstechnieken. De deelnemers in beide groepen hadden onbeperkt toegang tot hun gebruikelijke zorg. Ze werden getest aan het begin van het onderzoek en na zes weken. Alle vragenlijsten waren gebaseerd op zelfrapportage en werden online ingevuld. Om het effect van de behandeling te beoordelen werd gemeten of er sprake was van een klinisch significante daling in suïcidale gedachten op de schaal van Beck. De totale kosten per deelnemer (referentiejaar 2009) bestonden uit kosten van opname bij een zorginstelling, contante onkosten van deelnemers, kosten als gevolg van productieverlies en interventiekosten. Tijdens de tweede test na zes weken was het behandeleffect 35,3% in de experimentele groep en 20,8% in de controlegroep. Als deze effecten werden afgezet tegen de kosten kon worden gesteld dat er sprake was van een jaarlijkse kostenbesparing per behandelde deelnemer.  \n\nCONCLUSIE: Dit is het eerste onderzoek dat aantoont dat onlinezelfhulp gericht op vermindering van suïcidale gedachten haalbaar, effectief en kostenbesparend is. Beperkende factoren waren het korte tijdsbestek en het feit dat het een enquête op basis van zelfrapportage betrof. Daarom wordt aanbevolen dit onderzoek te herhalen met een langere periode tussen de eerste en tweede test."},"keywords":{"en":["suicidal ideation","randomized controlled trial","cost-effectiveness","internet","cognitive behavior therapy"],"nl":["suïcidale ideatie","RCT","kost-effectiviteit","internet","cognitieve gedragstherapie"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"The effectiveness of family-based cognitive-behavior grief therapy to prevent complicated grief in relatives of suicide victims: the mediating role of suicide ideation","authors":"De Groot, M. H., Neeleman, J., Van der Meer, K., & Burger, H.","affiliations":"RUG, Groningen UMC","affiliation113":false,"year":2011,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-Threatening Behavior","identifier":"10.1521/suli.2010.40.5.425","link":"http://hdl.handle.net/11370/d4d68c2e-b557-4d64-be96-0b7c09e54369","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["nabestaanden"],"abstract":{"en":"Grief interventions are more effective for high risk individuals. The presence of suicide ideation following suicide bereavement was examined to determine whether it indicates a high risk status. Using data from a randomized controlled trial (n = 122) on the effectiveness of cognitive-behavior therapy, the effect of suicide ideation on the effectiveness of grief therapy on the bereavement outcome at 13 months post loss was examined. Results show that suicide ideators more often have a history of mental disorder and suicidal behavior than non-ideators, and suicide ideation indicates a high risk for adverse bereavement outcome. Grief therapy likely reduces the risk of maladaptive grief reactions among suicide ideators. Therefore, suicide ideators may benefit from grief therapy following a loss through suicide.","nl":"ACHTERGROND: Rouwinterventies zijn effectiever voor personen met een hoog risico.  \n\nONDERZOEK: Om te bepalen of iemand een hoog risico had, werd getest of die persoon suïcidale gedachten had na een verlies als gevolg van suïcide. Aan de hand van gegevens van een gerandomiseerde gecontroleerde studie naar de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie werd het effect van suïcidale gedachten op de effectiviteit van rouwtherapie dertien maanden na het verlies onderzocht. Uit de resultaten blijkt dat mensen met suïcidale gedachten vaker een verleden van psychische aandoeningen en suïcidaal gedrag hebben dan mensen die deze gedachten niet hebben en dat suïcidale gedachten een indicatie zijn voor een hoger risico op een ongunstig verloop van het rouwproces.  \n\nCONCLUSIE: Rouwtherapie verkleint waarschijnlijk het risico op ongunstige reacties op rouw onder mensen met suïcidale gedachten. Mensen met suïcidale gedachten kunnen dus baat hebben bij rouwtherapie na een verlies door suïcide."},"keywords":{"en":["randomized controlled-trial","general-population","traumatic grief","psychiatric-disorder","completed suicide","bereavement","adolescents","prevalence","morbidity"],"nl":["RCT","algemene populatie","traumatische rouw","psychiatrische stoornis","zelfdoding","adolescenten","prevalentie","morbiditeit"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Familial risk of early suicide: variations by age and sex of children and parents","authors":"Garssen, J., Deerenberg, I., Mackenbach, J. P., Kerkhof  A. J-. F. M., & Kunst, A. E.","affiliations":"CBS, Erasmus MC, VU, EMGO, AMC","affiliation113":false,"year":2011,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-Threatening Behavior","identifier":"10.1111/j.1943-278x.2011.00050.x","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1111/j.1943-278X.2011.00050.x","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"To determine familial risk of early suicide, data on cause of death of all Dutch residents aged 20-55 years who died between 1995 and 2001 were linked to data of their parents. Men whose father died by suicide had a higher odds of suicide themselves, relative to men whose father died of other causes (Odds Ratio (OR): 2.5; 95% confidence interval: 1.8-3.6). This effect was slightly stronger in the case of mother's suicide (OR: 3.4; 2.3-5.0). The same effect was observed for women, for suicide by father (OR: 2.2; 1.3-3.7) and mother (OR: 4.6; 2.6-8.0). The odds of suicide increased with decreasing age at death of parent. Parental suicide is predictive for offspring suicide. Our data suggest that the predictive value is higher in case the mother died by suicide, particularly if the mother died by suicide at a young age","nl":"ACHTERGROND: Als suïcide vaker voorkomt binnen een familie, is er dan een grotere kans dat iemand op jongere leeftijd suïcide pleegt? Deze vraag vormde de basis van dit onderzoek. \n\nONDERZOEK: Om deze vraag te beantwoorden zijn er gegevens verzameld over de doodsoorzaak van alle inwoners in Nederland (20-55 jaar) die tussen 1995 en 2001 zijn overleden. Die gegevens werden vervolgens vergeleken met informatie over hun ouders. Mannen van wie de vader suïcide had gepleegd, hadden een grotere kans om zelf ook suïcide te plegen vergeleken met mannen van wie de vader door een andere oorzaak was overleden. Dit effect was nog iets groter in het geval van suïcide door de moeder. Bij vrouwen was de kans op suïcide ook groter, maar het maakte bij hen niet uit of hun vader of moeder suïcide had gepleegd. De kans op suïcide nam toe naarmate de ouders jonger waren op het moment dat ze een einde aan hun leven maakten. \n\nCONCLUSIE: suïcide door ouders is dus een voorspellende factor voor suïcide door hun kinderen. Uit de gegevens blijkt dat de voorspellende waarde groter is als de moeder door suïcide om het leven is gekomen, vooral als de moeder op jonge leeftijd suïcide pleegde."},"keywords":{"en":["familial risk","early suicide","parental suicide","mother","father"],"nl":["familiaal risico","vroegtijdige zelfdoding","ouderlijke zelfdoding","moeder","vader"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicide death and hospital-treated suicidal behaviour in asylum seekers in the Netherlands: a national registry-based study","authors":"Goosen, S., Kunst, A. E., Stronks, K., Van Oostrom, I. E. A., Uitenbroek D. G., & Kerkhof A. J. F. M.","affiliations":"GGD GHOR, UVA, VU, GGD Amsterdam","affiliation113":false,"year":2011,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Public Health","identifier":"10.1186/1471-2458-11-484","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/21693002","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Several suicide and suicidal behaviour risk factors are highly prevalent in asylum seekers, but there is little insight into the suicide death rate and the suicidal behaviour incidence in this population. The main objective of this study is to assess the burden of suicide and hospital-treated non-fatal suicidal behaviour in asylum seekers in the Netherlands and to identify factors that could guide prevention.\n\nMETHODS: We obtained data on cases of suicide and suicidal behaviour from all asylum seeker reception centres in the Netherlands (period 2002-2007, age 15+). The suicide death rates in this population and in subgroups by sex, age and region of origin were compared with the rate in the Dutch population; the rates of hospital-treated suicidal behaviour were compared with that in the population of The Hague using indirect age group standardization.\n\nRESULTS: The study included 35 suicide deaths and 290 cases of hospital-treated suicidal behaviour. The suicide death rate and the incidence of hospital-treated suicidal behaviour differed between subgroups by sex and region of origin. For male asylum seekers, the suicide death rate was higher than that of the Dutch population (N = 32; RR = 2.0, 95%CI 1.37-2.83). No difference was found between suicide mortality in female asylum seekers and in the female general population of the Netherlands (N = 3; RR = 0.73; 95%CI 0.15-2.07). The incidence of hospital-treated suicidal behaviour was high in comparison with the population of The Hague for males and females from Europe and the Middle East/South West Asia, and low for males and females from Africa. Health professionals knew about mental health problems prior to the suicidal behaviour for 80% of the hospital-treated suicidal behaviour cases in asylum seekers.\n\nCONCLUSIONS: In this study the suicide death rate was higher in male asylum seekers than in males in the reference population. The incidence of hospital-treated suicidal behaviour was higher in several subgroups of asylum seekers than that in the reference population. We conclude that measures to prevent suicide and suicidal behaviour among asylum seekers in the Netherlands are indicated.","nl":"ACHTERGROND: Risicofactoren voor suïcide en suïcidaal gedrag komen veel voor bij asielzoekers, maar er is weinig bekend over het aantal doden als gevolg van suïcide en hoe vaak suïcidaal gedrag bij deze groep voorkomt. Het belangrijkste doel van deze studie is te berekenen wat de ziektelast is van suïcide en klinisch behandeld suïcidaal gedrag zonder fatale afloop bij asielzoekers in Nederland, en om te bepalen welke factoren relevant zijn voor preventie. \n\nONDERZOEK: De gegevens over gevallen van suïcide en suïcidaal gedrag waren afkomstig van alle ontvangstcentra voor asielzoekers in Nederland (van 2002 tot 2007, leeftijd 15+). Het aantal suïcides in deze groep, onderverdeeld naar geslacht, leeftijd en regio van herkomst, werd vergeleken met de sterftecijfers binnen de Nederlandse populatie. En de cijfers van klinisch behandeld suïcidaal gedrag werden vergeleken met die van de populatie in Den Haag. Er werden 35 gevallen van suïcide onderzocht en 290 gevallen van suïcidaal gedrag met behandeling in het ziekenhuis. Het aantal suïcides en het aantal mensen dat in het ziekenhuis werd behandeld voor suïcidaal gedrag verschilde per geslacht en regio van herkomst. Voor mannelijke asielzoekers lag het aantal suïcides hoger dan bij de mannen in de Nederlandse populatie. Er werd geen verschil gevonden tussen het aantal suïcides bij vrouwelijke asielzoekers en de algemene vrouwelijke populatie in Nederland. Vergeleken met de populatie in Den Haag bleek suïcidaal gedrag met behandeling in het ziekenhuis vaak voor te komen bij mannen en vrouwen uit Europa en het Midden-Oosten/Zuidwest Azië, terwijl de cijfers laag waren voor mannen en vrouwen uit Afrika. In 80% van de gevallen van suïcidaal gedrag met behandeling in het ziekenhuis waren de zorgverleners al van de psychische problemen op de hoogte voordat er bij deze asielzoekers sprake was van suïcidaal gedrag. \n\nCONCLUSIE: In deze studie was het aantal suïcides bij mannelijke asielzoekers hoger dan bij mannen in de referentiegroep. Het aantal gevallen van suïcidaal gedrag met behandeling in het ziekenhuis lag hoger in de verschillende subgroepen van asielzoekers vergeleken met de Nederlandse referentiegroep. De conclusie is dat er preventieve maatregelen nodig zijn om het aantal suïcides en suïcidaal gedrag onder asielzoekers in Nederland terug te dringen."},"keywords":{"en":["suicide","suicidal behaviour","migrants","asylum seekers","refugees"],"nl":["zelfdoding","suïcidaal gedrag","migranten","asielzoekers","vluchtelingen"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["young","adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicides in users of mental health care services: treatment characteristics and hindsight reflections","authors":"Huisman, A., Kerkhof, A. J. F. M., & Robben P. B. M.","affiliations":"VU, EUR, Zorg Inspectie","affiliation113":false,"year":2011,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-Threatening Behavior","identifier":"10.1111/j.1943-278X.2010.00015.x","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/21309823","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"The current study aims to describe the patient and treatment characteristics of a sample of 505 suicides by mental health care patients, and to determine how clinicians view the care provided and what they learned. The results indicate that the quality of mental health care for suicidal patients could be improved by focusing on communication among clinicians, continuity of care, suicide risk assessment procedures, and the involvement of relatives.","nl":"Deze studie had als doel om voor 505 suïcides door ggz-patiënten de kenmerken van de patiënten en hun behandeling te beschrijven en te bepalen wat artsen achteraf vonden van de geleverde zorg en wat ze ervan hadden geleerd. Uit de resultaten blijkt dat de kwaliteit van de psychiatrische zorg voor suïcidale patiënten kan worden verbeterd door meer aandacht te besteden aan de onderlinge communicatie tussen artsen, de continuïteit van de zorg, het invoeren van procedures om de kans op suïcide te kunnen inschatten en de betrokkenheid van de familie."},"keywords":{"en":["suicide","mental health care services","treatment characteristics"],"nl":["zelfdoding","GGZ instellingen","behandelingseigenschappen"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwalitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Homicide–suicide and other violent deaths: an international comparison","authors":"Liem, M. C. A., Barber, C., Markwalder, N., Killias, M. & Nieuwbeerta, P.","affiliations":"LU, UU","affiliation113":false,"year":2011,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Forensic Science International","identifier":"10.1016/j.forsciint.2010.09.003","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0379073810004378","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Homicides followed by the suicide of the perpetrator constitute a serious form of interpersonal violence. Until now no study has directly compared homicide–suicides to other violent deaths from multiple countries, allowing for a better understanding of the nature of these violent acts. Using country-specific data, this study describes and compares the incidence and patterns of homicide–suicide as well as the relationship between homicide–suicide, homicide, suicide and domestic homicide in the Netherlands, Switzerland and the United States. The results indicate that cross-nationally, homicide–suicides are more likely than other types of lethal violence to involve a female victim, multiple victims, take place in a residential setting and to be committed by a firearm. Although homicide–suicides display many similarities across the different countries, differences exist regarding age and the use of firearms in the offence. This study indicates that homicides followed by suicides differ from both homicides and suicides in similar ways internationally. Cross-national differences in the availability of firearms may explain the international variation of homicide–suicide rates and patterns.","nl":"ACHTERGROND: Moorden waarna de dader suïcide pleegt zijn een ernstige vorm van interpersoonlijk geweld. Er was tot op heden nog geen onderzoek geweest waarin combinaties van moord en suïcide in verschillende landen rechtstreeks werden vergeleken met andere vormen van dodelijk geweld om meer inzicht te krijgen in deze geweldsdaden.  \n\nONDERZOEK: Aan de hand van specifieke gegevens per land beschrijft en vergelijkt dit onderzoek de gevallen en patronen van moord gevolgd door suïcide en de relatie tussen moord met suïcide, moord, suïcide en moord in huiselijke kring in Nederland, Zwitserland en de Verenigde Staten. In alle landen blijkt er bij moord gevolgd door suïcide vaker dan bij andere typen dodelijk geweld sprake te zijn van een vrouwelijk slachtoffer, meerdere slachtoffers, moord in een huiselijke omgeving en het gebruik van een vuurwapen. Hoewel de gevallen van moord gevolgd door suïcide in de verschillende landen veel gelijkenissen vertonen, zijn er verschillen als het gaat om leeftijd en het gebruik van vuurwapens.  \n\nCONCLUSIE: Dit onderzoek wijst uit dat moord gevolgd door suïcide internationaal op dezelfde manier verschilt van zowel moord als suïcide. Verschillen in de beschikbaarheid van vuurwapens tussen de landen verklaren mogelijk de internationale verschillen in aantallen en kenmerken van moord gevolgd door suïcide."},"keywords":{"en":["homicide","suicide","murder–suicide","firearms","international aspects","family violence"],"nl":["moord","zelfdoding","moord-zelfdoding","vuurwapen","internationale aspecten","gezinsgeweld"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Nieuwe gegevens over suïcidaliteit in de bevolking: resultaten van de ‘Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2’ (NEMESIS-2)","authors":"Ten Have, M., Van Dorsselaer, S., Tuithof, M., & De Graaf, R.","affiliations":"Trimbos","affiliation113":false,"year":2011,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"niet van toepassing","identifier":"ISBN 978-90-5253-715-3","link":"https://www.trimbos.nl/aanbod/webwinkel/af1093-nieuwe-gegevens-over-suicidaliteit-in-de-bevolking/","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["population study","suicidal behaviours","lifetime prevalence"],"nl":["populatiestudie","suïcidaal gedrag","levensprevalentie"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Studies into train suicide: the contribution of psychopathology, railway parameters and environmental factors","authors":"Van Houwelingen, C. A. J.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2011,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"Nivel","identifier":"ISBN 9789053353837","link":"https://research.vu.nl/en/publications/studies-into-train-suicide-the-contribution-of-psychopathology-ra","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"ACHTERGROND: Train suicides by jumping, standing, or lying in front of a moving train or by deliberately crashing with a vehicle against it, constitute a minority among all suicides, yet the impact of these suicides in terms of human suffering and disturbance of public life is great. The studies in this thesis investigated factors that influence this type of suicidal behaviour in order to understand better which kind of preventive action is worth pursuing.\n\nCHAPTER 1: In Chapter 1 the themes of the thesis are positioned in the context of the relatively small body of international research findings on train suicide. Issues that had not or had insufficiently been examined are discussed as an introduction to the research questions in the following chapters. The history of train suicide research in the Netherlands is briefly outlined, highlighting the importance of a longitudinal database on incidents of train suicidal behaviour. \n\nCHAPTER 2: In Chapter 2 the epidemiology of train suicide in the Netherlands is presented. Over the period 1980–2007 the mean annual number of train suicides was 185. The lethality of suiciderelated train-person collision was 90.9 %. The proportion of train suicides to the total number of suicides had a mean value of 11.5 %. The M/F ratio was 1.9. Maximum values for male train suicides were found in the age group 20–29 and for female train suicides in the age-group 30–39. When train suicide frequencies were investigated over a much larger time window of 1950–2007, frequencies of < 50 cases per year were found in the period 1950–1970, followed by an increase of up to 231 cases in 1989 and a slight decrease in the years afterwards. This decrease can be attributed to a decrease in female train suicides. Overall the trend in train suicides paralleled that of general suicides. The increase and later decrease of train suicides did not seem to bear any relationship with the steady growth in train kilometres and passenger kilometres, nor with the length of the railway network. Familiarity with rail transport as a passenger did not seem to contribute either. A sudden increase of passenger transport in 1991 after the introduction of free public transport for students did not result in more train suicides. An important finding was the skewed distribution of train suicides on the railway network in 1980–2007: 6.6 % of all suicides happened on 0.3 % of the network on locations with high numbers of suicides (>=1/km/yr), while 45.9 % of the suicides took place scattered on half of the network at locations with a very low incidence. 36.8 % of the total network was free from fatal suicidal behaviour in this period. High-risk locations were located within villages or towns and were close to psychiatric hospitals. Especially these locations deserve first priority when making railway tracks less accessible for suicidal persons. \n\nCHAPTER 3: Chapter 3 describes the results of the matching of 57 train suicides residing in the province of Drenthe with cases from the Groningen Psychiatric Case-Register. This provided insight into the mental healthcare history and psychiatric diagnoses made when healthcare was received. A substantial proportion (63%) of this group of train suicides received mental healthcare at the time of the suicide. The data of this part of the study were combined with data from studies from four other countries. The combination of these five studies showed that half of the train suicides received mental healthcare at the time of suicide, of which half were inpatients. These proportions are much higher than found in general suicide populations. In the combined populations of the five studies the proportion of affective disorders (including bipolar disorders) in train suicides appeared to be similar to that of general suicides. Nonaffective psychotic disorders were over- represented. \n\nCHAPTER 4: The study presented in Chapter 4 examined the association of suicide methods with psychiatric diagnoses, treatment status and gender, in a sample of suicides reported to the Netherlands Health Care Inspectorate. Compared to suicides by hanging, train suicides were more likely to have a bipolar disorder or a psychotic disorder and more likely to be inpatient. While male patients hanged themselves more often and female patients chose selfpoisoning more frequently as suicide method, no association was found between gender and train suicide in the examined  Population. Other findings were that psychotic disorders were associated with jumping from heights and substance-related disorders with self-poisoning. Depressive disorders were not associated with any particular method. That might imply that these patients could easier switch to other methods if one method were to become less available.\n\nCHAPTER 5: In Chapter 5 a study on temporal patterns in train suicidal behaviour is presented. The research question was whether 24-h patterns of train suicide rates can be identified, and if so, whether they change in the course of the calendar year. At first, when train suicides were related to time of year no seasonal pattern could be identified. When the data were analyzed as a function of clock time, a pronounced pattern emerged with 10 times higher values between 10:00 h and midnight than between 02:00–06:00 h. However, more interesting was the finding that train suicide was associated with the time of sunrise and sunset. An 80 % increase of train suicides was noticed at about 1.5–2 h after sunset, when after twilight, it becomes really dark in the Netherlands. When data were plotted in a two-dimensional way, as a function of clock-time and as a function of the time of year simultaneously, the observed peak was visible as an oscillating band parallel to the times of sunset throughout the year, both in men and women. This pattern suggests a strong environmental influence on train suicidal behaviour. Probably a subgroup of train suicides wait until complete darkness, perhaps in order to be less visible to passers-by and train drivers. \n\nCHAPTER 6: Chapter 6 explores which factors contribute to the fact that the proportion of train suicides to the total number of suicides is 1.6 times higher in the Netherlands than in Germany. It was investigated whether this difference is related to differences in availability of a railway system. Two components of availability were studied: a. railway density and b. train traffic intensity. Also, the impact of familiarity of the public with rail transport and the impact of population density was assessed. It was found that train traffic intensity and population density contributed significantly to the observed difference in train suicide between the Netherlands and Germany. Railway density and familiarity with rail transport, in terms of number of train kilometers traveled per inhabitant, appeared to have no contributory role. The conclusion was that the availability of trains, in terms of the number of trains passing at a certain location, influences the number of train suicides. Shorter intervals between trains would appeal to the impulsivity that characterizes many train suicide cases. If train traffic intensity increases this will result in more train suicides. As population density and train traffic intensity are highly correlated, it is difficult to assess which of the two is more important. Either way, since population density is not easily influenced, in both cases it is important to concentrate on the availability of trains in order to prevent suicides. This finding of the influence of train traffic intensity inspired us to re-examine the data of\nthe longitudinal study described in Chapter 2. \n\nCHAPTER 7: In Chapter 7 we tested the newly-formulated hypothesis that the combination of general suicide rates and train traffic intensity might predict the observed train suicide rates during the 58-year study period better than these variables separately. A series of regression analyses confirmed that the product of the general suicide rate and train traffic intensity provided the best fitting model, for all train suicides as well as for men and women separately. This study disclosed a synergistic effect of general suicide rate and train traffic intensity. In line with the main finding of Chapter 6 we expect train suicides to rise on railway lines with growing train frequency. This effect may be toned down or boosted by developments in society that change general suicide rates. \n\nCHAPTER 8: In Chapter 8 the main results of the thesis are summarized and possibilities for train suicide prevention are discussed accordingly. The studies of the thesis demonstrated that train suicide is not an autonomous problem. It is an exponent of public health and related suicide figures, socio-economic developments that influence mobility, the organization of mental healthcare and the infrastructure of the railway network. This asks for a vision that embraces a wide array of complementary preventive measures in multiple domains. We propose: 1. interventions related to the railway system; 2. interventions aimed at identified high-risk populations and 3. interventions in society aimed at the reduction of suicide risk in general and influencing contextual variables.","nl":"ACHTERGROND: Treinsuïcides die plaatsvinden door voor een rijdende trein te springen, gaan staan of liggen of door er opzettelijk met een voertuig tegenaan te rijden, vormen een klein deel van alle suïcides. De gevolgen van deze suïcides zijn echter enorm in termen van menselijk leed en verstoring van het openbare leven. De studies in dit proefschrift hebben factoren onderzocht die dit gedrag beïnvloeden, zodat beter begrepen wordt welke preventieve maatregelen zinvol zijn. \n\nHOOFDSTUK 1: In Hoofdstuk 1 worden de hoofdthema’s van dit proefschrift geplaatst binnen de context van een relatief gering aantal internationale onderzoeksbevindingen op dit gebied. Onderwerpen die niet of onvoldoende waren onderzocht worden besproken als opstap naar de onderzoeksvragen in de hoofdstukken die volgen. De geschiedenis van het onderzoek naar treinsuïcide in Nederland wordt beknopt weergegeven, waarbij gewezen wordt op het belang van een longitudinaal databestand van treinsuïcides. \n\nHOOFDSTUK 2: In Hoofdstuk 2 wordt de epidemiologie van treinsuïcide in Nederland beschreven. In de periode 1980–2007 vonden er gemiddeld 185 treinsuïcides per jaar plaats. Van alle botsingen tussen treinen en personen als gevolg van suïcidaal gedrag had 90.9 % een fatale afloop. Het percentage treinsuïcides van het totaal aantal suïcides was gemiddeld 11.5 %. De man-vrouw verhouding was 1.9. De meeste treinsuïcides gepleegd door mannen vonden plaats in de leeftijdsgroep 20–29 jaar en de meeste treinsuïcides door vrouwen in de leeftijdsgroep 30–39. Wanneer gekeken werd naar de frequenties van treinsuïcides over de langere periode 1950– 2007, werden aantallen gevonden van minder dan 50 gevallen per jaar in 1950–1970, gevolgd door een periode van sterke groei tot uiteindelijk 231 gevallen in 1989 met in de jaren daarna een geringe daling. Deze afname kan worden toegeschreven aan een daling van het aantal treinsuïcides door vrouwen. Over het geheel genomen ging het aantal treinsuïcides gelijk op met suïcides in het algemeen. Er leek geen relatie te bestaan tussen de toe- en afname van treinsuïcides en het gestaag groeiende aantal door treinen gereden kilometers en door reizigers afgelegde kilometers, en ook niet met de lengte van het spoorwegnet. Bekendheid met het spoorwegvervoer als reiziger leek er evenmin toe te doen. Een plotselinge stijging van het passagiersvervoer per trein in 1991, na de introductie van de gratis OV-jaarkaart voor studenten, had geen stijging van het aantal treinsuïcides tot gevolg. Een belangrijke waarneming was de scheve verdeling van treinsuïcides over het spoorwegnet in 1980–2007: 6.6 % van de suïcides vond plaats op 0.3 % van het spoorwegnet op locaties waar veel suïcides voorkwamen (>=1/km/jr), terwijl 45.9 % plaatsvond verspreid over de helft van het spoor op locaties met erg lage aantallen. Op 36.8 % van het spoor kwamen in deze periode helemaal geen suïcides voor. Locaties met een hoog risico werden gevonden binnen de bebouwde kom van dorpen of steden en in de nabijheid van een psychiatrisch ziekenhuis. Deze locaties zouden prioriteit moeten krijgen wanneer de spoorwegen minder toegankelijk worden gemaakt voor suïcidale personen. \n\nHOOFDSTUK 3: Hoofdstuk 3 beschrijft de resultaten van de koppeling van gegevens van 57 personen die door treinsuïcide om het leven kwamen en die in Drenthe woonden aan de gegevens van personen die waren opgenomen in het Psychiatrisch CasusRegister (PCR) Drenthe. Dit gaf inzicht in de psychiatrische voorgeschiedenis en de psychiatrische diagnoses die gesteld waren tijdens de aan de suïcide voorafgaande behandelingen. Een verrassend hoog percentage (63%) van deze groep ontving psychiatrische zorg ten tijde van de suïcide. De gegevens van dit deel van de studie werden gecombineerd met die van studies uit vier andere landen. De vijf studies gezamenlijk lieten zien dat de helft van de degenen die zich gesuïcideerd hadden door middel van de trein geestelijke gezondheidszorg kreeg ten tijde van de suïcide en dat de helft daarvan opgenomen was in een psychiatrisch ziekenhuis. Deze aantallen zijn veel hoger dan bij suïcides in het algemeen. In de gecombineerde populaties van de vijf studies kwam het percentage stemmingsstoornissen (inclusief bipolaire stoornissen) overeen met dat van suïcides in het algemeen. Niet aan stemming gebonden psychotische stoornissen waren oververtegenwoordigd. \n\nHOOFDSTUK 4: De studie die in Hoofdstuk 4 wordt beschreven onderzocht de samenhang tussen suïcidemethodes en psychiatrische stoornissen, geslacht en behandelkenmerken, in een steekproef van aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg gemelde suïcides. Vergeleken met suïcides door middel van ophanging was er bij treinsuïcides een grotere kans op de aanwezigheid van een bipolaire of psychotische stoornis en een grotere kans dat het slachtoffer klinisch patiënt was. Terwijl mannelijke patiënten zich vaker ophingen en vrouwelijke patiënten vaker voor vergiftiging kozen, bleek er in de onderzochte populatie geen verband te bestaan tussen geslacht en treinsuïcide. Andere bevindingen waren dat psychotische stoornissen een samenhang vertoonden met het springen van een hoogte en verslaving aan middelen met zelfvergiftiging. Depressieve stoornissen vertoonden geen samenhang met een specifieke suïcidemethode. Dit zou kunnen betekenen dat deze patiënten gemakkelijker kiezen voor een andere methode wanneer één methode minder gemakkelijk beschikbaar wordt. \n\nHOOFDSTUK 5: Hoofdstuk 5 beschrijft een onderzoek naar tijdspatronen in suïcidaal gedrag op het spoor. De onderzoeksvraag was of er 24-uurs patronen bestaan en zo ja, of deze patronen veranderen in de loop van het kalenderjaar. In eerste instantie, toen treinsuïcides werden gerelateerd aan tijd van het jaar bleek er geen sprake te zijn van een seizoenspatroon. Toen de data werden gerelateerd aan kloktijd kwam er een uitgesproken patroon tevoorschijn met waardes die tussen 10:00 uur en middernacht tien keer hoger waren dan tussen 02:00– 06:00 uur. Interessanter was echter de bevinding dat treinsuïcide gerelateerd was aan het tijdstip van zonsopgang en zonsondergang. We ontdekten een toename van 80 % in het aantal treinsuïcides ongeveer 1.5–2 uur na zonsondergang, wanneer het na afloop van de schemering echt donker wordt in Nederland. Wanneer de data tweedimensionaal werden uitgezet, zowel als functie van kloktijd als van tijd in het jaar, werd deze piek, zowel bij mannen als bij vrouwen, zichtbaar als een oscillerende strook parallel aan de tijdstippen van zonsondergang door het hele jaar heen. Dit patroon suggereert dat de omgeving een sterke invloed heeft op met het spoor samenhangend suïcidaal gedrag. Waarschijnlijk wacht een deel van de personen die treinsuïcide willen plegen tot het helemaal donker is, mogelijk omdat ze niet gezien willen worden door voorbijgangers en treinmachinisten. \n\nHOOFDSTUK 6: In Hoofdstuk 6 wordt onderzocht welke factoren bijdragen aan het gegeven dat het aandeel treinsuïcides op het totaal aantal suïcides in Nederland 1.6 maal hoger is dan in Duitsland. Onderzocht werd of dit verschil samenhangt met verschillen in beschikbaarheid van het spoorwegsysteem. Twee beschikbaarheidcomponenten werden bestudeerd: a. de dichtheid van het spoorwegnetwerk en b. de intensiteit van het spoorwegverkeer. Daarnaast werd de invloed van bekendheid van het publiek met het spoorwegvervoer en de invloed van de bevolkingsdichtheid onderzocht. Gevonden werd dat de intensiteit van het spoorwegverkeer significant bijdroeg aan het waargenomen verschil in voorkomen van treinsuïcide tussen Nederland en Duitsland. De dichtheid van het spoorwegnet en de bekendheid met het spoorwegvervoer in termen van gereden treinkilometers per inwoner leken niet van invloed. De conclusie was dat de beschikbaarheid van treinen in termen van het aantal treinen dat een bepaalde plek passeert van invloed is op het aantal treinsuïcides. Kortere tussenpozen tussen treinen lijken te appelleren aan de impulsiviteit die een kenmerk is van veel treinsuïcides. Als de intensiteit van het treinverkeer toeneemt, heeft dit meer treinsuïcides tot gevolg. Aangezien bevolkingsdichtheid en intensiteit van het treinverkeer onderling sterk gecorreleerd zijn, is het moeilijk om vast te stellen welke van de twee het belangrijkst is. Hoe dan ook, omdat bevolkingsdichtheid niet gemakkelijk te beïnvloeden is, is het in beide gevallen belangrijk om de nadruk te leggen op de beschikbaarheid van treinen om suïcide te voorkomen. Het onderzoeksresultaat dat de intensiteit van het treinverkeer invloed heeft op de suïcidecijfers leidde ertoe dat we de gegevens van de longitudinale studie die we in Hoofdstuk 2 beschreven opnieuw wilden onderzoeken. \n\nHOOFDSTUK 7: In Hoofdstuk 7 toetsten we de nieuw geformuleerde hypothese dat de combinatie van algemene suïcidecijfers en intensiteit van het spoorwegverkeer de treinsuïcidecijfers die we over een periode van 58 jaar hadden gevonden beter zou kunnen voorspellen dan deze variabelen afzonderlijk. Een serie regressieanalyses bevestigde dat het product van de algemene suïcidecijfers en de intensiteit van het spoorwegverkeer het best passende model opleverde, zowel voor alle treinsuïcides als voor mannen en vrouwen afzonderlijk. Deze studie toonde een synergie-effect aan van het algemene suïcidecijfer en de intensiteit van het spoorwegverkeer. In lijn met de belangrijkste bevinding uit Hoofdstuk 6 kunnen we verwachten dat treinsuïcides zullen toenemen op spoorweglijnen met toenemende treinfrequenties. Dit effect kan worden getemperd of versterkt door ontwikkelingen in de samenleving die het suïcidecijfer beïnvloeden. \n\nHOOFDSTUK 8: In Hoofdstuk 8 worden de belangrijkste resultaten van het proefschrift samengevat en worden daarmee samenhangend mogelijkheden voor de preventie van treinsuïcide besproken. De studies van dit proefschrift hebben aangetoond dat treinsuïcide niet een opzichzelfstaand probleem is. Het hangt in sterke mate samen met de volksgezondheid en daaraan gerelateerde suïcidecijfers, socio-economische ontwikkelingen die de mobiliteit van de bevolking beïnvloeden, de wijze waarop de geestelijke gezondheidszorg is vormgegeven en de infrastructuur van de spoorwegen. Dit vraagt om een visie die openstaat voor een breed scala van elkaar aanvullende preventieve maatregelen op meerdere terreinen. Wij stellen de volgende maatregelen voor: 1. interventies gerelateerd aan het spoorwegsysteem; 2. interventies gericht op populaties met een hoog suïciderisico en 3. interventies binnen de samenleving gericht op een vermindering van het suïciderisico in het algemeen en het beïnvloeden van contextuele variabelen."},"keywords":{"en":["suicide","psychopathology","railway parameters","environmental factors","epidemiology","high risk locations","inpatient"],"nl":["zelfdoding","psychopathologie","spoorweg parameters","omgevingsfactoren","epidemiologie","hoog-risico gebieden","opgenomen patiënten"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["epi","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Disability weights for suicidal thoughts and non-fatal suicide attempts","authors":"Van Spijker, B. A. J., Van Straten, A., Kerkhof, A. J. F. M., Hoeymans, N., & Smit, F.","affiliations":"VU, EMGO, RIVM, Trimbos","affiliation113":false,"year":2011,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2011.05.020","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032711002667#!","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Although there are disability weights available for a wide range of health states, these do not include suicidality. This makes it difficult to evaluate the severity of suicidality in comparison with other health states. The aim of this study therefore is to estimate disability weights for suicidal thoughts and for mental distress involved in non-fatal suicide attempts.\n\nMETHODS: A Dutch expert panel of sixteen medical practitioners who were knowledgeable about suicidality estimated disability weights (DWs) for twelve health states by interpolating them on a calibrated Visual Analogue Scale. The DWs for ten of these health states had been estimated in previous studies and were used to determine the external consistency of the panel. The other two concerned health states for suicidal thoughts and non-fatal suicide attempts. The resulting DWs could vary between 0 (best imaginable health state) and 1 (worst imaginable health state).\n\nRESULTS: Both internal (Cronbach's α = 0.98) and external consistency of the panel were satisfactory. The DWs for suicidal thoughts and non-fatal suicide attempts were estimated to be 0.36 and 0.46 respectively.\n\nLIMITATIONS: The panel was relatively small, which resulted in broad confidence intervals.\n\nCONCLUSIONS: Suicidal thoughts are considered to be as disabling as alcohol dependence and severe asthma. The mental distress involved in non-fatal suicide attempts is thought to be comparable in disability to heroin dependence and initial stage Parkinson's. These results demonstrate the severity of suicidality.","nl":"ACHTERGROND: Er zijn voor talloze gezondheidsproblemen wegingsfactoren beschikbaar, maar nog niet voor suïcidaliteit. Dat maakt het lastig om de ernst van suïcidaliteit te beoordelen in vergelijking met andere gezondheidsaandoeningen. Een wegingsfactor voor een ziekte is een manier om te meten hoe ernstig de gevolgen van een ziekte zijn voor het lichamelijk, psychisch en sociaal functioneren van patiënten. Het doel van deze studie was om wegingsfactoren af te leiden voor suïcidale gedachten en het psychisch leed dat optreedt na niet-fatale suïcidepogingen. \n\nONDERZOEK: Een team van zestien Nederlandse artsen met veel ervaring met suïcidaliteit heeft de wegingsfactoren voor twaalf gezondheidsaandoeningen in kaart gebracht door die weer te geven op een schaal van 0 (best denkbare gezondheid) tot 1 (slechtst denkbare gezondheid). De wegingsfactoren voor tien van deze gezondheidsaandoeningen waren afkomstig uit eerdere studies. Die gegevens werden gebruikt om de wegingsfactoren voor suïcidale gedachten en niet-fatale suïcidepogingen af te leiden. \n\nCONCLUSIE: Suïcidale gedachten blijken in even grote mate bij te dragen aan de ziektelast als alcoholverslaving en ernstige astma. Het psychisch leed als gevolg van niet-fatale suïcidepogingen wordt vergelijkbaar geacht met de ziektelast van heroïneverslaving en de eerste fase van de ziekte van Parkinson. Deze resultaten laten dus zien hoe ernstig de gevolgen van suïcidaliteit zijn."},"keywords":{"en":["suicide","attempted suicide","suicidal thoughts","disability weights","quality of life","disability adjusted life years","expert panel"],"nl":["zelfdoding","zelfdodingpoging","suïcidale gedachten","ziektelast","levenskwaliteit","levensjaren gecorrigeerd voor beperkingen","expert panel"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Drug suicide: a sex-equal cause of death in 16 European countries","authors":"Värnik, A., Sisask, M., Värnik, P., Wu, J., Kõlves, K., Arensman, E., …, & Hegerl, U.","affiliations":"Trimbos","affiliation113":false,"year":2011,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Public health","identifier":"https://doi.org/10.1186/1471-2458-11-61","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/21276260","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: There is a lack of international research on suicide by drug overdose as a preventable suicide method. Sex- and age-specific rates of suicide by drug self-poisoning (ICD-10, X60-64) and the distribution of drug types used in 16 European countries were studied, and compared with other self-poisoning methods (X65-69) and intentional self-injury (X70-84).\n\nMETHODS: Data for 2000-04/05 were collected from national statistical offices. Age-adjusted suicide rates, and age and sex distributions, were calculated.\n\nRESULTS: No pronounced sex differences in drug self-poisoning rates were found, either in the aggregate data (males 1.6 and females 1.5 per 100,000) or within individual countries. Among the 16 countries, the range (from some 0.3 in Portugal to 5.0 in Finland) was wide. ‘Other and unspecified drugs’ (X64) were recorded most frequently, with a range of 0.2-1.9, and accounted for more than 70% of deaths by drug overdose in France, Luxembourg, Portugal and Spain. Psychotropic drugs (X61) ranked second. The X63 category (’other drugs acting on the autonomic nervous system’) was least frequently used. Finland showed low X64 and high X61 figures, Scotland had high levels of X62 (’narcotics and hallucinogens, not elsewhere classified’) for both sexes, while England exceeded other countries in category X60. Risk was highest among the middle-aged everywhere except in Switzerland, where the elderly were most at risk.\n\nCONCLUSIONS: Suicide by drug overdose is preventable. Intentional self-poisoning with drugs kills as many males as females. The considerable differences in patterns of self-poisoning found in the various European countries are relevant to national efforts to improve diagnostics of suicide and appropriate specific prevention. The fact that vast majority of drug-overdose suicides came under the category X64 refers to the need of more detailed ICD coding system for overdose suicides is needed to permit better design of suicide-prevention strategies at national level.","nl":"ACHTERGROND: Er is een gebrek aan internationaal onderzoek naar suïcide door een overdosis drugs of medicijnen, wat als een vermijdbare suïcidemethode wordt gezien. Voor deze studie is onderzoek gedaan naar het aantal suïcides door zelfvergiftiging met drugs/medicijnen, onderverdeeld naar geslacht en leeftijd, en naar de verspreiding van de verschillende soorten gebruikte middelen in 16 Europese landen. De resultaten zijn vervolgens vergeleken met andere zelfvergiftigingsmethoden en opzettelijke zelfbeschadiging. \n\nONDERZOEK: De gegevens (over de periode 2000-2004/2005) waren afkomstig van de nationale bureaus voor statistiek. Het aantal suïcides werd berekend, evenals de verspreiding per leeftijdscategorie en de verdeling tussen mannen en vrouwen. Er kwamen geen duidelijke verschillen tussen mannen en vrouwen naar voren (gemiddeld 1,6 suïcides door mannen en 1,5 door vrouwen per 100.000 mensen). De verschillen tussen de landen waren wel groot (van zo’n 0,3 in Portugal tot 5,0 in Finland). De categorie ‘Andere middelen, niet elders geclassificeerd’ werd het vaakst genoemd (0,2-1,9) en was in Frankrijk, Luxemburg, Portugal en Spanje in meer dan 70% van de gevallen verantwoordelijk voor het aantal doden als gevolg van een overdosis. De categorie ‘Psychotrope middelen’ kwam op de tweede plaats. De categorie ‘Andere middelen die het autonome zenuwstelstel beïnvloeden’ werd het minst vaak gebruikt. Finland scoorde laag op ‘Andere middelen, niet elders geclassificeerd’ en hoog op ‘Psychotrope middelen’ en Schotland scoorde hoog op ‘Narcotica en hallucinogenen, niet elders geclassificeerd’ voor zowel mannen als vrouwen. In Engeland lag het aantal suïcides in de categorie ‘Niet-narcotische pijnstillers’ hoger dan in de andere landen. In alle landen behalve Zwitserland was het risico het hoogst onder mensen van middelbare leeftijd, waarbij ouderen het grootste risico liepen. \n\nCONCLUSIE: suïcide door middel van een overdosis is te voorkomen. Er overlijden net zo veel mannen als vrouwen aan opzettelijke zelfvergiftiging met drugs/medicijnen, maar er zijn grote verschillen tussen de Europese landen. Dat is relevant voor nationale inspanningen om de diagnostiek te verbeteren en geschikte preventiemaatregelen te ontwikkelen. De meeste suïcides door een overdosis vielen in de categorie ‘Andere middelen, niet elders geclassificeerd’. Dat betekent dat er behoefte is aan een gedetailleerdere versie van de lijst van ziekten die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gebruikt om suïcide als gevolg van een overdosis te classificeren (International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems, ICD). Daarmee kunnen nationale preventiemaatregelen beter worden afgestemd op de situatie."},"keywords":{"en":["suicide","drug overdose","sex","age"],"nl":["zelfdoding","overdosis drugs","geslacht","leeftijd"]},"region":["internationaal"],"type":["epi","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Validity of suicide statistics in Europe in relation to undetermined deaths: developing the 2-20 benchmark","authors":"Varnik, P., Sisask, M., Värnik, A., Arensman, E., Van Audenhove, C., Van der Feltz-Cornelis, C.M., & Heger, U.","affiliations":"Trimbos","affiliation113":false,"year":2011,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ Injury prevention","identifier":"10.1136/injuryprev-2011-040070","link":"https://www.researchgate.net/publication/51867332_Validity_of_suicide_statistics_in_Europe_in_relation_to_undetermined_deaths_Developing_the_2-20_benchmark","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"The suicide rate is a macro indicator of the population's psychosocial wellbeing and an evaluation criterion of the effectiveness of suicide prevention strategies. A high level of injury deaths of undetermined intent (UD) is usually discussed in connection with the validity of suicide statistics. An effort is made to develop a criterion to characterise the quality of suicide statistics. Standardised rates of suicides (X60-X84) and UD (Y10-Y34) by the International Classification of Disease version 10 as an average for the past five available years were taken from the WHO European mortality database. Rate ratios were computed by dividing rates of UD by suicide rates. There is considerable variation in suicide and UD rates among countries. The highest overall rates of UD were registered in Russia, Ukraine and Belarus, and the lowest in Greece, Spain and Italy. The EU-15 average UD rate of 1.97 and the rate ratio of 0.194 UD to suicides were combined into a '2-20 benchmark', in which the primary indicator is 2.0 UD cases per 100 000 and the secondary indicator is the proportion of UD to suicides 0.20 (20%), which enables countries to be clustered according to the quality of suicide statistics. The following countries satisfied the benchmark: Greece, Norway, Spain, The Netherlands, Luxembourg, France, Austria, Italy, Romania, Hungary, Ireland and Finland. This study used the developed '2-20 benchmark' in Europe to assess suicide registration quality in a particular country, to compare the relative position of countries, and to set a target for those European countries that have not yet achieved the benchmark.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidecijfers zeggen veel over het psychosociale welzijn van de bevolking en worden gebruikt om te evalueren of preventiemaatregelen effect hebben. Deze cijfers zijn echter niet altijd betrouwbaar. Het is namelijk niet altijd duidelijk of een overledene echt de intentie had om suïcide te plegen. Dat kan te maken hebben met gebrekkige procedures, onjuiste diagnostiek of schaamte bij nabestaanden, of samenhangen met politieke overwegingen. Bij twijfel wordt ‘verwonding met onbekende intentie’ als doodsoorzaak opgegeven. Met het oog op preventie is het belangrijk dat de suïcidescijfers betrouwbaar zijn. Daarom proberen wetenschappers een criterium te ontwikkelen om de kwaliteit van suïcidestatistieken te kunnen beoordelen. \n\nONDERZOEK: De geanalyseerde gegevens waren afkomstig uit de Europese sterftedatabank van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Er werd een berekening gemaakt van de verhouding tussen het aantal sterfgevallen door verwonding met onbekende intentie en het aantal geregistreerde suïcides. Per land bleken de cijfers aanzienlijk te verschillen. Het grootste aantal sterfgevallen door verwonding met onbekende intentie werd geregistreerd in Rusland, Oekraïne en Wit-Rusland en het kleinste aantal in Griekenland, Spanje en Italië. Op basis van de gemiddelde sterfte door verwonding met onbekende intentie (1,97) en de verhouding tussen dit cijfer en het aantal suïcides (0,194) werd voor een subgroep van 15 EU-landen een ‘2-20 benchmark’ ontwikkeld. De 2 staat voor 2,0 sterfgevallen met onbekende intentie per 100.000 mensen en de tweede indicator, 0,20, is de verhouding tussen deze sterfgevallen en het aantal suïcides (20%). Zo kunnen landen worden ingedeeld op basis van de kwaliteit van hun suïcidestatistieken. In het ideale geval zou het aantal sterfgevallen door verwonding met onbekende intentie nul moeten zijn, maar omdat dat vooralsnog niet haalbaar is, is in de benchmark 2 als norm gesteld. De volgende landen voldeden aan de benchmark: Griekenland, Noorwegen, Spanje, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Oostenrijk, Italië, Roemenië, Hongarije, Ierland en Finland.  \n\nCONCLUSIE: Voor deze studie is de ‘2-20 benchmark’ toegepast in Europa om per land de kwaliteit van de suïcideregistratie te beoordelen. Zo kunnen landen met elkaar worden vergeleken en wordt er een norm gesteld voor de Europese landen die nog niet aan deze benchmark voldoen."},"keywords":{"en":["suicide statistics","2-20 benchmark","quality of registration"],"nl":["zelfdodingstatistieken","2-20 benchmark","kwaliteit van registratie"]},"region":["internationaal"],"type":["epi","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Cognitive reactivity: Investigation of a potentially treatable marker of suicide risk in depression","authors":"Antypa, N., Van der Does, A. J. W., & Penninx, B. W. J. H.","affiliations":"LU, LUMC, VUMC","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2009.06.013","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19584020","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicidal ideation is the most stable symptom of depression across episodes. This relative stability may be brought about by increased cognitive reactivity to sad mood (CR) during periods of remission. The idea is that a network of depressive cognitions, which include suicidal ideation, becomes strengthened with each episode of depression. Consequently, the whole network may be more easily re-activated, for instance by an episode of low mood. We examined the association between reactivity of suicidal cognitions during recovery and the presence of suicidal ideation and behavior during the previous depressive episode.\n\nMETHODS: In a case–control design, the CR profiles of recovered depressed participants with (N= 355) and without (N= 250) a history of suicidal ideation were compared. Structured\nclinical interviews were used to determine diagnoses and prior symptoms. Cognitive reactivity profile was measured with the Leiden Index of Depression Sensitivity-Revised (LEIDS-R).\n\nRESULTS: Suicidal ideation during a depressive episode was associated with a distinct CR profile during remission: elevated hopelessness reactivity scores. This relationship between prior suicidality and current CR was independent of anxiety disorder comorbidity. Moreover, a history of suicide attempt(s) was also associated with a distinct CR profile. These individuals had both higher hopelessness reactivity and higher aggression reactivity than the non-suicidal and suicidal ideation groups.\n\nLIMITATIONS: Symptoms during the previous depressive episode were assessed retrospectively.\n\nCONCLUSIONS: This is the first study to show that CR may underlie the relative stability of suicidal symptoms independent of anxiety comorbidity and that suicidal ideation and suicidal behavior are associated with distinct patterns of CR. Since CR is a potentially treatable vulnerability marker of depression recurrence, this has important clinical implications.","nl":"ACHTERGROND: Suïcidale gedachten zijn het meest stabiele symptoom van depressie, zowel tijdens depressieve episoden als in de periode ertussen. Deze relatieve stabiliteit kan het gevolg zijn van een verhoogde cognitieve reactiviteit bij een licht sombere stemming tijdens depressievrije perioden. Cognitieve reactiviteit is het gemak waarmee tijdens een terugval negatieve gedachtepatronen gereactiveerd kunnen worden door een licht sombere stemming. Men denkt dat depressieve gedachtepatronen, waaronder suïcidale gedachten, tijdens elke depressieve episode sterker worden. Daardoor kan dit netwerk van negatieve gedachten sneller worden geactiveerd, bijvoorbeeld als iemand een sombere stemming heeft. De onderzoekers hebben het verband onderzocht tussen de reactiviteit van suïcidale gedachtepatronen tijdens een herstelperiode en de aanwezigheid van suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag tijdens de vorige depressieve episode. \n\nONDERZOEK: Er is een vergelijking gemaakt tussen de cognitieve reactiviteit bij herstelde depressieve patiënten met en zonder voorgeschiedenis van suïcidale gedachten. Via klinische interviews werden de diagnoses gesteld en eerdere symptomen geregistreerd. De mate van cognitieve reactiviteit werd gemeten met de Leiden Index of Depression Sensitivity-Revised (LEIDS-R). Suïcidale gedachten tijdens een depressieve episode hingen samen met een vrij grote mate van cognitieve reactiviteit tijdens een herstelperiode, wat zich uitte in sterkere gevoelens van wanhoop. Deze relatie tussen eerdere suïcidale gedachten en huidige cognitieve reactiviteit bestond onafhankelijk van gelijktijdig voorkomende angststoornissen. Bovendien werden eerdere suïcidepogingen ook in verband gebracht met een sterke cognitieve reactiviteit. De deelnemers hadden in dat geval een sterker gevoel van wanhoop en meer agressieve gedachten dan de niet-suïcidale groepen en groepen zonder suïcidale gedachten. \n\nCONCLUSIE: Dit is de eerste studie die laat zien dat cognitieve reactiviteit een oorzaak kan zijn van de relatief stabiele symptomen van suïcidaliteit, onafhankelijk van gelijktijdige angststoornis(sen), en dat er een relatie is tussen suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag enerzijds en duidelijke patronen van cognitieve reactiviteit anderzijds. Cognitieve reactiviteit is dus een ‘kwetsbaarheidsmarker’, een graadmeter voor de terugkeer van een depressie. Die kwetsbaarheid is mogelijk te behandelen en dat heeft vergaande gevolgen voor de klinische praktijk."},"keywords":{"en":["cognitive reactivity","suicidal ideation","suicidal behavior","depression recurrence","hopelessness"],"nl":["cognitieve reactiviteit","suïcidale ideatie","suïcidaal gedrag","terugkerende depressie","hopeloosheid"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Twelve month prevalence of and risk factors for suicide attempts in the WHO world mental health surveys","authors":"Borger, G., Nock, M. K., Haro Abad, J. M., Hwang, I., Sampson, N. A., Alonso, J., …, & Kessler, R. C.","affiliations":"RUG, Groningen UMC","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The Journal of clinical psychiatry","identifier":"10.4088/JCP.08m04967blu","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/20816034","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Although suicide is a leading cause of death worldwide, clinicians and researchers lack a data-driven method to assess the risk of suicide attempts. This study reports the results of an analysis of a large cross-national epidemiologic survey database that estimates the 12-month prevalence of suicidal behaviors, identifies risk factors for suicide attempts, and combines these factors to create a risk index for 12-month suicide attempts separately for developed and developing countries.\n\nMETHOD: Data come from the World Health Organization (WHO) World Mental Health (WMH) Surveys (conducted 2001-2007), in which 108,705 adults from 21 countries were interviewed using the WHO Composite International Diagnostic Interview. The survey assessed suicidal behaviors and potential risk factors across multiple domains, including sociodemographic characteristics, parent psychopathology, childhood adversities, DSM-IV disorders, and history of suicidal behavior.\n\nRESULTS: Twelve-month prevalence estimates of suicide ideation, plans, and attempts are 2.0%, 0.6%, and 0.3%, respectively, for developed countries and 2.1%, 0.7%, and 0.4%, respectively, for developing countries. Risk factors for suicidal behaviors in both developed and developing countries include female sex, younger age, lower education and income, unmarried status, unemployment, parent psychopathology, childhood adversities, and presence of diverse 12-month DSM-IV mental disorders. Combining risk factors from multiple domains produced risk indices that accurately predicted 12-month suicide attempts in both developed and developing countries (area under the receiver operating characteristic curve = 0.74-0.80).\n\nCONCLUSIONS: Suicidal behaviors occur at similar rates in both developed and developing countries. Risk indices assessing multiple domains can predict suicide attempts with fairly good accuracy and may be useful in aiding clinicians in the prediction of these behaviors.","nl":"ACHTERGROND: Hoewel suïcide overal ter wereld een belangrijke doodsoorzaak is, hebben artsen en onderzoekers geen op data gebaseerde methode om de kans op suïcidepogingen in te schatten. In deze studie worden de resultaten gepresenteerd van een analyse van een grote internationale epidemiologische database. Er wordt een schatting gemaakt van het aantal suïcidepogingen per jaar en er wordt in kaart gebracht welke risicofactoren daarbij een rol spelen. Door deze factoren met elkaar te combineren is er een risico-index gemaakt voor het aantal suïcidepogingen dat per jaar voorkomt, zowel voor ontwikkelde landen als ontwikkelingslanden. \n\nONDERZOEK: De gegevens zijn afkomstig uit de World Mental Health Surveys van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), uitgevoerd tussen 2001 en 2007. Daarvoor werden 108.705 volwassenen uit 21 landen ondervraagd met behulp van het door de WHO ontwikkelde Composite International Diagnostic Interview. Er werd gekeken naar suïcidaal gedrag en mogelijke risicofactoren binnen meerdere domeinen, zoals sociaal-demografische kenmerken, psychische aandoeningen bij ouders, problemen tijdens de jeugd, psychiatrische aandoeningen (DSM-IV) en eerder suïcidaal gedrag. Voor de ontwikkelde landen ligt het geschatte aantal jaarlijkse gevallen van suïcidale gedachten, het plannen van suïcide en suïcidepogingen op respectievelijk 2,0%, 0,6% en 0,3%. Voor ontwikkelingslanden liggen deze percentages op respectievelijk 2,1%, 0,7% en 0,4%. De risicofactoren voor suïcidaal gedrag in ontwikkelde en ontwikkelingslanden zijn vergelijkbaar: vrouwelijk geslacht, jongere leeftijd, lagere opleiding en inkomen, ongetrouwd zijn, werkloosheid, ouders met psychiatrische aandoeningen, problemen tijdens de jeugd en de aanwezigheid van verschillende psychiatrische aandoeningen (DSM-IV). Door de risicofactoren uit verschillende domeinen te combineren, konden er risico-indexen worden gemaakt die het jaarlijkse aantal suïcidepogingen nauwkeurig voorspelden in zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden. \n\nCONCLUSIE: Suïcidaal gedrag komt ongeveer even vaak voor in ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Risico-indexen waarin meerdere domeinen zijn meegenomen, kunnen suïcidepogingen redelijk nauwkeurig voorspellen. Artsen kunnen daar dus hun voordeel mee doen bij het voorspellen van suïcidaal gedrag."},"keywords":{"en":["suicide","risk factors","prediction","assessment","World Mental Health Survey"],"nl":["zelfdoding","risicofactoren","voorspelling","beoordeling","Wereld Gezondheid Organisatie survey"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Do automatic self-associations relate to suicidal ideation?","authors":"Glashouwer, K. A., De Jong, P. J., Penninx, B. W. J. H., Kerkhof, A. J. F. M., Van Dyck, R., & Ormel, J.","affiliations":"RUG, EMGO, VU, LUMC, UMC Groningen","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Psychopathology and Behavioral Assessment","identifier":"10.1007/s10862-009-9156-y","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC2914256/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["angst","depresssief"],"abstract":{"en":"Dysfunctional self-schemas are assumed to play an important role in suicidal ideation. According to recent information-processing models, it is important to differentiate between ‘explicit’ beliefs and automatic associations. Explicit beliefs stem from the weighting of propositions and their corresponding ‘truth’ values, while automatic associations reflect more simple associations in memory. Both types of associations are assumed to have different functional properties and both may be involved in suicidal ideation. Thus far, studies into self-schemas and suicidal ideation focused on the more explicit, consciously accessible traces of self-schemas and predominantly relied on self-report questionnaires or interviews. To complement these ‘explicit’ findings and more directly tap into self-schemas, this study investigated automatic self-associations in a large scale community sample that was part of the Netherlands Study of Depression and Anxiety (NESDA). The results showed that automatic self-associations of depression and anxiety were indeed significantly related to suicidal ideation and past suicide attempt. Moreover, the interactions between automatic self-depressive (anxious) associations and explicit self-depressive (anxious) beliefs explained additional variance over and above explicit self-beliefs. Together these results provide an initial insight into one explanation of why suicidal patients might report difficulties in preventing and managing suicidal thoughts.","nl":"ACHTERGROND: Negatieve gedachtepatronen die mensen in de weg zitten (disfunctionele schema’s) spelen vermoedelijk een belangrijke rol bij suïcidale gedachten. Het is belangrijk om daarbij onderscheid te maken tussen expliciete overtuigingen en automatische (spontane) associaties. Bij expliciete (bewuste) overtuigingen hebben mensen een weloverwogen mening over dingen, terwijl het bij automatische associaties gaat om onbewuste verbanden die het brein legt. Deze twee soorten associaties hebben verschillende functies en ze kunnen beide een rol spelen bij suïcidale gedachten. Tot nu toe waren studies over zelfschema’s en suïcidale gedachten gericht op de meer expliciete, bewust toegankelijke tekenen van zelfschema’s. Daarbij ging men vooral af op wat mensen invulden op vragenlijsten of aangaven tijdens interviews. \n\nONDERZOEK: Als aanvulling op deze expliciete resultaten is in deze studie onderzoek gedaan naar automatische associaties die mensen over zichzelf hebben. Daarvoor is een grote steekproef genomen, als onderdeel van de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA). De resultaten lieten zien dat automatische zelfassociaties bij depressie en angst samenhingen met suïcidale gedachten en eerdere suïcidepogingen. Bovendien verklaarde de interactie tussen automatische zelfassociaties en expliciete zelfovertuigingen (zowel bij depressie als angst) de aanvullende verschillen naast expliciete zelfovertuigingen. \n\nCONCLUSIE: Deze resultaten geven een eerste inzicht in waarom suïcidale patiënten er moeite mee kunnen hebben om suïcidale gedachten te voorkomen en onder controle te houden."},"keywords":{"en":["suicidal ideation","automatic associations","Implicit Association Test","self-schemas","explicit beliefs","depression","anxiety"],"nl":["suïcidale ideatie","automatische associaties","Implicit Association Test","zelf-schema's","expliciete overtuigingen","depressie","angst"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Kwaliteitsdocument\nKetenzorg bij suïcidaliteit\n: Aanbevelingen voor zorgvuldig\nsamenwerken in de keten","authors":"Hermens, M., Van Wetten, H., & Sinnema, H.","affiliations":"Trimbos","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"Trimbos Instituut","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/Artikelen/Kwaliteitsdocument_ketenzorg_bij_su%C3%AFcidaliteit.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":[],"nl":["andere: kwaliteit","ketenzorg","aanbevelingen","praktijk"]},"region":["nationaal"],"type":["review","kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Learning from suicides: towards an improved supervision procedure of suicides in mental health care in the Netherlands","authors":"Huisman, A.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"Ipskamp Drukkers","identifier":"ISBN 9789086594597","link":"https://research.vu.nl/en/publications/learning-from-suicides-towards-an-improved-supervision-procedure-","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: In the Netherlands, a supervision system of suicides in mental health care aims to protect and improve the quality of care provided within mental health services. The aim of the current thesis is to evaluate the functioning of this supervision procedure. \n\nCHAPTER 1: In Chapter 1, the research questions of this thesis are presented. Furthermore, this chapter contains information about supervision by the Health Care Inspectorate and the background and aims of supervision of suicides by mental health care patients. The Health Care Inspectorate uses the standards accepted within mental health services to assess suicide notifications, but a national interdisciplinary guideline for good clinical practice is not available in the Netherlands. \n\nCHAPTER 2: Therefore, an overview of national and international guidelines for the treatment of suicidal patients is provided in Chapter 2, as is a conceptual framework for good clinical care. In the guidelines reviewed, main components in the treatment of suicidal patients are regular assessment of the suicide risk, adequate treatment of psychiatric disorders and suicidal impulses, involvement of family members and significant others, and continuity of care. \n\nCHAPTER 3: In Chapter 3, patient and treatment characteristics of 505 suicides by mental health care patients are provided, including the results of internal evaluations by clinicians involved. Results show that the majority of these patients died by suicide when hospitalised in a mental health care service or within 3 months of discharge (54%). More than two thirds (68%) expressed suicidal ideation or behaviors in the two months preceding the suicide, and  The majority had a history of suicidal ideations or behavior (94%). Main diagnoses in the sample were depressive disorders (43%), schizophrenia and other psychotic disorders (28%), and substance disorders (8%). In 26% of the 505 suicide notifications, the clinicians involved or the medical director reported that lessons were learned after the suicide, or that policy changes were installed. Most frequently, these lessons concerned improving communication among clinicians and continuity of care (n=52), improving suicide risk assessment procedures (n=32), more involvement of relatives in the treatment (n=16)and the use or adjustment of treatment guidelines (n=15). \n\nCHAPTER 4: In Chapter 4, responses made by the inspectorate to the sample of 505 suicide notifications (see chapter 3) were studied. In the total sample, 227 notifications received follow up: for 104 notifications this concerned requests for further information, for 106 notifications inspectors gave remarks or suggestions for improvement, and for 17 notifications the clinicians or services involved were contacted. Responses made by inspectors most frequently addressed whether a suicide had been evaluated by the clinicians involved, and what the results of this evaluation were. Also, the adequacy of treatment for psychiatric disorders, use of treatment guidelines and collaboration with other practitioners or services were important themes in the responses made by inspectors. Follow-up by the inspectorate was more likely when a suicide involved a patient treated in a mental health care setting for less than a year (χ²=4,39, df=1, p=0.04), or when the notification was accompanied by the mental health institution’s plans for improving its policies (χ²=14,41, df=1, p<0.01). Further questions or remarks posed by the inspectorate occurred less often when a patient was discharged from inpatient care in the three months before the suicide (χ²=4,52, df=1, p=0.03). In only one notification, the inspectorate addressed the use of no-suicide contracts, although the use of a contract was brought up in 23% of the notifications. Compared to 1996- 2001, responses made by the inspectorate more frequently emphasized the importance of suicide risk assessment in the period 2002-2006 (37% vs 19%; χ²=6.4, df=1, p=0.01). In conclusion, chapter 4 suggests that the inspectorate might improve supervision on suicides in mental health care by continuing  Their emphasis on systematic suicide risk assessment, and by giving more attention for the treatment for patients recently discharged from inpatient care, and more focus on a restrained use of no-suicide contracts. \n\nCHAPTER 5: Chapter 5 reports on a study undertaken to examine the views of medical directors (n=28), clinicians (n=30) and inspectors (n=15) on the suicide notification system in the Netherlands. Results of the interviews indicate ambivalence in both medical directors and clinicians concerning the effectiveness of the suicide notification procedure. The evaluation of events and care preceding a suicide of a  Patient was unanimously seen as positive in the interviews. Supervision by the inspectorate was experienced to underline the importance of suicide prevention and to keep both the medical directors and clinicians alert. Another positive aspect of the procedure according to the interviewees was that the supervision system provides external monitoring of quality of care, ensuring detection of malfunctioning institutes or clinicians if necessary. In addition, the inspectorate has stimulated the development of policies for the treatment of suicidal patients. The main criticism on the suicide notification procedure provided by both medical directors and clinicians concentrates on the atmosphere of guilt or blame surrounding suicides in treatment settings. It is concluded that the inspectorate has a stimulating role,  motivating mental health care directors to critically self reflect, and opening discussion about suicide risk assessment, use of no-suicide contracts, continuity of care and the involvement of family members in the treatment of suicidal patients. Main points of criticism seem to center around the issue of guilt implied by the preventability driven work of the inspectorate and the focus on individual notifications instead of structural problems. \n\nCHAPTER 6: In Chapter 6, the use of no suicide contracting is discussed. In 23% of the 505 suicide notifications studied in chapter 3 and 4, a no-suicide arrangement was entered. However, clear evidence on the effects of a no-suicide contract is lacking. Nosuicide contracts are no guarantee that a patient will not die by suicide, and they can have negative side effects. Alternatives to  a no-suicide contract are proposed, such as suicide risk assessment, commitment to treatment statement and a postponement agreement, with potentially less negative side effects or more positive outcomes. \n\nCHAPTER 7: In Chapter 7, psychiatric and demographic characteristics collected in the study described in chapter 3 and 4, are used to answer the question if psychiatric diagnoses were associated with suicide methods. The results showed that psychotic disorders were associated with jumping from heights (OR=3.42, p<0.05), and substancerelated disorders were associated with self-poisoning (OR=4.13, p<0.05). Depressive disorders were not associated with any particular suicide method. \n\nCHAPTER 8: In Chapter 8, a study into policies in mental health care services for the prevention of post discharge suicides is presented. One out of 10 locations for mental health care services had a standard policy for the prevention of suicide after discharge from psychiatric care. Four locations had an informal policy and 5 an ad hoc policy. In conclusion, only half of the mental health institutions employed a preventive policy regarding post-discharge suicide. Possibilities for prevention might not be fully utilised. \n\nCHAPTER 9: In Chapter 9, the findings of this thesis are discussed and the main conclusions are presented. Several methodological issues concerning the validity of the study are discussed. Finally, a new model for supervision based on the results of this current thesis is presented. In this new model, it is recommended that mental health care services employ a suicide prevention committee and thoroughly implement guidelines for the care of suicidal patients. Furthermore, in the proposed model there is less attention and emphasis on individual notifications and more emphasis on structural problems in mental health care provision and general suicide prevention policies within mental health care services. It is hoped that this thesis can contribute to the optimal functioning of the supervision system of suicides in mental health care.","nl":"ACHTERGROND: De meldingsprocedure van suïcides aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft tot doel de kwaliteit van zorg in Nederland te waarborgen en te verbeteren. In dit proefschrift wordt het functioneren van deze vorm van toezicht geëvalueerd. \n\nHOOFDSTUK 1: In Hoofdstuk 1 worden de onderzoeksvragen van het proefschrift gepresenteerd. Verder bevat dit hoofdstuk achtergrondinformatie over de inspectie en toezicht op suïcides door patiënten die onder behandeling zijn van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). De Inspectie voor de Gezondheidszorg hanteert de algemeen geaccepteerde normen voor kwaliteit van zorg die binnen de GGZ gelden om meldingen van suïcides te beoordelen. In Nederland is echter tot dusverre geen interdisciplinaire richtlijn voor de behandeling van suïcidale patiënten voorhanden. \n\nHOOFDSTUK 2: Daarom wordt in Hoofdstuk 2 een overzicht gepresenteerd van alle nationale en internationale richtlijnen voor de risico-inschatting en behandeling van suïcidale patiënten, als uitgangspunt van goede kwaliteit van zorg. De kern van deze richtlijnen bestaat uit het regelmatig inschatten van het suïciderisico, adequate behandeling van psychiatrische stoornissen en suïcidale impulsen, het betrekken van naasten in de behandeling en continuïteit van zorg. \n\nHOOFDSTUK 3: In Hoofdstuk 3 worden patiënt- en behandelkenmerken beschreven van een steekproef van 505 suïcides door GGZ patiënten, inclusief de resultaten van interne evaluaties van de betrokken behandelaren. De resultaten laten zien dat het merendeel van de patiënten stierf tijdens een klinische opname of binnen 3 maanden na ontslag (54%). Meer dan tweederde (68%) uitte zich suïcidale in de twee maanden voor de suïcide en het merendeel had een voorgeschiedenis van suïcidaliteit (94%). De belangrijkste hoofddiagnosen waren een depressieve stoornis (43%), schizofrenie en andere psychotische stoornissen (28%) en verslaving (8%). In 26% van de 505 suïcidemeldingen rapporteerden de betrokken behandelaren of de eerste geneeskundige dat er leerpunten naar voren waren gekomen uit de evaluatie van de suïcide, of dat beleidswijzigingen waren doorgevoerd. Deze leerpunten betroffen veelvuldig het verbeteren van communicatie tussen behandelaren en de continuïteit van zorg (n=52), het verbeteren van methoden van risicotaxatie (n=32), het meer betrekken van het systeem rond een patiënt bij de behandeling (n=16) en het gebruik of het aanpassen van behandelrichtlijnen (n=15).  \n\nHOOFDSTUK 4: In Hoofdstuk 4 worden de reacties van inspecteurs op de steekproef van 505 suïcidemeldingen nader bekeken (zie Hoofdstuk 3). Van de totale steekproef kregen 227 meldingen een nadere inhoudelijke reactie: voor 104 meldingen betrof dit vragen om verdere informatie, bij 106 meldingen gaven inspecteurs opmerkingen of suggesties voor verbetering en bij 17 meldingen werd persoonlijk gesproken met de betrokken behandelaren of de directie. Inhoudelijke reacties van inspecteurs betroffen veelal de vraag of een suïcide was geëvalueerd en de uitkomsten hiervan. Andere belangrijke thema’s in de reacties van inspecteurs betroffen de adequaatheid van de behandeling van psychiatrische stoornissen, het gebruik van behandelrichtlijnen en de samenwerking met andere hulpverleners of instellingen. Een nadere inhoudelijke reactie door inspecteurs werd vaker gegeven wanneer de suïcide een patiënt betrof die korter dan een jaar onder behandeling was van de GGZ, of wanneer in een melding leerpunten werden geformuleerd. Nadere vragen of opmerkingen kwamen minder vaak voor wanneer een patiënt was ontslagen uit klinische zorg in de 3 maanden voor de suïcide. In slechts één melding bracht een inspecteur het gebruik van non-suïcide contracten ter sprake, hoewel het gebruik van dergelijke contracten in 23% van de steekproef werd gerapporteerd. Vergeleken met de meldingen uit de jaren 1996-2001,  Benadrukten reacties van inspecteurs het belang van het inschatten van suïcidaliteit vaker in meldingen uit de periode 2002-2006. Aanbevelingen zijn dat de inspectie haar toezicht kan verbeteren door de nadruk op risicotaxatie te behouden en door meer aandacht te besteden aan de behandeling van patiënten die recent zijn ontslagen uit klinische zorg en meer aandacht voor het gebruik van non-suïcidecontracten. \n\nHOOFDSTUK 5: In Hoofdstuk 5 worden de uitkomsten van interviews met eerste geneeskundigen (n=28), hulpverleners (n=30) en inspecteurs (n=15), over hun visie op de suïcide meldingsprocedure, beschreven. Analyse van de resultaten duiden op ambivalentie bij zowel eerste geneeskundigen als hulpverleners wat betreft de effecten van de procedure. De evaluatie van gebeurtenissen en verleende zorg voorafgaande aan een suïcide werden unaniem als positief beschouwd. Toezicht door de inspectie onderstreepte hierbij het belang van suïcidepreventie en hield zowel eerste geneeskundigen als behandelaren alert. Een ander positief aspect van de procedure volgens de geïnterviewden was extern toezicht op de kwaliteiten van zorg, waardoor disfunctionerende instellingen en behandelaren kunnen worden opgespoord. Hiernaast heeft de inspectie de ontwikkeling van beleid voor de behandeling van suïcidale patiënten gestimuleerd. De belangrijkste kritiek op de meldingsprocedure  van zowel eerste geneeskundigen als  Hulpverleners betrof de sfeer van schuld en verwijt die suïcides in de GGZ omringt. In de conclusies van dit onderzoek komt naar voren dat de inspectie een stimulerende rol heeft gehad, die motiveerde zelfkritisch te reflecteren en de discussie heeft geopend over behandelnormen rond risicotaxatie van suïcidaliteit, het gebruik van non-suïcidecontracten en het betrekken van het steunsysteem van een patiënt in de behandeling. Aandachtspunten voor de verbetering van de procedure betroffen de sfeer van schuld en de focus op individuele meldingen in plaats van structurele problemen.\n\nHOOFDSTUK 6: In Hoofdstuk 6 wordt het gebruik van non-suïcidecontracten bediscussieerd. In 23% van alle 505 suïcidemeldingen (zie hoofdstuk 3 en 4) werd het gebruik van een contract gemeld. Er is echter weinig wetenschappelijke evidentie voor de werkzaamheid hiervan. Non-suïcidecontracten geven geen garantie dat een patiënt niet om het leven zal komen door suïcide en kunnen mogelijk ook negatieve effecten hebben. Alternatieven voor het non-suïcidecontracten worden voorgesteld, zoals taxatie van het suïciderisico, een “commitment to treatment statement” en een uitstel van suïcide overeenkomst, met mogelijk minder negatieve consequenties en positievere behandeluitkomst. \n\nHOOFDSTUK 7: In Hoofdstuk 7 worden de psychiatrische en demografische kenmerken van patiënten, die zijn verzameld in hoofdstuk 3 en 4, gebruikt om de vraag te beantwoorden of er een relatie bestaat tussen psychiatrische diagnose en de methode van suïcide. De resultaten lieten onder andere zien dat psychotische stoornissen waren geassocieerd met het springen van hoogten en dat verslaving aan middelen was geassocieerd met zelfvergiftiging. Depressieve stoornissen vertoonden geen samenhang met een specifieke suïcide methode. \n\nHOOFDSTUK 8: In hoofdstuk 8 wordt een onderzoek naar beleid in GGZ instellingen rond de preventie van suïcide na ontslag uit klinische opname gepresenteerd. Een van 10 locaties van GGZ instellingen had een formeel beleid voor de preventie van suïcide na ontslag. Vier locaties hadden een informeel beleid en 5 een ad hoc beleid. Geconcludeerd wordt dat in slechts de helft van GGZ instellingen een preventiebeleid aanwezig was voor suïcide na ontslag. Er zijn nog preventiemogelijkheden die onbenut worden gelaten. \n\nHOOFDSTUK 9: In hoofdstuk 9 worden de resultaten van dit proefschrift bediscussieerd en de belangrijkste conclusies getrokken. Verschillende methodologische beperkingen van de studies worden besproken. Tenslotte wordt een nieuw model voor toezicht voorgesteld, gebaseerd op de onderzoeksresultaten. In dit nieuw model is minder aandacht en nadruk op individuele meldingen van suïcide en meer aandacht voor het opsporen van structurele problemen en het algemene suïcidepreventiebeleid in GGZ instellingen. Verder wordt aanbevolen dat alle GGZ instellingen een suïcide preventiecommissie aanstellen en richtlijnen voor de zorg van suïcidale patiënten implementeren. Hopelijk kan deze these bijdragen aan het optimaliseren van toezicht op kwaliteit van zorg voor suïcidale patiënten onder behandeling van de GGZ."},"keywords":{"en":["supervision system","suicide","mental health care","health care inspectorate"],"nl":["begeleidingsysteem","zelfdoding","GGZ zorg","Zorginspectie"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["ggz"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Psychopathology and suicide method in mental health care","authors":"Huisman, A., Van Houwelingen, C.A.J., & Kerkhof, A. J. F. M.","affiliations":"VU, GGzEindhoven","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2009.05.024","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032709002304?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Not all suicide methods are evenly distributed among different psychiatric disorders.\n\nMETHODS: In a nationwide sample of 505 suicides by persons in mental health care, the relationship between psychiatric diagnosis and suicide method was examined with χ2 tests, logistic regression analyses and multinomial logistic regression analysis, including interactions with age, gender and treatment status.\n\nRESULTS: Psychotic disorders were associated with jumping from heights, and substance-related disorders were associated with self-poisoning. Depressive disorders were not associated with any particular suicide method. Male patients preferred hanging, female patients self-poisoning. Inpatients preferred jumping before a train, outpatients self-poisoning. Bipolar patients preferred jumping before a train over hanging.\n\nLIMITATIONS: Psychological mechanisms for selection of suicide methods are still unknown.\n\nCONCLUSIONS: Possible means of suicide prevention suggested by this study include limiting access to tall buildings or structures to patients with psychotic disorders; careful prescription of medication to female patients and particularly to patients with substance-related disorders; and limiting easy access to railways near clinical settings to patients with bipolar and psychotic disorders. Limiting access to means of suicide may be less effective for suicidal patients with depressive disorders who may switch to other available methods.","nl":"ACHTERGROND: Niet alle manieren van suïcide worden even vaak toegepast bij de verschillende psychiatrische aandoeningen. Daarom is er onderzoek gedaan naar de relatie tussen een psychiatrische diagnose en de gebruikte suïcidemethode. \n\nONDERZOEK: Door middel van een landelijke steekproef zijn 505 suïcides door psychiatrische patiënten onderzocht, waarbij ook werd gekeken naar leeftijd, gender en status van hun behandeling. Uit de resultaten bleek dat bij psychotische aandoeningen vaker van een hoog punt werd gesprongen en dat er bij drugsgerelateerde stoornissen vaker sprake was van zelfvergiftiging. Depressiviteit werd niet in verband gebracht met een bepaalde suïcidemethode. Mannelijke patiënten gaven de voorkeur aan verhanging, terwijl vrouwen vaker voor zelfvergiftiging kozen. Ziekenhuispatiënten sprongen vaker voor een trein, terwijl patiënten die niet in het ziekenhuis werden behandeld vaker voor zelfvergiftiging kozen. Bipolaire patiënten sprongen vaker voor een trein dan dat ze zichzelf verhingen. Kanttekeningen bij het ONDERZOEK: de psychische mechanismen die ten grondslag liggen aan de keuze voor een bepaalde suïcidemethode zijn nog niet bekend. \n\nCONCLUSIE: Op basis van dit onderzoek kunnen de volgende preventieve maatregelen worden genomen: geef patiënten met een psychotische aandoening geen toegang tot hoge gebouwen, wees voorzichtig met het voorschrijven van geneesmiddelen aan vrouwelijke patiënten en vooral aan patiënten met drugsgerelateerde aandoeningen en zorg ervoor dat rond ziekenhuizen en ggz-instellingen de toegang tot treinsporen wordt bemoeilijkt voor patiënten met een bipolaire of psychotische aandoening. Voor depressieve patiënten is het minder effectief om de toegang tot bepaalde suïcidemethoden moeilijker te maken, want zij zullen dan een andere beschikbare methode kiezen."},"keywords":{"en":["methods of suicide","mental disorders","suicide prevention","mental health services"],"nl":["zelfdodingmethoden","psychische stoornissen","zelfdodingpreventie","GGZ instellingen"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult","old"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Homicide–parasuicide: a qualitative comparison\nwith homicide and parasuicide","authors":"Liem, M. C. A.","affiliations":"UU","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The Journal of Forensic Psychiatry & Psychology","identifier":"https://doi.org/10.1080/14789940903335144","link":"https://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/14789940903335144","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Previous studies on homicides followed by the suicide of the perpetrator have mostly regarded this phenomenon as a variation of homicidal or as a variation of suicidal behaviour resulting from external or internal blame attribution. The aim of this study is to qualitatively assess to what extent homicide–suicide can be understood as a dichotomous phenomenon, using homicides followed by a failed suicide by the perpetrator  (homicide–parasuicides).  Particular attention is paid to both internal and external blame attribution. Three different homicide–parasuicide groups emerged from the data: one being primarily homicidal, one being primarily suicidal and one constituting a separate phenomenon. Blame attribution as well as interpersonal dependency on the victim differentiated homicide–parasuicides from other homicides and other parasuicides. The findings of this study suggest that homicide–parasuicide cannot easily be dichotomized into either a homicide or a suicide category. More insight into the concept of interpersonal dependency may aid the prevention of this phenomenon.","nl":"ACHTERGROND: Bij eerdere studies naar moord gevolgd door suïcide van de dader werd dit verschijnsel meestal gezien als een variant van moord of een variant van suïcidaal gedrag als gevolg van externe of interne beschuldiging. Het doel van deze studie is kwalitatief beoordelen in hoeverre moord gevolgd door suïcide kan worden opgevat als een tweeledig verschijnsel, aan de hand van moorden gevolgd door een mislukte suïcidepoging door de dader. Er is in het bijzonder aandacht besteed aan zowel interne als externe beschuldigingen.  \n\nONDERZOEK: Uit de gegevens kwamen drie verschillende categorieën moorden gevolgd door suïcidepogingen naar voren: gevallen die primair een moord waren, gevallen die primair een suïcide waren en gevallen die een afzonderlijk verschijnsel vormden. De combinatie van moord en suïcidepoging onderscheidt zich van andere moorden en andere suïcidepogingen door de toekenning van schuld en interpersoonlijke afhankelijkheid van het slachtoffer. Met interpersoonlijke afhankelijkheid bedoelen we de neiging om op anderen te vertrouwen voor verzorging, richting, bescherming en steun, zelfs in situaties waarin zelfstandig en onafhankelijk functioneren mogelijk is. \n\nCONCLUSIE: Uit de bevindingen van deze studie blijkt dat moorden gevolgd door een poging tot suïcide niet makkelijk kunnen worden geclassificeerd als moord of suïcide. Meer inzicht in het concept interpersoonlijke afhankelijkheid kan helpen dit verschijnsel te voorkomen"},"keywords":{"en":["homicide-suicide; murder; domestic violence; forensic psychiatry and psychology; forensic setting; qualitative research"],"nl":["moord-zelfdoding","moord","huiselijk geweld","forensische psychiatrie en psychologie","forensische instelling","kwalitatief onderzoek"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Homicide followed by suicide: a comparison with homicide and suicide","authors":"Liem, M. C. A., & Nieuwbeerta, P.","affiliations":"LU, UU, NSCR, Willem Pompe Instituut","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-Threatening Behavior","identifier":"10.1521/suli.2010.40.2.133","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/20465348","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Homicide-suicides are a rare yet very serious form of lethal violence which mainly occurs in partnerships and families. The extent to which homicide-suicide can be understood as being primarily a homicide or a suicideevent, or rather a category of its own is examined. In total, 103 homicide-suicides were compared to 3,203 homicides and 17,751 suicides. These are all events that took place in the Netherlands in the period 1992 to 2006. Logistic regression analyses show that homicide-suicides significantly differ from both homicides and suicides with regard to sociodemographic and event characteristics. The findings suggest that homicide-suicide might be considered as a distinct phenomenon from both homicide and suicide.","nl":"ACHTERGROND: Moord gevolgd door suïcide is een zeldzame, maar zeer ernstige vorm van dodelijk geweld die hoofdzakelijk voorkomt binnen relaties en families.  \n\nONDERZOEK: In deze studie wordt onderzocht in hoeverre moord gevolgd door suïcide kan worden gezien als hoofdzakelijk een moord of suïcide of eerder als een afzonderlijke categorie. In totaal werden 103 combinaties van moord en suïcide vergeleken met 3203 moorden en 17.751 suïcides. Dat zijn alle incidenten van deze typen die in Nederland hebben plaatsgevonden in de periode van 1992 tot 2006. Statistische analyses laten zien dat combinaties van moord en suïcide significant verschillen van zowel moorden als suïcides als het gaat om sociaal-demografische aspecten en omstandigheden.  \n\nCONCLUSIE: Op basis van deze bevindingen kan worden gesteld dat de combinatie van moord en suïcide een ander verschijnsel is dan een afzonderlijke moord of suïcide."},"keywords":{"en":["homicide","suicide","lethal violence"],"nl":["moord","zelfdoding","dodelijke geweld"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Filicide followed by parasuicide: a comparison of suicidal and non-suicidal child homicide","authors":"Liem, M. C. A., De Vet, R., & Koenraadt, F.","affiliations":"UU, NIFP","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Child abuse and neglect","identifier":"10.1016/j.chiabu.2010.01.010","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S0145213410001468?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":null,"nl":null},"keywords":{"en":["filicide","filicide-suicide","homicide-suicide","murder-suicide","forensic psychology","domestic","homicide"],"nl":["kindermoord","filicide-zelfdoding","homicide-zelfdoding","moord-zelfdoding","forensische psychologie","huiselijk","moord"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief","anders"],"setting":["patientcohort"],"age":["any"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Development and Evaluation of a Guideline for Nursing Care of Suicidal Patients With Schizophrenia","authors":"Meerwijk, E. L., Van Meijel, B., Van den Bout, J., Kerkhof, A.J.F.M., De Vogel, W., & Grypdonck, M.","affiliations":"UMC Utrecht, VU, Inholland, UU, EMGO, Dimence","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Perspectives in Psychiatric Care","identifier":"10.1111/j.1744-6163.2009.00239.x","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1111/j.1744-6163.2009.00239.x","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"PURPOSE: The purpose of this study was to develop and test an evidence‐based guideline that would support nursing care for suicidal patients with schizophrenia.\n\nDESIGN AND METHODS: Systematic review of the literature and consultation of experts preceded completion of the guideline. Twenty‐one nurses from two mental health institutions tested the guideline for feasibility in nursing practice.\n\nFINDINGS: The guideline was found to support discussing suicidality with patients and assessing suicide risk. Participants endorsed implementation of the guideline in mental health care.\n\nPRACTICE IMPLICATIONS: Nurses who care for patients with schizophrenia are advised to use this guideline as a foundation for their care.","nl":"ACHTERGROND: Het doel van dit onderzoek was het ontwikkelen en testen van een wetenschappelijk onderbouwde richtlijn ter ondersteuning van de verpleegkundige zorg aan suïcidale patiënten met schizofrenie.  \n\nONDERZOEK: Deze richtlijn is opgesteld na grondig literatuuronderzoek en overleg met deskundigen. Een groep verpleegkundigen (21) van twee ggz-instellingen heeft de richtlijn vervolgens op praktische haalbaarheid getest. De richtlijn bleek een ondersteunende functie te hebben in het bespreken van suïcidaliteit met patiënten en het inschatten van de kans op suïcidaal gedrag. \n\nCONCLUSIE: De deelnemers hebben de invoering van de richtlijn in de geestelijke gezondheidszorg goedgekeurd. Voor de praktijk betekent dit dat verpleegkundigen die patiënten met schizofrenie behandelen, het advies krijgen deze richtlijn als basis te gebruiken bij het verlenen van zorg."},"keywords":{"en":["guideline","nursing assessment","schizophrenia","suicide","systematic review"],"nl":["richtlijn","verpleegkundige beoordeling","schizofrenie","zelfdoding","systematische review"]},"region":["nationaal"],"type":["review","implementatie","kwantitatief"],"setting":["ggz","healthcareworkers"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suicide registration in eight European countries: a qualitative analysis of procedures and practices","authors":"P. Varnik, M. Sisask, A. Varnik, Z. Laido, U. Meise, A. Ibelshauser, C. van Audenhove, A. Reynders, R. D. Kocalevent, M. Kopp, A. Dosa, E. Arensman, C. Coffey, C. M. van der Feltz-Cornelis, R. Gusmao, U. Hegerl","affiliations":"Trimbos","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Forensic Science International","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.forsciint.2010.04.032","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0379073810002112?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: To compare suicide registration in eight European countries and provide recommendations for quality improvement.\n\nMETHOD: Qualitative data were collected from country experts using a structured questionnaire.\n\nRESULTS: Suicide registration was based on the medico-legal system in six countries and the coronial system in two. Differences not only between, but also within these two systems emerged. Several elements crucial to the consistency of suicide registration were identified.\n\nCONCLUSION: A precise model for recording suicides should include: an accurate legal inquiry and clarification of suicidal intent; obligatory forensic autopsy for injury deaths; reciprocal communication among authorities; electronic data transmission; final decision-makers’ access to information; trained coders.","nl":"ACHTERGROND: Doel van het onderzoek was te vergelijken hoe suïcide in acht Europese landen wordt geregistreerd en aanbevelingen te doen voor kwaliteitsverbetering.  \n\nONDERZOEK: Aan de hand van een vragenlijst werden er kwalitatieve gegevens verzameld van deskundigen uit deze acht landen. In zes landen was de registratie van suïcides gebaseerd op het medisch-juridische systeem in die landen en in twee landen op het coronial system, waarin de coroner, een gerechtelijke lijkschouwer, de bevoegdheid heeft te onderzoeken wie er is overleden, en hoe, waar en wanneer dit is gebeurd. Er kwamen niet alleen verschillen naar voren tussen, maar ook binnen deze twee systemen. Ook werden er factoren in kaart gebracht die essentieel zijn voor de consistente registratie van suïcides. \n\nCONCLUSIE: Er zou een gedetailleerd model moeten worden ontwikkeld voor het registreren van suïcide. Dat zou uit de volgende onderdelen moeten bestaan: een zorgvuldig juridisch onderzoek en vaststelling van de suïcidale intentie, verplichte forensische autopsie bij dood door verwonding, communicatie tussen de betrokken autoriteiten, overdracht van elektronische gegevens en toegang tot informatie voor besluitvormers en getrainde codeerders."},"keywords":{"en":["suicide","mortality statistics","certification of cause of death","reliability"],"nl":["zelfdoding","mortaliteitsstatistieken","certificering van doodsoorzaak","betrouwbaarheid"]},"region":["internationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Genome-wide association study of suicide attempts in mood disorder patients","authors":"Perlis, R. H., Huang, J., Purcell, S., Fava, M., Rush, A. J., Sullivan, P. F., …, & Smoller, J. W.","affiliations":"VU","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"American Journal of Psychiatry","identifier":"10.1176/appi.ajp.2010.10040541","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/21041247","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: Family and twin studies suggest that liability for suicide attempts is heritable and distinct from mood disorder susceptibility. The authors therefore examined the association between common genomewide variation and lifetime suicide attempts.\n\nMETHOD: The authors analyzed data on lifetime suicide attempts from genomewide association studies of bipolar I and II disorder as well as major depressive disorder. Bipolar disorder subjects were drawn from the Systematic Treatment Enhancement Program for Bipolar Disorder cohort, the Wellcome Trust Case Control Consortium bipolar cohort, and the University College London cohort. Replication was pursued in the NIMH Genetic Association Information Network bipolar disorder project and a German clinical cohort. Depression subjects were drawn from the Sequential Treatment Alternatives to Relieve Depression cohort, with replication in the Netherlands Study of Depression and Anxiety/Netherlands Twin Register depression cohort.\n\nRESULTS: Strongest evidence of association for suicide attempt in bipolar disorder was observed in a region without identified genes (rs1466846); five loci also showed suggestive evidence of association. In major depression, strongest evidence of association was observed for a single nucleotide polymorphism in ABI3BP, with six loci also showing suggestive association. Replication cohorts did not provide further support for these loci. However, meta-analysis incorporating approximately 8,700 mood disorder subjects identified four additional regions that met the threshold for suggestive association, including the locus containing the gene coding for protein kinase C-epsilon, previously implicated in models of mood and anxiety.\n\nCONCLUSIONS: The results suggest that inherited risk for suicide among mood disorder patients is unlikely to be the result of individual common variants of large effect. They nonetheless provide suggestive evidence for multiple loci, which merit further investigation.","nl":"ACHTERGROND: Onderzoek onder gezinnen en tweelingen suggereert dat de neiging tot suïcidepogingen erfelijk is en los gezien moet worden van gevoeligheid voor stemmingsstoornissen. Daarom is het verband onderzocht tussen gewone genetische variatie en suïcidepogingen gedurende het leven.  \n\nONDERZOEK: De auteurs hebben gegevens over suïcidepogingen gedurende het leven verzameld van mensen met een bipolaire stoornis type 1 of 2 of depressie. Het sterkste bewijs voor een verband tussen suïcidepogingen en bipolaire stoornissen werd gezien in een regio zonder geïdentificeerde genen; daarnaast vertoonden nog vijf loci bewijs voor een verband. Bij depressie werd het sterkste bewijs voor een verband gezien voor een enkel-nucleotide polymorfie in ABI3BP. Daarnaast leek er nog een verband te zijn met zes andere loci, maar dit werd niet ondersteund door de replicatiecohorten. Een meta-analyse van ongeveer 8700 proefpersonen met een stemmingsstoornis bracht echter nog vier aanvullende regio's aan het licht die voldeden aan de drempel voor een mogelijk verband, waaronder de locus die het gen bevat dat codeert voor proteïnekinase C-epsilon, zoals eerder werd geïmpliceerd in modellen van stemmingen en angsten.  \n\nCONCLUSIE: De resultaten suggereren dat een geërfd risico op suïcide onder patiënten met een stemmingsstoornis waarschijnlijk niet of nauwelijks het gevolg is van individuele gebruikelijke varianten. Niettemin is er bewijs gevonden voor verschillende loci, dus verder onderzoek is aan te bevelen."},"keywords":{"en":["genome-wide association study","suicide attempts","mood disorder","NESDA","suicide risk"],"nl":["genoombrede associatiestudie","zelfdodingpogingen","stemmingsstoornis","NESDA","zelfdodingrisico"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Predictors of suicidality in depressive spectrum disorders in the general population: results of the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study","authors":"Spijker, J., De Graaf, R., Ten Have, M., Nolen, A., & Speckens, W.A.","affiliations":"De Gelderse Roos, Trimbos, UMC Groningen, RUG, UMC Radboud","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology","identifier":"10.1007/s00127-009-0093-6","link":"https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00127-009-0093-6","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"OBJECTIVE: The aim was to assess determinants of suicidality (suicidal ideation and suicide attempts) in a general population cohort with depressive spectrum disorders, and to compare determinants for suicidal ideation and determinants for suicide attempts in this cohort.\n\nMETHOD: The Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study is a epidemiologic survey in the adult population (N = 7,076), using the Composite International Diagnostic Interview (CIDI).\n\nRESULTS: In a cohort of 586 persons with a depressive spectrum disorder, 97 (16.6%) reported suicidal ideation and 19 (3.2%) suicide attempts in a period of 2 years. In a multivariate model, male gender (OR 0.54, 95% CI 0.30-0.99, p = 0.05), longer (>13 months) duration of depression (OR 2.86, 95%CI 1.21-6.73, p = 0.02; OR 2.71, 95% CI 1.24-5.91, p = 0.01), anhedonia (OR 2.00, 95% CI 1.01-5.91, p = 0.05), feeling worthless (OR 1.99, 95% CI 1.05-3.74, p = 0.03), comorbid anxiety (OR 2.46, 95% CI 1.38-4.40, p < 0.01), previous suicidal ideation (OR 3.50, 95% CI 1.96-6.24, p < 0.001) and use of professional care (OR 1.96, 95% CI 1.01-3.79, p = 0.05) were significantly related to suicidality. Determinants of suicidal ideation differed from determinants of suicide attempts.\n\nLIMITATIONS: Suicidality (and not actual suicides) was assessed with only two questions from the CIDI and some determinants for suicidality were assessed in the same time period as suicidality.\n\nCONCLUSIONS: Features of depression were the most important determinants of suicidality in a depressive spectrum cohort. Determinants for suicidal ideation differed from suicide attempts. These findings could be helpful in identifying those who need more intense treatment strategies in order to prevent suicidality and eventually suicide.","nl":"ACHTERGROND: Dit onderzoek was bedoeld om te beoordelen welke factoren bepalend zijn voor suïcidaliteit (suïcidale gedachten en suïcidepogingen) en om de bepalende factoren voor suïcidale gedachten te vergelijken met die voor suïcidepogingen.  \n\nONDERZOEK: The Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study is een epidemiologisch onderzoek onder de volwassen bevolking waarbij gebruik wordt gemaakt van het Composite International Diagnostic Interview (CIDI). In een cohort van 586 personen met een depressieve stoornis gaven 97 personen (16,6%) aan suïcidale gedachten te hebben gehad en zeiden 19 personen (3,2%) een suïcidepoging te hebben gedaan in de voorgaande twee jaar. Suïcidaliteit bleek significant vaker voor te komen bij mannen, mensen die langdurig depressief waren (langer dan dertien maanden), mensen met anhedonie (het niet kunnen ervaren van vreugde), mensen die zich waardeloos voelden, mensen met comorbide angst, mensen met eerdere suïcidale gedachten en mensen die professionele hulp ontvingen. De bepalende factoren voor suïcidale gedachten waren anders dan die voor suïcidepogingen.  \n\nKANTTEKENINGEN: suïcidaliteit (en niet daadwerkelijke suïcides) werd beoordeeld op basis van slechts twee vragen uit het CIDI en sommige bepalende factoren voor suïcidaliteit werden beoordeeld in dezelfde periode als de suïcidaliteit.  \n\nCONCLUSIES: Symptomen van depressie zijn de belangrijkste bepalende factoren voor suïcidaliteit in een cohort met depressieve stoornissen. De bepalende factoren voor suïcidale gedachten waren anders dan die voor suïcidepogingen. Deze bevindingen kunnen nuttig zijn om te bepalen wie er intensievere behandelingen nodig heeft om suïcidaliteit en uiteindelijke suïcide te voorkomen."},"keywords":{"en":["general population","depressive disorders","suicidality","risk factors"],"nl":["algemene populatie","depressieve stoornissen","suïcidaliteit","risicofactoren"]},"region":["nationaal"],"type":["kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicidal behavior and ethnicity of young females in Rotterdam, the Netherlands: rates and risk factors","authors":"Van Bergen, D. D., Eikelenboom, M., Smit, J. H., van de Looij-Jansen, P. M., & Saharso, S.","affiliations":"Nivel, VUmc, GGD Rotterdam, UT","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Ethnicity & Health","identifier":"10.1080/13557858.2010.494719","link":"https://www.researchgate.net/publication/45539384_Suicidal_behavior_and_ethnicity_of_young_females_in_Rotterdam_the_Netherlands_Rates_and_risk_factors","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["immigrants"],"abstract":{"en":"Although Western Europe is becoming increasingly multicultural, ethnic minorities are scarcely included in studies of suicidology. We investigated the prevalence of non-fatal suicidal behavior and examined risk factors in non-western female immigrant adolescents compared to majority female adolescents in the city of Rotterdam, The Netherlands. We conducted logistic regression on a dataset that consisted of self-reported health and well-being questionnaires filled out by 4527 adolescents of Dutch, South Asian-Surinamese, Moroccan, and Turkish origin. We examined whether young females of specific ethnic groups had elevated risk for attempted suicide. Well-known risk factors in suicidology of social economic class, level of education, life events, abuse, and family context were investigated to verify whether these factors are beneficial to explaining ethnic differences in suicidal behavior. RESULTS; We found that rates of attempted suicide among Turkish and South Asian-Surinamese young women were higher than of Dutch females, while Moroccan females had lower rates than Dutch female adolescents. Physical and sexual abuse, and an impaired family environment, as well as parental psychopathology or parental substance abuse contributed to non-fatal suicidal behavior of females across ethnicities. However, these risk factors, as well as low social economic class and of level of education, did not fully explain the vulnerability of Turkish and South Asian-Surinamese females. Our findings underscored the need for developing suicide prevention for specific minority females in multicultural cities in Western Europe. Screening programs, which aim at preventing suicide attempts by young immigrant women should include risk factors in the family environment and relationship with the parents as well as physical and sexual abuse. However, the study also showed that the disproportionate risk of Turkish and South Asian-Surinamese females could not be understood by risk factors alone and transpired that the origins of ethnic disparities in suicidal behavior deserve further examination.","nl":"ACHTERGROND: West-Europa wordt steeds multicultureler en toch worden etnische minderheden zelden meegenomen in onderzoek naar suïcidaal gedrag. In deze studie is onderzoek gedaan naar suïcidaal gedrag zonder dodelijke afloop en risicofactoren bij jonge, niet-westerse vrouwelijke immigranten. De resultaten zijn vervolgens vergeleken met vrouwelijke jongeren uit Rotterdamse meerderheidsgroepen. \n\nONDERZOEK: Er werd een analyse gemaakt op basis van vragenlijsten over gezondheid en welzijn die waren ingevuld door 4527 vrouwelijke jongeren van Nederlandse, Zuid-Aziatisch-Surinaamse, Marokkaanse en Turkse afkomst. Onderzocht werd of jonge vrouwen uit bepaalde minderheidsgroepen meer risico liepen en dus vaker een suïcidepoging deden. Daarnaast werden bekende risicofactoren bij suïcidaal gedrag, zoals sociaaleconomische klasse, opleidingsniveau, ingrijpende gebeurtenissen, misbruik en familieomstandigheden, onderzocht om te achterhalen of deze factoren de etnische verschillen in suïcidaal gedrag mede konden verklaren. Het aantal suïcidepogingen onder jonge Turkse en Zuid-Aziatisch-Surinaamse vrouwen lag hoger dan bij Nederlandse vrouwen, terwijl Marokkaanse vrouwen minder vaak een suïcidepoging deden dan jonge Nederlandse vrouwen. Factoren die bij alle onderzochte etnische groepen een rol speelden bij suïcidepogingen zonder fatale afloop waren fysiek en seksueel misbruik, een verstoorde gezinsomgeving, psychische aandoeningen bij ouders of drugsgebruik door ouders. Deze risicofactoren, met inbegrip van lage sociale klasse en een laag opleidingsniveau, konden echter niet volledig verklaren waarom Turkse en Zuid-Aziatisch-Surinaamse vrouwen kwetsbaarder waren. \n\nCONCLUSIE: Deze onderzoeksresultaten laten zien hoe belangrijk het is dat er suïcidepreventieprogramma’s worden ontwikkeld voor jonge vrouwen uit minderheidsgroepen in multiculturele steden in West-Europa. In screeningsprogramma’s die gericht zijn op het voorkomen van suïcidepogingen bij deze groepen jonge vrouwen, moeten de volgende risicofactoren worden meegenomen: de gezinssituatie, de relatie met de ouders en fysiek en seksueel misbruik. Uit de studie is echter ook gebleken dat het relatief grote risico voor Turkse en Zuid-Aziatisch-Surinaamse vrouwen niet alleen kon worden verklaard op basis van deze risicofactoren. Er moet dan ook meer onderzoek worden gedaan naar de oorzaak van etnische verschillen in suïcidaal gedrag."},"keywords":{"en":["suicidal behavior; risk factors; adolescents; young females; immigrant families"],"nl":["suïcidaal gedrag; risicofactoren; adolescenten; jonge vrouwen; immigrantgezinnen"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["young"],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Train suicides in The Netherlands","authors":"Van Houwelingen, C. A. J., Kerkhof, A. J. F. M., & Beersma, D. G. M.","affiliations":"GGzE, VU, EMGO, RUG","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"10.1016/j.jad.2010.06.005","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/20580436","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Little is known about train suicide and factors influencing its prevalence. This study tests the hypotheses that railway density, railway transportation volume, familiarity with railway transportation and population density contribute to train suicide. It also tests the relationship between train suicide and general population suicide and examines the prevalence and the characteristics of high-risk locations and their contribution to the grand total of train suicides.\n\nMETHODS: Trends in train suicides were compared with trends in railway track length, train kilometres, passenger kilometres and national suicide figures over the period 1950-2007. The geographical distribution over the national network over the period 1980-2007 was studied. Data were obtained from The Netherlands Railways, Prorail and Statistics Netherlands.\n\nRESULTS: 1. The incidence of train suicides is unrelated to railway parameters. 2. Being familiar with railway transportation as a passenger is not a contributory factor. 3. Train suicide rates are unrelated to regional population density. 4. The incidence of train suicides parallels that of general population suicides. 5. Half of the train suicides took place at a limited number of locations, the most important of which were situated within a village or town and were close to a psychiatric hospital.\n\nLIMITATIONS: Most conclusions are based on correlational relationships between variables.\n\nCONCLUSIONS: 1. Train suicide trends reflect trends in general population suicides. 2. Increased train transportation does not lead to more train suicides. 3. The prevention of train suicide at high-risk locations (HRLs) in built-up areas and near psychiatric hospitals deserves first priority.","nl":"ACHTERGROND: Er is weinig bekend over suïcides op het spoor en welke factoren daarop van invloed zijn. In deze studie wordt onderzocht of de dichtheid van het spoornet, het aantal treinpassagiers, bekendheid met reizen per trein en bevolkingsdichtheid invloed hebben op het aantal suïcides op het spoor. Er wordt ook gekeken naar de relatie tussen suïcide op het spoor en suïcide in het algemeen. Daarnaast wordt onderzocht of het aantal locaties met een verhoogd risico (dus plekken waar de kans op suïcide groter is) en de kenmerken van deze locaties een rol spelen in het totale aantal suïcides op het spoor. \n\nONDERZOEK: De gegevens over suïcide op het spoor werden vergeleken met vier variabelen: de lengte van het spoor, het aantal treinkilometers, het aantal reizigerskilometers en de nationale suïcidecijfers in de periode 1950-2007. De geografische spreiding over het nationale spoornet werd bestudeerd voor de periode 1980-2007. De gegevens waren afkomstig van de Nederlandse Spoorwegen, ProRail en het CBS.  \n\nRESULTATEN: 1. Er is geen verband aangetoond tussen het aantal suïcides op het spoor en de spoorwegvariabelen. 2. Of iemand als passagier ervaring heeft met het reizen per trein speelt evenmin een rol. 3. Het aantal suïcides op het spoor houdt geen verband met de regionale bevolkingsdichtheid. 4. Het aantal suïcides op het spoor gaat gelijk op met het aantal suïcides in het algemeen. 5. De helft van het aantal suïcides op het spoor vond plaats op een beperkt aantal locaties, waarvan de belangrijkste in een dorp of stad lagen, dicht bij een psychiatrische instelling. \n\nCONCLUSIE: 1. Trends op het gebied van suïcide op het spoor komen overeen met algemene suïcidestrends. 2. Een toename van het vervoer per trein leidt niet tot meer suïcides op het spoor. 3. Preventie van suïcide op het spoor op locaties met een hoog risico in de bebouwde kom en in de buurt van psychiatrische instellingen verdient de grootste prioriteit."},"keywords":{"en":["suicide","railway","railroad","transportation","epidemiology","mental health services","high-risk locations"],"nl":["zelfdoding","spoorweg","verkeer","epidemiologie","GGZ","hoge-risico gebieden"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The effectiveness of a web-based self-help intervention to reduce suicidal thoughts: a randomized controlled trial","authors":"Van Spijker, B. A. J., Van Straten, A., & Kerkhof A. J. F. M.","affiliations":"EMGO, VU","affiliation113":false,"year":2010,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Trials","identifier":"10.1186/1745-6215-11-25","link":"https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC2841163/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["insomnia"],"abstract":{"en":"BACKGROUND: Suicide, attempted suicide and suicidal thoughts are major public health problems worldwide. Effective face-to-face treatments are Cognitive Behavioural Therapy (CBT), Dialectical Behavioural Therapy (DBT) and Problem Solving Treatment (PST). However, about two-thirds of persons who die by suicide have not been in contact with mental health care services in the preceding year, and many have never been treated. Furthermore, many patients do not disclose their suicidal thoughts to their care provider. This may be out of shame, due to fear of stigma or due to lack of trust in (mental) health care. Since many suicidal individuals seek information online, the internet provides an opportunity to reach suicidal individuals who would not be contacted otherwise. By providing a self-help intervention online, persons can anonymously learn to gain control over their suicidal thoughts. There is convincing evidence that self-help is effective for a number of mental disorders. In this study the effectiveness for suicidal thoughts is examined.\n\nMETHODS/DESIGN: In this study, a recently developed self-help intervention will be evaluated in a Randomized Controlled Trial. The intervention is based on Cognitive Behavioural Therapy and is aimed at subjects who experience mild to moderate suicidal thoughts. This is defined as a score between 1 and 26 on the Beck Scale for Suicidal Ideation (BSS). Higher and lower scores are excluded. In addition, severely depressed subjects are excluded. In total, 260 subjects will be randomly allocated to the intervention-condition (N = 130) or to the information-control condition (N = 130). Self-report questionnaires will be filled out at baseline, 6 weeks after baseline and 18 weeks after baseline. Primary outcome measure is the reduction in frequency and intensity of suicidal thoughts. Secondary outcome measures are the reduction of hopelessness, anxiety and depression, sleeplessness, worry and quality of life measures.\n\nDISCUSSION: This study is the first to evaluate the effectiveness of a web-based self-help intervention for suicidal thoughts. Several limitations and strengths of the design are discussed.","nl":"ACHTERGROND: suïcide, suïcidepogingen en suïcidale gedachten zijn overal ter wereld een groot volksgezondheidsprobleem. Er bestaan verschillende effectieve een-op-eenbehandelingen (bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie), maar twee derde van de mensen die om het leven komen door suïcide heeft in het jaar voorafgaand aan hun dood geen contact gehad met de geestelijke gezondheidszorg en velen van hen zijn zelfs nooit behandeld. Daar komt bij dat veel patiënten niet aan hun zorgverlener vertellen dat ze suïcidale gedachten hebben. Dat kan met schaamte te maken hebben, angst voor stigmatisering of een gebrek aan vertrouwen in de (geestelijke) zorg. Omdat veel suïcidale patiënten online op zoek gaan naar informatie, biedt het internet mogelijkheden om in contact te komen met deze groep die anders onbereikbaar zou blijven. Onlinezelfhulp kan ertoe bijdragen dat mensen anoniem de controle terugkrijgen over hun suïcidale gedachten. Er is overtuigend bewijs dat zelfhulp effectief is bij een aantal psychische aandoeningen. In dit artikel wordt het studieprotocol beschreven van een onderzoek naar de effectiviteit van onlinezelfhulp bij suïcidale gedachten. \n\nONDERZOEK: De studie is een evaluatie van een onlangs ontwikkelde zelfhulpinterventie, door middel van een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek. De interventie is gebaseerd op cognitieve gedragstherapie en is gericht op mensen die milde tot matige suïcidale gedachten hebben. (Dat komt overeen met een score van tussen de 1 en 26 op de schaal van Beck over suïcidale gedachten.) Hogere en lagere scores worden uitgesloten. Daarnaast worden ernstig depressieve patiënten uitgesloten van het onderzoek. In totaal worden 260 deelnemers willekeurig verdeeld over een interventiegroep en een informatiecontrolegroep. Zij moeten aan het begin van het onderzoek een vragenlijst invullen en doen dit nogmaals na zes en achttien weken. Er wordt allereerst gekeken of de suïcidale gedachten van de deelnemers afnemen in frequentie en intensiteit (primaire uitkomst). Daarnaast wordt gemeten of de gevoelens van wanhoop, angst, depressie en bezorgdheid en de slapeloosheid afnemen en wordt de kwaliteit van leven gemeten (secundaire uitkomsten). Dit is de eerste studie waarin de effectiviteit van onlinezelfhulpinterventies bij suïcidale gedachten wordt onderzocht. In de studie worden ook de beperkingen en sterke punten van de studieopzet besproken"},"keywords":{"en":["suicide","online","self-help intervention","evaluation","randomized controlled trial","cognitive behaviour therapy","hopelessness","anxiety","depression","sleeplessness","worry","quality of life"],"nl":["zelfdoding","online","zelfhulp interventie","evaluatie","randomized controlled trial","CGT","hopeloosheid","angst","depressie","slapeloosheid","levenskwaliteit"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Reducing suicides in mental healthcare: results from a 4-year followup implementation study in the Netherlands (Supranet).","authors":"Kim Setkowski, Anton J. van Balkom, Adriaan Hoogendoorn, Gerdien Franx, Marjolein Veerbeek, Remco K de Winter & Renske Gilissen","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, UMC Amsterdam, GGZ Rivierduinen Leiden, GGZ Parnassia Den Haag, MHeNs Maastricht University","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.3389/fpsyt.2024.1080235","link":"https://www.frontiersin.org/journals/psychiatry/articles/10.3389/fpsyt.2024.1080235/full","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Objective: In 2016, the SUicide PRevention Action NETwork (SUPRANET) was launched. The SUPRANET intervention aims at better implementing the suicide prevention guideline. An implementation study was developed to evaluate the impact of SUPRANET over time on three outcomes: 1) suicides, 2) registration of suicide attempts, and 3) professionals’ knowledge and adherence to the guideline.\n\nMethods: This study included 13 institutions, and used an uncontrolled longitudinal prospective design, collecting biannual data on a 2-level structure (institutional and team level). Suicides and suicide attempts were extracted from data systems. Professionals’ knowledge and adherence were measured using a self-report questionnaire. A three-step interrupted time series analysis (ITSA) was performed for the first two outcomes. Step 1 assessed whether institutions executed the SUPRANET intervention as intended. Step 2 examined if institutions complied with the four guideline recommendations. Based on steps 1 and 2, institutions were classified as below or above average and after that, included as moderators in step 3 to examine the effect of SUPRANET over time compared to the baseline. The third outcome was analyzed with a longitudinal multilevel regression analysis, and tested for moderation.\n\nResults: After institutions were labeled based on their efforts and investments made (below average vs above average), we found no statistically significant difference in suicides (standardized mortality ratio) between the two groups relative to the baseline. Institutions labeled as above average did register significantly more suicide attempts directly after the start of the intervention (78.8 per 100,000 patients, p<0.001, 95%CI=(51.3 per 100,000, 106.4 per 100,000)), and as the study progressed, they continued to report a significantly greater improvement in the number of registered attempts compared with institutions assigned as below average (8.7 per 100,000 patients per half year, p=0.004, 95%CI=(3.3 per 100,000, 14.1 per 100,000)). Professionals working at institutions that invested more in the SUPRANET activities adhered significantly better to the guideline over time (b=1.39, 95%CI=(0.12,2.65), p=0.032).\n\nConclusion: Institutions labeled as above average registered significantly more suicide attempts and also better adhered to the guideline compared with institutions that had performed less well. Although no convincing intervention effect on suicides was found within the study period, we do think that this network is potentially able to reduce suicides. Continuous investments and fully implementing as many guideline recommendations as possible are essential to achieve the biggest drop in suicides.","nl":"Doelstelling: In 2016 werd het Suicide PRevention Action NETwork (SUPRANET) gelanceerd. De SUPRANET-interventie is gericht op een betere implementatie van de richtlijn voor suïcidepreventie. Er werd een implementatiestudie uitgevoerd om de impact van SUPRANET op drie uitkomsten in de loop der tijd te evalueren: 1) suïcides, 2) registratie van suïcidepogingen, en 3) de kennis en naleving van de richtlijn door professionals.\n\nMethoden: Deze studie omvatte 13 instellingen en gebruikte een ongecontroleerd longitudinaal prospectief ontwerp, waarbij twee keer per jaar gegevens werden verzameld op een 2-niveau structuur (instellings- en teamniveau). suïcide en suïcidepogingen werden uit datasystemen gehaald. De kennis en naleving van professionals werden gemeten met behulp van een zelfrapportagevragenlijst. Een driestaps onderbroken tijdreeksanalyse (ITSA) werd uitgevoerd voor de eerste twee uitkomsten. Stap 1 beoordeelde of instellingen de SUPRANET-interventie uitvoerden zoals bedoeld. Stap 2 onderzocht of instellingen voldeden aan de vier richtlijnaanbevelingen. Op basis van stap 1 en 2 werden instellingen geclassificeerd als onder of boven het gemiddelde en daarna opgenomen als moderatoren in stap 3 om het effect van SUPRANET in de loop van de tijd te onderzoeken in vergelijking met de baseline. De derde uitkomst werd geanalyseerd met een longitudinale multilevel regressieanalyse en getest op moderatie.\n\nResultaten: Nadat instellingen waren gelabeld op basis van hun inspanningen en investeringen (ondergemiddeld versus bovengemiddeld), vonden we geen statistisch significant verschil in suïcides (gestandaardiseerde sterftecijfers) tussen de twee groepen ten opzichte van de baseline. Instellingen die als bovengemiddeld waren gelabeld, registreerden direct na de start van de interventie significant meer suïcidepogingen (78,8 per 100.000 patiënten, p < 0,001, 95%BI = (51,3 per 100.000, 106,4 per 100.000)), en naarmate het onderzoek vorderde, bleven ze een significant grotere verbetering in het aantal geregistreerde pogingen rapporteren in vergelijking met instellingen die als ondergemiddeld waren gelabeld (8,7 per 100.000 patiënten per halfjaar, p = 0,004, 95%BI = (3,3 per 100.000, 14,1 per 100.000)). Professionals die werkzaam zijn bij instellingen die meer investeren in de SUPRANET-activiteiten, hielden zich in de loop van de tijd significant beter aan de richtlijn (b=1,39, 95%CI=(0,12,2,65), p =0,032).\n\nConclusie: Instellingen met een bovengemiddelde score registreerden significant meer suïcidepogingen en hielden zich ook beter aan de richtlijn dan instellingen die slechter presteerden. Hoewel er binnen de onderzoeksperiode geen overtuigend interventie-effect op suïcides werd gevonden, denken we wel dat dit netwerk potentieel in staat is om suïcides te verminderen. Continue investeringen en de volledige implementatie van zoveel mogelijk aanbevelingen in de richtlijn zijn essentieel om de grootste daling in suïcides te bereiken."},"keywords":{"en":["suicide prevention","implementation","guideline recommendations","benchmarking","mental healthcare","quality of care","national action network","multicentric study"],"nl":["suïcidepreventie","implementatie","richtlijnen","benchmarking","geestelijke gezondheidszorg","kwaliteit van zorg","nationaal actienetwerk","multicentrische studie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","implementatie","kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":[],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"The forever decision: a qualitative study among survivors of a suicide attempt.","authors":"Karlijn Heesen, Saskia Mérelle, Isa van den Brand, Diana van Bergen, David Baden, Karin Slotema, Renske Gilissen & Sisco van Veen","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, Psychotraumacentrum Zuid Nederland, RUG, Diakonessenhuis, NVSHA, GGZ Parnassia, EUR, Amsterdam UMC","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"eClinicalMedicine","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.eclinm.2024.102449","link":"https://www.thelancet.com/journals/eclinm/article/PIIS2589-5370(24)00028-2/fulltext","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Background: Suicide attempts have a profound emotional impact on both individuals and society as a whole. This qualitative study delves into three key aspects: 1) the progression through the suicidal process, 2) the influential factors facilitating the transition from ideation to attempt using the volitional moderators within the integrated motivational-volitional (IMV) model, and 3) preventive strategies impeding this transition from ideation to attempt.\nMethods: Between October 1, 2022 and March 7, 2023 we interviewed 27 adults (23 women, four men, mean age 33 years) who attempted suicide within the past 12 months. Participants were recruited through social media and in collaboration with several mental health institutions in the Netherlands. The participants were initially screened and interviewed based on the Pathway to Suicidal Actions Interview. Analysis was performed employing the constant comparative method.\nFindings: Despite the heterogeneity of the suicidal process, suicidal thoughts predominately emerged during adolescence (Mdn = 15, M = 17.8). In most participants, planning and preparatory actions occurred long before the attempt, with a median of six years prior to the attempt for the selection of the method. All volitional moderators were observed, although pain sensitivity in particular varied among participants. Access to lethal means and planning emerged as important moderators in the suicidal process. Asking the survivors what could have helped to prevent their attempts, most participants mentioned that they felt their suicidality was not taken seriously enough.\nInterpretation: We discussed the significance of planning in the suicidal process, challenges in conceptualizing planning and impulsivity, and individual differences in pain sensitivity. Based on the findings, we underscore the critical need for restricting access to means, giving greater consideration to preparatory actions within the suicidal process, and fostering open dialogues about suicidality.","nl":"Achtergrond\nsuïcidepogingen hebben een diepgaande emotionele impact op zowel individuen als de maatschappij als geheel. Deze kwalitatieve studie onderzoekt drie belangrijke aspecten: 1) de voortgang van het suïcidale proces, 2) de beïnvloedende factoren die de overgang van idee naar poging vergemakkelijken met behulp van de wilsbeïnvloedende moderatoren binnen het geïntegreerde motivationeel-wilsbeïnvloedende (IMV) model, en 3) preventieve strategieën die deze overgang van idee naar poging belemmeren.\nMethoden\nTussen 1 oktober 2022 en 7 maart 2023 interviewden we 27 volwassenen (23 vrouwen, vier mannen, gemiddelde leeftijd 33 jaar) die in de afgelopen 12 maanden een suïcidepoging hadden gedaan. De deelnemers werden geworven via sociale media en in samenwerking met verschillende GGZ-instellingen in Nederland. De deelnemers werden eerst gescreend en geïnterviewd op basis van het Pathway to Suicidal Actions Interview. De analyse werd uitgevoerd met behulp van de constante vergelijkingsmethode.\nBevindingen\nOndanks de heterogeniteit van het suïcidale proces, ontstonden suïcidale gedachten voornamelijk tijdens de adolescentie ( Mdn  = 15, M  = 17,8). Bij de meeste deelnemers vonden de planning en voorbereiding lang vóór de poging plaats, met een mediaan van zes jaar vóór de poging voor de keuze van de methode. Alle vrijwillige moderatoren werden geobserveerd, hoewel met name pijngevoeligheid varieerde tussen de deelnemers. Toegang tot dodelijke middelen en planning bleken belangrijke moderatoren in het suïcidale proces. Gevraagd aan de overlevenden wat had kunnen helpen om hun pogingen te voorkomen, gaven de meeste deelnemers aan dat ze het gevoel hadden dat hun suïcidaliteit niet serieus genoeg werd genomen.\nInterpretatie\nWe bespraken het belang van planning in het suïcidale proces, de uitdagingen bij het conceptualiseren van planning en impulsiviteit, en individuele verschillen in pijngevoeligheid. Op basis van de bevindingen benadrukken we de dringende noodzaak om de toegang tot middelen te beperken, meer aandacht te besteden aan voorbereidende acties binnen het suïcidale proces en een open dialoog over suïcidaliteit te bevorderen."},"keywords":{"en":["Suicide attempt","Suicidality","Suicide prevention","Risk factors","Protective factors"],"nl":["Suïcidepoging","Suïcidaliteit","Suïcidepreventie","Risicofactoren","Beschermende factoren"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":[],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The contribution of suicide to maternal mortality: A nationwide population-based cohort study.","authors":"Kinke M. Lommerse, Saskia Mérelle, Anna L. Rietveld, Guus Berkelmans, Thomas van den Akker","affiliations":"Haaglanden Medisch Centrum, 113 Zelfmoordpreventie, Amsterdam UMC, LUMC, VU Amsterdam","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BJOG","identifier":"https://doi.org/10.1111/1471-0528.17804","link":"https://obgyn.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/1471-0528.17784","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Objective: To identify the incidence and characteristics of maternal suicide.\n\nDesign\nNationwide population-based cohort study.\n\nSetting\nThe Netherlands, 2006–2020.\n\nPopulation\nWomen who died during pregnancy or within 1 year postpartum, and a reference population of women aged 25–45 years.\n\nMethods\nThe Cause of Death Register and Medical Birth Register were linked to identify women who died within 1 year postpartum. Data were combined with deaths reported to the Audit Committee for Maternal Mortality and Morbidity (ACMMM), which performs confidential enquiries. Maternal suicides were compared with a previous period (1996–2005). Risk factors were obtained by combining vital statistics databases.\n\nMain outcome measures\nComparison of incidence and proportion of maternal suicides among all maternal deaths over time, sociodemographic and patient-related risk factors and underreporting of postpartum suicides.\n\nResults\nThe maternal suicide rate remained stable with 68 deaths: 2.6 per 100 000 live births in 2006–2020 versus 2.5 per 100 000 in 1996–2005. The proportion of suicides among all maternal deaths increased from 18% to 28%. Most suicides occurred throughout the first year postpartum (64/68); 34 (53%) of the women who died by suicide postpartum were primiparous. Compared with mid-level, low educational level was a risk factor (odds ratio 4.2, 95% confidence interval 2.3–7.9). Of 20 women reported to the ACMMM, 11 (55%) had a psychiatric history and 13 (65%) were in psychiatric treatment at the time of death. Underreporting to ACMMM was 78%.\n\nConclusions\nAlthough the overall maternal mortality ratio declined, maternal suicides did not and are now the leading cause of maternal mortality if late deaths up to 1 year postpartum are included. Data collection and analysis of suicides must improve.","nl":"Objectief\nOm de incidentie en kenmerken van moederssuïcide te identificeren.\n\nOntwerp\nLandelijke, op de bevolking gebaseerde cohortstudie.\n\nInstelling\nNederland, 2006–2020.\n\nBevolking\nVrouwen die tijdens de zwangerschap of binnen 1 jaar na de bevalling overleden en een referentiepopulatie van vrouwen in de leeftijd van 25 tot 45 jaar.\n\nMethoden\nHet Doodsoorzakenregister en het Medisch Geboorteregister werden gekoppeld om vrouwen te identificeren die binnen een jaar na de bevalling overleden. De gegevens werden gecombineerd met sterfgevallen gemeld aan de Auditcommissie voor Moedersterfte en -morbiditeit (ACMMM), die vertrouwelijk onderzoek doet. Het aantal suïcides onder moeders werd vergeleken met een eerdere periode (1996-2005). Risicofactoren werden verkregen door databases met vitale statistieken te combineren.\n\nBelangrijkste uitkomstmaten\nVergelijking van de incidentie en het aandeel moedersuïcides onder alle moederssterfgevallen in de loop van de tijd, sociaaldemografische en patiëntgerelateerde risicofactoren en onderrapportage van postpartum suïcides.\n\nResultaten\nHet aantal suïcides onder moeders bleef stabiel met 68 sterfgevallen: 2,6 per 100.000 levendgeborenen in 2006-2020 versus 2,5 per 100.000 in 1996-2005. Het aandeel suïcides onder alle moedersterfgevallen steeg van 18% naar 28%. De meeste suïcides vonden plaats gedurende het eerste jaar na de bevalling (64/68); 34 (53%) van de vrouwen die postpartum door suïcide stierven, waren primipara. Vergeleken met het middenniveau was een laag opleidingsniveau een risicofactor (odds ratio 4,2, 95% betrouwbaarheidsinterval 2,3-7,9). Van de 20 vrouwen die aan de ACMMM werden gerapporteerd, hadden 11 (55%) een psychiatrische voorgeschiedenis en 13 (65%) waren onder psychiatrische behandeling op het moment van overlijden. De onderrapportage aan de ACMMM was 78%.\n\nConclusies\nHoewel de algehele moedersterfte daalde, daalde de moedersterfte niet en is deze nu de belangrijkste oorzaak van moedersterfte, zelfs als late sterfgevallen tot één jaar na de bevalling worden meegerekend. De gegevensverzameling en -analyse van suïcides moeten worden verbeterd."},"keywords":{"en":null,"nl":null},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Sociodemographic and psychosocial risk factors of railway suicide: a mixed-methods study combining data of all suicide decedents in the Netherlands with data from a psychosocial autopsy study","authors":"Elias Balt, Saskia Mérelle, Arne Popma, Daan Creemers, Karlijn Heesen, Nikki van Eijk, Isa van den Brand, Renske Gilissen.","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, Amsterdam UMC, GGZ Oost-Brabant","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Public Health","identifier":"https://doi.org/10.1186/s12889-024-18120-w","link":"https://bmcpublichealth.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12889-024-18120-w","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Background: Railway suicide has profound implications for the victims and their family, and affects train drivers, railway personnel, emergency services and witnesses. To inform a multilevel prevention strategy, more knowledge is required about psychosocial and precipitating risk factors of railway suicide.\n\nMethods: Data from Statistics Netherlands of all suicides between 2017 and 2021 (n = 9.241) of whom 986 died by railway suicide and interview data from a psychosocial autopsy of railway suicide decedents (n = 39) were integrated. We performed logistic regression analyses to identify sociodemographic predictors of railway suicide compared to other methods of suicide. The Constant Comparative Method was subsequently employed on interview data from the psychosocial autopsy to identify patterns in psychosocial risk factors for railway suicide.\n\nResults: The strongest predictors of railway suicide compared to other suicide methods were young age (< 30 years old), native Dutch, a high educational level, living in a multi-person household (especially living with parents or in an institution), living in a rural area and a high annual household income of > 150.000 euros. Several subgroups emerged in the psychosocial autopsy interviews, which specifically reflect populations at risk of railway suicide. These subgroups were [1] young adult males with autism spectrum disorder who strived for more autonomy and an independent life, [2] young adult females with persistent suicidal thoughts and behaviours, [3] middle-aged males with a persistent mood disorder who lived with family and who faced stressors proximal to the suicide in personal and professional settings, [4] male out-of-the-blue suicides and [5] persons with psychotic symptoms and a rapid deterioration.\n\nConclusions: based on our findings we propose and discuss several recommendations to prevent railway suicide. We must continue to invest in a safe railway environment by training personnel and installing barriers. Additionally, we should adopt prevention strategies that align the needs of subgroups at increased risk, including young females who have attempted other methods of suicide and young males with autism spectrum disorder. Future research should determine the cost-effectiveness and feasibility of low-maintenance, automated interventions near crossings and psychiatric facilities.","nl":"Achtergrond\nsuïcide op het spoor heeft grote gevolgen voor de slachtoffers en hun familie, en treft machinisten, spoorwegpersoneel, hulpdiensten en getuigen. Om een ​​preventiestrategie op meerdere niveaus te kunnen ontwikkelen, is meer kennis nodig over psychosociale en de risicofactoren voor suïcide op het spoor.\n\nMethoden\nGegevens van het CBS over alle suïcides tussen 2017 en 2021 ( n  = 9.241), van wie 986 overleden door suïcide op het spoor, en interviewgegevens van een psychosociale autopsie van slachtoffers van suïcide op het spoor ( n  = 39) werden geïntegreerd. We voerden logistische regressieanalyses uit om sociaaldemografische voorspellers van suïcide op het spoor te identificeren in vergelijking met andere suïcidemethoden. De Constant Comparative Method werd vervolgens toegepast op interviewgegevens van de psychosociale autopsie om patronen te identificeren in psychosociale risicofactoren voor suïcide op het spoor.\n\nResultaten\nDe sterkste voorspellers van suïcide op het spoor vergeleken met andere suïcidemethoden waren jonge leeftijd (< 30 jaar oud), autochtoon Nederlands, een hoog opleidingsniveau, wonen in een huishouden met meerdere personen (met name wonend bij ouders of in een instelling), wonend in een landelijk gebied en een hoog jaarlijks huishoudinkomen van > 150.000 euro. Verschillende subgroepen kwamen naar voren in de psychosociale autopsie-interviews, die specifiek populaties weerspiegelen die risico lopen op suïcide op het spoor. Deze subgroepen waren [1] jonge volwassen mannen met een autismespectrumstoornis die streefden naar meer autonomie en een onafhankelijk leven, [2] jonge volwassen vrouwen met aanhoudende suïcidegedachten en -gedragingen, [3] mannen van middelbare leeftijd met een aanhoudende stemmingsstoornis die bij familie woonden en die stressoren in de buurt van de suïcide in persoonlijke en professionele settings ondervonden, [4] mannelijke suïcides uit het niets en [5] personen met psychotische symptomen en een snelle verslechtering.\n\nConclusies\nOp basis van onze bevindingen stellen we verschillende aanbevelingen voor om suïcide op het spoor te voorkomen. We moeten blijven investeren in een veilige spoorwegomgeving door personeel te trainen en barrières te plaatsen. Daarnaast moeten we preventiestrategieën implementeren die aansluiten bij de behoeften van subgroepen met een verhoogd risico, waaronder jonge vrouwen die andere suïcidemethoden hebben geprobeerd en jonge mannen met een autismespectrumstoornis. Toekomstig onderzoek moet de kosteneffectiviteit en haalbaarheid van onderhoudsarme, geautomatiseerde interventies in de buurt van overwegen en psychiatrische instellingen bepalen."},"keywords":{"en":["Mixed-methods; Prevention; Psychosocial autopsy; Railway suicide; Risk factors."],"nl":["Gemengde methoden; Preventie; Psychosociale autopsie; Suïcide op het spoor; Risicofactoren."]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief","kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Topic modeling for conversations for mental health helplines with utterance embedding.","authors":"Salim Salmi, Rob van der Mei, Saskia Mérelle & Sandjai Bhulai","affiliations":"CWI, 113 Zelfmoordpreventie, VU Amsterdam","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Telematics and Informatics Reports","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.teler.2024.100126","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2772503024000124?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Conversations with topics that are locally contextual often produces incoherent topic modeling results using standard methods. Splitting a conversation into its individual utterances makes it possible to avoid this problem. However, with increased data sparsity, different methods need to be considered. Baseline bag-of-word topic modeling methods for regular and short-text, as well as topic modeling methods using transformer-based sentence embeddings were implemented. These models were evaluated on topic coherence and word embedding similarity. Each method was trained using single utterances, segments of the conversation, and on the full conversation. The results showed that utterance-level and segment-level data combined with sentence embedding methods performs better compared to other non-sentence embedding methods or conversation-level data. Among the sentence embedding methods, clustering using HDBScan showed the best performance. We suspect that ignoring noisy utterances is the reason for better topic coherence and a relatively large improvement in topic word similarity.","nl":"Gesprekken met lokaal contextuele onderwerpen leveren vaak incoherente resultaten op voor topicmodellering met behulp van standaardmethoden. Het opsplitsen van een gesprek in afzonderlijke uitingen maakt het mogelijk dit probleem te vermijden. Bij een toegenomen dataschaarste moeten echter andere methoden worden overwogen. Baseline bag-of-word topicmodelleringsmethoden voor reguliere en korte teksten, evenals topicmodelleringsmethoden met transformer-gebaseerde zinsinbeddingen, werden geïmplementeerd. Deze modellen werden geëvalueerd op topiccoherentie en woordinbeddingsovereenkomst. Elke methode werd getraind met behulp van enkele uitingen, segmenten van het gesprek en het volledige gesprek. De resultaten toonden aan dat data op uitingsniveau en segmentniveau, gecombineerd met zinsinbeddingsmethoden, beter presteert in vergelijking met andere niet-zinsinbeddingsmethoden of data op conversatieniveau. Van de zinsinbeddingsmethoden liet clustering met HDBScan de beste prestaties zien. We vermoeden dat het negeren van ruisende uitingen de reden is voor een betere topiccoherentie en een relatief grote verbetering in woordinbeddingsovereenkomst."},"keywords":{"en":["Topic modeling","Sentence embedding","Conversations","Mental health","Bert"],"nl":["Topic modeling","Zinsinbedding","Gesprekken","Mentale gezondheid","Bert"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"LGBTQ+ Suicide – A Call to Action for Researchers and Governments on the Politics, Practices, and Possibilities of LGBTQ+ Suicide Prevention","authors":"Hazel Marzetti, Charlie Cooper, Andre Mason, Nikki L. van Eijk, John Gunn III, Katerina Kavalidou, Tiago C. Zortea, and Emma Nielsen","affiliations":"University of Edinburgh, University of Melbourne, Monash University, 113 Zelfmoordpreventie, Gwynedd Mercy University, Univsity Collega Cork Ireland, University of Oxford, University of Nottingham","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Crisis","identifier":"https://doi.org/10.1027/0227-5910/a000950","link":"https://econtent.hogrefe.com/doi/10.1027/0227-5910/a000950","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["lgbtq"],"abstract":{"en":"LGBTQ+ individuals face disproportionately high rates of suicidal ideation and suicide attempts compared to their cisgender, heterosexual counterparts. While existing research highlights interpersonal discrimination and victimization as key factors, this editorial argues for a broader perspective that considers systemic and structural influences, including political and legislative changes. The authors call for suicide prevention efforts to integrate public health approaches, acknowledging the role of minority stress, socio-political climates, and legislative shifts that exacerbate mental health disparities. They advocate for improved data collection, intersectional research, and co-produced solutions with LGBTQ+ communities. Additionally, they emphasize the need for suicide prevention strategies that extend beyond individual-level interventions to address broader societal determinants. The editorial serves as a call to action for researchers, policymakers, and practitioners to recognize and combat regressive policies threatening LGBTQ+ rights and well-being, ensuring a more inclusive and effective approach to suicide prevention.","nl":"LHBTQ+-personen hebben een grotere kans op suïcidale gedachten en pogingen dan cisgender, heteroseksuele mensen. Vaak wordt dit verklaard door discriminatie en pesten, maar dit editorial laat zien dat ook wetten en politiek hier een grote rol in spelen. De auteurs roepen op om suïcidepreventie breder aan te pakken, niet alleen met hulp voor individuen, maar ook door te kijken naar de maatschappij als geheel. Ze pleiten voor beter onderzoek, meer samenwerking met LHBTQ+-gemeenschappen en het verzamelen van betere gegevens over suïcide onder LHBTQ+-personen. Ook benadrukken ze dat het belangrijk is om wetgeving die LHBTQ+-rechten beperkt tegen te gaan. Dit editorial is een oproep aan onderzoekers, beleidsmakers en hulpverleners om samen te werken aan een veilige en inclusieve samenleving waarin iedereen de juiste steun krijgt."},"keywords":{"en":["lhbtq","early career","policy"],"nl":["lhtbq","vroege carrière","beleid"]},"region":["nvt"],"type":["anders"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Gender—specific pathways in mental health crisis in adolescents, from consultation to (in)voluntary admission: a retroperspective study.","authors":"Linda Dil, Saskia Mérelle, Nick Lommerse, Jaap Peen, Pety So. Rien Van, Jeroen Zoeterman & Jack Dekker","affiliations":"VU Amsterdam, 113 Zelfmoordpreventie, Arkin, Center for Health Mental Healthcare,","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMC Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.1186/s12888-024-05680-9","link":"https://bmcpsychiatry.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12888-024-05680-9","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"Background\nA strong increase in mental health emergency consultations and admissions in youths has been reported in recent years. Although empirical evidence is lacking, gender differences in risk of admission may have contributed to this increase. A clearer understanding of the relationship, if any, between gender and various aspects of (in)voluntary care would help in more evidence-based service planning.\n\nMethods\nWe analysed registry data for 2008–2017 on 3770 outpatient emergencies involving young people aged 12 to 18 years from one urban area in the Netherlands, served by outreaching psychiatric emergency services. These adolescents were seen in multiple locations and received a psychosocial assessment including a questionnaire on the severity of their problems and living conditions. Our aims were to (a) investigate the different locations, previous use of mental health service, DSM classifications, severity items, living conditions and family characteristics involved and (b) identify which of these characteristics in particular contribute to an increased risk of admission.\n\nResults\nIn 3770 consultations (concerning 2670 individuals), more girls (58%) were seen than boys. Boys and girls presented mainly with relationship problems, followed by disruptive disorders and internalizing disorders. Diagnostic differences diminished in hospitalisation. More specifically, disruptive disorders were evenly distributed. Suicide risk was rated significantly higher in girls, danger to others significantly higher in boys. More girls than boys had recently been in mental health care prior to admission. Although boys and girls overall did not differ in the severity of their problems, female gender predicted admission more strongly. In both boys and girls severity of problems and lack of involvement of the family significantly predicted admission. Older age and danger to others significantly predicted admission among boys, whereas psychosis, suicidality and poor motivation for treatment predicted admission among girls.\n\nConclusion\nThere are different pathways for youth admission, which can partly be explained by different psychiatric classifications as well as gender-specific differences with regard to age, suicide risk, danger to others and the influence of motivation for treatment. Finally, for both genders, family desire for hospitalisation is also an important predictor.","nl":"Achtergrond\nDe afgelopen jaren is er een sterke toename gemeld in spoedconsultaties en opnames voor jongeren in de geestelijke gezondheidszorg. Hoewel empirisch bewijs ontbreekt, kunnen genderverschillen in het opnamerisico hebben bijgedragen aan deze toename. Een beter begrip van de eventuele relatie tussen gender en verschillende aspecten van (on)vrijwillige zorg zou bijdragen aan een meer evidence-based zorgplanning.\n\nMethoden\nWe analyseerden registratiegegevens voor 2008-2017 van 3770 poliklinische spoedgevallen met jongeren van 12 tot en met 18 jaar uit één stedelijk gebied in Nederland, bediend door outreachende psychiatrische spoedeisende hulp. Deze adolescenten werden op meerdere locaties gezien en kregen een psychosociale beoordeling, inclusief een vragenlijst over de ernst van hun problemen en leefomstandigheden. Onze doelen waren om (a) de verschillende locaties, het eerdere gebruik van geestelijke gezondheidszorg, DSM-classificaties, ernst-items, leefomstandigheden en gezinskenmerken te onderzoeken en (b) te identificeren welke van deze kenmerken met name bijdragen aan een verhoogd opnamerisico.\n\nResultaten\nIn 3770 consulten (betreffende 2670 personen) werden meer meisjes (58%) gezien dan jongens. Jongens en meisjes presenteerden zich voornamelijk met relatieproblemen, gevolgd door disruptieve stoornissen en internaliserende stoornissen. Diagnostische verschillen namen af ​​bij ziekenhuisopname. Meer specifiek waren disruptieve stoornissen gelijk verdeeld. Het risico op suïcide werd significant hoger ingeschat bij meisjes, gevaar voor anderen significant hoger bij jongens. Meer meisjes dan jongens waren recent in de geestelijke gezondheidszorg geweest vóór opname. Hoewel jongens en meisjes over het algemeen niet verschilden in de ernst van hun problemen, voorspelde het vrouwelijke geslacht opname sterker. Bij zowel jongens als meisjes voorspelden de ernst van de problemen en het gebrek aan betrokkenheid van het gezin opname significant. Hogere leeftijd en gevaar voor anderen voorspelden opname significant bij jongens, terwijl psychose, suïcidaliteit en slechte motivatie voor behandeling opname voorspelden bij meisjes.\n\nConclusie\nEr zijn verschillende opnametrajecten voor jongeren, die deels kunnen worden verklaard door verschillende psychiatrische classificaties en genderspecifieke verschillen in leeftijd, suïciderisico, gevaar voor anderen en de invloed van de motivatie voor behandeling. Tot slot is voor beide geslachten de wens van de familie om opgenomen te worden een belangrijke voorspeller."},"keywords":{"en":["Adolescents","Crisis","Predictors of hospitalisation","Emergency psychiatry","Gender differences"],"nl":["Adolescenten","Crisis","Voorspellers van ziekenhuisopname","Spoedeisende psychiatrie","Genderverschillen"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","nvt"],"age":["young"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suïcide door middel van zelfdodingspoeders: een trendonderzoek op basis van registraties van forensisch artsen.","authors":"Manon Ceelen, Dominique van Pelt, Karen van den Hondel & Lizanne Schweren","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, GGD Amsterdam","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"rapport","publicationJournal":null,"identifier":null,"link":"https://openresearch.amsterdam/nl/media/inline/2024/1/30/rapportage_zeldodingspoeders_januari_2024.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"Background: Figures on the number of people dying in the Netherlands as a result of the use\nof suicide powders (aka: agent X) and their characteristics are lacking to date.\nMethod: Based on the registration of forensic medical services in the Netherlands and data from the\nCentral Bureau of Statistics, an observational study was conducted on the number of deaths\ndue to suicide powders in the period January 1, 2015 to December 31, 2022. In total\nthis study used data from 23 of the 25 GGD regions in the Netherlands, with a national\ncoverage rate of 73% on average.\nResults: During the study period, based on autopsy reports prepared\nby forensic physicians, 172 suicides were identified in which suicide powders were used.\nAbout half were male (53%). The age group in which most suicides involved suicide powders\noccurred was 70+ years. The first suicides with suicide powders were observed in\n2017 and the highest number of suicides with suicide powders was in 2021 (n=50). From 2015\nto 2022, 1.7% of all suicides, and 7.3% of all auto-intoxications involved suicides with\nsuicide powders. Over these years, the proportion of suicides involving suicide powders\nincreased.\nConclusion: This is the first study to examine the numbers of suicides with suicide powders and the\nassociated characteristics of the individuals, in the vast majority of\nNetherlands. Suicide powder use increased between 2017 and 2022, with a preliminary\npeak in 2021. Further research is needed to monitor how the number of suicides with\nsuicide powders will evolve.\n\nTranslated with DeepL.com (free version)","nl":"Achtergrond: Cijfers over het aantal mensen dat in Nederland overlijdt ten gevolge van het gebruik\nvan suïcidespoeders (ook wel: middel X) en hun kenmerken ontbreken tot op heden.\nMethode: Op basis van de registratie van forensisch medische diensten in Nederland en data van het\nCentraal Bureau voor de Statistiek is een observationele studie verricht naar het aantal sterfgevallen\ndoor suïcidespoeders in de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2022. In totaal werden\nin dit onderzoek gegevens van 23 van de 25 GGD-regio’s in Nederland gebruikt, met een landelijke\ndekkingsgraad van gemiddeld 73%.\nResultaten: Gedurende de onderzoeksperiode zijn op basis van de lijkschouwverslagen opgesteld\ndoor forensisch artsen 172 suïcides geïdentificeerd waarbij suïcidespoeders werden gebruikt.\nOngeveer de helft was man (53%). De leeftijdsgroep waarin de meeste suïcides suïcidespoeders\nplaatsvonden was 70+ jaar. De eerste suïcides met suïcidespoeders werden geobserveerd in\n2017 en het hoogste aantal suïcides met suïcidespoeders was in 2021 (n=50). In de periode 2015\ntot en met 2022 betrof 1,7% van alle suïcides, en 7,3% van alle auto-intoxicaties een suïcide met\nsuïcidespoeders. In de loop van deze jaren werd het aandeel suïcides met suïcidespoeders\ngroter.\nConclusie: Dit is het eerste onderzoek waarbij de aantallen suïcides met suïcidespoeders en de\nbijbehorende karakteristieken van de individuen zijn onderzocht, in het overgrote deel van\nNederland. Tussen 2017 en 2022 nam het gebruik van suïcidespoeders toe, met een voorlopige\npiek in 2021. Verder onderzoek is nodig om te monitoren hoe het aantal suïcides met\nsuïcidespoeders zich zal ontwikkelen."},"keywords":{"en":["Suicide; substance X; completed life; self-poisoning"],"nl":["Suicide; middel X; voltooid leven; zelfvergiftiging"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Development of an implementation plan for a school-based multimodal approach for depression and suicide prevention in adolescents","authors":"Kristel Jenniskens, Sanne Rasing, Arne Popma, Daan Creemers, Chaimae Ghalit, Leonie van Vuuren, Saskia Merelle, Jan Spijker & Femke van Nassau","affiliations":"GGZ Oost-Brabant, 113 Zelfmoordpreventie, Radboud Universiteit, Amsterdam UMC, Pro Persona Nijmegen, Amsterdam Public Health Research Institute, Child and Adolescent Psychiatry & Psychosocial Care","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Public Health","identifier":"https://doi.org/10.3389/fpubh.2024.1386031","link":"https://www.frontiersin.org/journals/public-health/articles/10.3389/fpubh.2024.1386031/full","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief","youngadult"],"abstract":{"en":"Strong Teens and Resilient Minds (STORM) is a multimodal, school-based approach for depression and suicide prevention in adolescents that is currently implemented in a region in the Netherlands. The STORM approach will be implemented in new regions in the coming years. This study used the implementation mapping protocol to report on the development of the STORM implementation plan. First, a needs assessment was conducted through semi-structured interviews with stakeholders and brainstorming sessions with regional programme leaders in the two regions that started implementing STORM in 2023. This led to the identification of six main barriers to implementation: high level of demands for schools, insufficient understanding of the programme content, insufficient network collaboration, no perceived relative advantage of STORM by stakeholders, lack of attention to sustainability, and high work pressure. Second, performance and change objectives were formulated based on these barriers. For example, a performance objective for potential providers was that they felt supported by STORM. Third, implementation strategies were selected from theory and translated into practical applications through brainstorming sessions with programme leaders. The following strategies were included in the implementation plan: collaborate with similar initiatives within the region, free up time for STORM tasks, tailor strategies, identify and prepare STORM champions, and promote network weaving. Last, a plan to evaluate the implementation of STORM and the application of the STORM implementation plan was formulated. Planned evaluation research will provide more insight into the usefulness and impact of the STORM implementation plan.","nl":"Strong Teens and Resilient Minds (STORM) is een multimodale, schoolgebaseerde aanpak voor depressie- en suïcidepreventie bij adolescenten die momenteel in een regio in Nederland wordt geïmplementeerd. De STORM-aanpak zal de komende jaren in nieuwe regio's worden geïmplementeerd. In deze studie werd het implementatiemappingprotocol gebruikt om te rapporteren over de ontwikkeling van het STORM-implementatieplan. Ten eerste werd een behoefteanalyse uitgevoerd door middel van semi-gestructureerde interviews met stakeholders en brainstormsessies met regionale programmaleiders in de twee regio's die in 2023 met de implementatie van STORM zijn begonnen. Dit leidde tot de identificatie van zes belangrijke belemmeringen voor de implementatie: hoge eisen aan scholen, onvoldoende begrip van de programma-inhoud, onvoldoende samenwerking in het netwerk, geen waargenomen relatief voordeel van STORM door stakeholders, gebrek aan aandacht voor duurzaamheid en hoge werkdruk. Ten tweede werden prestatie- en veranderdoelstellingen geformuleerd op basis van deze belemmeringen. Een prestatiedoelstelling voor potentiële aanbieders was bijvoorbeeld dat zij zich gesteund voelden door STORM. Ten derde werden implementatiestrategieën geselecteerd op basis van theorie en vertaald naar praktische toepassingen door middel van brainstormsessies met programmaleiders. De volgende strategieën werden opgenomen in het implementatieplan: samenwerken met vergelijkbare initiatieven in de regio, tijd vrijmaken voor STORM-taken, strategieën op maat maken, STORM-voorvechters identificeren en voorbereiden, en netwerkvorming bevorderen. Ten slotte werd een plan opgesteld om de implementatie van STORM en de toepassing van het STORM-implementatieplan te evalueren. Gepland evaluatieonderzoek zal meer inzicht geven in het nut en de impact van het STORM-implementatieplan."},"keywords":{"en":["implementation mapping","implementation","adolescents","prevention","depression","suicide"],"nl":["implementation mapping","implementation","adolescents","prevention","depression","suicide"]},"region":["nationaal"],"type":["implementatie","kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Monitoring Suicidal Behaviour in Dutch Youth Mental Healthcare: A Modified Delphi Approach","authors":"Milou Looijmans, Saskia Mérelle, Diana van Bergen, Marjolein Verbeek, Kelly Boogert, Ane Popma & Renske Gilissen","affiliations":"Amsterdam UMC, 113 Zelfmoordpreventie, Universiteit Groningen","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Child & Youth Services","identifier":"https://doi.org/10.1080/0145935X.2024.2355574","link":"https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/0145935X.2024.2355574","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"The monitoring of suicide-related indicators in youth mental healthcare is important in improving healthcare related suicide prevention. The aim of this study is to develop item-s to be included in a yet-to-be-implemented suicide-related monitoring system in youth mental healthcare in the Netherlands. A modified Delphi approach was used to achieve consensus among healthcare professionals, peer specialists and parents on suicide-related indicators and their definitions. Participants in the Delphi rounds were able to identify nine suicide-related indicators that are relevant when monitoring the quality of care delivered to people with suicidality in youth mental healthcare. The next step is to implement the monitoring in youth mental healthcare and, ultimately, reduce suicidal behavior.","nl":"Het monitoren van suïcide-gerelateerde indicatoren in de jeugd GGZ is belangrijk voor het verbeteren van zorggerelateerde suïcidepreventie. Het doel van deze studie is om items te ontwikkelen die opgenomen kunnen worden in een nog te implementeren suïcide-gerelateerd monitoringsysteem in de jeugd GGZ in Nederland. Een aangepaste Delphi-benadering werd gebruikt om consensus te bereiken onder zorgprofessionals, peerspecialisten en ouders over suïcide-gerelateerde indicatoren en hun definities. Deelnemers aan de Delphi-rondes waren in staat om negen suïcide-gerelateerde indicatoren te identificeren die relevant zijn bij het monitoren van de kwaliteit van zorg die geleverd wordt aan mensen met suïcidaliteit in de jeugd GGZ. De volgende stap is het implementeren van de monitoring in de jeugd-GGZ en uiteindelijk het verminderen van suïcidaal gedrag.\n\nVertaald met DeepL.com (gratis versie)"},"keywords":{"en":["suicide","youth","mental health care","monitoring","delphi"],"nl":["suïcide","jeugd","geestelijke gezondheidszorg","monitoring","delphi"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Case Report: Treatment policy for female adolescents in the grip of chronic suicidality.","authors":"Van De Koppel, M., Mérelle, S., Stikkelbroek, Y., Van Der Heijden, P., Spijker, J., Popma, A., & Creemers, D.","affiliations":"GGZ Oost-Brabant, 113 Zelfmoordpreventie, Universiteit Utrecht, Mental Health Care Institution 's-Hertogenbosch, Mental Health Care Institution 's-Hertogenbosch Nijmegen, Radboud Universiteit, Amsterdam UMC, NVvp","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Child and Adolescent Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.3389/frcha.2024.1384439","link":"https://www.frontiersin.org/journals/child-and-adolescent-psychiatry/articles/10.3389/frcha.2024.1384439/full?utm_source=Email_to_authors_&utm_medium=Email&utm_content=T1_11.5e1_author&utm_campaign=Email_publication&field&journalName=Frontiers_in_Child_and_Adolescent_Psychiatry&id=1384439","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"Introduction: Within the Dutch clinical field of specialized mental health care for youth, an increasing subgroup of female adolescents with severe chronic suicidal behavior is recognized. This group was also identified in a Dutch psychological autopsy study among 35 relatives of adolescents (aged 10–19 years old) who died by suicide. There seems to be a lack of knowledge and consensus how to treat this severe chronic suicidal behavior, resulting in stagnation of care and growing demoralization among patients, parents, and mental health care providers. The aim of this paper is to describe characteristics of the suicidal process, to identify challenges experienced in providing mental health care for this subgroup, and to formulate preliminary recommendations.\n\nMethod: A case description from the psychological autopsy study and a review of the relevant literature.\n\nResults: The persistent suicidal threat and the resulting despair of the patient and their parents are forcing the mental health care provider into an impasse: the primary focus of treatment slowly moves to guarantee the patient's safety, which leaves the treatment of underlying problems underexposed. Due to the chronicity of the suicidal ideation and behavior in a phase in which identity formation and developing cognitive and emotional regulation skills are important developmental tasks, we identify a risk of developing a suicidal identity.\n\nDiscussion: Based on expert knowledge, we make recommendations on (1) treating suicidality as a transdiagnostic phenomenon with its own meaning and function, (2) implementing treatment considerations promoting the autonomy, (3) aiming at continuity of care and prevention of repeated patient referrals by creating a multidisciplinary network of care providers, and (4) making chronic suicidality tolerable for the care provider.\n\nConclusion: We propose preliminary practical recommendations in our quest for optimal mental health care for chronically suicidal adolescents.","nl":"Inleiding: Binnen de Nederlandse klinische specialistische geestelijke gezondheidszorg voor jongeren wordt een groeiende subgroep van vrouwelijke adolescenten met ernstig chronisch suïcidaal gedrag herkend. Deze groep werd ook geïdentificeerd in een Nederlandse psychologische autopsiestudie onder 35 familieleden van adolescenten (van 10 tot 19 jaar) die door suïcide zijn overleden. Er lijkt een gebrek aan kennis en consensus te zijn over de behandeling van dit ernstige chronisch suïcidale gedrag, wat resulteert in stagnatie van de zorg en toenemende demotivatie bij patiënten, ouders en zorgverleners in de geestelijke gezondheidszorg. Het doel van dit artikel is om de kenmerken van het suïcidale proces te beschrijven, de uitdagingen te identificeren die worden ervaren bij het verlenen van geestelijke gezondheidszorg aan deze subgroep en om voorlopige aanbevelingen te formuleren.\n\nMethode: Een casusbeschrijving uit het psychologisch autopsieonderzoek en een overzicht van de relevante literatuur.\n\nResultaten: De aanhoudende suïcidale dreiging en de daaruit voortvloeiende wanhoop van de patiënt en diens ouders dwingen de geestelijke gezondheidszorgverlener in een impasse: de primaire focus van de behandeling verschuift langzaam naar het garanderen van de veiligheid van de patiënt, waardoor de behandeling van onderliggende problemen onderbelicht blijft. Vanwege het chronische karakter van de suïcidale gedachten en het suïcidale gedrag in een fase waarin identiteitsvorming en het ontwikkelen van cognitieve en emotionele regulatievaardigheden belangrijke ontwikkelingstaken zijn, signaleren we een risico op het ontwikkelen van een suïcidale identiteit.\n\nDiscussie: Op basis van deskundige kennis doen wij aanbevelingen over (1) het behandelen van suïcidaliteit als een transdiagnostisch fenomeen met een eigen betekenis en functie, (2) het implementeren van behandelingsoverwegingen die de autonomie bevorderen, (3) het streven naar continuïteit van zorg en het voorkomen van herhaaldelijke verwijzingen van patiënten door het creëren van een multidisciplinair netwerk van zorgverleners, en (4) het draaglijk maken van chronische suïcidaliteit voor de zorgverlener.\n\nConclusie: Wij stellen voorlopige praktische aanbevelingen voor in onze zoektocht naar optimale geestelijke gezondheidszorg voor chronisch suïcidale adolescenten."},"keywords":{"en":["chronic suicidality","adolescence","youth mental health care","suicidal behavior","case description","guidelines"],"nl":["chronische suïcidaliteit","adolescentie","jeugdpsychiatrische zorg","suïcidaal gedrag","casusbeschrijving","richtlijnen"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["young"],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Breaking Down Barriers to a Suicide Prevention Helpline: Web-Based Randomized Controlled Trial","authors":"Margot CA van der Burgt, Saskia Mérelle, Willem-Paul Brinkman, Aartjan TF Beekman & Renske Gilissen","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, Amsterdam UMC, TU Delft","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"JWIR Mental Health","identifier":"https://doi.org/10.2196/56396","link":"https://mental.jmir.org/2024/1/e56396","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Background: Every month, around 3800 people complete an anonymous self-test for suicidal thoughts on the website of the Dutch suicide prevention helpline. Although 70% score high on the severity of suicidal thoughts, <10% navigate to the web page about contacting the helpline.\n\nObjective: This study aimed to test the effectiveness of a brief barrier reduction intervention (BRI) in motivating people with severe suicidal thoughts to contact the suicide prevention helpline, specifically in high-risk groups such as men and middle-aged people.\n\nMethods: We conducted a fully automated, web-based, randomized controlled trial. Respondents with severe suicidal thoughts and little motivation to contact the helpline were randomly allocated either to a brief BRI, in which they received a short, tailored message based on their self-reported barrier to the helpline (n=610), or a general advisory text (care as usual as the control group: n=612). Effectiveness was evaluated using both behavioral and attitudinal measurements. The primary outcome measure was the use of a direct link to contact the helpline after completing the intervention or control condition. Secondary outcomes were the self-reported likelihood of contacting the helpline and satisfaction with the received self-test.\n\nResults: In total, 2124 website visitors completed the Suicidal Ideation Attributes Scale and the demographic questions in the entry screening questionnaire. Among them, 1222 were randomized into the intervention or control group. Eventually, 772 respondents completed the randomized controlled trial (intervention group: n=369; control group: n=403). The most selected barrier in both groups was \"I don't think that my problems are serious enough.\" At the end of the trial, 33.1% (n=122) of the respondents in the intervention group used the direct link to the helpline. This was not significantly different from the respondents in the control group (144/403, 35.7%; odds ratio 0.87, 95% CI 0.64-1.18, P=.38). However, the respondents who received the BRI did score higher on their self-reported likelihood of contacting the helpline at a later point in time (B=0.22, 95% CI 0.12-0.32, P≤.001) and on satisfaction with the self-test (B=0.27, 95% CI 0.01-0.53, P=.04). For male and middle-aged respondents specifically, the results were comparable to that of the whole group.\n\nConclusions: This trial was the first time the helpline was able to connect with high-risk website visitors who were hesitant to contact the helpline. Although the BRI could not ensure that those respondents immediately used the direct link to the helpline at the end of the trial, it is encouraging that respondents indicated that they were more likely to contact the helpline at a later point in time. In addition, this low-cost intervention provided greater insight into the perceived barriers to service. Follow-up research should be focused on identifying the added value of other components (eg, video or photo material) in the BRI and increasing its effectiveness, especially for men and middle-aged people.","nl":"Achtergrond:\nMaandelijks vullen zo'n 3800 mensen een anonieme zelftest in voor suïcidale gedachten op de website van de Nederlandse Hulplijn suïcidepreventie. Hoewel 70% hoog scoort op de ernst van de suïcidale gedachten, gaat <10% naar de webpagina over contact opnemen met de hulplijn.\n\nObjectief:\nDeze studie had als doel de effectiviteit van een kortdurende interventie ter vermindering van de barrièrewerking (BRI) te testen om mensen met ernstige suïcidale gedachten te motiveren contact op te nemen met de hulplijn voor suïcidepreventie. Dit geldt met name voor groepen met een hoog risico, zoals mannen en mensen van middelbare leeftijd.\n\nMethoden:\nWe voerden een volledig geautomatiseerde, webgebaseerde, gerandomiseerde, gecontroleerde studie uit. Respondenten met ernstige suïcidale gedachten en weinig motivatie om contact op te nemen met de hulplijn werden willekeurig toegewezen aan een korte BRI, waarin ze een korte, op maat gemaakte boodschap ontvingen op basis van hun zelfgerapporteerde drempel om de hulplijn te gebruiken (n=610), of een algemene adviserende tekst (care as usual, net als de controlegroep: n=612). De effectiviteit werd geëvalueerd met behulp van zowel gedrags- als attitudemetingen. De primaire uitkomstmaat was het gebruik van een directe link om contact op te nemen met de hulplijn na het voltooien van de interventie of controlegroep. Secundaire uitkomstmaten waren de zelfgerapporteerde waarschijnlijkheid om contact op te nemen met de hulplijn en de tevredenheid met de ontvangen zelftest.\n\nResultaten:\nIn totaal vulden 2124 websitebezoekers de Suicidal Ideation Attributes Scale en de demografische vragen in de screeningvragenlijst in. Van hen werden 1222 gerandomiseerd naar de interventie- of controlegroep. Uiteindelijk voltooiden 772 respondenten het gerandomiseerde gecontroleerde onderzoek (interventiegroep: n=369; controlegroep: n=403). De meest gekozen barrière in beide groepen was \"Ik denk niet dat mijn problemen ernstig genoeg zijn.\" Aan het einde van het onderzoek gebruikte 33,1% (n=122) van de respondenten in de interventiegroep de directe link naar de hulplijn. Dit verschilde niet significant van de respondenten in de controlegroep (144/403, 35,7%; odds ratio 0,87, 95% BI 0,64-1,18, P = 0,38). Respondenten die de BRI ontvingen, scoorden echter wel hoger op hun zelfgerapporteerde waarschijnlijkheid om later contact op te nemen met de hulplijn (B = 0,22, 95% BI 0,12-0,32, p ≤ 0,001) en op tevredenheid met de zelftest (B = 0,27, 95% BI 0,01-0,53, p = 0,04). Specifiek voor mannelijke respondenten en respondenten van middelbare leeftijd waren de resultaten vergelijkbaar met die van de gehele groep.\n\nConclusies:\nIn deze proef kon de hulplijn voor het eerst contact leggen met websitebezoekers met een hoog risico die aarzelden om contact op te nemen met de hulplijn. Hoewel het BRI niet kon garanderen dat deze respondenten aan het einde van de proef direct de directe link naar de hulplijn gebruikten, is het bemoedigend dat respondenten aangaven dat ze later vaker contact opnamen met de hulplijn. Bovendien gaf deze goedkope interventie meer inzicht in de ervaren belemmeringen voor dienstverlening. Vervolgonderzoek zou zich moeten richten op het identificeren van de toegevoegde waarde van andere componenten (bijvoorbeeld video- of fotomateriaal) in het BRI en het vergroten van de effectiviteit ervan, met name voor mannen en mensen van middelbare leeftijd."},"keywords":{"en":["middle-aged; RCT; attitudinal; barrier reduction intervention; behavioral; effectiveness; help-seeking; men; prevention; randomized controlled trial; self-help; self-test; suicidal ideation; suicide; suicide prevention; suicide prevention helpline; website; website visitor; website visitors."],"nl":["middelbare leeftijd; RCT; houding; interventie om barrières te verminderen; gedragsmatig; effectiviteit; hulp zoeken; mannen; preventie; gerandomiseerde gecontroleerde studie; zelfhulp; zelftest; suïcidale gedachten; suïcide; suïcidepreventie; hulplijn voor suïcidepreventie; website; websitebezoeker; websitebezoekers."]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Understanding the needs and perspectives of young adults with recent suicidal ideation: insights for suicide prevention","authors":"Looijmans M, Elzinga E, Popma A, Van Bergen D. D, Gilissen R, & Mérelle S","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, Amsterdam UMC, Universiteit Groningen","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Child and Adolescent Psychiatry","identifier":"doi: 10.3389/frcha.2024.1376872","link":"https://www.frontiersin.org/journals/child-and-adolescent-psychiatry/articles/10.3389/frcha.2024.1376872/full","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"Introduction: Suicide rates among adolescents and young people are increasing, especially in Western countries. Suicidal ideation often precedes suicide attempts and suicide. Yet, research involving individuals with lived experience in suicide prevention, especially among young adults, remains scarce. Understanding their needs is crucial for effective interventions. This qualitative study aims to explore the needs and perspectives of young adults with lived experience to provide tailored recommendations for suicide prevention. Methods: Semi-structured interviews were carried out with 19 young adults who had experienced suicidal ideation within the past two years. Open-ended questions addressed the needs for help and support regarding suicide prevention. Data was thematically analyzed and, through an iterative process involving discussion among all authors, categorized into six themes. Results: The results indicated needs around more openness and understanding of suicide among the general public, advocating mental health education starting from a young age, reducing barriers in mental health care such as long waiting lists and enhancing informal support systems by facilitating online and offline peer connections. Participants also highlighted contemporary concerns such as social welfare, academic pressure, and social media as significant needs in the current time. Conclusion: This study highlights the necessity for comprehensive suicide prevention approaches catering to the diverse needs of young adults with recent suicidal ideation. It highlights the urgency of societal awareness, early mental health education, and improved access to services. Informal support networks and addressing societal stressors are also deemed crucial. Structural changes are urged to create supportive environments.","nl":"Introductie: De suïcidecijfers onder adolescenten en jongvolwassenen nemen toe, vooral in westerse landen. Suïcidale gedachten gaan vaak vooraf aan suïcidepogingen en suïcide. Toch is onderzoek waarin ervaringsdeskundigen betrokken worden bij suïcidepreventie, met name onder jongvolwassenen, schaars. Inzicht in hun behoeften is cruciaal voor effectieve interventies. Deze kwalitatieve studie heeft als doel de behoeften en perspectieven van jongvolwassenen met ervaringskennis te verkennen en op basis daarvan gerichte aanbevelingen voor suïcidepreventie te formuleren.\n\nMethode: Er zijn semigestructureerde interviews afgenomen met 19 jongvolwassenen die in de afgelopen twee jaar suïcidale gedachten hebben ervaren. Met open vragen werd ingegaan op hun behoeften op het gebied van hulp en ondersteuning bij suïcidepreventie. De gegevens zijn thematisch geanalyseerd en in een iteratief proces, via overleg tussen alle auteurs, gecategoriseerd in zes thema’s.\n\nResultaten: De resultaten tonen aan dat er behoefte is aan meer openheid en begrip over suïcide in de samenleving, pleiten voor mentale gezondheidseducatie vanaf jonge leeftijd, het verminderen van barrières in de geestelijke gezondheidszorg zoals lange wachtlijsten, en het versterken van informele ondersteuningssystemen door online en offline contact met peers te faciliteren. Daarnaast benoemden deelnemers hedendaagse uitdagingen zoals sociale zekerheid, academische druk en sociale media als belangrijke aandachtspunten.\n\nConclusie: Deze studie onderstreept de noodzaak van een integrale aanpak van suïcidepreventie die aansluit bij de uiteenlopende behoeften van jongvolwassenen met recente suïcidale gedachten. De urgentie van maatschappelijke bewustwording, vroege mentale gezondheidseducatie en betere toegang tot hulpverlening wordt benadrukt. Ook informele steunnetwerken en het aanpakken van maatschappelijke stressfactoren worden als essentieel beschouwd. Structurele veranderingen zijn nodig om ondersteunende omgevingen te creëren."},"keywords":{"en":["suicide prevention","young adults","needs","perspectives","suicidal ideation (SI)"],"nl":["suïcidepreventie","jongvolwassenen","behoeften","perspectieven","suïcidale gedachten"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":["young"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Automated Behavioral Coding to Enhance the Effectiveness of Motivational Interviewing in a Chat-Based Suicide Prevention Helpline: Secondary Analysis of a Clinical Trial.","authors":"Pellemans, M., Salmi, S., Mérelle, S., Janssen, W., & van der Mei, R.","affiliations":"VU Amsterdam, 113 Zelfmoordpreventie, CWI, Amterdam UMC","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"JMIR Mental Health","identifier":"https://doi.org/10.2196/53562","link":"https://www.jmir.org/2024/1/e53562","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Background: With the rise of computer science and artificial intelligence, analyzing large data sets promises enormous potential in gaining insights for developing and improving evidence-based health interventions. One such intervention is the counseling strategy motivational interviewing (MI), which has been found effective in improving a wide range of health-related behaviors. Despite the simplicity of its principles, MI can be a challenging skill to learn and requires expertise to apply effectively.\n\nObjective: This study aims to investigate the performance of artificial intelligence models in classifying MI behavior and explore the feasibility of using these models in online helplines for mental health as an automated support tool for counselors in clinical practice.\n\nMethods: We used a coded data set of 253 MI counseling chat sessions from the 113 Suicide Prevention helpline. With 23,982 messages coded with the MI Sequential Code for Observing Process Exchanges codebook, we trained and evaluated 4 machine learning models and 1 deep learning model to classify client- and counselor MI behavior based on language use.\n\nResults: The deep learning model BERTje outperformed all machine learning models, accurately predicting counselor behavior (accuracy=0.72, area under the curve [AUC]=0.95, Cohen κ=0.69). It differentiated MI congruent and incongruent counselor behavior (AUC=0.92, κ=0.65) and evocative and nonevocative language (AUC=0.92, κ=0.66). For client behavior, the model achieved an accuracy of 0.70 (AUC=0.89, κ=0.55). The model's interpretable predictions discerned client change talk and sustain talk, counselor affirmations, and reflection types, facilitating valuable counselor feedback.\n\nConclusions: The results of this study demonstrate that artificial intelligence techniques can accurately classify MI behavior, indicating their potential as a valuable tool for enhancing MI proficiency in online helplines for mental health. Provided that the data set size is sufficiently large with enough training samples for each behavioral code, these methods can be trained and applied to other domains and languages, offering a scalable and cost-effective way to evaluate MI adherence, accelerate behavioral coding, and provide therapists with personalized, quick, and objective feedback.","nl":"Achtergrond: Met de opkomst van informatica en kunstmatige intelligentie, belooft het analyseren van grote datasets enorme mogelijkheden voor het verkrijgen van inzichten voor het ontwikkelen en verbeteren van evidence-based gezondheidsinterventies. Eén zo'n interventie is de counselingstrategie motivational interviewing (MI), die effectief is gebleken in het verbeteren van een groot aantal gezondheidsgerelateerde gedragingen. Ondanks de eenvoud van de principes, kan MI een uitdagende vaardigheid zijn om te leren en vereist het expertise om effectief toe te passen.\n\nDoelstelling: Deze studie onderzoekt de prestaties van kunstmatige intelligentiemodellen bij het classificeren van MI-gedrag en onderzoekt de haalbaarheid van het gebruik van deze modellen in online hulplijnen voor geestelijke gezondheid als een geautomatiseerd ondersteuningsinstrument voor counselors in de klinische praktijk.\n\nMethoden: We gebruikten een gecodeerde dataset van 253 MI counseling chatsessies van de 113 suïcidepreventie hulplijn. Met 23.982 berichten gecodeerd met het MI Sequential Code for Observing Process Exchanges codeboek, trainden en evalueerden we 4 machine learning modellen en 1 deep learning model om MI-gedrag van cliënten en hulpverleners te classificeren op basis van taalgebruik.\n\nResultaten: Het deep learning model BERTje presteerde beter dan alle machine learning modellen en voorspelde nauwkeurig het gedrag van de begeleider (nauwkeurigheid=0,72, gebied onder de curve [AUC]=0,95, Cohen κ=0,69). Het onderscheidde MI congruent en incongruent counselor gedrag (AUC=0,92, κ=0,65) en evocatief en niet-vocatief taalgebruik (AUC=0,92, κ=0,66). Voor het gedrag van de cliënt bereikte het model een nauwkeurigheid van 0,70 (AUC=0,89, κ=0,55). De interpreteerbare voorspellingen van het model onderscheidden veranderingspraat en steunpraat van de cliënt, bevestigingen van de begeleider en reflectietypen, wat waardevolle feedback van de begeleider mogelijk maakte.\n\nConclusies: De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat kunstmatige intelligentietechnieken MI-gedrag nauwkeurig kunnen classificeren, wat aangeeft dat ze een waardevol hulpmiddel kunnen zijn voor het verbeteren van MI-vaardigheden in online hulplijnen voor geestelijke gezondheid. Op voorwaarde dat de dataset groot genoeg is met voldoende trainingssamples voor elke gedragscode, kunnen deze methoden worden getraind en toegepast op andere domeinen en talen. Dit biedt een schaalbare en kosteneffectieve manier om de naleving van de MI te evalueren, gedragscodering te versnellen en therapeuten te voorzien van gepersonaliseerde, snelle en objectieve feedback."},"keywords":{"en":["artificial intelligence; behavioral coding; counseling; effectiveness; mental health; motivational interviewing; online help; suicide prevention; support tool."],"nl":["kunstmatige intelligentie; gedragscodering; counseling; effectiviteit; geestelijke gezondheid; motiverende gespreksvoering; online hulp; suïcidepreventie; ondersteuningstool."]},"region":["nationaal"],"type":["obs","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The Most Effective Interventions for Classification Model Development to Predict Chat Outcomes Based on the Conversation Content in Online Suicide Prevention Chats: Machine Learning Approach.","authors":"Salim Salmi, Saskia Mérelle, Renske Gilissen, Rob vander Meij @ Sandjai Bhulai","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, CWI, VU Amsterdam","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"JMIR Mental Health","identifier":"https://doi.org/10.2196/57362","link":"https://mental.jmir.org/2024/1/e57362","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Background: To provide optimal care in a suicide prevention helpline, it is important to know what contributes to positive or negative effects on help seekers. Helplines can often be contacted through chat services, which produce large amounts of text data, to use in large-scale analysis.\n\nObjective:\n\nWe trained a machine learning classification model and identify which counsellor utterances have the most impact on its outputs.\n\nMethods:\n\nFrom August 2021 until January 2023, help seekers (N=6903) scored themselves on factors known to be associated with suicidality (like hopelessness, feeling entrapped, will to live, etc) before and after a chat conversation of the suicide prevention helpline in the Netherlands (113 Suicide Prevention). Machine learning text analysis was used to predict help seeker scores on these factors. The model was interpreted, to show which messages of the helpers in a conversation contributed to the prediction.\n\nResults:\n\nAccording to the machine learning model, positive affirmations and expressing involvement of helpers contributed to improved scores of help seekers. Use of macros and ending the conversation prematurely, due to the help seeker being in an unsafe situation, had negative effects on help seekers.\n\nConclusions:\n\nThis study reveals insights for improving helpline conversations, emphasizing the value of an evocative style with questions, positive affirmations, and practical advice. It also underscores the potential of machine learning in helpline analysis.","nl":"Achtergrond: Om optimale zorg te kunnen bieden in een hulplijn voor suïcidepreventie is het belangrijk om te weten wat bijdraagt aan positieve of negatieve effecten op hulpzoekers. Hulplijnen kunnen vaak gecontacteerd worden via chatdiensten, die grote hoeveelheden tekstgegevens produceren, die gebruikt kunnen worden in grootschalige analyses.\n\nDoelstelling:\n\nWe hebben een machine learning classificatiemodel getraind en vastgesteld welke uitingen van hulpverleners de meeste impact hebben op de uitkomsten.\n\nMethoden:\n\nVan augustus 2021 tot januari 2023 scoorden hulpvragers (N=6903) zichzelf op factoren waarvan bekend is dat ze geassocieerd zijn met suïcidaliteit (zoals hopeloosheid, zich ingesloten voelen, wil om te leven, etc) voor en na een chatgesprek van de suïcidepreventie hulplijn in Nederland (113 suïcidepreventie). Machine learning tekstanalyse werd gebruikt om scores van hulpzoekers op deze factoren te voorspellen. Het model werd geïnterpreteerd om te laten zien welke berichten van de helpers in een gesprek bijdroegen aan de voorspelling.\n\nResultaten:\n\nVolgens het machine learning model droegen positieve affirmaties en het uiten van betrokkenheid van helpers bij aan verbeterde scores van hulpzoekers. Het gebruik van macro's en het voortijdig beëindigen van het gesprek omdat de hulpvrager zich in een onveilige situatie bevond, hadden negatieve effecten op hulpvragers.\n\nConclusies:\n\nDeze studie onthult inzichten voor het verbeteren van hulplijngesprekken, en benadrukt de waarde van een suggestieve stijl met vragen, positieve affirmaties en praktisch advies. Het onderstreept ook het potentieel van machine learning in de analyse van hulplijnen."},"keywords":{"en":["Classification; Interpretable AI; Conversations; Suicide prevention; BERT"],"nl":["Classificatie; Interpreteerbare AI; Gesprekken; Suïcidepreventie; BERT"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt"]}},{"title":"Exploring the interplay of clinical, ethical and societal dynamics: two decades of Medical Assistance in Dying (MAID) on psychiatric grounds in the Netherlands and Belgium.","authors":"Verhofstadt, Marijnissen, Creemers, Rasing, Schweren, Sterckx,  Titeca, van Veen, Pronk","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, Ghent University, UMCG Groningen, GGZ Oost Brabant, General Hospital Groeninge, Radboud University, Radboud UMC","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.3389/fpsyt.2024.1463813","link":"https://www.frontiersin.org/journals/psychiatry/articles/10.3389/fpsyt.2024.1463813/full","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"This paper explores recently emerging challenges in Medical Assistance in Dying on Psychiatric Grounds (MAID-PG), focusing on ethical, clinical, and societal perspectives. Two themes are explored. First, the growing number of young MAID-PG requestors and the public platform given to MAID-PG requests. Ethically, media portrayal, particularly of young patients’ testimonials, requires scrutiny for oversimplification, acknowledging the potential for a Werther effect alongside the absence of a Papageno effect. This highlights the need for better communication policies for media purposes. Second, cautionary considerations regarding psychiatric care adequacy are addressed. In MAID-PG this includes reasons underlying psychiatrist reluctance to engage in MAID-PG trajectories, leading to growing waiting lists at end-of-life-care centers. Addressing current shortages in psychiatric care adequacy is crucial, necessitating less narrow focus on short-term care trajectories and recovery beside transdiagnostic treatment approaches, expanded palliative care strategies, and integrated MAID-PG care.","nl":"Dit artikel verkent de recente uitdagingen op het gebied van medische stervensbegeleiding op psychiatrische gronden (MAID-PG), met de nadruk op ethische, klinische en maatschappelijke perspectieven. Twee thema's worden onderzocht. Ten eerste, het groeiende aantal jonge aanvragers van MAID-PG en het publieke platform dat wordt gegeven aan MAID-PG verzoeken. Ethisch gezien moet de mediaportrettering, vooral van getuigenissen van jonge patiënten, kritisch worden bekeken op oversimplificatie, waarbij de mogelijkheid van een Werther-effect naast de afwezigheid van een Papageno-effect wordt erkend. Dit benadrukt de noodzaak van een beter communicatiebeleid voor mediadoeleinden. Ten tweede worden voorzichtige overwegingen met betrekking tot de toereikendheid van psychiatrische zorg besproken. Bij MAID-PG omvat dit redenen die ten grondslag liggen aan de terughoudendheid van psychiaters om MAID-PG trajecten in te zetten, wat leidt tot groeiende wachtlijsten bij centra voor zorg aan het levenseinde. Het aanpakken van de huidige tekorten in de toereikendheid van psychiatrische zorg is cruciaal en vereist een minder enge focus op kortdurende zorgtrajecten en herstel naast transdiagnostische behandelbenaderingen, uitgebreide palliatieve zorgstrategieën en geïntegreerde MAID-PG zorg."},"keywords":{"en":["suicide; end-of-life; medical aid in dying"],"nl":["suïcide; einde van het leven; medische hulp bij sterven"]},"region":["nvt"],"type":["anders"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicidal Ideation and Suicide Attempts After Direct or Indirect Psychotherapy: A Systematic Review and Meta-Analysis.","authors":"van Ballegooijen, Rawee, Palantza, Miguel, Harrer, Christea, de Winter, Gilissen, Eikelenboom, Beekman, Cuipers","affiliations":"Amsterdam UMC, VU, 113, University of Bristol, Technical University of Munich, University of Padova, GGZ Rivierduinen, Maastricht University","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"JAMA Psychiatry","identifier":"https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/39320902/","link":"https://jamanetwork.com/journals/jamapsychiatry/article-abstract/2824096","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Importance  Suicidal ideation and suicide attempts are debilitating mental health problems that are often treated with indirect psychotherapy (ie, psychotherapy that focuses on other mental health problems, such as depression or personality disorders). The effects of direct and indirect psychotherapy on suicidal ideation have not yet been examined in a meta-analysis, and several trials have been published since a previous meta-analysis examined the effect size of direct and indirect psychotherapy on suicide attempts.\n\nObjective  To investigate the effect sizes of direct and indirect psychotherapy on suicidal ideation and the incidence of suicide attempts.\n\nData Sources  PubMed, Embase, PsycInfo, Web of Science, Scopus, and the Cochrane Central Register of Controlled Trials were searched for articles published up until April 1, 2023.\n\nStudy Selection  Randomized clinical trials of psychotherapy for any mental health problem, delivered in any setting, compared with any control group, and reporting suicidal ideation or suicide attempts were included. Studies measuring suicidal ideation with 1 item were excluded.\n\nData Extraction and Synthesis  PRISMA guidelines were followed. Summary data were extracted by 2 independent researchers and pooled using 3-level meta-analyses.\n\nMain Outcomes and Measures  Hedges g was pooled for suicidal ideation and relative risk (RR) was pooled for suicide attempts.\n\nResults  Of 15 006 studies identified, 147 comprising 193 comparisons and 11 001 participants were included. Direct and indirect psychotherapy conditions were associated with reduced suicidal ideation (direct: g, −0.39; 95% CI, −0.53 to −0.24; I2, 83.2; indirect: g, −0.30; 95% CI, −0.42 to −0.18; I2, 52.2). Direct and indirect psychotherapy conditions were also associated with reduced suicide attempts (direct: RR, 0.72; 95% CI, 0.62 to 0.84; I2, 40.5; indirect: RR, 0.68; 95% CI, 0.48 to 0.95; I2, 0). Sensitivity analyses largely confirmed these results.\n\nConclusions and Relevance  Direct and indirect interventions had similar effect sizes for reducing suicidal ideation and suicide attempts. Suicide prevention strategies could make greater use of indirect treatments to provide effective interventions for people who would not likely seek treatment for suicidal ideation or self-harm.","nl":"Suïcidale ideatie en suïcidepogingen zijn slopende psychische problemen die vaak worden behandeld met indirecte psychotherapie (d.w.z. psychotherapie die zich richt op andere psychische problemen, zoals depressie of persoonlijkheidsstoornissen). De effecten van directe en indirecte psychotherapie op suïcidale ideatie zijn nog niet onderzocht in een meta-analyse, en er zijn verschillende trials gepubliceerd sinds een eerdere meta-analyse de effectgrootte van directe en indirecte psychotherapie op suïcidepogingen onderzocht.\n\nDoelstelling Het onderzoeken van de effectgrootte van directe en indirecte psychotherapie op suïcidale ideatie en de incidentie van suïcidepogingen.\n\nGegevensbronnen PubMed, Embase, PsycInfo, Web of Science, Scopus en het Cochrane Central Register of Controlled Trials werden doorzocht op artikelen gepubliceerd tot 1 april 2023.\n\nStudieselectie Gerandomiseerde klinische onderzoeken naar psychotherapie voor elk psychisch gezondheidsprobleem, gegeven in elke setting, vergeleken met elke controlegroep, en die suïcidale ideatie of suïcidepogingen rapporteerden, werden geïncludeerd. Studies die suïcidale ideatie meten met 1 item werden uitgesloten.\n\nDe PRISMA-richtlijnen voor gegevensextractie en -synthese werden gevolgd. Samenvattende gegevens werden geëxtraheerd door 2 onafhankelijke onderzoekers en gepoold met behulp van 3-niveau meta-analyses.\n\nBelangrijkste uitkomsten en maatregelen Hedges g werd gepoold voor suïcidale ideatie en relatief risico (RR) werd gepoold voor suïcidepogingen.\n\nResultaten Van de 15.006 geïdentificeerde onderzoeken werden er 147 geïncludeerd die 193 vergelijkingen en 11.001 deelnemers omvatten. Directe en indirecte psychotherapiecondities waren geassocieerd met minder suïcidale ideatie (direct: g, -0,39; 95% CI, -0,53 tot -0,24; I2, 83,2; indirect: g, -0,30; 95% CI, -0,42 tot -0,18; I2, 52,2). Directe en indirecte psychotherapiecondities waren ook geassocieerd met minder suïcidepogingen (direct: RR, 0,72; 95% CI, 0,62 tot 0,84; I2, 40,5; indirect: RR, 0,68; 95% CI, 0,48 tot 0,95; I2, 0). Gevoeligheidsanalyses bevestigden deze resultaten grotendeels.\n\nConclusies en relevantie Directe en indirecte interventies hadden vergelijkbare effectgroottes voor het verminderen van suïcidale ideatie en suïcidepogingen. Suïcidepreventiestrategieën zouden meer gebruik kunnen maken van indirecte behandelingen om effectieve interventies te bieden aan mensen die waarschijnlijk geen behandeling zouden zoeken voor suïcidale gedachten of zelfbeschadiging."},"keywords":{"en":["suicide; psychotherapy"],"nl":["suïcide; psychotherapie"]},"region":["internationaal"],"type":["review","meta","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["any"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"The prevalence, course, and risk factors of suicidal ideation and suicide attempts among students in vocational education.","authors":"Looijmans M,   P. van Spreckselen, G. Berkelmans, A. Popma, D.D. van Bergen & R. Gilissen & Saskia Mérelle","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, Amsterdam UMC, UMCG Groningen","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Child and Adolescent Psychiatry and Mental Health","identifier":"https://doi.org/10.1186/s13034-024-00828-7","link":"https://capmh.biomedcentral.com/articles/10.1186/s13034-024-00828-7","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"Background: Worldwide, suicide is one of the leading causes of death among adolescents and young adults. Given that suicide in this age group is common within vocational students, this study aims to provide insights into the prevalence, course, and risk factors of suicidal ideation (SI) and suicide attempts (SA) among students in vocational education over the past 10 years.\n\nMethods\nThis study has a repeated cross-sectional design, utilizing data from 2013 to 2023 provided by the ‘Testjeleefstijl’ foundation in the Netherlands (‘Test Your Lifestyle’). In total, 101,182 students in vocational education completed a web-based standardized questionnaire. Univariate logistic regression was used to test the predictive value of risk factors separately (anxiety and depression, gender, age and school year) on SI and SA. In addition, a machine learning model (Berkelmans et al., 2023) ​was used for high-risk identification of combined risk factors (multivariate models).\n\nResults\nWithin vocational students, 12-month SI and SA prevalence increased from respectively 17.7% and 2.3% in schoolyear 2013–2014 to 23% and 3.2% in 2022–2023. Although female gender significantly predicted SI and SA in the univariate analyses, the multivariate models revealed that female gender decreased the likelihood of both SI (OR 0.9) and SA (OR 0.7). A high risk for anxiety and depression was the strongest predictor in the multivariate models for SI (OR 42.8) and SA (OR 19.0).\n\nConclusion\nOver the past decade, the prevalence of SI and SA increased in students in vocational education, with the risk of anxiety and depression being the strongest contributing factor. While females had a higher prevalence of anxiety and depression, the results suggest these conditions tend to lead to SI and SA more quickly among male students. Early intervention in suicide prevention is crucial, highlighting the need to identify and address anxiety and depression. Vocational education schools have a critical role in this, emphasizing early screening and intervention, with specific attention to gender-specific factors.","nl":"Achtergrond: suïcide is wereldwijd een van de belangrijkste doodsoorzaken onder adolescenten en jongvolwassenen. Aangezien suïcide in deze leeftijdsgroep veel voorkomt onder studenten in het beroepsonderwijs, heeft deze studie als doel inzicht te geven in de prevalentie, het verloop en de risicofactoren van suïcidale ideatie (SI) en suïcidepogingen (SA) onder studenten in het beroepsonderwijs in de afgelopen 10 jaar.\n\nMethoden\nDeze studie heeft een herhaalde cross-sectionele opzet en maakt gebruik van gegevens van 2013 tot 2023 van de stichting Testjeleefstijl. In totaal hebben 101.182 studenten in het beroepsonderwijs een webgebaseerde gestandaardiseerde vragenlijst ingevuld. Univariate logistische regressie werd gebruikt om de voorspellende waarde van risicofactoren afzonderlijk (angst en depressie, geslacht, leeftijd en schooljaar) op SI en SA te testen. Daarnaast werd een machine learning-model (Berkelmans et al., 2023) gebruikt voor de identificatie van hoog risico van gecombineerde risicofactoren (multivariate modellen).\n\nResultaten\nBij studenten in het beroepsonderwijs nam de 12-maands prevalentie van SI en SA toe van respectievelijk 17,7% en 2,3% in schooljaar 2013-2014 tot 23% en 3,2% in 2022-2023. Hoewel vrouwelijk geslacht in de univariate analyses SI en SA significant voorspelde, lieten de multivariate modellen zien dat vrouwelijk geslacht de kans op zowel SI (OR 0,9) als SA (OR 0,7) verminderde. Een hoog risico op angst en depressie was de sterkste voorspeller in de multivariate modellen voor SI (OR 42,8) en SA (OR 19,0).\n\nConclusie\nIn de afgelopen tien jaar is de prevalentie van SI en SA toegenomen bij studenten in het beroepsonderwijs, waarbij het risico op angst en depressie de sterkste bijdragende factor was. Hoewel vrouwen een hogere prevalentie van angst en depressie hadden, suggereren de resultaten dat deze aandoeningen sneller leiden tot SI en SA bij mannelijke studenten. Vroegtijdige interventie bij suïcidepreventie is cruciaal en benadrukt de noodzaak om angst en depressie te identificeren en aan te pakken. Scholen voor beroepsonderwijs spelen hierin een cruciale rol door de nadruk te leggen op vroegtijdige screening en interventie, met specifieke aandacht voor genderspecifieke factoren."},"keywords":{"en":["Suicidep revention","vocational education","risk factors","mental health","students"],"nl":["Suïcidepreventie","beroepsonderwijs","risicofactoren","geestelijke gezondheid","studenten"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["young"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop","etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc"]}},{"title":"Early Identification and Prevention of Suicidal Crisis in Children and Young People","authors":"Ashworth, E., Mérelle, S., & Saini, P. Editorial","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, Liverpool John Moores University","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"comment op wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Frontiers in Child and Adolescent Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.3389/frcha.2024.1507862","link":"http://journal.frontiersin.org/article/10.3389/frcha.2024.1507862/full","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"Suicide is a major public health issue globally, ranking as the third leading cause of death among children and young people (CYP) worldwide (1). Concerningly, suicide rates among CYP have been increasing in recent years, especially in Western countries (2).\n\nSuicidal crisis, defined as a spectrum ranging from passive thoughts about death to specific suicidal ideation with a clear intent or plan, has been identified as a key risk factor for future suicide attempts (3). Suicidal ideation often precedes a suicide attempt, with over one-third of adolescents in suicidal crisis going on to attempt suicide (4). Additionally, the more pervasive the suicidal crisis, the more likely the individual is to attempt suicide (5), with 80% of people who die by suicide seeking help for suicidal crisis at least once in the year before their death (6).\n\nThus, early identification of CYP experiencing suicidal crisis and the implementation of effective prevention strategies are vital in preventing future distress and later suicide attempts. However, while numerous studies have been conducted into prediction and prevention of suicidal thoughts and self-harm, relatively little is known about suicidal crisis as a discrete stage, particularly in CYP. Indeed, there is much work to be done to identify:\n\n1. Risk and protective factors for suicidal crisis in CYP\n\n2. Novel approaches to reducing suicidal crisis, including universal and targeted programmes\n\n3. Effective early intervention through prevention\n\n4. How to predict, prevent, and support suicidal crisis among vulnerable populations\n\nThis Research Topic aims to bring together a collection of works contributing to the evidence base in these four domains. This introductory Editorial outlines their contributions and the ways in which they advance the field. The six original articles focus on three key themes, discussed in turn below.","nl":"suïcide is wereldwijd een groot probleem voor de volksgezondheid en staat op de derde plaats als doodsoorzaak onder kinderen en jongeren (CYP) (1). Zorgelijk is dat het aantal suïcides onder CYP de laatste jaren is toegenomen, met name in westerse landen (2).\n\nSuïcidale crises, gedefinieerd als een spectrum variërend van passieve gedachten over de dood tot specifieke suïcidale gedachten met een duidelijke intentie of plan, zijn geïdentificeerd als een belangrijke risicofactor voor toekomstige suïcidale pogingen (3). Suïcidale gedachten gaan vaak vooraf aan een suïcidepoging; meer dan een derde van de adolescenten in een suïcidale crisis doet vervolgens een suïcidale poging (4). Bovendien geldt: hoe diepgaander de suïcidale crisis, hoe groter de kans dat de persoon een suïcidepoging doet (5). 80% van de mensen die door suïcide overlijden, zoekt minstens één keer in het jaar vóór hun overlijden hulp voor een suïcidale crisis (6).\n\nVroegtijdige identificatie van CYP die een suïcidale crisis ervaart en de implementatie van effectieve preventiestrategieën zijn daarom essentieel om toekomstige stress en latere suïcidepogingen te voorkomen. Hoewel er talloze studies zijn uitgevoerd naar het voorspellen en voorkomen van suïcidale gedachten en zelfbeschadiging, is er relatief weinig bekend over de suïcidale crisis als een specifieke fase, met name in het primair onderwijs. Er is inderdaad nog veel werk te verzetten om het volgende te identificeren:\n\n1. Risicofactoren en beschermende factoren voor een suïcidale crisis in het primair onderwijs\n\n2. Nieuwe benaderingen om een ​​suïcidale crisis te verminderen, waaronder universele en gerichte programma's\n\n3. Effectieve vroegtijdige interventie door middel van preventie\n\n4. Hoe een suïcidale crisis onder kwetsbare bevolkingsgroepen te voorspellen, voorkomen en ondersteunen\n\nDit onderzoeksthema beoogt een verzameling publicaties te verzamelen die bijdragen aan de wetenschappelijke basis in deze vier domeinen. Deze inleidende redactionele bijdrage beschrijft hun bijdragen en de manieren waarop ze het vakgebied vooruithelpen. De zes oorspronkelijke artikelen richten zich op drie hoofdthema's, die hieronder achtereenvolgens worden besproken."},"keywords":{"en":["suicidal crisis","children and young people","early intervention","suicide prevention","clinical intervention","public health"],"nl":["suïcidale crisis","kinderen en jongeren","vroege interventie","suïcidepreventie","klinische interventie","volksgezondheid"]},"region":["nvt"],"type":[],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling","nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Real-time assistance in suicide prevention helplines using a deep learning-based recommender system: a rondomized controlled trial","authors":"Salim Salmi, Saskia Mérelle, Nikki van Eijk, Renske Gilissen, Rob van der Mei & Sandjai Bhulaiv","affiliations":"113 Zelfmoordpreventie, CWI, VU Amsterdam","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Medical Informatics","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.ijmedinf.2024.105760","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1386505624004234?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Objective\nTo evaluate the effectiveness and usability of an AI-assisted tool in providing real-time assistance to counselors during suicide prevention helpline conversations.\nMethods\nIn this RCT, the intervention group used an AI-assisted tool, which generated suggestions based on sentence embeddings (i.e. BERT) from previous successful counseling sessions. Cosine similarity was used to present the top 5 chat situation to the counsellors. The control group did not have access to the tool (care as usual). Both groups completed a questionnaire assessing their self-efficacy at the end of each shift. Counselors' usage of the tool was evaluated by measuring frequency, duration and content of interactions.\nResults\nIn total, 48 counselors participated in the experiment: 27 counselors in the experimental condition and 21 counselors in the control condition. Together they rated 188 shifts. No significant difference in self-efficacy was observed between the two groups (p=0.36). However, counselors that used the AI-assisted tool had marginally lower response time and used the tool more often during conversations that had a longer duration. A deeper analysis of usage showed that the tool was frequently used in inappropriate situations, e.g. after the counselor had already provided a response to the help-seeker, defeating the purpose of the information. When the tool was employed appropriately (64 conversations), it provided usable information in 53 conversations (83%). However, counselors used the tool less frequently at optimal moments, indicating their potential lack of proficiency with using AI-assisted tools during helpline conversations or initial trust issues with the system.\nConclusion\nThe study demonstrates benefits and pitfalls of integrating AI-assisted tools in suicide prevention for improving counselor support. Despite the lack of significant impact on self-efficacy, the support tool provided usable suggestions and the frequent use during long conversations suggests counsellors may wish to use the tool in complex or challenging interactions.","nl":"Doel\nHet evalueren van de effectiviteit en bruikbaarheid van een AI-ondersteund hulpmiddel bij het bieden van realtime hulp aan hulpverleners tijdens suïcidepreventie-hulplijngesprekken.\nMethoden\nIn deze RCT gebruikte de interventiegroep een AI-ondersteund hulpmiddel, dat suggesties genereerde op basis van zinsinsinsluitingen (d.w.z. BERT) van eerdere succesvolle hulpverleningssessies. Cosine similarity werd gebruikt om de top 5 chatsituaties aan de counselors voor te stellen. De controlegroep had geen toegang tot de tool (care as usual). Beide groepen vulden aan het einde van elke dienst een vragenlijst in om hun zelfeffectiviteit te beoordelen. Het gebruik van de tool door de counselors werd geëvalueerd door de frequentie, duur en inhoud van de interacties te meten.\nResultaten\nIn totaal namen 48 counselors deel aan het experiment: 27 counselors in de experimentele conditie en 21 counselors in de controleconditie. Samen beoordeelden ze 188 verschuivingen. Er werd geen significant verschil in self-efficacy waargenomen tussen de twee groepen (p=0,36). Echter, counselors die de AI-ondersteunde tool gebruikten hadden een marginaal lagere responstijd en gebruikten de tool vaker tijdens gesprekken die een langere duur hadden. Een diepere analyse van het gebruik toonde aan dat het hulpmiddel vaak in ongepaste situaties werd gebruikt, bijvoorbeeld nadat de hulpverlener al een antwoord had gegeven aan de hulpzoeker, waardoor het doel van de informatie teniet werd gedaan. Wanneer het hulpmiddel op de juiste manier werd gebruikt (64 gesprekken), leverde het bruikbare informatie op in 53 gesprekken (83%). Hulpverleners gebruikten de tool echter minder vaak op optimale momenten, wat duidt op hun mogelijke gebrek aan vaardigheid in het gebruik van AI-ondersteunde tools tijdens hulplijngesprekken of op aanvankelijke vertrouwensproblemen met het systeem.\nConclusie\nHet onderzoek toont de voordelen en valkuilen aan van de integratie van AI-hulpmiddelen bij suïcidepreventie om de ondersteuning van hulpverleners te verbeteren. Ondanks het gebrek aan significante invloed op zelfredzaamheid, bood de ondersteuningstool bruikbare suggesties en het frequente gebruik tijdens lange gesprekken suggereert dat hulpverleners de tool mogelijk willen gebruiken tijdens complexe of uitdagende interacties."},"keywords":{"en":["Helpline","Machine learning","AI","Support tool","RCT"],"nl":["Helplijn","Machine learning","AI","Ondersteuningstool","RCT"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","implementatie","kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Digital Pgenotypes of real-time suicidal ideation: Correlates and consequences.","authors":"Kivalä L.M.M., van der Does A.J.W, Gilissen R & Antypa N","affiliations":"Universiteit Leiden, 113 Zelfmoordpreventie","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Acta psychiatrica Scandinavica","identifier":"https://doi.org/10.1111/acps.13750","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/acps.13750","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Introduction: Suicidal ideation variability refers to within-day fluctuations insuicidal ideation, and has recently been proposed as an indicator of suiciderisk. However, not much is known yet about its correlates and clinicalrelevance.Methods: We examined characteristics of real-time suicidal ideation usingEcological Momentary Assessment in 82 individuals with current active sui-cidal ideation. Data were collected four times daily over 21 days. Latent profileanalysis was used to identify subtypes of suicidal ideation. We further exam-ined sociodemographic and clinical correlates of the profiles, and their associa-tion with the occurrence of suicide attempts during a 1-year follow-up.Results: We identified three “digital” phenotypes of suicidal ideation that dif-fered on the frequency, intensity and variability of ideation. The profiles were:high frequency, high intensity, moderate variability (Phenotype 1), moderate/high frequency, moderate intensity, high variability (Phenotype 2), and moder-ate frequency, low intensity, low variability (Phenotype 3). Phenotypes 1 and2 were associated with a worse clinical profile at baseline (higher suicidal idea-tion and depressive symptom severity), and increased odds of suicide attemptduring follow-up, compared to Phenotype 3. Phenotype 1 was further charac-terized by repeated suicidal behavior.Conclusions: Two phenotypes of real-time suicidal ideation were identifiedthat appear to confer a higher risk of suicidal behavior in the near future(12 months). These phenotypes were characterized by higher variability of sui-cidal ideation—and also higher intensity and frequency of ideation. Consider-ing the small sample size, the clinical usefulness of the profiles remains to bedemonstrated.","nl":"Inleiding: Variabiliteit in suïcidale ideatie verwijst naar fluctuaties in suïcidale ideatie binnen een dag en is recent voorgesteld als een indicator van suïciderisico. Er is echter nog niet veel bekend over de correlaten en klinische relevantie ervan.Methoden: We onderzochten de kenmerken van real-time suïcidale ideatie met behulp van Ecological Momentary Assessment bij 82 personen met huidige actieve suïcidale ideatie. De gegevens werden vier keer per dag verzameld gedurende 21 dagen. Latente profielanalyse werd gebruikt om subtypes van suïcidale ideatie te identificeren. Verder onderzochten we sociodemografische en klinische correlaten van de profielen, en hun verband met het optreden van suïcidepogingen tijdens een follow-up van 1 jaar.Resultaten: We identificeerden drie “digitale” fenotypen van suïcidale ideatie die verschilden in frequentie, intensiteit en variabiliteit van de ideatie. De profielen waren: hoge frequentie, hoge intensiteit, matige variabiliteit (fenotype 1), matige/hoge frequentie, matige intensiteit, hoge variabiliteit (fenotype 2), en matige frequentie, lage intensiteit, lage variabiliteit (fenotype 3). Fenotype 1 en 2 werden geassocieerd met een slechter klinisch profiel op baseline (meer suïcidale ideeën en ernstiger depressieve symptomen), en een grotere kans op suïcidepogingen tijdens de follow-up, vergeleken met fenotype 3. Fenotype 1 werd verder gekarakteriseerd door de ernst van de depressieve symptomen. Fenotype 1 werd verder gekenmerkt door herhaald suïcidaal gedrag.Conclusies: Er werden twee fenotypen van realtime suïcidale ideatie geïdentificeerd die een hoger risico lijken te geven op suïcidaal gedrag in de nabije toekomst (12 maanden). Deze fenotypen werden gekarakteriseerd door een hogere variabiliteit van suïcidale ideatie en ook een hogere intensiteit en frequentie van ideatie. Gezien de kleine steekproefgrootte moet de klinische bruikbaarheid van de profielen nog worden aangetoond."},"keywords":{"en":["active suicidal ideation; ecological momentary assessment; latent profile analysis; passive suicidal ideation; suicide attempts"],"nl":["actieve suïcidale gedachten; ecologische momentane beoordeling; latente profielanalyse; passieve suïcidale gedachten; suïcidepogingen"]},"region":["nationaal","nvt"],"type":["obs","obs_long","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Assessment of suicidality in trials of psychological interventions for depression: a meta-analysis","authors":"Miguel C, Cecconi J, Harrer M, van Ballegooijen W, Bhattacharya S, Karyotaki E, Cuijpers P, Gentili C, Cristea IA","affiliations":"VU Amsterdam, University of Padua, Technical Universit of Munich, Amsterdam UMC, King's College London","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The Lancet Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.1016/S2215-0366(24)00027-0","link":"https://www.thelancet.com/journals/lanpsy/article/PIIS2215-0366(24)00027-0/abstract","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"Background\nPsychological interventions that are efficacious as treatments for depression could indirectly affect suicide-related outcomes. We examined suicidal thoughts and behaviours as eligibility criteria, outcomes, and adverse events across trials of psychotherapy for depression.\nMethods\nWe used a publicly available meta-analytic database developed through systematic searches (updated as of May 1, 2023) to identify randomised controlled trials in which a psychological intervention for depression was compared with an inactive or non-specific control condition in adults with depression and in which any suicide-related outcomes were reported. We also identified studies in which suicide risk was an exclusion criterion. We excluded inpatient studies and trials of unguided digital interventions or collaborative care that included a psychological component. Pairs of reviewers worked independently to select studies and extract data. In a random-effects meta-analysis with robust variance estimation, we assessed the effect of the psychological intervention on suicide outcomes in trials in which suicide was explicitly assessed as an outcome with clinical scales with established psychometric properties. Risk of bias was assessed with the Cochrane risk-of-bias tool (version 2).\nFindings\nOf the 469 randomised trials we identified in which a psychological intervention was compared with an inactive control in people with depression, 251 excluded people judged at risk of suicide. Any assessment of suicide was included in only 45 trials, 12 of which assessed suicidal ideation or risk as an outcome. These 12 trials included 3930 participants, 2795 (71%) of whom were female and 1135 (29%) of whom were male; data for age and ethnicity were not consistently reported. Psychological interventions for depression were associated with a small reduction in suicidal ideation and risk in 11 trials (one trial reported only follow-up data) after the intervention (standardised mean difference –0·31 [95% CI –0·60 to –0·03]) but not at follow-up (–0·49 [–1·31 to 0·32]). Suicide-related adverse events were reported in 25 trials, and suicide-related serious adverse events (eg, suicide attempts, deaths by suicide) were reported in 13 trials. Heterogeneity was substantial across all analyses, and prediction intervals crossed zero.\nInterpretation\nTrials of psychological interventions for depression rarely report assessments of suicide. Psychological interventions might reduce suicidal ideation in patients with depression, but more randomised controlled trials are required to clarify this effect. Monitoring and reporting of suicide-related adverse events should be improved in trials of psychological interventions for depression, and future trials should incorporate outcomes related to suicidal thoughts or behaviours.","nl":"Achtergrond\nPsychologische interventies die effectief zijn als behandeling voor depressie, kunnen indirect suïcidale uitkomsten beïnvloeden. We onderzochten suïcidale gedachten en gedragingen als criteria voor deelname, uitkomsten en bijwerkingen in studies naar psychotherapie voor depressie.\nMethoden\nWe gebruikten een openbaar beschikbare meta-analytische database, ontwikkeld door middel van systematische zoekopdrachten (bijgewerkt op 1 mei 2023), om gerandomiseerde gecontroleerde studies te identificeren waarin een psychologische interventie voor depressie werd vergeleken met een inactieve of niet-specifieke controlegroep bij volwassenen met een depressie en waarin alle suïcidegerelateerde uitkomsten werden gerapporteerd. We identificeerden ook studies waarin suïciderisico een uitsluitingscriterium was. We sloten klinische studies en studies naar ongeleide digitale interventies of collaboratieve zorg met een psychologische component uit. Tweetallen reviewers werkten onafhankelijk van elkaar om studies te selecteren en gegevens te extraheren. In een random-effects meta-analyse met robuuste variantieschatting beoordeelden we het effect van de psychologische interventie op suïcide-uitkomsten in studies waarin suïcide expliciet werd beoordeeld als een uitkomst met klinische schalen met bewezen psychometrische eigenschappen. Het risico op bias werd beoordeeld met de Cochrane risk-of-bias tool (versie 2).\nBevindingen\nVan de 469 gerandomiseerde onderzoeken die we identificeerden waarin een psychologische interventie werd vergeleken met een inactieve controle bij mensen met een depressie, sloten 251 mensen uit die een risico op suïcide hadden. Elke beoordeling van suïcide werd slechts in 45 onderzoeken opgenomen, waarvan er 12 suïcidale gedachten of risico als uitkomst beoordeelden. Deze 12 onderzoeken omvatten 3930 deelnemers, van wie 2795 (71%) vrouwen en 1135 (29%) mannen; gegevens over leeftijd en etniciteit werden niet consistent gerapporteerd. Psychologische interventies voor depressie werden geassocieerd met een kleine vermindering van suïcidale gedachten en risico in 11 onderzoeken (één onderzoek rapporteerde alleen follow-upgegevens) na de interventie (gestandaardiseerd gemiddeld verschil -0,31 [95% BI -0,60 tot -0,03]), maar niet bij follow-up (-0,49 [-1,31 tot 0,32]). Suïcidegerelateerde bijwerkingen werden gemeld in 25 onderzoeken, en suïcidegerelateerde ernstige bijwerkingen (bijvoorbeeld suïcidepogingen, sterfgevallen door suïcide) werden gemeld in 13 onderzoeken. De heterogeniteit was substantieel in alle analyses en de predictie-intervallen overschreden nul.\nInterpretatie\nOnderzoeken naar psychologische interventies voor depressie rapporteren zelden beoordelingen van suïcide. Psychologische interventies kunnen suïcidale gedachten bij patiënten met een depressie verminderen, maar er zijn meer gerandomiseerde, gecontroleerde onderzoeken nodig om dit effect te verduidelijken. De monitoring en rapportage van suïcidale bijwerkingen moeten worden verbeterd in onderzoeken naar psychologische interventies voor depressie, en toekomstige onderzoeken moeten uitkomsten met betrekking tot suïcidale gedachten of suïcidaal gedrag opnemen."},"keywords":{"en":["-"],"nl":["-"]},"region":["internationaal","nvt"],"type":["meta","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Risk Factors for Attempted Suicide and Suicide Death Among South-East Asian Women: A Scoping Review","authors":"Fastenau A, Willis M, Penna S, Yaddanapudi L, Balaji M, Shidhaye R, Pilot E","affiliations":"Expert Review of Pharmacoeconomics & Outcomes Research","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Environmental Research and Public Health","identifier":"https://doi.org/10.3390/ijerph21121658","link":"https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC11675859/","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Worldwide, attempted suicide and suicide death are one of the leading causes of morbidity and mortality. Women in South-East Asia are especially vulnerable, as almost 50% of all global female suicides occur in the 11 countries of the WHO South-East Asia Region. This scoping literature analysis aimed to identify and analyze the predictors or risk factors for attempted suicide and suicide death among South-East Asian women. A scoping literature review was conducted. Five databases—PubMed, MEDLINE, EBSCOhost, PsycINFO, and EMBASE—were searched. Forty studies and twelve literature reviews were eligible for inclusion. Women in South-East Asia, particularly those who are young and married, living in poverty, with low or no education, living in rural areas, with no employment outside the home, with lower socioeconomic position, and living within joint families are highly vulnerable to suicidality. This review identified gender disadvantage, infertility, domestic abuse, intimate partner violence, family conflicts, husband’s alcohol misuse, child marriage, forced marriages, and dowry disputes as the most significant predictors of attempted suicide and suicide death among South-East Asian women. A better understanding of the phenomenon is essential to develop effective gender-specific and culturally appropriate suicide prevention strategies or interventions.","nl":"Wereldwijd zijn suïcidepogingen en suïcide door overlijden een van de belangrijkste oorzaken van morbiditeit en mortaliteit. Vrouwen in Zuidoost-Azië zijn bijzonder kwetsbaar, aangezien bijna 50% van alle suïcides onder vrouwen wereldwijd plaatsvindt in de 11 landen van de WHO Zuidoost-Azië regio. Deze scoping literatuuranalyse was gericht op het identificeren en analyseren van de voorspellers of risicofactoren voor suïcidepogingen en suïcide door overlijden onder Zuidoost-Aziatische vrouwen. Er werd een scoping literatuuronderzoek uitgevoerd. Vijf databases - PubMed, MEDLINE, EBSCOhost, PsycINFO en EMBASE - werden doorzocht. Veertig studies en twaalf literatuuroverzichten kwamen in aanmerking voor inclusie. Vrouwen in Zuidoost-Azië, met name zij die jong en getrouwd zijn, in armoede leven, laag of niet opgeleid zijn, op het platteland wonen, geen werk buitenshuis hebben, een lagere sociaaleconomische positie hebben en binnen gezamenlijke gezinnen leven, zijn zeer kwetsbaar voor suïcidaliteit. In deze review werden genderachterstand, onvruchtbaarheid, huiselijk geweld, partnergeweld, familieconflicten, alcoholmisbruik van de echtgenoot, kindhuwelijken, gedwongen huwelijken en bruidsschatgeschillen geïdentificeerd als de belangrijkste voorspellers van suïcidepogingen en suïcide door overlijden onder vrouwen in Zuidoost-Azië. Een beter begrip van dit fenomeen is essentieel om effectieve genderspecifieke en cultureel passende strategieën of interventies voor suïcidepreventie te ontwikkelen."},"keywords":{"en":["suicide","attempted suicide","South-East Asia Region","women","risk factors","predictors"],"nl":["suïcide","suïcidepoging","regio Zuidoost-Azië","vrouwen","risicofactoren","voorspellers"]},"region":["internationaal"],"type":["review"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Occurrence and predictors of lifetime suicidality and suicidal ideation in autistic adults","authors":"Bentum JV, Sijbrandij M, Huibers M, Begeer S","affiliations":"VU Amsterdam, Universiteit Utrecht (UU)","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Autism","identifier":"https://doi.org/10.1177/13623613231225901","link":"https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/13623613231225901","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["autisme"],"abstract":{"en":"In the past 40 years, accumulating evidence suggested that autistic individuals are at an increased risk of suicidal thoughts and behaviors. This study examined the occurrence of various potential risk factors for lifetime suicidal behavior and suicidal thoughts in the past month in a Dutch cohort (Netherlands Autism Register) of autistic individuals using the Suicidal Behaviors Questionnaire (SBQ-R) and the Suicidal Ideation Attributes Scale (SIDAS). Our results show that the majority (80%) of the initial sample (N = 1164) had thought about or attempted suicide in their lifetime, of which 15% had attempted suicide. In the final sample (n = 421), backward linear regression analyses identified the following predictors for suicidal behavior: psychiatric comorbidity, loneliness, and higher number of autistic traits, F(3, 240) = 21.22, p < 0.001, with R2 of 0.21. For suicidal thoughts in the past month, psychiatric comorbidity and a higher number of autistic traits were significant predictors, F(2, 241) = 20.34, p < 0.001, with R2 of 0.14. In sum, additional risk markers for suicidal thoughts and behaviors in autistic individuals (e.g. number of autistic traits) should be considered when assessing the suicide risk in autistic individuals. Future research should focus on adapting suicide prevention interventions for autistic individuals, such as addressing loneliness as one of the intervention strategies.\nLay Abstract\nOver the past few years, more and more research is showing that many autistic people are at an increased risk for suicide. In this study, we asked participants from the Netherlands Autism Register, which is longitudinal register including individuals with autism, about their possible experiences with thoughts and feelings about suicide. Specifically, we looked at whether these thoughts and feelings in their lifetime and in the past month were related to various factors (such as their age, gender, and having psychiatric disorder diagnoses). We found that 80% of the participants had experienced thoughts about or even attempted to take their own life at least once throughout their lifetime. Furthermore, in a subgroup of participants, we found that the presence of a psychiatric disorder diagnosis, feelings of loneliness, and a higher number of autistic traits were associated with experiencing suicidal thoughts and feelings in their lifetime. For those who experienced these suicidal thoughts in the past month, we found that having (multiple) psychiatric disorder diagnoses and a higher number of autistic traits were related to more severe and frequent thoughts about suicide in the past month. Our findings show that additional factors in autistic individuals should be considered when assessing the suicide risk, and it brings us one step closer to understanding why suicide is more common for autistic people.","nl":"In de afgelopen 40 jaar heeft toenemend bewijs gesuggereerd dat autistische personen een verhoogd risico lopen op suïcidale gedachten en gedragingen. Deze studie onderzocht het voorkomen van verschillende potentiële risicofactoren voor suïcidaal gedrag en suïcidale gedachten gedurende hun leven in de afgelopen maand in een Nederlands cohort (Nederlands Autisme Register) van autistische personen met behulp van de Suicidal Behaviors Questionnaire (SBQ-R) en de Suicidal Ideation Attributes Scale (SIDAS). Onze resultaten laten zien dat de meerderheid (80%) van de initiële steekproef (N = 1164) in hun leven aan suïcide had gedacht of een suïcidepoging had gedaan, waarvan 15% een suïcidepoging had gedaan. In de uiteindelijke steekproef (n = 421) identificeerden achterwaartse lineaire regressieanalyses de volgende voorspellers voor suïcidaal gedrag: psychiatrische comorbiditeit, eenzaamheid en een hoger aantal autistische trekken, F(3, 240) = 21,22, p < 0,001, met R2 van 0,21. Voor suïcidale gedachten in de afgelopen maand waren psychiatrische comorbiditeit en een hoger aantal autistische trekken significante voorspellers, F(2, 241) = 20,34, p < 0,001, met R2 van 0,14. Kortom, aanvullende risicomarkers voor suïcidale gedachten en gedragingen bij autistische personen (bijv. het aantal autistische trekken) moeten worden overwogen bij het beoordelen van het suïcidale risico bij autistische personen. Toekomstig onderzoek zou zich moeten richten op het aanpassen van interventies ter voorkoming van suïcide voor autistische personen. Eenzaamheid zou bijvoorbeeld een van de interventiestrategieën kunnen zijn."},"keywords":{"en":["autism","autism spectrum diagnoses","cohort study","occurrence","suicidal ideation","suicide"],"nl":["autisme","autismespectrumdiagnoses","cohortstudie","voorkomen","suïcidale gedachten","suïcide"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["any"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Sleep, hopelessness, and suicidal ideation: An ecological momentary assessment and actigraphy study","authors":"Kivelä LMM, van der Does W, Antypa N","affiliations":"Universiteit Leiden","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Psychiatric Research","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.jpsychires.2024.06.039","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0022395624003674?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["insomnia"],"abstract":{"en":"Recent research shows that sleep disturbances are linked to increased suicidal ideation. In the present longitudinal cohort study, we used subjective (ecological momentary assessment, EMA) and objective (actigraphy) measures to examine the effects of sleep parameters on next-day suicidal ideation. Further, we examined hopelessness as a mediator between insufficient sleep and increased suicidal ideation. Individuals with current suicidal ideation (N = 82) completed 21 days of EMA and actigraphy to estimate suicidal ideation, hopelessness and sleep parameters. Multilevel linear-mixed models were used to examine the effects of sleep parameters on next-day suicidal ideation, as well as for the mediating effect of hopelessness (in the morning) on the association between previous night's sleep and suicidal ideation levels the next day. Significant concordance existed between subjective and objective sleep measures, with moderate-to-large correlations (r = 0.44–0.58). Lower subjective sleep quality and efficiency, shorter total sleep time and increased time awake after sleep onset were significantly associated with increased next-day suicidal ideation (controlling for previous-day suicidal ideation). Actigraphy-measured sleep fragmentation was also a significant predictor of next-day ideation. Hopelessness mediated the effects of the subjective sleep parameters on suicidal ideation, but did not account for the association with sleep fragmentation. Therefore, individuals' psychological complaints (hopelessness, suicidal ideation) were better predicted by subjective sleep complaints than by objective sleep indices. Increased hopelessness following from perceived insufficient sleep appears an important explanatory factor when considering the link between sleep disturbances and suicidal ideation.","nl":"Recent onderzoek toont aan dat slaapstoornissen verband houden met toegenomen suïcidale gedachten. In de huidige longitudinale cohortstudie gebruikten we subjectieve (ecologische momentane beoordeling, EMA) en objectieve (actigrafie) metingen om de effecten van slaapparameters op suïcidale gedachten de volgende dag te onderzoeken. Verder onderzochten we hopeloosheid als bemiddelaar tussen onvoldoende slaap en toegenomen suïcidale gedachten. Personen met huidige suïcidale gedachten ( N  = 82) voltooiden 21 dagen EMA en actigrafie om suïcidale gedachten, hopeloosheid en slaapparameters te schatten. Multilevel lineair-gemengde modellen werden gebruikt om de effecten van slaapparameters op suïcidale gedachten de volgende dag te onderzoeken, evenals voor het bemiddelende effect van hopeloosheid (in de ochtend) op de associatie tussen de slaap van de voorgaande nacht en de niveaus van suïcidale gedachten de volgende dag. Er bestond significante overeenstemming tussen subjectieve en objectieve slaapmetingen, met matige tot grote correlaties ( r  = 0,44–0,58). Een lagere subjectieve slaapkwaliteit en -efficiëntie, een kortere totale slaapduur en een langere wakkere periode na het inslapen waren significant geassocieerd met een toename van suïcidale gedachten de volgende dag (met correctie voor suïcidale gedachten van de vorige dag). Actigrafie-gemeten slaapfragmentatie was ook een significante voorspeller van suïcidale gedachten de volgende dag. Hopeloosheid medieerde de effecten van de subjectieve slaapparameters op suïcidale gedachten, maar verklaarde niet de associatie met slaapfragmentatie. Daarom werden de psychologische klachten van individuen (hopeloosheid, suïcidale gedachten) beter voorspeld door subjectieve slaapklachten dan door objectieve slaapindices. Toenemende hopeloosheid als gevolg van ervaren onvoldoende slaap lijkt een belangrijke verklarende factor bij het bestuderen van het verband tussen slaapverstoringen en suïcidale gedachten."},"keywords":{"en":["Insomnia","sleep quality","sleep efficiency","nightmares","mediation"],"nl":["Slapeloosheid","slaapkwaliteit","slaapefficiëntie","nachtmerries","bemiddeling"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Economic burden of suicides and suicide attempts in low- and middle-income countries: a systematic review of costing studies","authors":"Jain N, Wijnen B, Lohumi I, Chatterjee S, Evers SMAA","affiliations":"Universiteit Maastricht, Indian Law Society, Trimbos Instituut, George Insitute for Global Health","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Expert Review of Pharmacoeconomics & Outcomes Research","identifier":"https://doi.org/10.1080/14737167.2024.2388132","link":"https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/14737167.2024.2388132#d1e211","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Introduction\nSuicide is a major public health concern in low- and middle-income countries (LMICs) due to its substantial psychological, social, and economic impact. There is little synthesized evidence to estimate the economic burden of suicide and suicide attempts in such economies. The present systematic literature review aims to examine existing evidence on the cost of illness (COI) in the case of suicides and suicide attempts and assess their quality.\n\nMethods\nA systematic review was carried out using electronic databases, such as Medline, EMBASE, EconLit, PsycINFO, and CINAHL using keywords like ‘suicide and suicide attempts,’ ‘cost of illness,’ and economic burden.” The quality assessment of studies was conducted along with the per-person cost estimation to understand the variation of methods followed across the studies.\n\nResult\n14 studies qualified for final data extraction and synthesis out of 4,164 studies. The studies showed heterogeneity across objectives, settings, and methods, with cost estimates reflecting a wide range of costings per person in suicide and suicide attempts.\n\nConclusion\nIt is challenging to determine and compare the economic estimates of suicide. Intensive research is warranted with standardized cost assessment techniques and wider perspectives to understand the true economic burden of suicide.","nl":"suïcide is een groot probleem voor de volksgezondheid in lage- en middeninkomenslanden (LMIC's) vanwege de aanzienlijke psychologische, sociale en economische impact. Er is weinig gesynthetiseerd bewijs om de economische last van suïcide en suïcidepogingen in dergelijke economieën te schatten. Deze systematische literatuurstudie beoogt het bestaande bewijs over de kosten van ziekte (COI) in het geval van suïcide en suïcidepogingen te onderzoeken en de kwaliteit ervan te beoordelen.\n\nMethoden\nEr werd een systematische review uitgevoerd met behulp van elektronische databases, zoals Medline, EMBASE, EconLit, PsycINFO en CINAHL, met behulp van trefwoorden als 'suïcide en suïcidepogingen', 'kosten van ziekte' en economische last. De kwaliteitsbeoordeling van de onderzoeken werd uitgevoerd samen met de kostenraming per persoon om inzicht te krijgen in de variatie in de gevolgde methoden in de onderzoeken.\n\nResultaat\n14 van de 4.164 studies kwamen in aanmerking voor definitieve data-extractie en -synthese. De studies vertoonden heterogeniteit wat betreft doelstellingen, settings en methoden, waarbij de kostenramingen een breed scala aan kosten per persoon bij suïcide en suïcidespogingen weerspiegelden.\n\nConclusie\nHet is een uitdaging om de economische schattingen van suïcide te bepalen en te vergelijken. Intensief onderzoek met gestandaardiseerde kostenbeoordelingstechnieken en bredere perspectieven is nodig om de werkelijke economische last van suïcide te begrijpen."},"keywords":{"en":["Suicide","suicide attempts","LMIC","s developing countries","cost","economic burden","cost of illness","COI"],"nl":["Suïcide","suïcidepogingen","LMIC","ontwikkelingslanden","kosten","economische last","ziektekosten","COI"]},"region":["nvt"],"type":["review"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Desirable and Adverse Effects of Communicative Suicide Prevention Interventions Among Men","authors":"Wagner A, Reifegerste D","affiliations":"Radboud Universiteit Nijmegen, Bielefeld University","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"The Journal of Crisis Intervention and Suicide Prevention","identifier":"https://doi.org/10.1027/0227-5910/a000965","link":"https://econtent.hogrefe.com/doi/10.1027/0227-5910/a000965","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Despite men’s high suicide risk, gender perspectives in suicide prevention research are scarce. Aims: The goal of this systematic review was to describe the desirable and adverse effects of distribution channels and message strategies of communicative suicide prevention interventions among men. Methods: Databases PubMed and Web of Science were searched for quantitative randomized controlled trials (RCTs) and nonrandomized studies examining the effectiveness of male-specific or general communicative interventions among men. Narrative synthesis was used to summarize findings. Results: Fifty-five studies published in peer-reviewed articles until October 15, 2021, were included. Findings demonstrate that interpersonal, mass media, and digital media interventions impact suicide-related outcomes preventively. Mass media interventions are not suitable to impact men’s emotions in a prevention-desirable way. Message strategies interactivity, emotional appeals, and clear calls to action demonstrated high effectiveness, while expert exemplars, visualizations, and personalization were rather ineffective. Limitations: However, the review was not able to prove causality, could not distinguish between multichannel interventions and single-channel interventions, or between specific combinations of channels and message strategies. Discussion: The systematic review provides some guidance on which channels and message strategies to apply in communicative suicide prevention for men.","nl":"Ondanks het hoge suïciderisico van mannen, zijn genderperspectieven in onderzoek naar suïcidepreventie schaars. Doelstellingen : Het doel van deze systematische review was om de wenselijke en ongunstige effecten van distributiekanalen en berichtstrategieën van communicatieve suïcidepreventie-interventies onder mannen te beschrijven. Methoden : Databases PubMed en Web of Science werden doorzocht naar kwantitatieve gerandomiseerde gecontroleerde trials (RCT's) en niet-gerandomiseerde studies die de effectiviteit van op mannen gerichte of algemene communicatieve interventies onder mannen onderzochten. Narratieve synthese werd gebruikt om de bevindingen samen te vatten. Resultaten: Vijfenvijftig studies die tot 15 oktober 2021 in peer-reviewed artikelen zijn gepubliceerd, werden opgenomen. De bevindingen tonen aan dat interpersoonlijke, massamediale en digitale media-interventies preventief van invloed zijn op suïcidegerelateerde uitkomsten. Massamediale interventies zijn niet geschikt om de emoties van mannen op een preventie-wenselijke manier te beïnvloeden. Berichtstrategieën zoals interactiviteit, emotionele oproepen en duidelijke oproepen tot actie toonden een hoge effectiviteit, terwijl voorbeelden van experts, visualisaties en personalisatie nogal ineffectief waren. Beperkingen : De review kon echter geen causaliteit aantonen, kon geen onderscheid maken tussen multichannel interventies en single-channel interventies, of tussen specifieke combinaties van kanalen en berichtstrategieën. Discussie: De systematische review biedt enige richtlijnen over welke kanalen en berichtstrategieën toegepast moeten worden in communicatieve suïcidepreventie bij mannen."},"keywords":{"en":["suicide","prevention","communication","gender","intervention"],"nl":["suïcide","preventie","communicatie","gender","interventie"]},"region":["nvt"],"type":["review"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The dexamethasone suppression test as a biomarker for suicidal behavior: A systematic review and meta-analysis","authors":"Spaan P, Verrijp T, Michielsen PJS, Birkenhager TK, Hoogendijk WJG, Roza SJ","affiliations":"UMC Rotterdam","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.jad.2024.09.048","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032724015180?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"The dexamethasone suppression test (DST), which measures HPA-axis functioning, is a potential biomarker for suicidal behavior. The current study aimed (a) to synthesize available knowledge on the association between DST non-suppression and suicidal behavior, and (b) to study potential moderators.\nMethods\nA total of 4236 studies were screened, 43 were included. Suicide attempts and suicide completion were studied separately. The meta-analysis included 37 effect sizes for suicide attempts (n = 3733) and 11 effect sizes for suicide completion (n = 1626).\nResults\nDST non-suppression was associated with completed suicide (odds ratio (OR) = 2.10, (95 % CI [1.37, 3.23]). For suicide attempts, we found no evidence that DST status was associated in the overall meta-analysis including all patient samples. However, moderator analysis indicated that the DST status was associated with suicide attempts in patient samples that included psychopathology other than just mood disorders, such as psychotic, substance use and personality disorders (OR = 2.34, 95 % CI [1.39–3.93], k = 11).\nLimitations\nThe potential influence of publication bias and exclusion of some relevant published studies (since effect sizes could not be calculated, authors could not supply data or authors could not be reached) are limitations. Furthermore, missing moderator data decreased our ability to explain heterogeneity between studies.\nConclusions\nThe results of this meta-analysis support the hypothesis that DST non-suppression is predictive of suicidal behavior. More research is needed to investigate optimal cut-off values, confounding factors and the potential usefulness of the DST in clinical practice in terms of personalized medicine.","nl":"De dexamethason-suppressietest (DST), die de werking van de HPA-as meet, is een potentiële biomarker voor suïcidaal gedrag. De huidige studie was gericht op (a) het synthetiseren van de beschikbare kennis over het verband tussen het niet-suppresseren van DST en suïcidaal gedrag, en (b) het bestuderen van mogelijke moderatoren.\nMethoden\nIn totaal werden 4236 studies gescreend, waarvan er 43 werden opgenomen. suïcidepogingen en voltooide suïcide werden apart bestudeerd. De meta-analyse omvatte 37 effectgroottes voor suïcidepogingen ( n  = 3733) en 11 effectgroottes voor voltooide suïcide ( n  = 1626).\nResultaten\nHet niet-onderdrukken van DST werd geassocieerd met een voltooide suïcide (odds ratio (OR) = 2,10, (95% BI [1,37, 3,23]). Voor suïcidepogingen vonden we geen bewijs dat de DST-status geassocieerd was in de algehele meta-analyse met alle patiëntmonsters. Moderatoranalyse gaf echter aan dat de DST-status geassocieerd was met suïcidepogingen in patiëntmonsters die andere psychopathologie omvatten dan alleen stemmingsstoornissen, zoals psychotische stoornissen, middelenmisbruik en persoonlijkheidsstoornissen (OR = 2,34, 95% BI [1,39–3,93], k  = 11).\nBeperkingen\nDe mogelijke invloed van publicatiebias en het uitsluiten van enkele relevante gepubliceerde studies (omdat effectgroottes niet konden worden berekend, auteurs geen gegevens konden aanleveren of auteurs niet konden worden bereikt) vormen beperkingen. Bovendien verminderde het ontbreken van moderatorgegevens ons vermogen om heterogeniteit tussen studies te verklaren.\nConclusies\nDe resultaten van deze meta-analyse ondersteunen de hypothese dat het niet onderdrukken van DST suïcidaal gedrag voorspelt. Meer onderzoek is nodig om optimale afkappunten, verstorende factoren en het potentiële nut van DST in de klinische praktijk op het gebied van gepersonaliseerde geneeskunde te onderzoeken."},"keywords":{"en":["Dexamethasone suppression test","hypothalamic-pituitary-adrenal axis reactivity","cortisol","suicidemeta-analysis"],"nl":["Dexamethason-suppressietest","hypothalamus-hypofyse-bijnier-asreactiviteit","cortisol","suïcidemeta-analyse"]},"region":["internationaal"],"type":["review","meta","fundamenteel","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Smartphone keyboard dynamics predict affect in suicidal ideation","authors":"Knol L, Nagpal A, Leaning IE, Idda E, Hussain F, Ning E, Eisenlohr-Moul TA, Beckmann CF, Marquand AF, Leow A","affiliations":"Radboud Universiteit Nijmegen, University Chicago, Politecnico Milano, University of Oxford","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"NPJ Digital Medicine","identifier":"https://doi.org/10.1038/s41746-024-01048-1","link":"https://www.nature.com/articles/s41746-024-01048-1","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"While digital phenotyping provides opportunities for unobtrusive, real-time mental health assessments, the integration of its modalities is not trivial due to high dimensionalities and discrepancies in sampling frequencies. We provide an integrated pipeline that solves these issues by transforming all modalities to the same time unit, applying temporal independent component analysis (ICA) to high-dimensional modalities, and fusing the modalities with linear mixed-effects models. We applied our approach to integrate high-quality, daily self-report data with BiAffect keyboard dynamics derived from a clinical suicidality sample of mental health outpatients. Applying the ICA to the self-report data (104 participants, 5712 days of data) revealed components related to well-being, anhedonia, and irritability and social dysfunction. Mixed-effects models (55 participants, 1794 days) showed that less phone movement while typing was associated with more anhedonia (β = −0.12, p = 0.00030). We consider this method to be widely applicable to dense, longitudinal digital phenotyping data.","nl":"Hoewel digitale fenotypering mogelijkheden biedt voor onopvallende, realtime beoordelingen van de geestelijke gezondheid, is de integratie van de modaliteiten niet triviaal vanwege de hoge dimensionaliteit en discrepanties in bemonsteringsfrequenties. We bieden een geïntegreerde pijplijn die deze problemen oplost door alle modaliteiten naar dezelfde tijdseenheid te transformeren, temporele onafhankelijke componentanalyse (ICA) toe te passen op hoogdimensionale modaliteiten en de modaliteiten te fuseren met lineaire mixed-effects modellen. We hebben onze aanpak toegepast om hoogwaardige, dagelijkse zelfrapportagegegevens te integreren met BiAffect-toetsenborddynamiek, afgeleid van een steekproef van klinische suïcidaliteit onder poliklinische patiënten met psychische problemen. Toepassing van de ICA op de zelfrapportagegegevens (104 deelnemers, 5712 dagen aan data) bracht componenten aan het licht die verband hielden met welzijn, anhedonie, prikkelbaarheid en sociale disfunctie. Gemengde-effectenmodellen (55 deelnemers, 1794 dagen) lieten zien dat minder telefoongebruik tijdens het typen gepaard ging met meer anhedonie (β = -0,12, p = 0,00030). Wij beschouwen deze methode als breed toepasbaar op dichte, longitudinale digitale fenotyperingsgegevens."},"keywords":{"en":["-"],"nl":["-"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["any"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"The effectiveness and safety of dialectical behavior therapy for suicidal ideation and behavior in autistic adults: a pragmatic randomized controlled trial","authors":"Huntjens A, van den Bosch LMCW, Sizoo B, Kerkhof A, Smit F, van der Gaag M","affiliations":"VU Amsterdam, Parnassia Psychiatric Institute Den Haag, DBT Centre, ORCAT","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychological Medicine","identifier":"https://doi.org/10.1017/s0033291724000825","link":"https://www.cambridge.org/core/journals/psychological-medicine/article/effectiveness-and-safety-of-dialectical-behavior-therapy-for-suicidal-ideation-and-behavior-in-autistic-adults-a-pragmatic-randomized-controlled-trial/4464CA3C0D3DDEF5F3A4BD45415B9B50","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["autisme"],"abstract":{"en":"Many autistic people in mental health are suicidal. This study evaluated the effectiveness of dialectical behavior therapy (DBT) v. treatment as usual (TAU) in reducing suicidal ideation and suicide attempts.\n\nMethods\nAt six Dutch mental health centers, 123 outpatients (18–65 years) with DSM-5 diagnosed autism spectrum disorder (ASD) and suicidal behavior were randomly assigned to the DBT intervention group (n = 63) or TAU control group (n = 60). Assessments were conducted at baseline, post-treatment at 6 months and 12-month follow-up. The primary outcomes were severity of suicidal ideation and frequency of suicide attempts. The severity of depression and social anxiety were secondary outcomes.\n\nResults\nAt end-of-treatment, DBT significantly reduced both suicidal ideation (z = −2.24; p = 0.025; b = −4.41; s.e. = 197.0) and suicide attempts (z = −3.15; p = 0.002; IRR = 0.046; s.e. = 0.045) compared to TAU, but lost statistical significance at the 12-month follow-up. Depression severity significantly decreased with DBT (z = −1.99; p = 0.046: b = −2.74; s.e. = 1.37) remaining so at 12 months (z = −2.46; p = 0.014; b = −3.37; s.e. = 1.37). No effects were observed on social anxiety. Severe adverse events included two suicides in the TAU condition.\n\nConclusions\nDBT is an acceptable, safe, and short-term effective intervention to reduce suicidal ideation and suicide attempts in autistic adults with suicidal behavior.","nl":"Veel autistische mensen in de geestelijke gezondheidszorg zijn suïcidaal. Deze studie evalueerde de effectiviteit van dialectische gedragstherapie (DGT) versus gebruikelijke therapie (TAU) bij het verminderen van suïcidale gedachten en suïcidepogingen.\n\nMethoden\nIn zes Nederlandse centra voor geestelijke gezondheidszorg werden 123 poliklinische patiënten (18-65 jaar) met een volgens DSM-5 gediagnosticeerde autismespectrumstoornis (ASS) en suïcidaal gedrag willekeurig toegewezen aan de DGT-interventiegroep ( n = 63) of de TAU-controlegroep ( n = 60). De beoordelingen werden uitgevoerd bij aanvang van de behandeling, na zes maanden en na twaalf maanden follow-up. De primaire uitkomstmaten waren de ernst van de suïcidale gedachten en de frequentie van suïcidepogingen. De ernst van depressie en sociale angst waren secundaire uitkomstmaten.\n\nResultaten\nAan het einde van de behandeling verminderde DBT significant zowel suïcidale gedachten ( z = -2,24; p = 0,025; b = -4,41; se = 197,0) als suïcidale pogingen ( z = -3,15; p = 0,002; IRR = 0,046; se = 0,045) vergeleken met TAU, maar verloor statistisch significantie bij de follow-up na 12 maanden. De ernst van de depressie nam significant af met DBT ( z = -1,99; p = 0,046; b = -2,74; se = 1,37) en bleef zo ​​na 12 maanden ( z = -2,46; p = 0,014; b = -3,37; se = 1,37). Er werden geen effecten waargenomen op sociale angst. Ernstige bijwerkingen omvatten twee suïcides in de TAU-conditie.\n\nConclusies\nDGT is een acceptabele, veilige en effectieve interventie op korte termijn om suïcidale gedachten en suïcidepogingen bij autistische volwassenen met suïcidaal gedrag te verminderen."},"keywords":{"en":["autism","dialectical behavior therapy","suicidal behavior","suicidal ideation","suicide attempts"],"nl":["autisme","dialectische gedragstherapie","suïcidaal gedrag","suïcidale gedachten","suïcidepogingen"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Self-reported suicidal ideation among individuals with first episode psychosis and healthy controls: Findings from the international multicentre EU-GEI study","authors":"Heuschen CBBCM, Bolhuis K, Zantvoord JB, Bockting CL, Denys DAJP, Lok A, Arango C, Arrojo M, Bernardo M, Bobes J, Del-Ben CM, Di Forti M, Gayer-Anderson C, Jones PB, Jongsma HE, Kirkbride JB, La Cascia C, Lasalvia A, Tosato S, Llorca PM, Menezes PR, Murray RM, Quattrone D, Rutten BP, Sanjuán J, Selten JP, Szöke A, Tarricone I, Tortelli A, Velthorst E, de Haan L, Schirmbeck F","affiliations":"Amsterdam UMC, Erasmus-MC Sophia Cildren's Hospital, UVA Amsterdam, Universisad Complutense de Madrid, Instituto de Investigación Sanitaria de Santiago de Compostela, Servizo de Psiquiatría Santiago de Compostela, Hospital Clinic of Barcelona, University of Barcelona, Universidad de Oviedo, University of São Paulo, King's College London, South London and Maudsley NHS Foundation Trust, University of Cambridge, Centre for Transcultural Psychiatry ‘Veldzicht’, Balkbrug, UMC Groningen, University College London, University of Palermo, University of Verona, University Clermont Auvergne, Institute Pascal, University of São Paulo, Maastricht University, Faculty of Medicine Valencia, Rivierduinen Psychiatric Institute, University Paris, University of Bologna, GHU Psychiatrie Neurosciences Paris, GGZ Noord-Holland-Noord,  Heidelberg University","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Schizophrenia Research","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.schres.2024.06.041","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0920996424002913?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Suicidal ideation is common among individuals with first episode psychosis (FEP), with prevalence estimates up to 56.5%. Its high prevalence, relatively little is known about how sociodemographic, clinical and/or developmental characteristics contribute to the experience of suicidal ideation in individuals despite with FEP.\nMethods\nIn this cross-sectional study (FEP n = 551 and controls n = 857), univariate logistic regression analyzes were performed to study the associations of sociodemographic, clinical, and developmental factors with suicidal ideation in individuals with FEP as well as controls. Suicidal ideation was assessed using the Community Assessment of Psychic Experiences (CAPE). In addition, multivariate logistic regression analyzes were conducted based on a stepwise approach.\nResults\nIn FEP, only depressive symptoms remained significantly associated with suicidal ideation when all correlates were integrated into one model. In the multivariate model in controls, depressive symptoms, positive symptoms, and traumatic childhood experiences were significantly associated with suicidal ideation.\nConclusions\nThis study showed that depressive symptoms are an important factor relating to suicidal ideation in individuals with FEP, over and above other clinical, sociodemographic, and developmental factors. This underscores the relevance of screening for suicidal ideation in individuals with FEP, and highlights the need for a better understanding of the diagnostic uncertainty\n    Suicidal ideation is common among individuals with first episode psychosis (FEP), with prevalence estimates up to 56.5%. Its high prevalence, relatively little is known about how sociodemographic, clinical and/or developmental characteristics contribute to the experience of suicidal ideation in individuals despite with FEP.\nMethods\nIn this cross-sectional study (FEP n = 551 and controls n = 857), univariate logistic regression analyzes were performed to study the associations of sociodemographic, clinical, and developmental factors with suicidal ideation in individuals with FEP as well as controls. Suicidal ideation was assessed using the Community Assessment of Psychic Experiences (CAPE). In addition, multivariate logistic regression analyzes were conducted based on a stepwise approach.\nResults\nIn FEP, only depressive symptoms remained significantly associated with suicidal ideation when all correlates were integrated into one model. In the multivariate model in controls, depressive symptoms, positive symptoms, and traumatic childhood experiences were significantly associated with suicidal ideation.\nConclusions\nThis study showed that depressive symptoms are an important factor relating to suicidal ideation in individuals with FEP, over and above other clinical, sociodemographic, and developmental factors. This underscores the relevance of screening for suicidal ideation in individuals with FEP, and highlights the need for a better understanding of the diagnostic uncertainty","nl":"Suïcidale gedachten komen vaak voor bij personen met een eerste psychose-episode (FEP), met prevalentieschattingen tot 56,5%. Ondanks de hoge prevalentie is er relatief weinig bekend over hoe sociodemografische, klinische en/of ontwikkelingskenmerken bijdragen aan de ervaring van suïcidale gedachten bij personen met FEP.\nMethoden\nIn deze cross-sectionele studie (FEP n = 551 en controles n = 857) werden univariate logistische regressieanalyses uitgevoerd om de associaties van sociodemografische, klinische en ontwikkelingsfactoren met suïcidale gedachten bij personen met FEP en bij controles te bestuderen. Suïcidale gedachten werden beoordeeld met behulp van de Community Assessment of Psychic Experiences (CAPE). Daarnaast werden multivariate logistische regressieanalyses uitgevoerd op basis van een stapsgewijze benadering.\nResultaten\nBij FEP bleven alleen depressieve symptomen significant geassocieerd met suïcidale gedachten wanneer alle correlaties in één model werden geïntegreerd. In het multivariate model bij controles waren depressieve symptomen, positieve symptomen en traumatische ervaringen in de kindertijd significant geassocieerd met suïcidale gedachten.\nConclusies:\nDeze studie toonde aan dat depressieve symptomen een belangrijke factor zijn in verband met suïcidale gedachten bij personen met FEP, naast andere klinische, sociaal-demografische en ontwikkelingsfactoren. Dit onderstreept de relevantie van screening op suïcidale gedachten bij personen met FEP en benadrukt de noodzaak van een beter begrip van de diagnostische onzekerheid."},"keywords":{"en":["Suicidal ideation","First episode psychosis","Depression","Positive symptoms","Negative symptoms","European network of national schizophrenia networks studying Gene-Environment Interactions (EUGEI)"],"nl":["Suïcidale gedachten","Eerste psychotische episode","Depressie","Positieve symptomen","Negatieve symptomen","Europees netwerk van nationale schizofrenienetwerken dat gen-omgevingsinteracties (EUGEI) bestudeert"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Correlations between the euthanasia and physician-assisted suicide rates and the non-assisted suicide rates at the municipal level in the Netherlands","authors":"van Vliet NK, Atsma F, Boer TA, van den Brink B, Groenewoud AS","affiliations":"Dimence Groep, UMCD Radboud Nijmegen, Protestant Theological Univerity Utrecht, GGz centraal, Theological University of Apeldoorn","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Death Studies","identifier":"https://doi.org/10.1080/07481187.2024.2386059","link":"https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/07481187.2024.2386059","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In the Netherlands, rates of euthanasia and physician-assisted suicide (henceforth “EPAS”) display substantial variation at the municipal level. If a similar variation can be found in non-assisted suicide (henceforth “suicide”), this may enable us to establish a possible correlation between these variations. This cross-sectional study assessed proportions of suicide in the years 2013–2017 in The Netherlands. Negative binomial regression analysis was performed to identify potential explanatory variables and to calculate adjusted proportions. The magnitude of variation was calculated by ratios between the highest and lowest municipality proportions. Outliers were detected by Funnel Plots. A possible correlation between suicide and EPAS was calculated. From 2013–2017 the suicide rate between Dutch municipalities varied by a factor 6.7. This variation could only be partially explained by gender, political orientation, the availability of voluntary workers, and mobility limitations. No correlation was found with the variation in EPAS. A “waterbed effect” between suicides and EPAS-cases could not be confirmed. Advice for further research is given.","nl":"In Nederland vertonen de cijfers voor euthanasie en hulp bij suïcide (hierna \"EPAS\") een aanzienlijke variatie op gemeentelijk niveau. Als een vergelijkbare variatie kan worden gevonden in niet-hulp bij suïcide (hierna \"suïcide\"), kan dit ons in staat stellen om een ​​mogelijke correlatie tussen deze variaties vast te stellen. Deze cross-sectionele studie beoordeelde de proporties van suïcide in de jaren 2013-2017 in Nederland. Negatieve binomiale regressieanalyse werd uitgevoerd om mogelijke verklarende variabelen te identificeren en om aangepaste proporties te berekenen. De omvang van de variatie werd berekend door verhoudingen tussen de hoogste en laagste gemeenteproporties. Uitschieters werden gedetecteerd door Funnel Plots. Een mogelijke correlatie tussen suïcide en EPAS werd berekend. Van 2013-2017 varieerde het suïcidescijfer tussen Nederlandse gemeenten met een factor 6,7. Deze variatie kon slechts gedeeltelijk worden verklaard door geslacht, politieke oriëntatie, de beschikbaarheid van vrijwilligers en mobiliteitsbeperkingen. Er werd geen correlatie gevonden met de variatie in EPAS. Een \"waterbedeffect\" tussen suïcides en EPAS-gevallen kon niet worden bevestigd. Er wordt advies gegeven voor verder onderzoek."},"keywords":{"en":["-"],"nl":["-"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Torn between living or dying-analyses of influencing factors on suicide ambivalence and its longitudinally impact on suicidal ideation and behavior in a high-risk sample","authors":"Höller I, Forkmann T, Glaesmer H, Teismann T, Spangenberg L, Schreiber D, Hallensleben N, Kraiss J","affiliations":"University of Duisburg-Essen, Charlotte Fresenius Hochschule, University Leipzig, Ruhr-University of Bochum, Universiteit Twente (UT)","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-threatening behavior","identifier":"https://doi.org/10.1111/sltb.13091","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/sltb.13091","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Findings on the role of suicide ambivalence, an individual's wish to live (WL), and wish to die (WD) in the development of suicidality have been heterogenous. The main goal of this study was to examine associations of these constructs within the past week with sociodemographic factors and to longitudinally investigate their predictive power for suicidal ideation (SI) and suicide attempts (SA).\n\nMethods\nN = 308 patients (54% female; M = 36.92 years, SD = 14.30), admitted to a psychiatric ward due to suicidality, were assessed for all constructs after admission, after six, nine, and 12 months. Data were analyzed with univariate fixed-effect models and lagged mixed-effect regression models.\n\nResults\nDecreased, WL increased post-baseline. Gender showed no significant link to ambivalence, WD, and WL. Ambivalence and WD correlated negatively with age and positively with depressiveness. More participants in a relationship showed a WL compared with single/divorced/widowed participants. More single participants or those in a relationship showed ambivalence than divorced/widowed participants. More single participants showed a WD than participants in a relationship/divorced/widowed. Longitudinally, ambivalence and WD predicted SI and SA.\n\nConclusion\nThe findings underscore the importance of taking suicide ambivalence and WD into account in risk assessment and treatment.","nl":"Bevindingen over de rol van suïcidale ambivalentie, de wens van een individu om te leven (WL) en de wens om te sterven (WD) in de ontwikkeling van suïcidaliteit waren heterogeen. Het hoofddoel van deze studie was om associaties van deze constructen in de afgelopen week met sociaal-demografische factoren te onderzoeken en om longitudinaal hun voorspellende kracht voor suïcidale gedachten (SI) en suïcidepogingen (SA) te onderzoeken.\n\nMethoden\nN = 308 patiënten (54% vrouw; M = 36,92 jaar, SD = 14,30), opgenomen op een psychiatrische afdeling vanwege suïcidaliteit, werden beoordeeld op alle constructen na opname, na zes, negen en twaalf maanden. Gegevens werden geanalyseerd met univariate fixed-effect modellen en vertraagde mixed-effect regressiemodellen.\n\nResultaten\nAfgenomen, WL nam toe na baseline. Geslacht toonde geen significante link met ambivalentie, WD en WL. Ambivalentie en WD correleerden negatief met leeftijd en positief met depressie. Meer deelnemers in een relatie vertoonden een WL dan deelnemers in een alleenstaande/gescheiden/weduwnaar. Meer alleenstaande deelnemers of deelnemers in een relatie vertoonden ambivalentie dan deelnemers in een gescheiden/weduwnaar. Meer alleenstaande deelnemers vertoonden een WD dan deelnemers in een relatie/gescheiden/weduwnaar. Longitudinaal voorspelden ambivalentie en WD SI en SA.\n\nConclusie:\nDe bevindingen benadrukken het belang van het meenemen van suïcidale ambivalentie en WD bij risicobeoordeling en -behandeling."},"keywords":{"en":["suicidal ideation","suicide ambivalence","suicide attempt"],"nl":["suïcidale gedachten","suïcide-ambivalentie","suïcidepoging"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["any"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Beyond one-size-fits-all suicide prediction: Studying idiographic associations of risk factors for suicide in a psychiatric sample using ecological momentary assessment","authors":"Kraiss J, Glaesmer H, Forkmann T, Spangenberg L, Hallensleben N, Schreiber D, Höller I","affiliations":"Universiteit Twente (UT), Univerity Leipzig, University of Duisburg-Essen","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Psychiatric Research","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.jpsychires.2024.07.050","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0022395624004436?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"The Interpersonal Psychological Theory of Suicide (IPTS) states that thwarted belongingness (TB), perceived burdensomeness (PB), and hopelessness are risk factors for suicidal ideation. This ecological momentary assessment (EMA) study aimed to (1) demonstrate that there is substantial between-person variability in the association between IPTS predictors and suicidal ideation, (2) identify clusters of patients for which the predictors differently predict suicidal ideation, and (3) examine whether identified clusters are characterized by specific patient characteristics. EMA data were collected ten times per day for six days in 74 psychiatric inpatients and was analyzed with dynamic structural equation modelling. Idiographic associations were obtained and clustered using k-means clustering. We found substantial between-person variability in associations between IPTS predictors and suicidal ideation. Four distinct clusters were identified and different risk factors were relevant for different clusters. In the largest cluster (n = 36), none of the IPTS predictors predicted suicidal ideation. Clusters in which associations between IPTS variables and suicidal ideation were stronger showed higher suicidal ideation, depression, and lower positive affect. These findings suggest that a one-size-fits-all model may not adequately reflect idiosyncratic processes leading to suicidal ideation. A promising avenue might be to use idiographic approaches to personalize prediction and interventions.","nl":"De Interpersoonlijke Psychologische Theorie van suïcide (IPTS) stelt dat gefrustreerd gevoel van verbondenheid (TB), ervaren last (PB) en hopeloosheid risicofactoren zijn voor suïcidale gedachten. Deze ecologische momentane beoordeling (EMA)-studie had als doel (1) aan te tonen dat er aanzienlijke variatie tussen personen bestaat in de associatie tussen IPTS-voorspellers en suïcidale gedachten, (2) clusters van patiënten te identificeren waarvoor de voorspellers suïcidale gedachten verschillend voorspellen, en (3) te onderzoeken of geïdentificeerde clusters worden gekenmerkt door specifieke patiëntkenmerken. EMA-gegevens werden tien keer per dag gedurende zes dagen verzameld bij 74 psychiatrische patiënten en werden geanalyseerd met dynamische structurele vergelijkingen. Idiografische associaties werden verkregen en geclusterd met behulp van k-means clustering. We vonden aanzienlijke variatie tussen personen in associaties tussen IPTS-voorspellers en suïcidale gedachten. Er werden vier verschillende clusters geïdentificeerd en verschillende risicofactoren waren relevant voor verschillende clusters. In de grootste cluster (n = 36) voorspelde geen van de IPTS-voorspellers suïcidale gedachten. Clusters waarin de associaties tussen IPTS-variabelen en suïcidale gedachten sterker waren, vertoonden een hogere suïcidale gedachte, depressie en minder positieve emoties. Deze bevindingen suggereren dat een universeel model mogelijk niet adequaat de idiosyncratische processen weerspiegelt die tot suïcidale gedachten leiden. Een veelbelovende mogelijkheid is het gebruik van idiografische benaderingen om voorspellingen en interventies te personaliseren."},"keywords":{"en":["IPTS","thwarted belongingness","Perceived burdensomeness","Hopelessness","Suicidal ideation","Idiographic analyses"],"nl":["IPTS","Verijdelde verbondenheid","Ervaren last","Hopeloosheid","Suïcidale gedachten","Idiografische analyses"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["any"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"The experiences of living with a suicidal family member, and the impact on daily life: A systematic review and meta-aggregation","authors":"Hennipman-Herweijer C, Amerongen-Meeuse JVN, Schaap-Jonker H, Boonstra N","affiliations":"Christian Mental Health Care Eleos/de Hoop, Utrecht Universiteit (UU), VU Amsterdam, UMC Utrecht, NHL Stenden, KieN Early Intervention Service Leeuwarden","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Psychiatric and Mental Health Nursing","identifier":"https://doi.org/10.1111/jpm.13045","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/jpm.13045","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Because of the pivotal role that family members play in caring for their suicidal relative, insight into their experiences is necessary to develop good support for them.\n\nAim\nThis systematic review aimed to aggregate qualitative research examining the experiences of family members living with their suicidal relative, and their impact on daily life.\n\nMethods\nSystematic searches, covering the period 2000–2022, were conducted in Medline, Embase, PsycINFO, Ovid Nursing database and CINAHL. The JBI-QARI meta-aggregation approach and the PRISMA guidelines were followed.\n\nResults\nEleven studies met the inclusion criteria. Six themes were identified: The hard job of managing the risk of suicide; contributing to the relative's survival; struggling with professional care; being in a lonely position; pressure on relationships; and disruption of well-being.\n\nDiscussion\nThe constant worry of losing their relative and ever-present vigilance dominates their lives in such a way that their well-being may be decreased. Professionals often overlook family members, which leads to feelings of powerlessness and loneliness.\n\nImplications for Practice\nCollaborating with families in treatment, allowing them to share information and supporting them in the care at home may lead to better outcomes for both the family and their suicidal relative.","nl":"Vanwege de cruciale rol die familieleden spelen in de zorg voor hun suïcidale familielid, is inzicht in hun ervaringen noodzakelijk om goede ondersteuning te kunnen bieden.\n\nDoel\nDeze systematische review was gericht op het aggregeren van kwalitatief onderzoek naar de ervaringen van familieleden die samenleven met hun suïcidale familielid en de impact daarvan op het dagelijks leven.\n\nMethoden\nSystematische zoekopdrachten, die de periode 2000-2022 bestrijken, werden uitgevoerd in Medline, Embase, PsycINFO, de Ovid Nursing database en CINAHL. De JBI-QARI meta-aggregatiemethode en de PRISMA-richtlijnen werden gevolgd.\n\nResultaten\nElf studies voldeden aan de inclusiecriteria. Zes thema's werden geïdentificeerd: De zware taak om het risico op suïcide te beheersen; bijdragen aan het voortbestaan ​​van de nabestaande; worstelen met professionele zorg; zich eenzaam voelen; druk op relaties; en verstoring van het welzijn.\n\nDiscussie\nDe constante angst om hun nabestaande te verliezen en de altijd aanwezige waakzaamheid domineren hun leven op een manier die hun welzijn kan verminderen. Professionals zien familieleden vaak over het hoofd, wat leidt tot gevoelens van machteloosheid en eenzaamheid.\n\nImplicaties voor de praktijk\nSamenwerken met families tijdens de behandeling, hen de mogelijkheid bieden om informatie te delen en hen ondersteunen bij de zorg thuis, kan leiden tot betere resultaten voor zowel de familie als de suïcidale naaste."},"keywords":{"en":["caregiver","experience","family","meta-aggregation","suicidal"],"nl":["verzorger","ervaring","familie","meta-aggregatie","suïcidaal"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["review","meta","kwalitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Further evidence for the association between childhood trauma and suicidal ideation in young individuals: A twin based study","authors":"Nerea Moreno-Gamazo, Lotta-Katrin Pries, Laia Marquès-Feixa, Sergi Papiol, Soledad Romero, Claudia Menne-Lothmann, Jeroen Decoster, Ruud van Winkel, Dina Collip, Philippe Delespaul, Marc De Hert, Catherine Derom, Evert Thiery, Nele Jacobs, Marieke Wichers, Jim van Os, Bart P.F. Rutten, Lourdes Fañanás, Sinan Guloksuz","affiliations":"University of Barcelona,  Instituto de Salud Carlos, Maastricht University, Max PLanck Institute of Psychiatry Munich, University Psychiatric Centre Sint-Kamillus Bierbeek, University Psychiatric Centre KU Leuven, University Hospitals Leuven, KU Leuven, Ghent University Hospitals, Open University of the Netherlands, University Medical Center Groningen, University Medical Centre Utrecht, King's College London, Yale School of Medicine New Haven","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.jad.2024.10.125","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0165032724018299","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"Suicide is a major cause of death among youth. Childhood trauma (CT) has emerged as a leading environmental risk factor for suicidal ideation (SI). The present study intends to understand the association between CT and SI in a sample of twins, highlighting the relevance of CT per se, regardless of genetic vulnerability.\nMethods\nData were derived from a general population young twin study, the TwinssCan project (N = 796; mean age = 17.4). Different types of CT (physical, emotional and sexual) were explored with CTQ and SI through SCL-90-R. The discordance within twin-pairs was used to dissect the genetic and CT effects in SI.\nResults\nTotal CT and all subdomains were associated with an increased risk for SI. The within-pair differences analysis in monozygotic and dizygotic twins suggested that part of this association is not attributable to genetic predisposition, which points out the relevance of CT itself upon the increase of SI. This result converged with CT subdomain analyses of physical abuse and neglect.\nLimitations\nWhile within-pair twin analyses control for genetic risk, additional environmental shared and individual characteristics should be controlled for (such as poverty or protective factors). More detailed information on SI would be of great interest to better capture the complexity of this construct.\nConclusion\nCT appears to be an important environmental risk factor for SI and at least partly independent of Gene-Environment correlation (rGE). This study highlights the importance of including the history of CT in psychiatric evaluations of patients. The burden of the psychosocial environment on SI could be disentangled by further research on environmental risk and protective factors.","nl":"suïcide is een belangrijke doodsoorzaak onder jongeren. Kindertrauma (CT) is een belangrijke omgevingsrisicofactor voor suïcidale gedachten (SI) gebleken. Deze studie beoogt de associatie tussen CT en SI in een steekproef van tweelingen te begrijpen, waarbij de relevantie van CT op zichzelf wordt benadrukt , ongeacht genetische kwetsbaarheid.\nMethoden\nDe gegevens zijn afkomstig uit een onderzoek onder jonge tweelingen in de algemene bevolking, het TwinssCan-project ( N  = 796; gemiddelde leeftijd = 17,4). Verschillende soorten CT (fysiek, emotioneel en seksueel) werden onderzocht met CTQ en SI via SCL-90-R. De discrepantie binnen tweelingparen werd gebruikt om de genetische en CT-effecten bij SI te analyseren.\nResultaten\nTotale CT en alle subdomeinen waren geassocieerd met een verhoogd risico op SI. De analyse van verschillen binnen een paar bij monozygote en dizygote tweelingen suggereerde dat een deel van dit verband niet toe te schrijven is aan genetische aanleg, wat wijst op de relevantie van CT zelf bij toename van SI. Deze resultaten kwamen overeen met CT-subdomeinanalyses van fysieke mishandeling en verwaarlozing.\nBeperkingen\nHoewel analyses binnen tweelingparen rekening houden met genetisch risico, moeten aanvullende gedeelde omgevings- en individuele kenmerken worden gecontroleerd (zoals armoede of beschermende factoren). Meer gedetailleerde informatie over SI zou zeer interessant zijn om de complexiteit van dit construct beter te vatten.\nConclusie\nCT lijkt een belangrijke omgevingsrisicofactor voor SI te zijn en ten minste gedeeltelijk onafhankelijk van gen-omgevingscorrelatie (rGE). Deze studie benadrukt het belang van het meenemen van de CT-geschiedenis in de psychiatrische evaluatie van patiënten. De belasting van de psychosociale omgeving op SI zou kunnen worden ontrafeld door verder onderzoek naar omgevingsrisico's en beschermende factoren."},"keywords":{"en":["Childhood trauma","Suicidal ideation","Within twin-pair differences","Monozygotic","Dizygotic","Twin study"],"nl":["Jeugdtrauma","Suïcidale gedachten","Binnen de verschillen tussen tweelingparen","Monozygoot","Dizygotisch","Tweelingonderzoek"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["populationcohort"],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","etiologie_bio"]}},{"title":"Examining contemporaneous and temporal associations of real-time suicidal ideation using network analysis","authors":"Kivelä LMM, Fried EI, van der Does W, Antypa N","affiliations":"Leiden University","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Psychological Medicine","identifier":"https://doi.org/10.1017/s003329172400151x","link":"https://www.cambridge.org/core/journals/psychological-medicine/article/examining-contemporaneous-and-temporal-associations-of-realtime-suicidal-ideation-using-network-analysis/513A1FE17E70832BC8F8F5BF13219F96","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Suicidal ideation arises from a complex interplay of multiple interacting risk factors over time. Recently, ecological momentary assessment (EMA) has increased our understanding of factors associated with real-time suicidal ideation, as well as those predicting ideation at the level of hours and days. Here we used statistical network methods to investigate which cognitive-affective risk and protective factors are associated with the temporal dynamics of suicidal ideation.\n\nMethods\nThe SAFE study is a longitudinal cohort study of 82 participants with current suicidal ideation who completed 4×/day EMA over 21 days. We modeled contemporaneous (t) and temporal (t + 1) associations of three suicidal ideation components (passive ideation, active ideation, and acquired capability) and their predictors (positive and negative affect, anxiety, hopelessness, loneliness, burdensomeness, and optimism) using multilevel vector auto-regression models.\n\nResults\nContemporaneously, passive suicidal ideation was positively associated with sadness, hopelessness, loneliness, and burdensomeness, and negatively with happiness, calmness, and optimism; active suicidal ideation was positively associated with passive suicidal ideation, sadness, and shame; and acquired capability only with passive and active suicidal ideation. Acquired capability and hopelessness positively predicted passive ideation at t + 1, which in turn predicted active ideation; acquired capability was positively predicted at t + 1 by shame, and negatively by burdensomeness.\n\nConclusions\nOur findings show that systematic real-time associations exist between suicidal ideation and its predictors, and that different factors may uniquely influence distinct components of ideation. These factors may represent important targets for safety planning and risk detection.","nl":"Suïcidale gedachten ontstaan ​​door een complex samenspel van meerdere, op elkaar inwerkende risicofactoren in de loop van de tijd. Ecologische momentopname (EMA) heeft recentelijk ons ​​begrip vergroot van factoren die verband houden met suïcidale gedachten in realtime, evenals factoren die suïcidale gedachten voorspellen op uren- en dagenniveau. We hebben statistische netwerkmethoden gebruikt om te onderzoeken welke cognitief-affectieve risicofactoren en beschermende factoren verband houden met de temporele dynamiek van suïcidale gedachten.\n\nMethoden\nDe SAFE-studie is een longitudinale cohortstudie onder 82 deelnemers met huidige suïcidale gedachten die gedurende 21 dagen een EMA van 4 keer per dag voltooiden. We modelleerden gelijktijdige ( t ) en temporele ( t + 1) verbanden tussen drie componenten van suïcidale gedachten (passieve gedachten, actieve gedachten en verworven bekwaamheid) en hun voorspellers (positieve en negatieve emoties, angst, hopeloosheid, eenzaamheid, last en optimisme) met behulp van multilevel vector-autoregressiemodellen.\n\nResultaten\nTegelijkertijd was passieve suïcidale gedachten positief geassocieerd met verdriet, hopeloosheid, eenzaamheid en lasten, en negatief met geluk, kalmte en optimisme; actieve suïcidale gedachten waren positief geassocieerd met passieve suïcidale gedachten, verdriet en schaamte; en verworven bekwaamheid alleen met passieve en actieve suïcidale gedachten. Verworven bekwaamheid en hopeloosheid voorspelden passieve suïcidale gedachten op t + 1 positief, wat op zijn beurt actieve suïcidale gedachten voorspelde; verworven bekwaamheid werd positief voorspeld op t + 1 door schaamte, en negatief door lasten.\n\nConclusies\nOnze bevindingen tonen aan dat er systematische, realtime verbanden bestaan ​​tussen suïcidale gedachten en de voorspellers ervan, en dat verschillende factoren unieke invloed kunnen hebben op verschillende componenten van suïcidale gedachten. Deze factoren kunnen belangrijke doelen vormen voor veiligheidsplanning en risicodetectie."},"keywords":{"en":["acquired capability","ecological momentary assessment","hopelessness","shame","suicide"],"nl":["verworven vermogen","ecologische momentaire beoordeling","hopeloosheid","schaamte","suïcide"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Tree hole rescue: an AI approach for suicide risk detection and online suicide intervention.","authors":"Huang Z, Hu Q","affiliations":"Tongji University School of Medicine, VU Amsterdam, Wuhan University of Science and Technology","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Health Information Science and Systems","identifier":"https://doi.org/10.1007/s13755-024-00298-3","link":"https://link.springer.com/article/10.1007/s13755-024-00298-3","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Adolescent suicide has become an important social issue of general concern. Many young people express their suicidal feelings and intentions through online social media, e.g., Twitter, Microblog. The \"tree hole\" is the Chinese name for places on the Web where people post secrets. It provides the possibility of using Artificial Intelligence and big data technology to detect the posts where someone express the suicidal signal from those “tree hole” social media. We have developed the Web-based intelligent agents (i.e., AI-based programs) which can monitor the “tree hole” websites in Microblog every day by using knowledge graph technology. We have organized Tree-hole Rescue Team, which consists of more than 1000 volunteers, to carry out suicide rescue intervention according to the daily monitoring notifications. From 2018 to 2023, Tree-hole Rescue Team has prevented more than 6600 suicides. A few thousands of people have been saved within those 6 years. In this paper, we present the basic technology of Web-based Tree Hole intelligent agents and elaborate how the intelligent agents can discover suicide attempts and issue corresponding monitoring notifications and how the volunteers of Tree Hole Rescue Team can conduct online suicide intervention. This research also shows that the knowledge graph approach can be used for the semantic analysis on social media","nl":"suïcide onder adolescenten is een belangrijk maatschappelijk probleem geworden. Veel jongeren uiten hun suïcidale gevoelens en intenties via online sociale media, zoals Twitter en microblogs. \"Tree Hole\" is de Chinese naam voor plekken op het web waar mensen geheimen posten. Het biedt de mogelijkheid om kunstmatige intelligentie en big data-technologie te gebruiken om berichten te detecteren waarin iemand suïcidale signalen afgeeft op die \"tree hole\" sociale media. We hebben webgebaseerde intelligente agents (d.w.z. AI-gebaseerde programma's) ontwikkeld die de \"tree hole\" websites in microblogs dagelijks kunnen monitoren met behulp van kennisgrafiektechnologie. We hebben het Tree-hole Rescue Team opgericht, dat bestaat uit meer dan 1000 vrijwilligers, om interventies uit te voeren op basis van de dagelijkse monitoringmeldingen. Van 2018 tot 2023 heeft het Tree-hole Rescue Team meer dan 6600 suïcides voorkomen. In die 6 jaar zijn enkele duizenden mensen gered. In dit artikel presenteren we de basistechnologie van webgebaseerde Tree Hole-agenten en leggen we uit hoe deze agenten suïcidepogingen kunnen detecteren en bijbehorende monitoringmeldingen kunnen versturen, en hoe de vrijwilligers van het Tree Hole Rescue Team online suïcideinterventie kunnen uitvoeren. Dit onderzoek toont ook aan dat de kennisgrafiekmethode kan worden gebruikt voor semantische analyse op sociale media."},"keywords":{"en":["Suicide risk detection","Online suicide intervention","Knowledge graph approach","Mental health"],"nl":["Detectie van suïciderisico","online interventie bij suïcide","kennisgrafiekbenadering","geestelijke gezondheid"]},"region":["nvt"],"type":["implementatie","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide","poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Exploring the Role of Age and Gender on the Impact of Client Suicide in Mental Health Practitioners","authors":"Pulleyn ECJ, Van der Hallen R","affiliations":"Erasmus University Rotterdam","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"OMEGA Journal of Death and Dying","identifier":"https://doi.org/10.1177/00302228221075287","link":"https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/00302228221075287","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Previous research has revealed that mental health professionals (MHPs) often experience severe, yet varying, levels of short-term impact in the aftermath of client suicide. Individual differences are significant, yet what factors help explain these differences remains unclear. The current study investigated the role of the MHPs’ and the clients’ age and gender upon the impact of client suicide. Method: An international sample of 213 MHPs, aged between 18 and 75, reported on a client’s suicide and its short-term impact (IES-R). Results: The results indicate that both MHPs’ and clients’ gender did not affect impact. MHPs’ and clients’ age did not affect impact individually, although a significant interaction effect was revealed. Conclusion: Age, not gender, of the MHP and client are relevant in light of the impact of client suicide. Potential implications and suggestions for future research are discussed.","nl":"Eerder onderzoek heeft aangetoond dat professionals in de geestelijke gezondheidszorg (MHP's) vaak ernstige, maar wisselende, niveaus van kortetermijnimpact ervaren in de nasleep van suïcide van cliënten. Individuele verschillen zijn significant, maar welke factoren deze verschillen helpen verklaren, blijft onduidelijk. De huidige studie onderzocht de rol van de leeftijd en het geslacht van de MHP's en de cliënten op de impact van suïcide van cliënten. Methode: Een internationale steekproef van 213 MHP's, tussen de 18 en 75 jaar, rapporteerde over de suïcide van een cliënt en de kortetermijnimpact ervan (IES-R). Resultaten: De resultaten geven aan dat het geslacht van zowel de MHP's als de cliënten de impact niet beïnvloedde. De leeftijd van de MHP's en cliënten beïnvloedde de impact individueel niet, hoewel er een significant interactie-effect werd gevonden. Conclusie: De leeftijd, niet het geslacht, van de MHP en de cliënt is relevant in het licht van de impact van suïcide van cliënten. Mogelijke implicaties en suggesties voor toekomstig onderzoek worden besproken."},"keywords":{"en":["practitioner","client suicide","demographics","age","gender","short-term impact","IES-R"],"nl":["behandelaar","cliëntsuïcide","demografie","leeftijd","geslacht","kortetermijnimpact","IES-R"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["any"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"How do explicit, implicit, and sociodemographic measures relate to concurrent suicidal ideation? A comparative machine learning approach","authors":"Freichel R, Kahveci S, O'Shea B","affiliations":"UVA, Harvard University, Paris-Lodron University of Salzburg, University of Nottingham","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Suicide and Life-threatening behavior","identifier":"https://doi.org/10.1111/sltb.13017","link":"https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/sltb.13017","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Suicide is a leading cause of death, and decades of research have identified a range of risk factors, including demographics, past self-injury and suicide attempts, and explicit suicide cognitions. More recently, implicit self-harm and suicide cognitions have been proposed as risk factors for the prospective prediction of suicidal behavior. However, most studies have examined these implicit and explicit risk factors in isolation, and little is known about their combined effects and interactions in the prediction of concurrent suicidal ideation.\n\nMethods\nIn an online community sample of 6855 participants, we used different machine learning techniques to evaluate the utility of measuring implicit self-harm and suicide cognitions to predict concurrent desire to self-harm or die.\n\nResults\nDesire to self-harm was best predicted using gradient boosting, achieving 83% accuracy. However, the most important predictors were mood, explicit associations, and past suicidal thoughts and behaviors; implicit measures provided little to no gain in predictive accuracy.\n\nConclusion\nConsidering our focus on the concurrent prediction of explicit suicidal ideation, we discuss the need for future studies to assess the utility of implicit suicide cognitions in the prospective prediction of suicidal behavior using machine learning approaches.","nl":"suïcide is een belangrijke doodsoorzaak en tientallen jaren van onderzoek hebben een reeks risicofactoren geïdentificeerd, waaronder demografie, eerdere zelfbeschadiging en suïcidepogingen, en expliciete suïcidecognities. Recenter zijn impliciete zelfbeschadiging en suïcidecognities voorgesteld als risicofactoren voor de voorspelling van suïcidaal gedrag. De meeste studies hebben deze impliciete en expliciete risicofactoren echter afzonderlijk onderzocht, en er is weinig bekend over hun gecombineerde effecten en interacties bij de voorspelling van gelijktijdige suïcidale gedachten.\n\nMethoden\nIn een steekproef van 6855 deelnemers uit een online community hebben we verschillende machine learning-technieken gebruikt om te evalueren in hoeverre het meten van impliciete cognities over zelfbeschadiging en suïcide zinvol is om gelijktijdige verlangens om zichzelf te beschadigen of te sterven te voorspellen.\n\nResultaten\nDe wens tot zelfbeschadiging werd het best voorspeld met behulp van gradient boosting, met een nauwkeurigheid van 83%. De belangrijkste voorspellers waren echter stemming, expliciete associaties en eerdere suïcidale gedachten en gedragingen; impliciete metingen leverden weinig tot geen winst op in de voorspellende nauwkeurigheid.\n\nConclusie\nGezien onze focus op de gelijktijdige voorspelling van expliciete suïcidale gedachten, bespreken we de noodzaak van toekomstig onderzoek om de bruikbaarheid van impliciete suïcidale cognities te beoordelen bij de prospectieve voorspelling van suïcidaal gedrag met behulp van machine learning-benaderingen."},"keywords":{"en":["explicit suicide cognitions","implicit suicide cognitions","machine learning","predictive utility","self-harm","suicidal ideation"],"nl":["expliciete suïcidale cognities","impliciete suïcidale cognities","machinaal leren","voorspellende waarde","zelfbeschadiging","suïcidale gedachten"]},"region":["nvt"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":[],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Examination of Acceptability, Feasibility, and Iatrogenic Effects of Ecological Momentary Assessment (EMA) of Suicidal Ideation","authors":"Kivelä LMM, Fiß F, van der Does W, Antypa N","affiliations":"Leiden University","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Assesment","identifier":"https://doi.org/10.1177/10731911231216053","link":"https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/10731911231216053","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Ecological momentary assessment (EMA) can be used to examine the dynamics of suicidal ideation in daily life. While the general acceptability and feasibility of EMA in suicide research has been established, further examination of potential iatrogenic effects (i.e., negative reactivity) and identifying those more likely to react negatively is needed. Participants (N = 82) with current suicidal ideation completed 21 days of EMA (4×/day) and filled in M = 78% (Med = 84%) of the EMA. No positive or negative affect reactivity was observed in EMA ratings over the study period. Retrospectively, most participants rated their experience as positive (69%); 22% indicated mood worsening, and 18% suicidal ideation reactivity. Those with more borderline personality traits, posttraumatic stress disorder (PTSD), and higher depressive, anxiety, and suicidal ideation symptoms, were more likely to report iatrogenic effects. In conclusion, while high compliance rates and lack of affect reactivity during EMA indicate that EMA is well tolerated in suicide research, a minority of participants may report subjective mood effects in retrospect.","nl":"Ecologische momentane beoordeling (EMA) kan worden gebruikt om de dynamiek van suïcidale gedachten in het dagelijks leven te onderzoeken. Hoewel de algemene aanvaardbaarheid en haalbaarheid van EMA in suïcideonderzoek is vastgesteld, is verder onderzoek naar potentiële iatrogene effecten (d.w.z. negatieve reactiviteit) en het identificeren van degenen die waarschijnlijker negatief reageren, nodig. Deelnemers ( N = 82) met huidige suïcidale gedachten voltooiden 21 dagen EMA (4×/dag) en vulden M = 78% ( M = 84%) van de EMA in. Er werd geen positieve of negatieve affectreactiviteit waargenomen in EMA-beoordelingen gedurende de onderzoeksperiode. Retrospectief beoordeelden de meeste deelnemers hun ervaring als positief (69%); 22% gaf aan dat hun stemming verslechterde en 18% gaf aan dat ze suïcidale gedachten hadden. Degenen met meer borderline persoonlijkheidstrekken, posttraumatische stressstoornis (PTSS) en hogere mate van depressie, angst en suïcidale gedachtensymptomen rapporteerden vaker iatrogene effecten. Concluderend kunnen we stellen dat, hoewel de hoge mate van naleving en het gebrek aan emotionele reactiviteit tijdens EMA erop wijzen dat EMA goed wordt verdragen in suïcideonderzoek, een minderheid van de deelnemers achteraf subjectieve stemmingseffecten kan rapporteren."},"keywords":{"en":["suicide","reactivity","ambulatory assessment","experience sampling method"],"nl":["suïcide","reactiviteit","ambulante beoordeling","ervaringssteekproefmethode"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Reducing intrusive suicidal mental images in patients with depressive symptoms through a dual-task add-on module: Results of a multicenter randomized clinical trial","authors":"van Bentum JS, Sijbrandij M, Kerkhof AJFM, Holmes EA, Arntz A, Bachrach N, Bollen CSC, Creemers D, van Dijk MK, Dingemanse P, van Haaren M, Hesseling M, Huisman A, Kraanen FL, Stikkelbroek Y, Twisk J, Van HL, Vrijsen J, de Winter RFP, Huibers MJH","affiliations":"VU Amsterdam, Utrecht University, Uppsala University, UVA Amsterdam, GGZ Oost Brabant, Tilburg University, Vincent van Gogh Institute for Mental Health Venlo, Radboud University Nijmegen, Dimence Mental Health Group Deventer, Altrecht Institute for Mental Health Care utrecht, GGZE Eindhoven, Expertise Centre for Schema Therapy Amsterdam, HKS Groep Alkmaar, Amsterdam UMC, NPI Centre for Personality Disorders Amsterdam, Depression Expertise Centre Nijmegen, Radboud University Medical Centre, Mental Health Institute Rivierduinen, Maastricht University","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Consulting and Clinical Psychology","identifier":"https://doi.org/10.1037/ccp0000874","link":"https://psycnet.apa.org/doiLanding?doi=10.1037%2Fccp0000874","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"Objective: To examine the safety and efficacy of a brief cognitive dual-task (using eye movements) add-on module to treatment as usual (TAU) in reducing the severity and frequency of intrusive suicidal mental images and suicidal ideation. Method: We conducted a single-blind, parallel multicenter randomized trial (No. NTR7563) among adult psychiatric outpatients (N = 91; Mage = 34.4, SD = 13.54; 68% female) with elevated depressive symptoms and experiencing distressing suicidal intrusions in the Netherlands. Primary outcome was the severity (Suicidal Intrusions Attributes Scale) and frequency (Clinical Interview for Suicidal Intrusions) of suicidal mental imagery intrusions at 1-week posttreatment and 3-month follow-up. Primary analysis was intention-to-treat. Results: Between November 27, 2018 and September 13, 2021, 91 patients were included and randomly assigned to intervention group (Cognitive Dual Task Add-on + TAU) (n = 46) or TAU-only (n = 45). Cognitive Dual Task Add-on + TAU had greater reductions in severity (mean difference, −15.50, 95% CI [23.81, −7.19]; p < .001, d = 0.60), and frequency (geometric mean difference, 0.47, 95% CI [0.29, 0.79]; p = .004) of suicidal intrusions over time than TAU-alone. Cognitive Dual Task Add-on + TAU patients also showed lower suicidal ideation over time (p = .008, d = 0.42). There were no significant group differences in reductions in depressive symptoms, rumination, or hopelessness. Four serious adverse events occurred (three Cognitive Dual Task Add-on + TAU; one TAU-only); all unlikely attributable to intervention/trial. Conclusions: Findings provide support for the effectiveness of adding a cognitive dual-task module to the treatment of psychiatric outpatients with elevated depressive symptoms in reducing suicidal intrusions and ideation and can be executed safely. (PsycInfo Database Record (c) 2025 APA, all rights reserved)","nl":"Doel: De veiligheid en werkzaamheid onderzoeken van een korte cognitieve dual-task (met behulp van oogbewegingen) add-on module bij treatment as usual (TAU) bij het verminderen van de ernst en frequentie van intrusieve suïcidale mentale beelden en suïcidale gedachten. Methode: We voerden een enkelblinde, parallelle multicenter gerandomiseerde studie (nr. NTR7563) uit onder volwassen psychiatrische poliklinische patiënten ( N = 91; M leeftijd = 34,4, SD = 13,54; 68% vrouw) met verhoogde depressieve symptomen en die last hadden van verontrustende suïcidale intrusies in Nederland. De primaire uitkomstmaat was de ernst (Suicidal Intrusions Attributes Scale) en frequentie (Clinical Interview for Suicidal Intrusions) van suïcidale mentale beelden intrusies 1 week na de behandeling en 3 maanden follow-up. De primaire analyse was intention-to-treat. Resultaten: Tussen 27 november 2018 en 13 september 2021 werden 91 patiënten opgenomen en willekeurig toegewezen aan de interventiegroep (Cognitive Dual Task Add-on + TAU) ( n = 46) of alleen TAU ( n = 45). Cognitive Dual Task Add-on + TAU had grotere afnames in ernst (gemiddeld verschil, -15,50, 95% BI [23,81, -7,19]; p < .001, d = 0,60) en frequentie (geometrisch gemiddeld verschil, 0,47, 95% BI [0,29, 0,79]; p = .004) van suïcidale intrusies in de loop van de tijd dan alleen TAU. Cognitive Dual Task Add-on + TAU-patiënten vertoonden ook lagere suïcidale gedachten in de loop van de tijd ( p = .008, d = 0,42). Er waren geen significante groepsverschillen in de afname van depressieve symptomen, piekeren of hopeloosheid. Er deden zich vier ernstige bijwerkingen voor (drie Cognitive Dual Task Add-on + TAU; één TAU-only); alle waarschijnlijk niet toe te schrijven aan de interventie/trial. Conclusies: De bevindingen ondersteunen de effectiviteit van het toevoegen van een cognitieve dual task-module aan de behandeling van psychiatrische poliklinische patiënten met verhoogde depressieve symptomen bij het verminderen van suïcidale intrusies en -gedachten, en kunnen veilig worden uitgevoerd. (PsycInfo Database Record (c) 2025 APA, alle rechten voorbehouden)"},"keywords":{"en":["-"],"nl":["-"]},"region":["nationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":[],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Experience sampling of suicidality, religiosity and spirituality in depression: Network analyses using dynamic time warping","authors":"van den Brink B, Jongkind M, Delespaul P, Braam AW, Schaap-Jonker H, Giltay EJ","affiliations":"GGz Centraal, Jongkind Clinical Psychology and Psychiatry, Maastricht University, Altrecht Mental Health Care, VU Amsterdam, UMC Leiden","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.jad.2024.05.139","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S0165032724008838?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"Suicidality is a clinically important and multifaceted phenomenon, frequently present in depressed subjects. Religiosity and spirituality (R/S) can have an attenuating as well as a reinforcing effect on suicidality.\nMethods\nFrom two Dutch mental health care settings, a sample of 31 depressed and in- and outpatients with suicidal ideation, self-identifying as being religious or spiritual, was selected by convenience sampling. Using an experience sampling method (ESM) mobile application, during six days (mean of 42 assessments per subject), the association between symptoms of depression, suicidality, and specific positive-supportive affective R/S and positive psychology variables. For 28 participants symptom network plots on a group level, and on an individual level, were analyzed using dynamic time warping (DTW).\nResults\nParticipants were on average 35.7 years old, and 65 % were women. In the group-level undirected network, R/S variables were linked to positive psychology variables via a bridge function of inner peace. Changes in the experience of inner peace and enjoying a physical activity preceded changes of several other symptoms. A network dynamic appeared with a dense cluster of ‘positive psychology’ items.\nLimitations\nOnly a limited number of R/S variables were included.\nConclusion\nThe results of this study suggest that religiosity and spirituality function as meaningful factors in depression and suicidality in religiously or spiritually engaged persons. Experienced inner peace has a positive association with reasons to live. Experience sampling method data can be effectively analyzed using dynamic time warping. Exploring individual religious or spiritual engagement can prove important in treating suicidality and depression.","nl":"Suicidaliteit is een klinisch belangrijk en veelzijdig fenomeen dat vaak voorkomt bij depressieve personen. Religiositeit en spiritualiteit (R/S) kunnen suïcidaliteit zowel verzwakkend als versterkend beïnvloeden.\nMethoden\nUit twee Nederlandse GGZ - instellingen werd een steekproef van 31 depressieve en in- en poliklinische patiënten met suïcidale gedachten, die zichzelf identificeerden als religieus of spiritueel, geselecteerd door middel van gemakssteekproeven. Met behulp van een mobiele applicatie met ervaringssteekproeven (ESM) werd gedurende zes dagen (gemiddelde van 42 metingen per persoon) de associatie bepaald tussen symptomen van depressie, suïcidaliteit en specifieke positief-ondersteunende affectieve R/S en positieve psychologische variabelen. Voor 28 deelnemers werden symptoomnetwerkplots op groepsniveau en op individueel niveau geanalyseerd met behulp van dynamische tijdsvervorming (DTW).\nResultaten\nDe deelnemers waren gemiddeld 35,7 jaar oud en 65% was vrouw. In het ongerichte netwerk op groepsniveau werden R/S-variabelen gekoppeld aan positieve psychologievariabelen via een brugfunctie van innerlijke rust. Veranderingen in de ervaring van innerlijke rust en het genieten van een fysieke activiteit gingen vooraf aan veranderingen in verschillende andere symptomen. Er ontstond een netwerkdynamiek met een dichte cluster van 'positieve psychologie'-items.\nBeperkingen\nEr werden slechts een beperkt aantal R/S-variabelen opgenomen.\nConclusie\nDe resultaten van deze studie suggereren dat religiositeit en spiritualiteit als betekenisvolle factoren fungeren bij depressie en suïcidaliteit bij religieus of spiritueel betrokken personen. Ervaren innerlijke vrede heeft een positieve associatie met redenen om te leven. Gegevens uit de ervaringssteekproefmethode kunnen effectief worden geanalyseerd met behulp van dynamische tijdvervorming. Het onderzoeken van individuele religieuze of spirituele betrokkenheid kan belangrijk blijken bij de behandeling van suïcidaliteit en depressie."},"keywords":{"en":["-"],"nl":["-"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["any"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"A systematic review on passive sensing for the prediction of suicidal thoughts and behaviors","authors":"Büscher R, Winkler T, Mocellin J, Homan S, Josifovski N, Ciharova M, van Breda W, Kwon S, Larsen ME, Torous J, Firth J, Sander LB","affiliations":"University of Freiburg, VU Amsterdam, University of Zurich, University of New South Wales, VU Amsterdam, Harvard Medical School, University of Manchester","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"npj Mental Health Research","identifier":"https://doi.org/10.1038/s44184-024-00089-4","link":"https://www.nature.com/articles/s44184-024-00089-4","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Passive sensing data from smartphones and wearables may help improve the prediction of suicidal thoughts and behaviors (STB). In this systematic review, we explored the feasibility and predictive validity of passive sensing for STB. On June 24, 2024, we systematically searched Medline, Embase, Web of Science, PubMed, and PsycINFO. Studies were eligible if they investigated the association between STB and passive sensing, or the feasibility of passive sensing in this context. From 2107 unique records, we identified eleven prediction studies, ten feasibility studies, and seven protocols. Studies indicated generally lower model performance for passive compared to active data, with three out of four studies finding no incremental value. PROBAST ratings revealed major shortcomings in methodology and reporting. Studies suggested that passive sensing is feasible in high-risk populations. In conclusion, there is limited evidence on the predictive value of passive sensing for STB. We highlight important quality characteristics for future research.","nl":"Passieve sensordata van smartphones en wearables kunnen de voorspelling van suïcidale gedachten en gedragingen (STB) verbeteren. In deze systematische review hebben we de haalbaarheid en predictieve validiteit van passieve sensortechnologie voor STB onderzocht. Op 24 juni 2024 hebben we Medline, Embase, Web of Science, PubMed en PsycINFO systematisch doorzocht. Studies kwamen in aanmerking als ze de associatie tussen STB en passieve sensortechnologie onderzochten, of de haalbaarheid van passieve sensortechnologie in deze context. Uit 2107 unieke records identificeerden we elf predictiestudies, tien haalbaarheidsstudies en zeven protocollen. Studies wezen over het algemeen op lagere modelprestaties voor passieve in vergelijking met actieve data, waarbij drie van de vier studies geen incrementele waarde vonden. PROBAST-beoordelingen brachten grote tekortkomingen in methodologie en rapportage aan het licht. Studies suggereerden dat passieve sensortechnologie haalbaar is in risicogroepen. Concluderend is er beperkt bewijs voor de predictieve waarde van passieve sensortechnologie voor STB. We benadrukken belangrijke kwaliteitskenmerken voor toekomstig onderzoek."},"keywords":{"en":["-"],"nl":["-"]},"region":["nvt"],"type":["review","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_meetinstrumenten"]}},{"title":"Internet-based behavioural activation therapy versus online psychoeducation for self-reported suicidal ideation in individuals with depression in Indonesia: a secondary analysis of an RCT","authors":"Heuschen CBBCM, Bolhuis K, Zantvoord JB, Arjadi R, Denys DAJP, Nauta MH, Lok A, Bockting CL","affiliations":"UMC Amsterdam, Erasmus MC Sophia Children's Hospital Rotterdam, Amsterdam Neuroscience, University of Indonesia, University of Groningen, UVA Amsterdam","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"BMJ mental health","identifier":"https://doi.org/10.1136/bmjment-2023-300918","link":"https://mentalhealth.bmj.com/content/27/1/e300918","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"Southeast Asia has the highest suicide mortality worldwide. To improve our knowledge on the effectiveness of interventions for suicidal ideation (SI) in individuals with depression in Indonesia, we conducted a secondary analysis of a randomised controlled trial.\n\nObjective We explored whether an internet-based behavioural activation (BA) intervention (‘Guided Act and Feel Indonesia’ (GAF-ID)) was superior in targeting SI compared with online-delivered psychoeducation (PE).\n\nMethods In total, 313 participants were randomised between treatment allocation. The SI item of the Patient Health Questionnaire-9 was the primary outcome measure. Mediation analyses were conducted to identify if BA at week 10 mediated the relationship between intervention and SI at week 24.\n\nFindings The GAF-ID intervention was not superior in reducing SI compared with online minimal PE at week 10 (OR 0.61, 95% CI (0.37 to 1.01)), nor at week 24 (OR 0.84, 95% CI (0.47 to 1.52)). SI at week 24 was not mediated by BA at week 10 (b=−0.03, 95% CI (−0.05 to 0.00), p=0.07).\n\nConclusions In individuals with depression in Indonesia, the GAF-ID intervention was not superior in reducing self-reported SI compared with PE. Also, the association between treatment condition and SI at week 24 was not mediated via BA at week 10.\n\nClinical implications This study supports the need for further research on the efficacy of psychological treatments targeting SI in the Southeast Asia context.","nl":"Zuidoost-Azië kent wereldwijd de hoogste suïcidesterfte. Om onze kennis over de effectiviteit van interventies voor suïcidale gedachten (SI) bij mensen met depressie in Indonesië te verbeteren, hebben we een secundaire analyse uitgevoerd van een gerandomiseerde gecontroleerde studie.\n\nDoelstelling Wij onderzochten of een op internet gebaseerde gedragsactiveringsinterventie (BA) ('Guided Act and Feel Indonesia' (GAF-ID)) beter was in het richten op SI vergeleken met online aangeboden psycho-educatie (PE).\n\nMethoden : In totaal werden 313 deelnemers gerandomiseerd naar behandeltoewijzing. Het SI-item van de Patient Health Questionnaire-9 was de primaire uitkomstmaat. Er werden mediatieanalyses uitgevoerd om te bepalen of BA in week 10 de relatie tussen interventie en SI in week 24 mediëerde.\n\nBevindingen De GAF-ID-interventie was niet superieur in het verminderen van SI vergeleken met online minimale PE in week 10 (OR 0,61, 95% BI (0,37 tot 1,01)), noch in week 24 (OR 0,84, 95% BI (0,47 tot 1,52)). SI in week 24 werd niet gemedieerd door BA in week 10 (b=−0,03, 95% BI (−0,05 tot 0,00), p=0,07).\n\nConclusies : Bij personen met depressie in Indonesië was de GAF-ID-interventie niet superieur in het verminderen van zelfgerapporteerde SI vergeleken met PE. Bovendien werd de associatie tussen behandelconditie en SI in week 24 niet gemedieerd via BA in week 10.\n\nKlinische implicaties Deze studie onderstreept de noodzaak voor verder onderzoek naar de doeltreffendheid van psychologische behandelingen gericht op SI in de context van Zuidoost-Azië."},"keywords":{"en":["-"],"nl":["-"]},"region":["internationaal"],"type":["trial","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Exploring the Role of Coping Strategies on the Impact of Client Suicide: A Structural Equation Modeling Approach","authors":"Van der Hallen R, Godor BP","affiliations":"Eramus University Rotterdam","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Death and Dying","identifier":"https://doi.org/10.1177/00302228211073213","link":"https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/00302228211073213","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Client suicide refers to cases where a mental health practitioner is exposed, affected, or bereaved by a client’s suicide and is known to have a profound impact on MHPs. The current study investigated the role of coping styles in understanding short- and long-term impact of client suicide. An international sample of 213 mental health practitioners who experienced a client suicide completed a survey on coping strategies (i.e., Brief-COPE) and the impact of traumatic events (i.e., impact of event scale-revised, long-term emotional impact scale and professional practice impact scale). Results indicate coping strategies explain 51% of the short-term, 64% of the long-term emotional and 55% of the long-term professional differences in impact of client suicide. Moreover, while an Avoidant coping style predicted more impact of client suicide, Positive coping and Humor predicted less impact of client suicide. Social Support coping did not predict impact of client suicide. Implications for both research and clinical practice are discussed.","nl":"Cliëntsuïcide verwijst naar gevallen waarin een professional in de geestelijke gezondheidszorg wordt blootgesteld, getroffen of in rouw is door de suïcide van een cliënt en staat bekend om zijn diepgaande invloed op GGZ-professionals. De huidige studie onderzocht de rol van copingstijlen bij het begrijpen van de kortetermijn- en langetermijnimpact van cliëntsuïcide. Een internationale steekproef van 213 professionals in de geestelijke gezondheidszorg die een cliëntsuïcide meemaakten, vulde een enquête in over copingstrategieën (d.w.z. Brief-COPE) en de impact van traumatische gebeurtenissen (d.w.z. de impact van de gebeurtenisschaal - herzien, de emotionele impactschaal op lange termijn en de impactschaal voor professionele praktijk). De resultaten geven aan dat copingstrategieën 51% van de kortetermijnverschillen, 64% van de emotionele impact op lange termijn en 55% van de professionele verschillen op lange termijn in de impact van cliëntsuïcide verklaren. Bovendien voorspelde een vermijdende copingstijl meer impact van cliëntsuïcide, terwijl positieve coping en humor minder impact van cliëntsuïcide voorspelden. Sociale steuncoping voorspelde de impact van cliëntsuïcide niet. Implicaties voor zowel onderzoek als de klinische praktijk worden besproken."},"keywords":{"en":["patient suicide","bereavement","clinicians","coping","therapy"],"nl":["suïcide van een patiënt","rouw","clinici","omgaan met de situatie","therapie"]},"region":["nationaal","internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":["any"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":[],"subCategories":["prevbeh_nvt"]}},{"title":"Suicidal behavior in ADHD: the role of comorbidity, psychosocial adversity, personality and genetic factors","authors":"Ziegler GC, Groß S, Boreatti A, Heine M, McNeill RV, Kranz TM, Romanos M, Jacob CP, Reif A, Kittel-Schneider S, Lesch KP","affiliations":"University of Würzburg, University Hospital Frankfurt, Medius Hospital of Kirchheim, Fraunhofer Institute for Translational Medicine and Pharmacology ITMP, University College Cork, Maastricht University","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Discover Mental Health","identifier":"https://doi.org/10.1007/s44192-024-00103-3","link":"https://link.springer.com/article/10.1007/s44192-024-00103-3","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Adult ADHD is associated with increased risk for suicide attempts, as indicated by investigations of population- and community-based cohorts. However, there is little data regarding suicide attempts in a clinical setting. To address this, we used a comprehensively phenotyped clinical adult ADHD (aADHD) cohort to assess to which extent comorbidity, psychosocial adversity, personality, and ADHD symptoms contribute to suicidal behavior in ADHD. Furthermore, we investigated a triallelic variation in the serotonin transporter-linked polymorphic region (5-HTTLPR), which has previously been associated with suicidal behavior. Depression, substance use, eating, and posttraumatic stress disorders were independently associated with past suicide attempts, whereas anxiety, somatoform, and obsessive–compulsive spectrum disorders showed no association. Pulmonary diseases also showed an association with suicidal behavior. Psychosocial factors including occupational status, marital status/living situation, externalizing behavior and psychiatric family history were strongly associated with past suicide attempts. ADHD symptoms of inattention and hyperactivity/impulsivity were not associated with past suicide attempts after adjustment for psychiatric comorbidity and psychosocial adversity. However, the personality trait of neuroticism fully mediated the association between depression and suicidal behavior. 5-HTTLPR was not associated with suicidal behavior, but an interaction with ADHD symptoms and subtype was found. Our data suggest that psychiatric comorbidity and psychosocial adversity are key factors for suicidal behavior in aADHD, with neuroticism representing a critical mediator of the association between depression and suicidality. Further research, preferentially with longitudinal study designs is needed to better understand causal factors for suicidal behavior to enable effective preventive action.","nl":"ADHD bij volwassenen wordt geassocieerd met een verhoogd risico op suïcidepogingen, zoals blijkt uit onderzoek van populatie- en gemeenschapsgebaseerde cohorten. Er zijn echter weinig gegevens over suïcidepogingen in een klinische setting. Om dit te onderzoeken, gebruikten we een uitgebreid gefenotypeerd klinisch ADHD-cohort voor volwassenen (aADHD) om te beoordelen in hoeverre comorbiditeit, psychosociale problemen, persoonlijkheid en ADHD-symptomen bijdragen aan suïcidaal gedrag bij ADHD. Bovendien onderzochten we een triallele variatie in de serotoninetransporter-gelinkte polymorfe regio (5-HTTLPR), die eerder in verband is gebracht met suïcidaal gedrag. Depressie, middelengebruik, eetstoornissen en posttraumatische stressstoornissen waren onafhankelijk geassocieerd met eerdere suïcidepogingen, terwijl angststoornissen, somatoforme stoornissen en obsessief-compulsieve stoornissen geen verband vertoonden. Longziekten vertoonden ook een verband met suïcidaal gedrag. Psychosociale factoren, waaronder beroepsstatus, burgerlijke staat/woonsituatie, externaliserend gedrag en psychiatrische familiegeschiedenis, waren sterk geassocieerd met eerdere suïcidepogingen. ADHD-symptomen van aandachtstekort en hyperactiviteit/impulsiviteit bleken niet geassocieerd met eerdere suïcidepogingen na correctie voor psychiatrische comorbiditeit en psychosociale problemen. De persoonlijkheidstrek neuroticisme medieerde echter volledig de associatie tussen depressie en suïcidaal gedrag. 5-HTTLPR was niet geassocieerd met suïcidaal gedrag, maar er werd wel een interactie met ADHD-symptomen en -subtype gevonden. Onze gegevens suggereren dat psychiatrische comorbiditeit en psychosociale problemen sleutelfactoren zijn voor suïcidaal gedrag bij ADHD, waarbij neuroticisme een cruciale bemiddelaar is in de associatie tussen depressie en suïcidaliteit. Verder onderzoek, bij voorkeur met longitudinale onderzoeksopzetten, is nodig om de causale factoren voor suïcidaal gedrag beter te begrijpen en zo effectieve preventieve maatregelen mogelijk te maken."},"keywords":{"en":["ADHD","Mental Disorder","Personality Disorder","Psychiatric Disorder","Psychopathology","Psychiatry"],"nl":["ADHD","psychische stoornis","persoonlijkheidsstoornis","psychiatrische stoornis","psychopathologie","psychiatrie"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["poging","ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","etiologie_bio","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Peer specialists and mental health nurses who work with patients who are suicidal: A comparative interview study","authors":"Bergen DDV, Henseler T","affiliations":"University of Groningen","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Nursing Studies Advances","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.ijnsa.2024.100285","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2666142X24001127?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"In the field suicide prevention, knowledge about the involvement and approaches of peer specialists is scarce, prompting an examination of their potential unique contributions compared to what mental health nurses offer.\nObjectives\nWe compared perspectives of peer specialists, mental health nurses, and patients with suicidal thoughts) on: 1) ‘causes’ of suicidality, 2) essential skills, insights, and interactions in working with patients who feel suicidal; and 3) beneficial approaches for reducing suicidality.\nDesign\nQualitative interviews with three types of informants were analysed thematically using the Constant Comparative Method. The samples, all from the Netherlands, consisted of 19 peer specialists with a history of suicidality, 18 mental health care nurses, and seven patients with suicidality who had been in contact with both peer specialists and mental health nurses.\nResults\nAll three groups viewed suicidality as a prolonged process driven by problematic situations and thoughts, primarily to escape life rather than die. All groups found the following important: suicide literacy (i.e., knowing what it means to be suicidal and what is optimal suicide care), empathy, and understanding. Patients, however, felt peer specialists showed greater unconditional empathy than nurses, likely because nurses focused on risk assessment and safety. Patients also found peer specialists more convincing in promoting recovery from suicidality than nurses, with their lived experiences serving as powerful examples.\nConclusion\nBoth mental health care nurses and peer specialists articulated suicide literacy and understood the relevance of empathy and genuine listening in caring for patients who feel suicidal. Nevertheless, in practice, nurses are less often experienced as empathic by patients and do not always abide by shared decision making (due to prioritising risk- and safety assessment). Through their own previous suicidal crises, peer specialists are unique in their ability to break down hierarchical barriers with authentic empathetic support.","nl":"Op het gebied van suïcidepreventie is er weinig kennis over de betrokkenheid en de aanpak van peer-specialisten. Daarom is het belangrijk om te kijken naar hun mogelijke, unieke bijdrage in vergelijking met wat verpleegkundigen in de geestelijke gezondheidszorg te bieden hebben.\nDoelstellingen\nWe vergeleken de perspectieven van peer-specialisten, psychiatrisch verpleegkundigen en patiënten met suïcidale gedachten over: 1) 'oorzaken' van suïcidaliteit, 2) essentiële vaardigheden, inzichten en interacties in het werken met patiënten die suïcidaal zijn; en 3) nuttige benaderingen voor het verminderen van suïcidaliteit.\nOntwerp\nKwalitatieve interviews met drie soorten informanten werden thematisch geanalyseerd met behulp van de Constant Comparative Method. De steekproeven, allemaal afkomstig uit Nederland, bestonden uit 19 peerspecialisten met een geschiedenis van suïcidaliteit, 18 GGZ-verpleegkundigen en zeven patiënten met suïcidaliteit die contact hadden gehad met zowel peerspecialisten als GGZ-verpleegkundigen.\nResultaten\nAlle drie de groepen beschouwden suïcidaliteit als een langdurig proces, gedreven door problematische situaties en gedachten, voornamelijk om aan het leven te ontsnappen in plaats van te sterven. Alle groepen vonden de volgende aspecten belangrijk: suïcidale geletterdheid (d.w.z. weten wat het betekent om suïcidaal te zijn en wat optimale suïcidale zorg is), empathie en begrip. Patiënten vonden echter dat peer-specialisten meer onvoorwaardelijke empathie toonden dan verpleegkundigen, waarschijnlijk omdat verpleegkundigen zich richtten op risicobeoordeling en veiligheid. Patiënten vonden peer-specialisten ook overtuigender in het bevorderen van herstel van suïcidaliteit dan verpleegkundigen, waarbij hun persoonlijke ervaringen als krachtige voorbeelden dienden.\nConclusie\nZowel verpleegkundigen in de geestelijke gezondheidszorg als peerspecialisten hadden een sterke suïcidale geletterdheid en begrepen het belang van empathie en oprecht luisteren in de zorg voor patiënten met suïcidale gedachten. Desondanks worden verpleegkundigen in de praktijk minder vaak als empathisch ervaren door patiënten en houden ze zich niet altijd aan gedeelde besluitvorming (doordat ze prioriteit geven aan risico- en veiligheidsbeoordeling). Door hun eigen eerdere suïcidale crises zijn peerspecialisten uniek in hun vermogen om hiërarchische barrières te slechten met authentieke empathische ondersteuning."},"keywords":{"en":["Suicidal behavior","Peer specialists","Mental health nurses","Peer support","Suicide prevention"],"nl":["Suïcidaal gedrag","Peerspecialisten","Verpleegkundigen in de geestelijke gezondheidszorg","Peerondersteuning","Suïcidepreventie"]},"region":["nationaal"],"type":["kwalitatief"],"setting":["healthcareworkers"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["etiologie","preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_psych","etiologie_soc","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Symptoms of a feather flock together? An exploratory secondary dynamic time warp analysis of 11 single case time series of suicidal ideation and related symptoms.","authors":"de Beurs D, Giltay EJ, Nuij C, O'Connor R, de Winter RFP, Kerkhof A, van Ballegooijen W, Riper H","affiliations":"UVA, UMC Leiden, VU Amsterdam, University of Glasgo, Maastricht University","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Behaviour Research and Therapy","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.brat.2024.104572","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0005796724000998?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["depresssief"],"abstract":{"en":"Suicidal ideation fluctuates over time, as does its related risk factors. Little is known about the difference or similarities of the temporal patterns. The current exploratory secondary analysis examines which risk symptoms have similar time dynamics using a mathematical algorithm called dynamic time warping (DTW). Ecological momentary assessment data was used of 11 depressed psychiatric outpatients with suicidal ideation who answered three daytime surveys at semi-random sampling points for a period of three to six months. Patients with 45 assessments or more were included. Results revealed significant inter-individual variability in symptom dynamics and clustering, with certain symptoms often clustering due to similar temporal patterns, notably feeling sad, hopelessness, feeling stuck, and worrying.\nThe directed network analyses shed light on the temporal order, highlighting entrapment and worrying as symptoms strongly related to suicide ideation. Still, all patients also showed unique directed networks. While for some patients changes in entrapment directly preceded change in suicide ideation, the reverse temporal ordering was also found. Relatedly, within some patients, perceived burdensomeness played a pivotal role, whereas in others it was unconnected to other symptoms. The study underscores the individualized nature of symptom dynamics and challenges linear models of progression, advocating for personalized treatment strategies.","nl":"Suïcidale gedachten fluctueren in de tijd, evenals de bijbehorende risicofactoren. Er is weinig bekend over de verschillen of overeenkomsten tussen de temporele patronen. De huidige exploratieve secundaire analyse onderzoekt welke risicosymptomen een vergelijkbare tijdsdynamiek hebben met behulp van een wiskundig algoritme genaamd dynamische tijdsvervorming (DTW). Er werd gebruikgemaakt van ecologische momentopnamegegevens van 11 depressieve psychiatrische poliklinische patiënten met suïcidale gedachten die drie tot zes maanden lang deelnamen aan drie enquêtes overdag op semi-random steekproefmomenten. Patiënten met 45 of meer beoordelingen werden geïncludeerd. De resultaten toonden significante interindividuele variabiliteit in symptoomdynamiek en clustering, waarbij bepaalde symptomen vaak clusterden als gevolg van vergelijkbare temporele patronen, met name gevoelens van verdriet, hopeloosheid, vastzitten en piekeren.\nDe gerichte netwerkanalyses werpen licht op de temporele volgorde en benadrukken beknelling en piekeren als symptomen die sterk verband houden met suïcidale gedachten. Toch vertoonden alle patiënten ook unieke gerichte netwerken. Hoewel bij sommige patiënten veranderingen in beknelling direct voorafgingen aan veranderingen in suïcidale gedachten, werd ook de omgekeerde temporele volgorde gevonden. Bij sommige patiënten speelde de ervaren last een cruciale rol, terwijl deze bij anderen niet verband hield met andere symptomen. De studie onderstreept het geïndividualiseerde karakter van de symptoomdynamiek en stelt lineaire modellen van progressie ter discussie, en pleit voor gepersonaliseerde behandelstrategieën."},"keywords":{"en":["Suicide","Ecological momentary assessment","Dynamic time warp analysis","Complexity science"],"nl":["Suïcide","ecologische momentopname","dynamische tijdvervormingsanalyse","complexiteitswetenschap"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["adult"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Effectiveness of Attachment-Based Family Therapy for Suicidal Adolescents and Young Adults: A Systematic Review and Meta-Analysis","authors":"Schulte-Frankenfeld PM, Breedvelt JJF, Brouwer ME, van der Spek N, Bosmans G, Bockting CL","affiliations":"UVA, University Berlin, King's College London, KU Leuven","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Clinical psychology in Europe","identifier":"https://doi.org/10.32872/cpe.13717","link":"https://cpe.psychopen.eu/index.php/cpe/article/view/13717","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"Background: Suicide is a leading cause of death among adolescents and young adults. While only few evidence-based treatments with limited efficacy are available, family processes have recently been posed as a possible alternative target for intervention. Here, we review the evidence for Attachment-Based Family Therapy (ABFT), a guideline-listed treatment targeting intrafamilial ruptures and building protective caregiver-child relationships. Method: PubMed, PsycINFO, Embase, and Scopus were searched for prospective trials on ABFT in youth published up until November 6th, 2023, and including measures of suicidality. Results were independently screened by two researchers following PRISMA guidelines. Risk of bias was assessed using the Cochrane RoB-2 framework. A random effects meta-analysis was conducted on suicidal ideation and depressive symptoms post-intervention scores in randomized-controlled trials (RCTs). Results: Seven articles reporting on four RCTs (n = 287) and three open trials (n = 45) were identified. Mean age of participants was Mpooled = 15.2 years and the majority identified as female (~80%). Overall, ABFT was not significantly more effective in reducing youth suicidal ideation, gpooled = 0.40, 95% CI [-0.12, 0.93], nor depressive symptoms, gpooled = 0.33, 95% CI [-0.18, 0.84], compared to investigated controls (Waitlist, (Enhanced) Treatment as Usual, Family-Enhanced Nondirective Supportive Therapy). Conclusion: Evidence is strongly limited, with few available trials, small sample sizes, high sample heterogeneity, attrition rates, and risk of bias. While not generally superior to other treatments, ABFT might still be a clinically valid option in specific cases and should be further investigated. Clinicians are currently recommended to apply caution when considering ABFT as stand-alone intervention for suicidal youth and to decide on a case-by-case basis.","nl":"suïcide is een belangrijke doodsoorzaak onder adolescenten en jongvolwassenen. Hoewel er slechts enkele evidence-based behandelingen met beperkte werkzaamheid beschikbaar zijn, worden familieprocessen recentelijk naar voren geschoven als een mogelijk alternatief doelwit voor interventie. Hier bekijken we het bewijs voor Attachment-Based Family Therapy (ABFT), een in richtlijnen vermelde behandeling gericht op intrafamiliale breuken en het opbouwen van beschermende verzorger-kindrelaties. Methode: PubMed, PsycINFO, Embase en Scopus werden doorzocht naar prospectieve studies over ABFT bij jongeren die tot 6 november 2023 waren gepubliceerd en die metingen van suïcidaliteit bevatten. Resultaten werden onafhankelijk gescreend door twee onderzoekers volgens de PRISMA-richtlijnen. Het risico op bias werd beoordeeld met behulp van het Cochrane RoB-2-raamwerk. Een meta-analyse van random effects werd uitgevoerd op suïcidale gedachten en depressieve symptomen post-interventiescores in gerandomiseerde gecontroleerde studies (RCT's). Resultaten: Er werden zeven artikelen geïdentificeerd die rapporteerden over vier RCT's ( n = 287) en drie open onderzoeken ( n = 45). De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was M gepoold = 15,2 jaar en de meerderheid werd geïdentificeerd als vrouw (~80%). Over het algemeen was ABFT niet significant effectiever in het verminderen van suïcidale gedachten bij jongeren, g gepoold = 0,40, 95% BI [-0,12, 0,93], noch depressieve symptomen, g gepoold = 0,33, 95% BI [-0,18, 0,84], vergeleken met de onderzochte controles (Waitlist, (Enhanced) Treatment as Usual, Family-Enhanced Nondirective Supportive Therapy). Conclusie: Het bewijs is sterk beperkt, met weinig beschikbare onderzoeken, kleine steekproefgroottes, hoge steekproefheterogeniteit, uitvalpercentages en een risico op bias. Hoewel ABFT over het algemeen niet superieur is aan andere behandelingen, kan het in specifieke gevallen nog steeds een klinisch geldige optie zijn en moet het verder worden onderzocht. Momenteel wordt artsen aangeraden voorzichtig te zijn met het overwegen van ABFT als op zichzelf staande interventie voor suïcidale jongeren en om per geval een beslissing te nemen."},"keywords":{"en":["suicide","suicidal thoughts","adolescents","young adults","psychotherapy","family therapy"],"nl":["suïcide","suïcidale gedachten","adolescenten","jongvolwassenen","psychotherapie","gezinstherapie"]},"region":["nvt"],"type":["review","meta","kwantitatief"],"setting":["ggz"],"age":["young"],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Diligent for better or worse: Conscientiousness is associated with higher likelihood of suicidal behavior and more severe suicidal intent in later life","authors":"Szücs A, Galfalvy H, Alessi MG, Kenneally LB, Valderas JM, Maier AB, Szanto K","affiliations":"VU Amsterdam, Columbia University, University of North Carolina at Charlotte, Virginia Consortium Program in Clinical Psychology, National University of Singapore, VU Amsterdam, University of Pittsburgh","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Comprehensive Psychiatry","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.comppsych.2024.152523","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0010440X24000749?via%3Dihub","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Contradictory findings link trait conscientiousness in mid- and late life to increased healthspan and lifespan, as well as to death by suicide. It remains unclear whether conscientiousness is associated with higher odds of attempting suicide or with more severe suicidal behavior among attempters, and whether its relationship to suicide risk varies with aging-related stressors, such as declining health.\nMethods\nIn this cross-sectional study comprising 313 depressed adults aged ≥40 years and participating in the Longitudinal Research Program in Late-Life Suicide (Pittsburgh, USA), we employed logistic and linear regression to test whether conscientiousness was associated with the presence of recent suicidal behavior (≤2 years) and with intent severity in recent attempters (n = 84). We further tested whether the above relationships varied based on mental, cognitive, and physical health status, measured as depression severity, cognitive functioning, and the presence/absence of severe physical illness.\nResults\nParticipants were 62.1 years old on average (SD = 7.6), 85% White, and 53% female. Recent attempters had a mean age of 61.8 years at their most recent attempt (SD = 8.5), had lower cognitive functioning and were more likely severely physically ill than comparisons. Conscientiousness was positively associated with a higher likelihood of recent suicidal behavior overall (adjusted OR = 1.44, 95% CI = 1.09, 1.90, p = .010), but not in case of co-occurring severe physical illness (interaction OR = 0.54, 95% CI = 0.30, 0.97, p = .039). Conscientiousness was also positively associated with suicidal intent at the most recent attempt (adjusted β = 1.60, SE = 0.62, p = .012), explaining 7% of its variance, although this association lost significance after adjusting for other personality dimensions.\nConclusions\nHighly conscientious middle-aged and older adults may be at increased risk of resolute suicidal behavior, although conscientiousness may not confer additional suicide risk among those severely physically ill.","nl":"Tegenstrijdige bevindingen koppelen consciëntieusheid op middelbare en latere leeftijd aan een langere gezondheids- en levensduur, en aan overlijden door suïcide. Het blijft onduidelijk of consciëntieusheid gepaard gaat met een hogere kans op suïcidepogingen of met ernstiger suïcidaal gedrag onder suïcidisten, en of de relatie met het suïciderisico varieert met stressoren gerelateerd aan veroudering, zoals een afnemende gezondheid.\nMethoden\nIn deze cross-sectionele studie, waaraan 313 depressieve volwassenen van 40 jaar en ouder deelnamen en die deelnamen aan het Longitudinal Research Program in Late-Life Suicide (Pittsburgh, VS), gebruikten we logistieke en lineaire regressie om te testen of consciëntieusheid geassocieerd was met de aanwezigheid van recent suïcidaal gedrag (≤2 jaar) en met de ernst van de intentie bij recente suïcidepogingen ( n  = 84). Verder testten we of de bovengenoemde relaties varieerden op basis van de mentale, cognitieve en fysieke gezondheidsstatus, gemeten als de ernst van de depressie, het cognitief functioneren en de aanwezigheid/afwezigheid van ernstige lichamelijke aandoeningen.\nResultaten\nDeelnemers waren gemiddeld 62,1 jaar oud (SD = 7,6), 85% blank en 53% vrouw. Recente deelnemers hadden een gemiddelde leeftijd van 61,8 jaar bij hun meest recente poging (SD = 8,5), hadden een lager cognitief functioneren en waren vaker ernstig lichamelijk ziek dan vergelijkbare personen. Consciëntieusheid was positief geassocieerd met een hogere kans op recent suïcidaal gedrag in het algemeen (gecorrigeerde OR = 1,44; 95% BI = 1,09; 1,90; p  = 0,010), maar niet in het geval van gelijktijdig optredende ernstige lichamelijke ziekte (interactie-OR = 0,54; 95% BI = 0,30; 0,97; p  = 0,039). Gewetensvolheid bleek ook positief geassocieerd te zijn met suïcidale intenties bij de meest recente poging (aangepaste β = 1,60, SE = 0,62, p  = .012), wat 7% van de variantie verklaart, hoewel deze associatie significant verloor na correctie voor andere persoonlijkheidsdimensies.\nConclusies\nZeer gewetensvolle volwassenen van middelbare leeftijd en ouderen lopen mogelijk een groter risico op resoluut suïcidaal gedrag, hoewel gewetensvolheid bij mensen met een ernstige lichamelijke ziekte mogelijk geen extra risico op suïcide met zich meebrengt."},"keywords":{"en":["Suicidal behavior Depression","Personality","Conscientiousness","Aging","Physical illness"],"nl":["Suïcidaal gedrag Depressie","Persoonlijkheid","Gewetensvolheid","Veroudering","Lichamelijke ziekte"]},"region":["internationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["nvt"],"age":["any"],"outcome":["poging","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Surviving against the odds. The impact of peer support workers on a chronically suicidal adolescent in secure residential youth care: a single case report from the Netherlands","authors":"Kaijadoe SPT, Nijhof KS, Klip H, Popma A, Scholte RHJ","affiliations":"Karakter Child and Adolescent Psychiatry University Centre Nijmegen, Radboud University Nijmegen, Reaserach Department Pluryn Nijmegen, VU Amsterdam","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"International Journal of Qualitative Studies on Health and Well-Being","identifier":"https://doi.org/10.1080/17482631.2024.2409514","link":"https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/17482631.2024.2409514","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"The use of peer support workers to support suicidal adolescents is underdeveloped. This study focuses on the effects of a one-year intervention with peer support workers on a chronically suicidal adolescent residing in a secure residential youth care facility in the Netherlands. Moreover, we explore the mechanisms that underpin the role of peer support workers in detail.\n\nMethod\nThis study employed a single case study design. We conducted seven semi-structured interviews with staff, peer support workers, and a chronically suicidal adolescent. The interviews were analysed using a thematic analysis.\n\nResults\nThe results indicate that the suicidal tendencies of the adolescent decreased significantly one year after the peer support intervention compared to the initial baseline. Working mechanisms that underpinned the peer support intervention emphasized building meaningful and trust-based relationships, providing recognition and hope, and practical support from a recovery-oriented perspective.\n\nConclusion\nThe results suggest that peer support has a beneficial impact on the adolescent and treatment teams. Peer support workers contribute to a sense of belonging and connection, coping with suicidality, rediscovering life goals, and improving adolescent self-management. Barriers and facilitators to implementing peer support workers are also discussed.","nl":"De inzet van peer support werkers ter ondersteuning van suïcidale adolescenten is onderontwikkeld. Deze studie richt zich op de effecten van een interventie van een jaar met peer support werkers op een chronisch suïcidale adolescent die verblijft in een gesloten residentiële jeugdzorgvoorziening in Nederland. Bovendien onderzoeken we de mechanismen die ten grondslag liggen aan de rol van peer support werkers in detail.\n\nMethode\nIn deze studie werd gebruikgemaakt van een single case study-ontwerp. We voerden zeven semi-gestructureerde interviews uit met personeel, peer support-medewerkers en een chronisch suïcidale adolescent. De interviews werden geanalyseerd met behulp van een thematische analyse.\n\nResultaten\nDe resultaten geven aan dat de suïcidale neigingen van de adolescent een jaar na de peer support-interventie significant afnamen in vergelijking met de initiële baseline. De werkingsmechanismen die ten grondslag lagen aan de peer support-interventie, legden de nadruk op het opbouwen van betekenisvolle en op vertrouwen gebaseerde relaties, het bieden van erkenning en hoop, en praktische ondersteuning vanuit een herstelgericht perspectief.\n\nConclusie\nDe resultaten suggereren dat peer support een positieve impact heeft op zowel de adolescent als de behandelteams. Peer supportmedewerkers dragen bij aan een gevoel van verbondenheid en verbondenheid, het omgaan met suïcidaliteit, het herontdekken van levensdoelen en het verbeteren van zelfmanagement bij adolescenten. Ook worden belemmeringen en bevorderende factoren voor de implementatie van peer supportmedewerkers besproken."},"keywords":{"en":["Suicidal adolescents","secure residential youth care","peer support workers","qualitative single case design","recovery oriented intervention"],"nl":["Suïcidale adolescenten","veilige residentiële jeugdzorg","peer support-medewerkers","kwalitatief individueel casusontwerp","herstelgerichte interventie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwalitatief","anders"],"setting":["ggz"],"age":["young"],"outcome":["ideatie","gedrag"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Secondary effects of dialectical behaviour therapy on social functioning, quality of life, and autism traits in autistic adults with suicidality","authors":"Huntjens A, van den Bosch LW, Sizoo B, Kerkhof A, Smit F, van der Gaag M","affiliations":"VU Amsterdam, Parnassia Psychiatric Institute, Dialexis, UVA","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Autism","identifier":"https://doi.org/10.1177/13623613241302875","link":"https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/13623613241302875","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["autisme"],"abstract":{"en":"The effect of psychological treatment on social functioning, quality of life and autism traits in autistic people with suicidal behaviour remains largely unknown. At six Dutch mental health centres, 123 adult outpatients with Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (5th edition) diagnosed autism spectrum condition and suicidal behaviours were randomly assigned to dialectical behaviour therapy (n = 63) or treatment as usual (n = 60) to address their suicidal behaviours. This article analysed secondary outcomes on social functioning, quality of life and autism traits. Outcomes were compared at baseline, post-treatment at 6 months, and 12-month follow-up. At post-treatment, both social functioning (p < 0.001) and quality of life (p = 0.002) were significantly improved in the treatment condition compared to the control condition and remained so at 12-month follow-up (p = 0.003; p = 0.002). Autism traits did not differ between conditions. Autistic individuals with suicidal behaviours benefit modestly from treatment with dialectical behaviour therapy in social functioning and quality of life.","nl":"Het effect van psychologische behandeling op sociaal functioneren, kwaliteit van leven en autismekenmerken bij autistische mensen met suïcidaal gedrag blijft grotendeels onbekend. In zes Nederlandse centra voor geestelijke gezondheidszorg werden 123 volwassen poliklinische patiënten met de diagnose autismespectrumstoornis en suïcidaal gedrag in het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (5e editie) willekeurig toegewezen aan dialectische gedragstherapie ( n  = 63) of behandeling zoals gebruikelijk ( n  = 60) om hun suïcidaal gedrag aan te pakken. Dit artikel analyseerde secundaire uitkomsten op sociaal functioneren, kwaliteit van leven en autismekenmerken. De uitkomsten werden vergeleken bij baseline, na behandeling na 6 maanden en na 12 maanden follow-up. Na behandeling waren zowel het sociaal functioneren ( p  < 0,001) als de kwaliteit van leven ( p  = 0,002) significant verbeterd in de behandelconditie vergeleken met de controleconditie en bleven dit bij een follow-up na 12 maanden ( p  = 0,003; p  = 0,002). Autismekenmerken verschilden niet tussen de condities. Autistische personen met suïcidaal gedrag hebben in bescheiden mate baat bij een behandeling met dialectische gedragstherapie wat betreft sociaal functioneren en kwaliteit van leven."},"keywords":{"en":["autism","autism traits","dialectical behaviour therapy","quality of life","social functioning","suicidal behaviour"],"nl":["autisme","autismekenmerken","dialectische gedragstherapie","kwaliteit van leven","sociaal functioneren","suïcidaal gedrag"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["ggz","patientcohort"],"age":["any"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_therapieen"]}},{"title":"Van woorden naar daden: (doen) wat werkt in suïcidepreventie","authors":"Gilissen R","affiliations":"113, Universiteit Leiden","affiliation113":true,"year":2025,"publicationType":"oratie","publicationJournal":"nvt","identifier":null,"link":"https://hdl.handle.net/1887/4248085","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"In this inaugural lecture, Renske Gilissen outlines what society can do to prevent suicide.","nl":"In deze oratie zet Renske Gilissen op een rij wat de samenleving allemaal kunnen doen om suïcide tegen te gaan."},"keywords":{"en":["suicide","suicide attempts","suicidality"],"nl":["suïcide","suïcidepogingen","suïcidaliteit"]},"region":["nvt"],"type":["anders"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Suicide prevention among young people: Exploring different Angles for Effective Policy and Practice","authors":"Looijmans M","affiliations":"113, VU Amsterdam","affiliation113":true,"year":2025,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"nvt","identifier":"https://doi.org/10.5463/thesis.1010","link":"https://research.vu.nl/en/publications/suicide-prevention-among-young-people-exploring-different-angles-","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"In chapter 2 we determined by means of a modified Delphi design, which suicide-related indicators are prioritized by healthcare professionals, peer specialists, and parents for monitoring the quality of care for young people with suicidal behavior (self-harm, suicidal ideation and suicide attempts) in youth mental health care. We found that participants of the Delphi rounds achieved consensus on the salience of nine suicide-related indicators: “Discussing suicidality with young person”, “Involving parents/relatives/significant others about suicidality”, “Presence of a safety plan”, “Appropriate care for each young person”, “Multidisciplinary assessment of suicidal behavior”, “Suicide prevention training of staff”, “Sudden change in behavior/symptoms”, “Risk assessment with accompanying action plan”, and “Proximity of care provider”. Chapter 3 presents the results of logistic regression analyses which were performed to describe time trends, risk factors, and risk groups associated with suicidal ideation and suicide attempts among over 100.000 students in vocational education over the past 10 years. We found that both suicidal ideation and suicide attempts have increased among students in vocational education over the past decade, with anxiety and depression being significant contributing factors. Although the results showed that females reported a higher prevalence of anxiety and depression, male students in vocational education tend to experience suicidal ideation and suicide attempts more rapidly as a result of these conditions. In chapter 4 a summary of the available scientific literature about the self-perceived needs of adolescents with suicidal behavior (self-harm, suicidal ideation and suicide attempts) is presented in the form of a scoping review. Starting our database with over 12.000 articles we finally included 29 studies from 14 predominantly Anglo countries. The identified needs of adolescents with suicidal behavior could be grouped into needs related to the following areas: the importance of connecting with other people; self-help strategies and personal growth; mental health care; school or study programs; and needs related to society in relation to the taboo on suicidal behavior. Chapter 5 describes a study in which 19 young adults with recent suicidal ideation were interviewed regarding their needs and perspectives concerning recovery and suicide prevention. The findings suggested a growing necessity for greater public awareness and understanding of suicide, providing mental health education from early stages of development, alleviating obstacles in mental health services like extended waiting periods, and strengthening informal support networks by fostering both online and offline peer interactions. Additionally, respondents underscored broader societal challenges such as the decline of social welfare, the increase of academic stress, and the influence of social media as pressing needs in the present era. In chapter 6 the additional value of young peer informants in a psychological autopsy study was assessed. Our findings revealed that peers, having personally witnessed certain events or incidents perceived as stressful for youth, were generally able to provide additional clarifications on the perspectives of parents. Additionally, siblings specifically contributed to greater detail than other peers (friends/relatives) regarding topics as family relationships and the home environment.","nl":null},"keywords":{"en":["Self-harm behavior","Quality of care","home environment","prevalence of anxiety","scoping review"],"nl":["Zelfbeschadigend gedrag","Kwaliteit van zorg","thuissituatie","prevalentie van angst","scoping review"]},"region":["nationaal"],"type":[],"setting":["nvt"],"age":["young"],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Samen Leren, Minder Suïcide Rapportage Psychosociale autopsie 2025","authors":"Balt E, Vrinzen S, Salmi S, Eikelenboom M, Mérelle S","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2025,"publicationType":"rapport","publicationJournal":"nvt","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/113%20in%20media/113rapport%20PSA.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"This report outlines the findings from the psychological autopsy, a collection of in-depth interviews with survivors of someone who died by suicide. Additionally, based on these findings, recommendations are made for possible prevention in the future.","nl":"In dit rapport worden de uitkomsten uit de psychosociale autopsie, een verzameling aan diepgaande interviews met nabestaanden van iemand die overleden is aan suïcide, op een rij gezet. Daarnaast worden er op basis van deze uitkomsten aanbevelingen gedaan voor mogelijke preventie in de toekomst."},"keywords":{"en":["suicide","bereaved"],"nl":["suïcide","nabestaanden"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief","kwalitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["prevbeh_maatschappelijk"]}},{"title":"Recording the Echoes of Suicide: Informant-based psychosocial autopsy to understand and prevent suicide in the Netherlands","authors":"Balt E","affiliations":"113, VU Amsterdam","affiliation113":true,"year":2025,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"nvt","identifier":"https://doi.org/10.5463/thesis.1007","link":"https://research.vu.nl/en/publications/recording-the-echoes-of-suicide-informant-based-psychosocial-auto","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":["youngadult"],"abstract":{"en":"The overall aim of this thesis is to report on the development and implementation a standardized psychosocial autopsy to understand and prevent suicides in the Netherlands. Chapter 2 sets off with an exploration of stakeholder perceptions and needs concerning the implementation of a standardized psychosocial autopsy in the Netherlands. Standardized herein refers to a specific, predetermined set of guiding principles and conditions relating to processes involved with the psychosocial autopsy, ranging from the interview instrument to data collection and the translation into recommendations for prevention. In the second part of this dissertation, we present findings from psychosocial autopsy studies into adolescent suicides, and railway suicides. In chapter 3 we investigated the differences in suicide-related communication between young male and female (aged under 20 years old) suicide decedents. We used a qualitative analysis technique called the ‘Constant Comparative Method’101 to investigate 798 suicide-related communication events reported in interviews concerning 35 young male and female decedents. In chapter 4 we explored the meaning of social media in the lives of the adolescents who died by suicide. Interpretative Phenomenological Analysis was performed to assess the role social media had in the lives and to the deaths of these adolescents, with particular attention to the ways in which social media use affected their wellbeing and distress. Chapter 5 reports a mixed-methods psychosocial autopsy of railway suicides. In this study, we combined data detailing the sociodemographic characteristics of all railway suicide decedents in the Netherlands from 2017 and 2021, with data from in-depth psychosocial autopsy interviews concerning 39 railway suicide decedents. We started working towards a retrospective, dynamic, cross-sectional cohort that facilitates real-time monitoring of psychosocial characteristics of suicides and allows for an analysis of time-trends and clusters in the future. Chapter 6 describes findings from the pilot study with the new, mixed-methods psychosocial autopsy of suicide in young and middle-aged people. In chapter 7, the use of Large Language Models for automated deductive coding of interview data is explored and evaluated.In chapter 8, we discuss the findings from our research that have yet received little attention in scientific literature, reflect on lessons learned, and discuss the future of the psychosocial autopsy.","nl":"Het algehele doel van dit proefschrift is om verslag te doen van de ontwikkeling en implementatie van een gestandaardiseerde psychosociale autopsie om suïcides in Nederland te begrijpen en te voorkomen. Hoofdstuk 2 begint met een verkenning van de percepties en behoeften van stakeholders met betrekking tot de implementatie van een gestandaardiseerde psychosociale autopsie in Nederland. Gestandaardiseerd verwijst hier naar een specifieke, vooraf bepaalde set van richtlijnen en voorwaarden met betrekking tot de processen die betrokken zijn bij de psychosociale autopsie, variërend van het interviewinstrument tot dataverzameling en de vertaling naar aanbevelingen voor preventie. In het tweede deel van dit proefschrift presenteren we bevindingen uit psychosociale autopsie studies naar adolescenten suïcides en spoorweg suïcides. In hoofdstuk 3 onderzochten we de verschillen in suïcidegerelateerde communicatie tussen jonge mannelijke en vrouwelijke (jonger dan 20 jaar) suïcide slachtoffers. We gebruikten een kwalitatieve analysetechniek genaamd de 'Constant Comparative Method' om 798 suïcidegerelateerde communicatiegebeurtenissen te onderzoeken die werden gerapporteerd in interviews over 35 jonge mannelijke en vrouwelijke slachtoffers. In hoofdstuk 4 onderzochten we de betekenis van sociale media in het leven van de adolescenten die door suïcide zijn overleden. Interpretatieve Fenomenologische Analyse werd uitgevoerd om de rol van sociale media in het leven en de dood van deze adolescenten te beoordelen, met bijzondere aandacht voor de manieren waarop het gebruik van sociale media hun welzijn en distress beïnvloedde. Hoofdstuk 5 rapporteert een mixed-methods psychosociale autopsie van spoorweg suïcides. In deze studie combineerden we gegevens over de sociodemografische kenmerken van alle spoorweg suïcide slachtoffers in Nederland van 2017 en 2021, met gegevens uit diepte-interviews over psychosociale autopsie betreffende 39 spoorweg suïcide slachtoffers. We begonnen te werken aan een retrospectieve, dynamische, dwarsdoorsnede cohort die real-time monitoring van psychosociale kenmerken van suïcides mogelijk maakt en in de toekomst een analyse van tijdstrends en clusters toestaat. Hoofdstuk 6 beschrijft bevindingen uit de pilotstudie met de nieuwe, mixed-methods psychosociale autopsie van suïcide bij jonge en middelbare leeftijd mensen. In hoofdstuk 7 wordt het gebruik van Large Language Models voor geautomatiseerde deductieve codering van interviewgegevens onderzocht en geëvalueerd. In hoofdstuk 8 bespreken we de bevindingen uit ons onderzoek die tot nu toe weinig aandacht hebben gekregen in de wetenschappelijke literatuur, reflecteren we op de geleerde lessen en bespreken we de toekomst van de psychosociale autopsie."},"keywords":{"en":["Mixed methods","Qualitative method","Interpretative phenomenology"],"nl":["Mixed methods","Kwalitatieve methode","Interpretatieve fenomenologie"]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_cross","kwantitatief","kwalitatief"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_soc","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Factsheet Niet-fatale Suïcidepogingen","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113, Sumona","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"nvt","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/113%20in%20media/Factsheet_pogingen_final_09042024_PDF%20(3).pdf","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"Most people who attempt to end their life (also referred to as a suicide attempt) survive the attempt. There is still limited knowledge about these non-fatal suicide attempts. In this (Dutch-language) fact sheet, we outline what is known.","nl":"De meeste mensen die een poging doen om een einde aan hun leven te maken (ofwel: een zelfmoordpoging, een \nsuïcidepoging, of een poging tot zelfdoding) overleven de poging. Over deze niet-fatale suïcidepogingen is nog \nweinig bekend. In deze (Nederlandstalige) factsheet zetten we op een rij wat wel bekend is."},"keywords":{"en":["suicide attempt"],"nl":["suïcidepoging"]},"region":["nationaal"],"type":["anders"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt"]}},{"title":"Factsheet Schulden en Zelfdoding","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113, geldfit, schuldhulpmaatje, humanitas","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"nvt","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/informatiemateriaal_2024/Factsheet%20Schulden%20en%20Zelfdoding_v2.pdf","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"In this (Dutch-language) fact sheet, we outline what is known about the relationship between debt and suicide, suicide attempts, and suicidality.","nl":"In deze (Nederlandstalige) factsheet zetten we op een rij wat er bekend is over de relatie tussen schulden en suïcide, suïcidepogingen, en suïcidaliteit."},"keywords":{"en":["debts","suicide","suicide attempt","sucididality"],"nl":["schulden","suïcide","suïcidepoging","suïcidaliteit"]},"region":["nationaal"],"type":["anders"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Factsheet Slaap en Suïcidaliteit","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113, MENTAALvitaal","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"nvt","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/infomateriaal_2025/Factsheet%20-%20Slaap%20en%20su%C3%AFcidaliteit_v2.pdf","free":false,"publicationLanguage":"nl","groups":["insomnia"],"abstract":{"en":"People who struggle with suicidality may also experience sleep problems. In this (Dutch-language) factsheet, we outline the key information about sleep and suicidality.","nl":"Mensen die kampen met suïcidaliteit kunnen ook last hebben van slaapproblemen. In deze (Nederlands-talige) factsheet zetten we de belangrijkste informatie over slaap en suïcidaliteit op een rij."},"keywords":{"en":["sleep","suicide"],"nl":["slaap","suïcide"]},"region":["nvt"],"type":["anders"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["etiologie"],"subCategories":["etiologie_psych","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Factsheet Suïcide cijfers voor het sociaaleconomisch domein","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"nvt","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/informatiemateriaal_2024/factsheets/20240821_Factsheet_sociaaleconomisch_domein.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"In this (Dutch-language) factsheet we outline the relation between suicide and various socio-economic subgroups.","nl":"In deze (Nederlandstalige) factsheet zetten we de relatie tussen suïcide en verschillende sociaaleconomische subgroepen uiteen."},"keywords":{"en":["suicide","socio-economic status"],"nl":["suïcide","sociaaleconomische status"]},"region":["nationaal"],"type":["anders"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":[]}},{"title":"Factsheet Suïcidecijfers werkgevers","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"nvt","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/infomateriaal_2025/20240313_factsheet_werkgevers.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"In this (Dutch-langauge) factsheet we outline information for employers to aid them in identifying potential suicidality among their employees.","nl":"In deze (Nederlandstalige) factsheet zetten we informatie voor werkgevers op een rij om hen te helpen bij het identificeren van mogelijke suïcidaliteit onder hun werknemers."},"keywords":{"en":["suicide","employer","employee"],"nl":["suïcide","werkgever","werknemer"]},"region":["nationaal"],"type":["anders"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Factsheet Zelfdoding en ouderen","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113, ANBO","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"nvt","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/informatiemateriaal_2024/factsheets/20240826_Factsheet_ouderen.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"Elderly people have a relatively high risk of dying by suicide. At the same time, little is known about suicide among the elderly. In this (Dutch-language) factsheet, we outline the most recent knowledge.","nl":"Ouderen hebben een relatief hoog risico om te overlijden door zelfdoding. Tegelijkertijd is er over zelfdoding bij ouderen nog weinig bekend. In deze (Nederlandstalige) factsheet zetten we de meeste recente kennis op een rij. We gebruiken het woord ‘zelfdoding’ als synoniem voor zelfmoord of suïcide."},"keywords":{"en":["suicide","elderly"],"nl":["suïcide","ouderen"]},"region":["nationaal"],"type":["anders"],"setting":["populationcohort"],"age":["old"],"outcome":["suicide","poging"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Turing and Van Gogh walk into a bar: A computational approach to suicide research","authors":"Guus Berkelmans","affiliations":"113, VU Amsterdam, Centrum Wiskunde & Informatica","affiliation113":true,"year":2023,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"nvt","identifier":"https://doi.org/10.5463/thesis.344","link":"https://research.vu.nl/files/260793188/proefschrift%20guus%20berkelmans%20-%2065015be3ace1e.pdf","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Over 700,000 people a year. That's how many people die due to suicide worldwide. It is therefore incredibly important to implement effective prevention interventiosn. However, for most of these interventions it is crucial to know which subgroups in the population to target. The first part of this thesis focuses entirely on this problem, and approaches it through the lens of big data. Using data from Statistics Netherlands we start out looking at demographic data, and whether we can identify groups of high risk by their demographic features. We find many of these groups, such as men, those of middle age, those on benefits, and those living alone. We then consider whether there are intersections of these populations that are at higher risk than you would expect if these risk factors act independently. Again we find multiple unexpected groups such as male widowers, and people with a low level of education between ages 25 and 40. We subsequently looked at medication usage, and found that a great deal of classes of medication were associated with a heightened risk of suicde. The second part focuses on the theoretical questions that arose in relation to the first part: how do you decide which features to include, is it possible to quantify dependence between observer variables? We started out designing a measure of dependence which answers the second of these questions. We showed it had a number of basic properties you would expect such a measure to have, and showed none of the reasonably commonly used measures have these properties. We then extended this to a measure of feature importance by considering how much a feature contributes to the dependency of the outcome on \"coalitions\" of features. We then examined certain basic properties and showed our notion of feature importance satisfied all of them, whereas most other feature importance methods had less than half, with none having more than 13 of the 20 properties.","nl":"Over 700.000 mensen per jaar. Dat is het aantal mensen dat wereldwijd sterft door suïcide. Het is daarom ontzettend belangrijk om effectieve preventie-interventies te implementeren. Voor de meeste van deze interventies is het echter cruciaal om te weten welke subgroepen in de bevolking je moet targeten. Het eerste deel van dit proefschrift richt zich volledig op dit probleem en benadert het door de lens van big data. Met behulp van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek beginnen we met het bekijken van demografische gegevens en of we groepen met een hoog risico kunnen identificeren aan de hand van hun demografische kenmerken. We vinden veel van deze groepen, zoals mannen, mensen van middelbare leeftijd, mensen met een uitkering en mensen die alleen wonen. Vervolgens hebben we overwogen of er kruispunten van deze populaties zijn die een hoger risico lopen dan je zou verwachten als deze risicofactoren onafhankelijk optreden. Opnieuw vinden we meerdere onverwachte groepen, zoals mannelijke weduwnaren en mensen met een laag opleidingsniveau tussen de 25 en 40 jaar. Daarna hebben we naar medicijngebruik gekeken en ontdekten we dat een groot aantal klassen van medicijnen geassocieerd werden met een verhoogd risico op suïcide. Het tweede deel richt zich op de theoretische vragen die naar voren kwamen in relatie tot het eerste deel: hoe besluit je welke kenmerken je moet opnemen, is het mogelijk om afhankelijkheid tussen observerende variabelen te kwantificeren? We begonnen met het ontwerpen van een maat voor afhankelijkheid die het tweede van deze vragen beantwoordt. We toonden aan dat het een aantal basiseigenschappen had die je van zo'n maat zou verwachten, en we toonden aan dat geen van de redelijk veelgebruikte maten deze eigenschappen had. Vervolgens breidden we dit uit tot een maat voor kenmerkbelang door te bekijken hoeveel een kenmerk bijdraagt aan de afhankelijkheid van de uitkomst op \"coalities\" van kenmerken. Vervolgens onderzochten we bepaalde basiseigenschappen en toonden we aan dat ons begrip van kenmerkbelang aan al deze eigenschappen voldeed, terwijl de meeste andere methoden voor kenmerkbelang minder dan de helft hadden, waarbij geen enkele meer dan 13 van de 20 eigenschappen had."},"keywords":{"en":["Big Data","Computational approach","Demographic Data"],"nl":["Big data","computationele aanpak","demografische data"]},"region":["nationaal"],"type":["epi","obs","obs_cross","kwantitatief","anders"],"setting":["alle_inwoners"],"age":["any"],"outcome":["suicide"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"From Words to Actions: Natural Language Processing for suicide prevention helplines","authors":"Salim Salmi","affiliations":"113, VU Amsterdam, Centrum Wiskunde & Informatica","affiliation113":true,"year":2024,"publicationType":"proefschrift","publicationJournal":"nvt","identifier":"https://doi.org/10.5463/thesis.912","link":"https://research.vu.nl/en/publications/from-words-to-actions-natural-language-processing-for-suicide-pre","free":true,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"This dissertation explores the integration of NLP and ML techniques to enhance the eﬀectiveness and eﬃciency of suicide prevention helplines. By developing and evaluating AI-driven support tools, this research aims to provide real-time assistance to counselors, improve the quality of helpline services, and gain deeper insights into the challenges faced by individuals in crisis. Chapter 2 outlines the design and development of a content-based recommender support system aimed at assisting counselors in a suicide prevention helpline. The primary motivation was to address the cognitive and emotional challenges faced by counselors during intense chat conversations. By implementing a system that provides suggestions based on previous successful interactions, the goal was to investigate the potential for improved counselor eﬃcacy. Similar interactions were found using averaged word vectors. The evaluation of this tool in a simulated environment showed that the usability of the tool was good and the retrieved suggestions were better than random suggestions, but tailored advice from a human expert still had significantly more utility. Building on the support tool developed in Chapter 2, Chapter 3 presents an evaluation of the eﬀectiveness through a randomized controlled trial. The recommender system was improved using a deep-learning method and tested in real-time counseling sessions to assess its impact on counselors’ self-eﬃcacy and the quality of their responses. While the tool did not significantly improve self-eﬃcacy scores, it was frequently used in longer, more complex conversations, suggesting its utility in challenging situations. The study highlighted the feasibility of integrating AI-assisted tools in helpline services, paving the way for future enhancements. Chapter 4 focuses on evaluating various topic modeling methods to analyze conversation data from mental health helplines. Traditional methods like LDA were compared with newer techniques such as BERTopic, which leverages sentence embeddings for better context capture. The study found that BERTopic outperformed other methods in terms of topic coherence and interpretability, especially when applied to short, context-dependent texts typical of helpline conversations. The insights gained from this analysis can help helplines better understand the issues faced by their clients and improve their services. The aim of Chapter 5 is to identify changes in conversation topics on a suicide prevention helpline during the COVID-19 pandemic. Using BERTopic, the study analyzed chat data before and after the lockdown measures were implemented. The results indicated significant shifts in conversation topics, with an increased mention expressions of gratitude towards counselors. There were decreases in mentions of specific suicide plans, however, specifically helpseekers who lived alone showed an increase in plans for suicide. These findings underscore the impact of the pandemic on mental health and the potential for monitoring of helpline conversations. Chapter 6 explores the use of AI models to classify counselor and client behaviors in the context of Motivational Interviewing (MI) during helpline chats. By training models on a coded dataset of MI sessions, the study aimed to automate the identification of counseling techniques. The deep learning model BERTje showed high accuracy in classifying MI behaviors, indicating its potential as a tool for providing feedback to counselors. This automation could enhance the monitoring of MI in online helplines and potentially boost adherence. Finally, Chapter 7 investigates which counselor utterances contribute to positive outcomes for help seekers using deep learning models. By analyzing chat logs and help seeker self-assessments, the study identified key behaviors of counselors that positively or negatively aﬀected client wellbeing. Positive aﬃrmations and expressing involvement were linked to improved scores, while the use of macros and premature conversation endings had negative eﬀects. The study highlighted the potential of ML to provide actionable insights for training counselors and enhancing the eﬀectiveness of helpline conversations.","nl":"Dit proefschrift onderzoekt de integratie van NLP (Natural Language Processing) en ML (Machine Learning) technieken om de effectiviteit en efficiëntie van suïcidepreventie hulplijnen te verbeteren. Door het ontwikkelen en evalueren van AI-gestuurde ondersteuningstools, streeft dit onderzoek ernaar om real-time assistentie te bieden aan hulpverleners, de kwaliteit van hulplijndiensten te verbeteren en diepere inzichten te verkrijgen in de uitdagingen waarmee individuen in crisis worden geconfronteerd.\n\nHoofdstuk 2 schetst het ontwerp en de ontwikkeling van een content-based aanbevelingssysteem voor ondersteuning, gericht op het assisteren van hulpverleners bij een suïcidepreventie hulplijn. De primaire motivatie was om de cognitieve en emotionele uitdagingen aan te pakken waarmee hulpverleners worden geconfronteerd tijdens intense chatgesprekken. Door een systeem te implementeren dat suggesties doet op basis van eerdere succesvolle interacties, was het doel om het potentieel voor verbeterde effectiviteit van hulpverleners te onderzoeken. Vergelijkbare interacties werden gevonden met behulp van gemiddelde woordvectoren. De evaluatie van dit hulpmiddel in een gesimuleerde omgeving toonde aan dat de bruikbaarheid van het hulpmiddel goed was en dat de opgehaalde suggesties beter waren dan willekeurige suggesties, maar dat maatwerkadvies van een menselijke expert nog steeds aanzienlijk meer nut had.\n\nVoortbouwend op het ondersteuningstool ontwikkeld in Hoofdstuk 2, presenteert Hoofdstuk 3 een evaluatie van de effectiviteit door middel van een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek. Het aanbevelingssysteem werd verbeterd met behulp van een deep-learning methode en getest in real-time begeleidingssessies om de impact ervan op het zelfvertrouwen van hulpverleners en de kwaliteit van hun reacties te beoordelen. Hoewel het hulpmiddel de zelfeffectiviteitsscores niet significant verbeterde, werd het vaak gebruikt in langere, complexere gesprekken, wat suggereert dat het nuttig is in uitdagende situaties. De studie benadrukte de haalbaarheid van het integreren van AI-ondersteunde tools in hulplijndiensten, wat de weg vrijmaakt voor toekomstige verbeteringen.\n\nHoofdstuk 4 richt zich op het evalueren van verschillende topic modeling methoden om gespreksgegevens van geestelijke gezondheids hulplijnen te analyseren. Traditionele methoden zoals LDA werden vergeleken met nieuwere technieken zoals BERTopic, die zin-inbedding gebruikt voor een betere contextuele vastlegging. De studie vond dat BERTopic andere methoden overtrof wat betreft topic coherentie en interpreteerbaarheid, vooral wanneer toegepast op korte, contextafhankelijke teksten die typisch zijn voor hulplijngesprekken. De inzichten verkregen uit deze analyse kunnen hulplijnen helpen om de problemen waarmee hun cliënten worden geconfronteerd beter te begrijpen en hun diensten te verbeteren.\n\nHet doel van Hoofdstuk 5 is om veranderingen in gespreksonderwerpen op een suïcidepreventie hulplijn tijdens de COVID-19 pandemie te identificeren. Met behulp van BERTopic analyseerde de studie chatgegevens voor en na de implementatie van lockdownmaatregelen. De resultaten gaven significante verschuivingen in gespreksonderwerpen aan, met een toename van uitdrukkingen van dankbaarheid jegens hulpverleners. Er waren afnames in vermeldingen van specifieke suïcideplannen, echter, specifiek hulpzoekers die alleen woonden, toonden een toename in plannen voor suïcide. Deze bevindingen benadrukken de impact van de pandemie op de geestelijke gezondheid en het potentieel voor monitoring van hulplijngesprekken.\n\nHoofdstuk 6 onderzoekt het gebruik van AI-modellen om het gedrag van hulpverleners en cliënten te classificeren in de context van Motiverende Gespreksvoering (MI) tijdens hulplijnchats. Door modellen te trainen op een gecodeerde dataset van MI-sessies, streefde de studie ernaar om de identificatie van begeleidingstechnieken te automatiseren. Het deep learning model BERTje toonde een hoge nauwkeurigheid in het classificeren van MI-gedragingen, wat wijst op het potentieel ervan als een tool voor het geven van feedback aan hulpverleners. Deze automatisering zou de monitoring van MI in online hulplijnen kunnen verbeteren en mogelijk de naleving kunnen verhogen.\n\nTen slotte onderzoekt Hoofdstuk 7 welke uitspraken van hulpverleners bijdragen aan positieve resultaten voor hulpzoekers met behulp van deep learning modellen. Door chatlogs en zelfbeoordelingen van hulpzoekers te analyseren, identificeerde de studie sleutelgedragingen van hulpverleners die de welzijnsscores van cliënten positief of negatief beïnvloedden. Positieve bevestigingen en het uiten van betrokkenheid werden gekoppeld aan verbeterde scores, terwijl het gebruik van macro's en voortijdige beëindiging van gesprekken negatieve effecten hadden. De studie benadrukte het potentieel van ML om actiegerichte inzichten te bieden voor het trainen van hulpverleners en het verbeteren van de effectiviteit van hulplijngesprekken."},"keywords":{"en":["Chat","Natural Language Processing","Artificial Intelligence","Motivational Interviewing","Deep Learning Model","Machine Learning","Learning Model","Behavior (Neuroscience)"],"nl":["Chat","Natuurlijke Taalverwerking","Kunstmatige Intelligentie","Motiverende Gespreksvoering","Deep Learning Model","Machine Learning","Leermodel","Gedrag (Neurowetenschap)"]},"region":["nationaal"],"type":["implementatie","kwantitatief","kwalitatief","anders"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":["ideatie"],"categories":{"mainCategories":["preventie_behandeling"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Factsheet Armoede en zelfdoding","authors":"113 Zelfmoordpreventie","affiliations":"113","affiliation113":true,"year":2025,"publicationType":"factsheet","publicationJournal":"nvt","identifier":null,"link":"https://www.113.nl/sites/default/files/113/113%20in%20media/factsheets/20250721_FS_Armoede_en_zelfdoding.pdf","free":true,"publicationLanguage":"nl","groups":[],"abstract":{"en":"Poverty is a risk factor for suicide. Social support, access to good basic facilities, and programs such as debt counseling can help people living in poverty. In this (Dutch-language) factsheet, we outline the key information about the relationship between poverty and suicide.","nl":"Armoede is een risicofactor voor zelfdoding. Sociale steun, toegang tot goede basisvoorzieningen en programma’s zoals schuldhulpverlening kunnen mensen die in armoede leven helpen. In deze (Nederlandstalige) factsheet zetten we de belangrijkste informatie over de relatie tussen armoede en zelfdoding op een rij."},"keywords":{"en":["suicide","poverty"],"nl":["suïcide","armoede"]},"region":["nationaal"],"type":["anders"],"setting":["nvt"],"age":[],"outcome":[],"categories":{"mainCategories":["nvt"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}},{"title":"Six-year course over time and predictors of suicidal ideation in depressed older patients","authors":"Zuidersma M, de Vries YA, Bogers ICHM, Rhebergen D, Oude Voshaar RC","affiliations":"University of Groningen, GGZ Centraal, Amsterdam UMC","affiliation113":false,"year":2024,"publicationType":"wetenschappelijk artikel","publicationJournal":"Journal of Affective Disorders","identifier":"https://doi.org/10.1016/j.jad.2024.10.097","link":"https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S0165032724017932?via%3Dihub","free":false,"publicationLanguage":"en","groups":[],"abstract":{"en":"Background\nIt is important to know predictors of long-term course over time of suicidal thoughts and ideation in depressed older persons.\nMethods\nIn this study, 378 depressed older persons were interviewed at baseline, and after 2 and 6 years to evaluate the presence of depressive disorder. The Inventory of Depressive Symptomatology (IDS) was administered every 6 months for 6 years. Latent Class Growth Analysis was performed on the IDS item on suicidal ideation to identify subgroups with different trajectories.\nResults\nFive subgroups with suicidal ideation trajectories were identified: 1) severe, transient (10.9 %), 2) severe, persisting (8.0 %), 3) mild, but increasing (14.9 %), 4) moderate, persisting (35.6 %), and 5) no thoughts (30.6 %). Mixed model analysis showed that trajectories were related to 6-year course of depressive symptoms. Yet, suicidal ideation or thoughts of loss of meaning of life were still present in 22.7 % and 17.4 % of those who remitted after 2 and 6 years. Independent of baseline depressive symptom severity, loneliness, childhood trauma, history of suicidal ideation or attempt, openness to experience, earlier age of depression onset, anxiety symptom severity and worse mastery predicted worse trajectories.\nLimitations\n47 % dropped out at 6-years follow-up, we did not distinguish between thoughts of death and suicide, we did not assess death by suicide.\nConclusions\nAlthough trajectories of suicidal ideation and thoughts of loss of meaning of life were strongly related to the course of depression severity, they also appear after remission. Clinicians should be vigilant for suicidal ideation or death wish, even after remission of depression.","nl":"Achtergrond\nHet is belangrijk om voorspellers te kennen voor het langetermijnverloop van suïcidale gedachten en verlies van levenszin bij ouderen met depressie.\n\nMethoden\nIn dit onderzoek werden 378 ouderen met depressie geïnterviewd bij de start, na 2 jaar en na 6 jaar om de aanwezigheid van een depressieve stoornis te evalueren. De Inventory of Depressive Symptomatology (IDS) werd elke 6 maanden afgenomen gedurende 6 jaar. Met een Latent Class Growth Analysis werd het IDS-item over suïcidale gedachten geanalyseerd om subgroepen met verschillende trajecten te identificeren.\n\nResultaten\nVijf subgroepen met suïcidale gedachten werden vastgesteld: 1) ernstig, tijdelijk (10,9 %), 2) ernstig, aanhoudend (8,0 %), 3) mild, maar toenemend (14,9 %), 4) matig, aanhoudend (35,6 %) en 5) geen gedachten (30,6 %). Gemengde modelanalyse toonde aan dat deze trajecten verband hielden met het 6-jarig beloop van depressieve symptomen. Toch waren suïcidale gedachten of gedachten aan verlies van levenszin nog aanwezig bij 22,7 % en 17,4 % van degenen die na respectievelijk 2 en 6 jaar in remissie waren. Onafhankelijk van de ernst van de depressieve symptomen bij de start, voorspelden eenzaamheid, traumatische jeugdervaringen, een voorgeschiedenis van suïcidale gedachten/pogingen, openheid voor ervaringen, begin van depressie op een jongere leeftijd, ernst van angstsymptomen en lagere mastery (beheersing) een slechter traject.\n\nBeperkingen\n47 % viel uit tijdens de 6-jarige follow-up, er werd geen onderscheid gemaakt tussen gedachten aan de dood en suïcide, en overlijden door suïcide werd niet onderzocht.\n\nConclusies\nHoewel het verloop van suïcidale gedachten en verlies van levenszin sterk samenhangt met de ernst van de depressie, komen ze ook voor na remissie. Zorgverleners moeten alert blijven op suïcidale gedachten of een doodswens, zelfs na herstel van de depressie."},"keywords":{"en":["thoughts of death","trajectories","depression","latent class growth analysis","old age psychiatry"],"nl":["Gedachten aan de dood","trajecten","depressie","latente klasse-groeianalyse","ouderenpsychiatrie."]},"region":["nationaal"],"type":["obs","obs_long","kwantitatief"],"setting":["patientcohort"],"age":["old"],"outcome":["poging","ideatie"],"categories":{"mainCategories":["prevalentie_beloop"],"subCategories":["etiologie_nvt","prevbeh_nvt"]}}]